Vierde brief aan Willem-Alexander Jan Kostwinder A jumped-up pantry boy Who never knew his place He said: 'Return the ring' He knows so much about these things (bis) (The Smiths) Moddergat, 26 augustus 1997 Beste Alexander, Het is dinsdagavond zes uur en ik zit met een wodka-sinaasappelsap op de bank. Appelepap? Nee, appeleNpap! (Maar: koninginnEdag, zonder tussen-n dus, omdat uw moeder, die ouwe bitch - volgens sommige beroepshomo's in het Neder- landse 'de enige echte Diva die we hier hebben', nou dan weet je het wel! - omdat uw moeder bij hoog en laag durft vol te houden dat er maar één koningin is.) De tijd vliegt. De tijd suist voorbij. Want het is nu op de kop af 25 dagen geleden dat ik u voor het eerst schreef en nog steeds heb ik geen boe of bah van u ontvangen. Misschien bent u in het buitenland (geweest) en heeft u het druk (gehad). 't Zou echter ook kunnen zijn dat u de toon van mijn brieven toch verkeerd heeft geïnterpreteerd en een canard verwacht. Daarom zal ik u bij dezen enkele van de dagboekfragmenten doen toekomen die ik terugvond bij het uitvlooien en wegflikkeren van Europese School-rotzooi: zodat u zelf kunt zien dat mijn wanhoop niet gespeeld maar authentiek is. Om verdere misverstanden te voorkomen, zullen we maar zeggen. Het is zaterdag 7 juni 1997; middaguur. De hitte voelt klam en drukkend aan en ik lees in de krant dat Jeff Buckley verdronken is. '"De dood van Jeff Buckley was niet het gevolg van alcohol- of drugsgebruik," verklaarde de politie. De Amerikaanse zanger werd een week geleden als vermist opgegeven, nadat hij onderweg naar de oefenruimte een duik nam in de Mississippi. Op Internet gaf zijn moeder Mary Guilbert al enkele dagen geleden te kennen dat ze niet verwachtte haar zoon "uit de rivier te zien terugkeren".' Dat stond er. En al die andere dingen. Dat hij de zoon van Tim Buckley was en zijn vader nauwelijks heeft gekend. Twee maanden voor diens dood had hij een weekend bij hem doorgebracht. In 1975 moet dat geweest zijn want 1975 was het jaar waarin Tim Buckley overleed, ik herinner me de necrologie in Muziekkrant Oor. Dat Jeff Buckley zijn spookachtige, ijle stem van zijn vader had geërfd. Dat hij in 1994 een sublieme langspeler had gemaakt, Grace, en dat hij op het punt stond om met Tom Verlaine - nog zo'n door god vergeten muzikaal genie - een tweede cd op te nemen. En ik denk aan die eindeloze zomer van 1994, het jaar dat Grace uitkwam. Melody Maker en New Musical Express, Q en Mojo en The Face - en al die andere muziekbladen die ik in die tijd las - hadden Jeff Buckley tot de sensatie van het jaar uitgeroepen. Een hele zomer lang schalde die onwezenlijke stem (de dynamiek daarin! het bereik!) door ons huis en over het grasveld. Chico vond het meteen prachtig maar Ken had bedenkingen, die was dat jaar uiterst kieskeurig in het kiezen van z'n favorieten. Die zag het voornamelijk in >Definitely Maybe van Oasis, ook uitgekomen dat jaar, net als Parklife van Blur en Unplugged in New York van Nirvana. Maar voor ons alledrie was 1994 het jaar van de terugkeer naar de popmuziek. We kochten de ene prachtige cd na de andere en maakten elkaar gek met Dummy van Portishead, Dog Man Star van Suede, American Recordings van Johnny Cash en Talking Timbuktu van Ali Farka Toure en Ry Cooder. Om maar wat te noemen. Het was ook het jaar van lange wandelingen over de kliffen en door de heuvels van South-Glamorgan en de Brecon Beacons. Van zondagmiddagen vol verveling en zeelucht in Pugsleys Pub of in zijn beergarden - de rakker bleef gewoon open na drieën en wist zich zo verzekerd van een almaar enthousiaster en talrijker cliëntèle. Het was het jaar van dope halen in the Custom House en Cardiff en gefascineerd raken door de lelijkheid van de hoeren die daarbuiten rondhingen. Van mijn gedichtenbundel Een kussen van hout, waarmee mijn literaire ontwikkeling eindelijk handen en voeten kreeg. Van tegen de klippen op drinken in een villa in Zuid-Frankrijk. 