Turnhoutsebaan Hoe ze er ook mag uitzien, deze stad, dit onheil met een ver verleden, gij kent Antwerpen aan zijn rede, van op 't Sint-Anneke-Mosselen-Linkeroever, ter hoogte van 't Vlaams Hoofd en Galgenweel. Het stemt u almaar droever, dit zinneloze wachten op de bus en op de dood. Nog staat het licht op rood. Gij ijsbeert af en aan, knoopt uw Nikes voor Ispahaan, niet ver van Wijnegems Shopping- center. Op de lange weg naar Turnhout wordt gij ongezien stokoud. Gij hebt altijd geloofd aan dat kloek formaat van de toren onzer kathedraal, zoals maximaal om de vijf seconden uw paal zich roert in zeer bestemd verlangen naar Lieve-Dames en Heren in dit bedevaartsoord van Onze Lieve Vrouw der Gemiste Kansen en Schotense volkse Poolse dansen. Stad waaruit zo menig weg wegvlucht, naar Utrecht, naar Breda, naar Vught en naar die ene halte verder. Heel ver zult gij niet komen. Bestijg dus deze bus niet zonder één handjevol met dromen en keer terug van waar gij vlucht. Er staat een zon achter iedere grijze lucht. Gij zucht? Ach nee: het is de bus, hang u gauw in een comfortabele lus. Gij zijt gezegend, want gij kunt hier schuilen als het regent. De ganzenrijder bij een beeld van Luc Jespers Mijn paard en ik wij heten beeld wij zijn boven en onder en voor en achter en links en rechts: volume. Ik bezet de ruimte dit paard is geen paard, boerenknol. Wij bewegen niet - al lijkt dat zo als u niet kijkt als u wel kijkt. Wij houden onze zege eeuwig vol. Laat ik mij uit het zadel glijden? U moet op mij niet wedden voor het keizerrijden ik heb gewonnen, van de duurzaamheid. Ik ben de prijs dit is geen ganzenkop dit is geen dons dit is brons. Joseph Beuys Als een houtblok lang genoeg buiten ligt gaat het rotten. Uit gist ontspringt houtzwam en eekhoorntjesbrood, mos, pissebedden en elfenbaard. Behandeld als het houtblok, waarvan sprake, zal ijzer roesten. Dan borrelen rosse bubbels uit het diepst van zijn ijzer-zijn op. Roest is voor ijzer wat bubbels zijn voor spa rood en eekhoorntjesbrood voor hout- blok. Elk moment is zijn geschiedenis. Scheerpijn 's Morgens gekke bekken trekken. Duivelskunsten met het mes. Achter spiegel grijnst de grijsgedraaide groupie van de fles. Nog parelt bloed op uit zijn geschaafde wangen. Nog groeit verlangen aan zijn buik. Nog broeit haar geur in sinusholten. Snuffelt aan verleden. Herinnert zich zeventien. Zwemt als vis in fuik. Verlangt naar Hof en Eden. Zijn romp voor een jong geweer, voor schroot van een peloton. Niet voor grijs gekroezel op zijn borsten, niet voor korsten van de schimmel, niet voor kapotgewrongen longen is zijn adem, maar voor gekrijs en heldenmoed. Daarvoor zijn bloed, zijn poëzie, altijd in 't zelfde bedje doodziek. Broeder onheil, zuster kwaad In hete nachten barsten duivels uit hun ei. Zij had moeten weten, dat haar bescheidenheid geen schild was tegen mij. Tegen mijn klauwen in bleek dons tussen vage rodondendrons. Ik ben de meester van haar gil. Geen ondaad die ik vannacht niet wil begaan. Wie houdt mij tegen als ik het licht uitmaak? Beloof het In Paradisum te zullen neuriën, mij aan haar stervenskramp te laven. Je kent Het Besluit. Het leven is een schoen, schop 'm uit, je wordt begraven of had je eerst iets anders willen doen? (c) Frans Roggen