Achter de ramen Yorgos Dalman Just because we're old and grey, doesn't mean we'll go away! - Old Lady Drivers - Ze kijken naar mij en lachen. Ze houden me in de gaten en wachten. Achter de gordijnen zitten zij, alle mensen bij elkaar. Dan kijken ze. En 's nachts staan ze onder het venster en zingen ze mijn naam. Er was geen leverworst bij de slager vandaag. Altijd is er leverworst. Maar nu niet. Zij weten dat ik op deze dag altijd naar de slager ga. Ze zijn mij voor geweest. Alles hebben zij voorbereid, dom zijn ze niet. Rustig hebben ze gewacht tot ik de hoek was omgeslagen en zijn toen snel met z'n allen de straat op gegaan om de maatregelen te treffen. Maatregelen die nodig zijn om mijn ondergang te verspoedigen. De kinderen mochten toekijken. Naast elkaar op de tuinhekjes gezeten, bungelend met hun benen. Konden ze er nog iets van leren, voor later. Ik ken ze, ik heb ze door. Iedere dag opnieuw. Ik zie ze gluren. Ratelende denkmachines zijn het. Schaakcomputers die de beste en meest strategische zet incalculeren. Ze stoten elkaar aan en wijzen. Kijk daar gaat hij. De ouwe man in de versleten regenjas. Die moeten we hebben. En dan knikken ze van ja. Gretig overwegen ze de mogelijkheden en overleggen op zachte toon. Intussen gaat éénieder door met het werk. Er is niets aan de hand. De dag draait zoals gewoonlijk. Met hobbelige slagen. Kijk ons eens rustig werken. Ze maaien het gras. Ze knippen de heg. Ze wandelen met de hond. Die bijt. Alles lijkt rustig. Ze groeten zelfs beleefd als ik langs hen trek. Een vriendelijke hoofdknik. Maar zie ze eens grijnzen als ik ze voorbij ben gegaan. Hoor ze lachen. Iedere dag opnieuw. Ik haal mijn huisje nooit. Vandaag zullen ze mij krijgen. Ik heb ze zien komen. Ik heb ze zien gaan. Ik was de eerste hier maar tevens alleen. De meeste lotgenoten bleven achter in de stad, in de huizen van de ouwe lui. De nauwe straatjes waar regenwater bleef liggen, de steegjes, de vooroverhellende geveltjes. De waslijnen boven de weggetjes. De gedrapeerde lakens in het zonlicht. Ze hielden ervan. Ze wilden blijven. Ik niet. Ik moest weg. Het benauwde mij. Ik moest ruimte hebben om te kunnen ademen. Een nieuwe wijk in aanbouw. Buiten de stad. Buiten de drukte. Wie de kans past neme hem. Een kaal klein huisje in een rij van vele. Een hok met een groen gazonnetje, een hekje, een boompje. Maar er was tenminste zuurstof. Er was adem, beste mensen. Het was leefbaar. Maar voor hoe lang. De enkeling die was meegegaan is er niet meer. Luister maar eens. Luister maar naar de verhalen over de oude mensen hier en hoe het hen verging. Griezelverhalen. Ze worden nog wel verteld. Op zondagmiddagen als het regent. Over de weduwe Meierbauw bijvoorbeeld. Bevroren tot op het merg. Eén karateslag was voldoende om haar te breken en in brokstukken bij het oud vuil te schuiven. Een humane dood. En wie volgt? Ik ben de laatste. Ik ben de toegang tot de nieuwe wereld. De jonge opportunisten. Ze zullen mij openrijten. Zij zullen mij uitéénscheuren. Een nieuwe generatie. Ze betreden de paden waarop hun ouders werden weggedragen. Hé, ouwe man. Rot eens op! Je gaat te traag. Schelmen! Bandieten. En dan word je vervangen. Zo gaat dat. Die dingen ontstaan, zomaar, en breiden zich vervolgens uit naar de buitenkant, zoals ook het rotten van een appel begint vanuit het klokhuis. Dat houten paaltje, dat stond daar zonet nog niet. Daar stond ginds bij die boom. Ze hebben het verplaatst opdat ik er over struikel en vallen zal. Zij zullen uit hun schuilplaatsen tevoorschijn komen en mij overmeesteren en mij uitlachen. Ik zal doen alsof ik niets in de gaten heb. Ik zal doorlopen en pas op het laatste ogenblik een stap opzij doen. Ze zullen versteld staan. Met stomheid zijn geslagen. Ik zal tijd rekken. Maar onderschat ze niet. Zij moeten daarop