'Sometimes a man gets carried away.' Jeff Buckley zong het op de achtergrond, die hele zomer lang. In 1994 werd ik vierendertig en was ik dus bijna even oud als u geworden bent, vader. En ook was 1994 het jaar waarin mijn tweede zoontje werd geboren, in het Princess of Wales-ziekenhuis in Bridgend, één van de meest fascinerende steden van de gehele wereld. Verder was 1994 het jaar waarin ik te horen kreeg dat we niet in Groot-Brittannië konden blijven en dat ik bij voorrang op één van de Europese Scholen zou worden aangesteld. Ik raakte op drift. Alles, mijn hele bestaan, raakte op drift. En nu zit ik hier in de stilte van de nacht te schrijven: na de catastrofe, na de ramp die zich hier in België, in Moddergat heeft voltrokken. En - tenslotte - 1994 was ook het jaar waarin ik aan Regenhond begon, mijn eerste brief aan u, die mij achteraf merkwaardig onevenwichtig voorkomt, alsof ik een op hol geslagen marionet was toen ik hem schreef, maar die het mij tenminste mogelijk heeft gemaakt u te zoeken. Het is een vreemde gedachte, vader, dat je iemand kunt schrijven die niet meer leeft. Maar het is toch - hoe je het ook wendt of keert - een vorm van communicatie, van contact. 'It's never over,' zong Jeff Buckley, die hele helse en paradijselijke zomer lang. Achtentwintig was hij toen, precies even oud als zijn vader toen die per ongeluk stierf aan een giftig brouwsel van heroïne en morfine. Per ongeluk, ja. Tim Buckley verkeerde in de waan dat hij cocaïne in zijn aderen spoot. Een stom ongeluk - maar een ongeluk. Net zo'n stom ongeluk als dat van zijn zoon. En nu... Regenhond, mijn prozadebuut, verscheen in februari van dit jaar en allerlei aardige mensen hebben er aardige dingen over gezegd. Van mijn beide zoontjes kan ik me niet voorstellen dat ze er ooit NIET zijn geweest. En al is het nog steeds niet zo dat ik me nooit meer aan dwaasheden bezondig (en zal dat - ey lacen! - ook wel nooit het geval zijn ook), drinken doe ik al een jaar lang niet of nauwelijks meer. Sinds de vorige zomer ben ik dan ook vijftien kilo afgevallen. Yes! Maar betekent dat ook dat ik nu een beter of althans minder gekweld mensch ben? Ik geloof het niet. Nee, dat geloof ik toch niet. Ken is minder gaan drinken. Ook Chico 'has sobered up quite remarkably', zoals Ken door de telefoon zei. Ze zijn geloof ik samen - en met hun bescheten vrouwtjes - overeengekomen dat het mijn schuld was, allemaal. Chico & Sarah zijn al sinds oktober 'on the dole' (Ken) in Zuidoost-Azië. Als alles voorspoedig is verlopen, en waarom zou het dat niet, zijn ze gisteren op Bali met Ken & Maria herenigd. Die maken gebruik van een uitwisselingsprogramma van het Atlantic College en zullen minstens een jaar en misschien wel veel langer in Australië gaan wonen en werken. Grappig: terwijl ik dit schrijf draag ik het T-shirt met de karikatuur van Hein de Kort van een dik vet wijf in netkousen die haar vent tussen haar billen wurgt dat Chico in Amsterdam voor me heeft gekocht. En luister ik naar Kicks Joy Darkness, een tribuut aan Jack Kerouac waarop de hele New Yorkse scène eer aan hem betoont door teksten van hem voor te dragen. En het is Ken geweest die me op de grote waarde en vitaliteit van de beat poets gewezen heeft. Hij is mijn eigen Dean Moriarty. En nu ben ik verslaafd aan Amerikaanse literatuur. Aan Hemingway en Fitzgerald. Raymond Chandler en James Ellroy. Aan Charles Bukowski en John Fante. Aan Burroughs en de geweldige Hunter S. Thompson. Raymond Carver. Ginsberg en Ferlinghetti. En aan Jack Kerouac natuurlijk. Lydia Lunch in 'Bowery Blues' op Kicks Joy Darkness: 'I see shadows / dancing into doom / in love / holding tight the lovely asses of the little girls / in love with sex / showing themselves / in white undergarments / at elevated windows / hoping / for the worst / I can't take it anymore / (...) / Girls are as good as they look.' Geweldig. Briljant. Vreemd: pas nu Ken niet meer in Wales woont, pas nu heb ik het gevoel dat m'n buddy - ik moet uitkijken met dat po-pulaire toontje, ik lijk godverdomme fucking Peter Koelewijn wel ('Te gek, die gup') - werkelijk uit m'n leven verdwijnt. Dat ik het van nu af aan zelf moet doen. Wat? Alles. Ja, m'n zuipmaatjes zijn nu echt gevlogen en aan de andere kant van de wereld weer neergestort. En ik, ik hoop van harte dat het een zachte landing was. Ikzelf woon alweer twee jaar in Moddergat, provincie Antwerpen, Belgenland, en ik ben ontslagen. De zak! Over iets langer dan een maand ben ik definitief werkeloos. Voorgoed & voor altijd; o Djezieses! Anderhalve maand geleden nog heb ik gesolliciteerd bij een zusterschool van het Atlantic College, een school in Singapore. Ik mocht zelfs op gesprek komen, in London, maar ze hebben hun oog toch maar op een andere zwerver laten vallen. 'Nice to have met you, Jan.' 'Bye now, Mister Bennet.' Eerst vond ik het jammer dat ik nu niet meer met Ken en Chico op dezelfde wereldhelft verenigd zou zijn, maar op dagen als deze, dagen dat de hitte me als een natte dweil in het gezicht slaat, ben ik de goden of de sater - of wie het dan ook zijn die de wereld regeren - dankbaar. Voor eeuwig dankbaar. Want nu lopen daar de mensen met een doekje voor het gezicht, door de bosbranden in Indonesië. Zo hadden mijn zoontjes dan naar school gemoeten. 'Pappa houdt van avontuur. En wij zijn zeerovers!' En, voor wie het nog niet wist, Jeff Buckley is ook al dood. Nauwelijks dertig jaar oud en nu al hartstikke dood. 'Sometimes a man gets carried away.' Half elf 's avonds. Alien is al naar bed. Het is nu bijna helemaal donker. Het heeft vanmiddag geonweerd. En lang en zomers heftig geregend. Maar de hitte is nog steeds benauwend. Ik heb de schuifdeur dichtgeschoven en de gordijnen gesloten. Boven de tekstverwerker brandt de lamp en ik heb me geïnstalleerd met een kop koffie, een reep Côte d'Or-chocola (melk) en een glas leidingwater. Ik heb meer zin in een glas koel bier dan in koffie met leidingwater - er staan nog een paar kouwe Duvels in de kelder - maar dat kan niet, dat kan nu eenmaal niet meer. Door het koptelefoontje dat bij Thomas' discman hoort klinkt tijdloze zomeravondmuziek van J.J. Cale. Muziek die nauwelijks aanwezig en daardoor misschien zo indringend is. Zo doordringend als motregen. Vanmiddag heb ik me op Anyway the wind blows getrakteerd, een anthologie met vijftig van zijn mooiste miniatuurtjes. En nu luister ik naar de haast achteloze lyriek van zijn elektrishe gitaar en zijn fluisterstem. This man must be the coolest man on earth. Mister Cool. 'Magnolia' klinkt nog net zo onweerstaanbaar weemoedig als in de zomer van 1975, toen ik Naturally kocht, Cales eerste plaat. 'What were we saying... some summereve... makes me think of my babe... I left down in New Orleans... left down in New Orleans...' Lome drums, vette bas, warm orgeltje. Transparant, haast vloeibaar rolt de melodie uit de gitaar. Drie minuten en drieëntwintig seconden tergende perfectie van een man met een cowboyhoed en een stoppelbaard. Een man die in een caravan in de woestijn woont. 