zijn voorbereid. Tijd hadden zij immers genoeg. Gisteravond al had ik hun ogen gevoeld. Ze waren binnen. Ik zat te schrijven. Een brief? Naar zomaar iemand. Naar het kind op de foto. Lotte.... Ze kon zo mooi lachen. Wat deed dat zwarte lintje om de lijst? Maar die ogen. De ogen die altijd aanwezig zijn en alles kunnen zien. Ze hebben geweten dat ik naar de brievenbus zou gaan. Dat gaf hen tijd om de strikken te kunnen plaatsen en dubbel te controleren. Niets is ons ontgaan. Ons bedonderen ze niet. Ze creëren smog met hun infernale machines. Ze houden de straat in een waas. Contouren verdwijnen, contrast vervaagt. Maar wij zien alles nog. We zien nog goed. De mensen die gingen. Goede mensen die het hier niet langer konden uithouden. Die terugkeerden naar de huizen van de oude lui. De weinigen die bleven stierven. Rotten weg achter hun voordeur. De straat is nagenoeg gezuiverd op een enkele grauwe vlek na en die moet verdwijnen. De massa voor al uw kale reinheid, beloven de schreeuwende gezichten. (Met veelal fel flitsend licht en snel verspringende beelden. De man spreekt tussen zijn zinnen door: doordrammerige beats. Een goedgevulde grijns. Flits! Verdwijnt.) Kijk toch eens aan. Hier wonen we. De retorische leegte pakt ons allemaal. Voor ieder huis een boompje. Voor iedere deur een grindpad en daarnaast een rozestruik met gazon. Raak het niet aan, ouwe man. Laat het zo blijven. Verander niets, ze zullen je krijgen. Er moeten meer strikken zijn, zoals daar onder die auto en in die verlaten kinderwagen en in die waterput. Ik zal op mijn hoede zijn en uitkijken. Daar, voor mij. Die man aan de overzijde van de straat, die daar langs de huizen loopt. Ik heb hem vaker gezien. Rond mijn huisje scharrelt hij met zijn koffer vol gevaren. Misschien moest ik maar rennen. Het is niet ver meer. Niets verspert nog de toegang tot mijn huisje. Het tuinpad is open terrein. Ik zal ze zien aankomen. Daar hebben zij niet aan gedacht. Ik zal mijn huissleutels vast tevoorschijn halen voor een snelle aftocht. Zij zullen mij na rennen en met stenen werpen maar ik zou een kans hebben. Ik zou het kunnen halen. Waar zijn mijn sleutels? Mijn sleutels! Zoek in alle zakken. Tast! Ze zijn weg. Die hebben zij afgenomen. Het moet bij de brievenbus gebeurd zijn. De man die tegen mij opbotste. Een spion. Ik ben buitengesloten. Ze hebben het klaargespeeld een dubbele ondergang te enscèneren. Dood op het trottoir. Besmeurd met hete pek en veren. De ellendelingen. Dienaren van de macht. Maar wat ze niet weten is dat ik een reservesleutel heb. Neen, onder de voorste tegel bij de deur. Zo voor de hand liggend dat daar vast nooit iemand opgekomen kan zijn. Blinde gevolgtrekkingen! Zij zullen ziedend zijn, de demonen met de slagtanden, de omvangrijke tentakels en de goede jobs. Maar nu niets overhaasten. Laat ze in de waan. Toon een verloren strijd. En onderwijl goed opletten. Heel goed opletten. Vroeger kende slingerpaadjes. Vroeger kende pleintjes met warmte en bezigheden. Open harten, gezeten voor hun voordeur en geleund over de balustrade van het balkon. Een hekje timmeren is nu het aanleggen van een schutting. Hoe hoger hoe beter. Glas er bovenop als het even kan. Het kind voedt de poes met zere pootjes. En dan de smog. Hij filtert de zon en schaduwen van kale boomtakken kleven aan het beton als schimmen op een wit doek. Dit alles dus in grote schreeuwerige kapitalen op oud vergeeld papier. De hele zooi in de kelder. Stapels hoog. Ruikt verdomme nog naar pis ook. Wat is het lelijk hier. Waar zijn de geluiden? Klein meisje, hij ziet je wel. Daar achter de vitrage. Mag je kijken? Mag je gluren naar de straatnar? Wil je hem zien dansen? Moet hij een vrolijk hoedje opzetten? Met belletjes en grote flappedingen? Hij danst, hier kijk! Kijk dan. Hier danst de maffe