'Magnolia, you sweet thing, you're driving me ma ... I got to get back to you babe, you're the best I ever had...' Je zweeft weg en denkt aan de zomer van vorig jaar, de gelukkigste van jouw leven. Je was met drinken gestopt. De katers, de verpletterende katers was je eindelijk kwijt en je vrouw en kinderen kreeg je ervoor terug. Je dacht dat je nooit meer ongelukkig zou zijn. Wekenlang zat je aan Regenhond te werken, overdag en 's nachts - je was zo opgewonden dat je er bijna niet van kon slapen - en na anderhalve maand van schrappen en schaven maar toch voornamelijk aanvullen en bijschrijven was het boek eindelijk af (vroege versies van de oudste van de verhalen schreef je al rond 1986, 1987). 'Wat zie jij er gezond uit!' riep Leo haast geschokt toen je het boek en de tekstverwerker bij de uitgeverij kwam inleveren. 'You whisper "Good morning", so gently and naive... I come home to you babe...' Wie ook dood is, is Ronnie Lane, bassist en samen met Steve Marriot medeoprichter van The Small Faces. Stond ook in de krant vandaag. Steve Marriot overleed een paar weken voordat hij in 1991 zou optreden in St. Donat's Arts Centre. We zouden er allemaal naartoe gaan, Ken en Chico en ik en nog een paar van de gezworenen. We waren geschokt door de vroegtijdige dood van Steve Marriot en kochten alle ouwe platen van The Small Faces op cd. 'Lazy sunday afternoon, I've got no time to worry, I close my eyes and drift away...' En nu staat ook Ronnie Lane, stamgast van Ya Bloody Wanker, alweer op Petrus' poort te kloppen. Eénenvijftig is-em geworden, in de krant stond dat hij al sinds 1975 aan multi-ple sclerose leed. Ik zag Ronnie Lane in 1975 samen met de andere Faces en Rod Stewart op een vrijdagavond op tv in het jaarlijkse Grand Gala du Disque, een in- en inburgerlijk muziekprogramma dat werd gepresenteerd door de debiele Willem O' Duys. Rod Stewart droeg een belachelijk strakke glitterbroek en een belachelijk glitterjasje met opgetrokken mouwen en een blote navel en The Faces stonden erbij als een zootje ongeregeld. Een stel viezeriken met lang haar en volmaakt onverschillige smoelen, de ene filtersigaret na de andere wegkauwend terwijl ze onsterfelijke nummers als 'Maggie May' , 'Stay with me', 'You wear it well' en 'Cindy Incidentally' speelden. Nummers die ik die avond voor het eerst hoorde en die nooit meer uit mijn leven zijn verdwenen. Die avond ook besefte ik voor het eerst wat de essentie van een band is: een bende, een stel paratroopers. 'Oh Maggie I wished I'd never seen your face...' Dezelfde week nog kocht ik Ooh la la. Daar stonden 'Cindy Incidentally' en 'Handbags & Gladrags' op. Het titelnummer werd gezongen door Ronnie Wood en is waarschijnlijk het enige werkelijk ontroerende stukje muziek dat Keith Richards latere drinkmaatje en lookalike ooit heeft gemaakt. 'Poor old granddad, I laughed at all his words...' Lang geleden verkocht alweer, die plaat. Opdat ik een stukkie dope kon kopen waarschijnlijk. Of 'God save the queen' van The Sex Pistols. In het kalenderjaar 1975 werd ik vijftien. Wat ik toen heel oud vond. Onbegrijpelijk oud. Ik zat eerst in de derde en later in de vierde klas van de Mavo-afdeling van de Scholengemeenschap Noord, boven het IJ in Amsterdam. In dat jaar las ik De Avonden en Werther Nieland en De ondergang van de familie Boslowits van Gerard Reve, Terug naar Oegstgeest en Turks Fruit van Jan Wolkers, Het Mirakel van Harry Mulisch, Keefman van Jan Arends en In de Bovenkooi van Maarten Biesheuvel, De Vuilnisroos van Ben Borgart, Wierook en Tranen van Ward Ruyslinck, Het Gevaar van Jos Vandeloo en De Lotgevallen van Hugo Raes. En de meeste van de tiendelige reeks boeken over Martin Beck en Lennart Kollberg van Sjöwall & Wahloö. Ik had geen vrienden en nog nooit een vriendinnetje gehad. Op het schoolplein werd over 'tongen' en 'trekken' gesproken: ik wist niet wat het was. Ik was verliefd op mijn tien jaar oudere gitaarlerares maar die wist dat niet. Nog niet. Ik dronk nog niet en had nog nooit drugs gebruikt. Hoe snel, hoe onbegrijpelijk snel zou alles veranderen... Later zou 1975 het jaar van de onschuld blijken te zijn, het laatste jaar van de onschuld. Oh, I was once young. Oh, I was once unbelievably young! En tegenwoordig gaat iedereen maar dood. Alsof het maar niks is allemaal. Of zoiets. Dood is - tenslotte - ook de Ouwe. Bijna twintig jaar alweer. De Ouwe was de stiefvader van mijn stiefvader (ja, vaders zijn dun gezaaid in mijn familie) en een patriarch van over de honderd kilo, een gremiet met een karpatenkop en een stierennek. Ik denk vaker - en milder - aan hem dan ik ooit had gedacht. Op 7 juni, deze dag, was hij jarig, en had hij nog geleefd, dan was hij nu honderdentien en was deze middag nog steeds een Zombiemiddag geweest. Want op deze dag kwam ik altijd op zijn verjaardag toen ik nog een kind was ('Anders kom ik ook niet op de jouwe': zo kinderachtig was hij feitelijk) en de volgende dag kwam hij dan op de mijne. In 1975 kwam daaraan een bijna gewelddadig einde. Nu is het twaalf uur precies. Ik heb Alien gisteren om een verjaardagscadeautje gebietst: 'Krijg ik dan wel een cadeautje?' 'Nou, vooruit dan maar.' En ze glimlachte vergevingsgezind. (Ik had weer een stomme streek uitgehaald, door in de waan dat het een soort 06-nummer was urenlang met een sekslijn in Guinee-Bissau te bellen.) Ik heb het cadeau dan maar zelf uitgezocht en gekocht, en ik heb het laten inpakken ook en er een kaartje VAN HARTE GEFELICITEERD & NOG VELE JAREN bij laten steken. Anders is het helemaal zo onromantisch. Nu pak ik het uit, langzaam en genietend, alsof het echt een verrassing is. Het is een boek, Mijn Moordkuil van James Ellroy, de vertaling van My dark places. Wat leuk, dat wilde ik net zelf gaan kopen! Zal ik een Duvel uit de kelder halen? Toch maar beter van niet. De nacht kan beginnen. Drie uur later schrijf ik: een fijn boek, dat van Ellroy. Een verdomd fijn boek. Het gaat over de Duvel & z'n Ouwe Moer, of nee, z'n moeder was een gescheiden jonge vrouw, en schoonheid van een verpleegster in een stoffig voorstadje vol Mexicanen toen ze vermoord werd en Ellroy nog maar tien was. Het boek is volledig autobiografisch en beschrijft Ellroys obsessies, en in het algemeen: de nachtzijde van de Amerikaanse samenleving. Het gaat erover dat hij z'n moeder haatte en waarom. Dan over z'n door hemzelf lange tijd onbegrepen liefde - ook fysiek - voor haar. Over de verwarring waaraan hij door dit alles als kind en tiener ten prooi viel. Het gaat over zijn ontsporing, zijn vlucht in drank en amfetamine, in diefstal, in vrouwenondergoed en voyeurisme, in nazislogans. Het gaat erover hoe hij zijn moeder terugvond door naar haar moordenaar te gaan zoeken en over haar te schrijven. Hoe herkenbaar dit alles. De gever van het boek moet de jarige Job welhaast persoonlijk kennen, dacht ik zo. Morgen verder. En weer is het 8 juni. 8 juni van het jaar 1997 deze keer. Tien uur 's avonds. Helse hitte, slagregens, en rommeldebom. Praw! Der Himmeldonnerwetter! Maar nee, het waren geen dagen dat ik u naderde in een trein overvol verhalen... Bij een gedraineerd gemoed. Bij een verjaardag. Want op een dag word je wakker in het harde licht van een zomerochtend en ben je zevenendertig geworden. Je vrouw staat bij de deur van de slaapkamer en werpt een blik op je zoals je iemand een korst droog brood toewerpt. 'Eeh, nou, eeh... gefeliciteerd nog hè.' Alsof ze de overbuurman in de wachtkamer van de afdeling Venerische Ziekten ziet. Geen omhelzing, geen zoen. Niks. En overigens: je hebt geen overbuurman. 'Nu moet je uit bed komen,' zegt ze. En even later: 'Je zou de eetkamer toch opruimen?' 