straatnar. Hier danst de maffe straatnar...oh, lucht! Lucht, ademen. Diep.... één, twee, drie! Doorlopen en rustig ademen: een heus credo is het. Er is nog zoveel mogelijk. Nu oppassen. Daar in dat gangetje staat Van Gilpers met haar zoontje. Wat kijken ze raar. Ze weten ervan. Natuurlijk. Vier jaar is dat joch. Klein en smal genoeg om 's avonds door het raam te kunnen klimmen en te stelen. Een wijde bocht maken en negeren. Dat is de zaak. Vooral niet omdraaien. Ze zullen mij nakijken en hun wapens controleren op scherpte en doelgerichtheid. Enkele jaren terug hebben zij voor het laatst toegeslagen, maar hun daad is weerzinwekkend geweest. Het was de winter van '87. De barre winter van '87 waarin de weerman de kinderen vertelde dat ze de beenwarmers van moeder aan moesten wanneer zij naar school gingen. De weduwe Meierbauw, het arme oude mens, zij woonde alleen, ginds bij die twee berken. Het was een bang mens, heel bang. De honden in de straat, de kinderen, het gespuis op de weg en in de struiken. Ze bleef thuis en kwam alleen buiten om haar boodschappen te doen. Eén maal per week. De zaterdagochtend wanneer het overal nog rustig was. Hetzelfde ritueel, jaar in en uit. Door de achterdeur. Want die voordeur was al in geen decennia opengegaan. Sleutel weg, slot stuk. Alleen de postbode maakte er nog gebruik van. De brievenbus: voor rekeningen, afschriften, waarschijnlijk ook wel dreigbrieven. En de kinderen die takjes naar binnen gooiden en blaadjes. Maar de mensen wisten wel hoe ze haar moesten krijgen. Ze hebben het hout van de grote poort achter laten rotten. Op een dag is de deur gaan verzakken en kon hij niet meer gesloten worden. De arme mevrouw Meierbauw, toen al ver in de tachtig. Hoe ze na de boodschappen zorgvuldig weer de keien voor de poort legde, uit angst dat ze 's nachts haar achtertuintje in zouden komen. Een gemakkelijke prooi was zij maar, nee, zo hebben zij het niet aangepakt. Dat was te simpel. Zij deden niets. Zij bleven weg. Alleen toeschouwen. Kijken naar de oude vrouw. Haar huis. Haar tuin. Niet veel later is alles neergehaald. Hebben ze met zijn allen in een stormachtige nacht de hele zaak omgeduwd. Niets was meer beschut. Haar tuintje een langgestrekt open terrein. En wat moest zij doen? Wie hielp haar aan nieuwe veiligheid? Tegen het einde van het jaar is zij enkele weken weggegaan. Uitrusten in een tehuis. Het was toen dat men definitief de handen inéén sloeg en zich opmaakte voor de laatste en beslissende slag. Het is zo lang geleden allemaal, en toch, ik voel nog steeds de kou. De vorst overal rondom ons, alsof het hier die ene nacht net een beetje kouder was dan elders in de wereld. De weerman had hierover niets bericht maar hij moet ervan geweten hebben, alles weet hij met zijn gevouwen handen en zijn gouden ring waar hij steeds aan draait. Beweging ginds! Een schaduw bij mijn huis. Haar figuur. Haar hoofd een beetje gebogen. Dat had Lotte vroeger al. Alsof ze de ganse dag de straat afspeurde omdat ze iets zocht. Haar ogen ....waren zo triest. Maar daar, ze verandert. Haar gezicht. De lucht trilt. Het is de postbode. Op mijn tuinpad. Wat deed hij daar? Had hij de geheime sleutel ontdekt? Ik ben verloren. Wanneer ik brand, wanneer ik met de kist en al in de rook verdwijn, moeten ze voor me de Dies Irae spelen. Laten ze dan dat in ieder geval voor mij doen. Dies Irae, dies illa, solver saeclum in favilla, teste David cum Sibylla. Het bestelbusje van de vijand. Snel er omheen. Daar zitten ze in, klaar om toe te snellen en een net te werpen. Quantis tremor est futurus, quando index est venturus, cuneta stricte discussurus. Bidt voor ons. Bidt voor de verlatenen. De weduwen. De oude vrouw Meierbauw. Ze hadden een nieuwe schutting voor haar gebouwd. Een nieuwe poort. Ik zag het gebeuren. Alles heb ik in de