'Er moet nog gestofzogen worden,' zegt ze. 'Gestofzuigd,' zeg je. 'Of stofgezuigd,' zeg je. Poging tot kwinkslag? Of innerlijke leegte, het Zombiegevoel? 'Dat is toch geen stofzuigen,' zegt ze. Je besluit in dit levensjaar van jou toch eens een psychiater te gaan visiteren. Boodschappen halen. De honderd trappen naar het licht. De thuiskomst zo lang mogelijk uitstellen. Wodka drinken op de hoek van de straat. Taart halen: de lekkerste, vooral voor jezelf, toch. Drentelen. Je gasten zijn er al. De moeder, de stiefvader. 'Hé, wat leuk dat jullie zo vroeg zijn!' Uit de openhangende monden komt gepiep. Gebrom. Gefluit. 't Is het Zondagmiddaggevoel. Dag van verveling. Kristal van pijn. Nog een geluk dat je schoonouders niet komen vandaag. Een mooie dag vandaag. Zo vol van een ouderwets soort harmonie. Veel gesproken, weinig gezegd. Je hebt zin om je weer eens ouderwets goed op te hangen vandaag. Je daarna te laten dumpen achter de ligusterhaag. Ja, je hebt werkelijk goesting. Jullie hebben een namiddagse wandeling gemaakt. Door bos en dreef. De paden op, de lanen in! Je bent steeds langzamer gaan lopen. Je vrouw mijdt je. Als de pest. Geen omhelzing. Geen zoen. Niet sentimenteel worden. In godsnaam Jan: nu niet sentimenteel worden. Dan is het plotseling alweer veel later. Jullie zijn met de kinderen op een eskimoboerderij geweest. Of bij een druivenfokkerij. Weet jij veel: jij hebt niets gezien. Er was slechts de mist van het vergeten. En nu is het gezelschap dan neergestreken in café 't Kwakske in Peer, Paal of Reti. Men zal de maaltijd delen. Maaltijd? Maal-tijd. Je drinkt een koel glas bier om de inwendige mens te versterken en kijkt naar de letters op het flesje. C,o,r,s,e,n,d,o,n,k - Corsendonk, nen lichte. Sa! En steeds wanneer je naar de sierlijk gekalligrafeerde letters op het flesje kijkt, denk je aan Dutroux en Nihoul, aan Sabine en Laetitia, aan René Michaux die kinderstemmen in de kelders hoorde en dacht dat er een plaatje van The Beatles opstond, en aan Dutrèwe, de IJsprinses die je een veeg zou willen geven. Jawel mannen, aan zulke gedachten bezondig je je. Want het was in de abdij van Corsendonk - om de deur dat het was - dat de commissie-Dutroux vergaderde en besprak wie nu precies wie beschermde, afdekte en naaide ten tijde van de kindermoorden en nog steeds. Corsendonk, een Agnus en een Pater, nen lichte en nen donkere: het bier waarvan jij, met je toch niet geringe kennis van biersoorten en -katers, nog nooit had gehoord - zo min als van Sabine en Laetitia, An en Eefje, Loubna en Kim en al die andere Engelen in dit merkwaardige land - waarvan je nog nooit had gehoord toen je hier voor het eerst voet aan wal zette. Een tweede glas levert je een tweede giftige blik van de vrouw op. En een gespuugd: 'Ik dacht dat je niet meer dronk jij.' Maar gelukkig leeft je moeder nog, is je goeie ouwe moedertje er nog om je bij te staan: 'Dat doet-ie ook niet, maar nu is-ie jarig.' Zo is dat, nu is-em jarig, de die. En daar is voorlopig alles mee gezegd en gezwegen. Sa! Dan is het alweer 's avonds. De spanning in de lucht is tot ontlading gekomen. Na de hitte de slagregens. Het is nog steeds warm. Je zit onder een afdak en denkt aan de tropen, Suriname of zo; plaatsen waar je nooit geweest bent. Waarom eigenlijk niet? Wordt het niet eindelijk eens tijd voor zulke strapatsen? Praw! Der Himmeldonnerwetter! Toen je ouders afscheid van je hadden genomen vanavond en in de auto waren gestapt probeerde Alien alsnog je te omhelzen. Maar zo onhandig. Het bot van haar onderarm sneed als een wurgkoord in je nek. Vroeg naar bed vandaag. Morgen weer een dag. Een dag als een andere. Zomaar een dag. (...) Voor nu: een hartelijke groet van uw toegenegen onderdaan, uw Jan Kostwinder