gaten gehouden. Betonnen funderingen, ijzeren pennen, palen, latten, een glanzende deurklink. Ja, ze hadden voor haar de grootste en sterkste poort uit de omgeving gebouwd. Het getimmer en gezaag klonk als een hymn maar het was een mis, een requiem. En zij kwam thuis, in het holst van de nacht. Taxi weer weg. Zij achterom gelopen. En toen de verstarring. Die ouwe vrouwehersenen. Niet berekend op dit soort verschrikkingen. Was het wel haar straat? Was het haar oord wel? Voor een ogenblik was zij verdwaald in het gangpad achter haar eigen huisje. Zij ziet het gevaarte. De houten poort, als vanuit de grond herrezen. En dan de verbijstering. Want voor één moment, één kortstondig ogenblik realiseert zij zich dat zij wel degelijk thuis is en dat het de mensen zijn geweest die dit voor haar hebben gedaan. Nooit heeft iemand iets voor haar gedaan. Zij was het dertiende kind in een arbeidersgezin. Er was oorlog. Zij werd uit haar moeder getrokken en ging linea recta het kolenhok ingeduwd. En nu, nu gaven de mensen haar wat zij het meest begeerde. Zo onwerkelijk. Maar toen kwam de schrik. Want o, de huichelaars, zij hadden de poort op slot gedaan en de sleutel in een mooi gekleurde enveloppe bij haar voor naar binnen gegooid. Welkom thuis, mevrouw Meierbauw! Het was nacht. Het was de winter van '87. De opzet was geslaagd. Geen blaam. Geen schuld. Een menselijke vergissing. Dat is het verhaal van de weduwe Meierbauw. Dit wordt verteld op regenachtige zondagmiddagen in de herfst, tegen de kinderen, als ze gezamenlijk rond de tafel zitten en buiten de bliksem woest om zich heen steekt. De fietser, hij komt nu mijn richting uit. De man met het uniform en de rode fietstassen. Communisten! Ze zitten overal. De man zal mij de sleutel tonen om mij te treiteren. Kijk, hij stopt voor een huis. Hij heeft de geheime papieren reeds in de aanslag. Documenten over mijn leven. Een vrouw achter de gordijnen. Ze wuiven, ze seinen. Ze kennen elkaar. Ik zal rennen. Zij zullen moeten beamen dat ik tot aan de voordeur gekomen ben. De laatste huizen schieten langs mij heen. Overal duiken gezichten op. Ik weet niets. Ren door. Het huis. Het tuinpad. Adem in, o rustig! Uit... in... die tegel, hij lijkt onaangeroerd. Maar mij houd je niet voor de gek. Ik ben oud, maar niet seniel. Dat nooit! Ik had ze wel gezien. Mensen vermomd als arbeiders van publieke werken, met zo'n grote gele wagen. Zogenaamd de lantaarnpaal controlerend op mankementen maar hem in werkelijkheid voorzien van geavanceerde elektronica om mij te kunnen bespieden. Nagels gescheurd en zwart. Handen zwart. Vingertoppen schreeuwen. De sleutel. Maar, hij ligt er nog! Hij is niet gevonden. Pak beet. Nu snel die deur open en naar binnen toe. Zie, daar komen ze al. Links Toonen en rechts die vrouw van Van Hagen. Maar ik ben ze te snel af. Snel naar binnen toe en gauw die deur dicht. Gauw. Ze zijn sneller en agressiever dan voorheen. Ze worden ongeduldig. Geen stemmen nu. Alles rustig. Het is koel hier in de hal. Mijn voet schuift over de korrels op het beton. De lege fitting boven me groet mij. Dag jongen. En de bergen post. Gaat opzij! Mij neem je niet. Raak die troep niet aan. Nooit meer. En wat is dat daar? Mijn sleutelbos. Wat doen mijn sleutels op het kastje? Bandieten! Die hebben zij daar natuurlijk neergelegd om mij te stieren. Om te laten zien hoe groot hun macht is. Om mij te tonen waartoe ze in staat zijn. Dit was slechts een schijntje. Wij nemen even gemakkelijk als dat wij geven. Straks zullen wij slechts nemen! Hun ogen, ze zijn terug. Voor mij om niet te zien. Wat is het stil hier. Snel naar de kamer. Gauw zitten en doen alsof er niets loos is. De gordijnen zijn nog gesloten. Het lijkt erop alsof er vandaag toch niemand is binnen geweest. Daarvoor ben ik nog te snel. Hun tactieken zijn nog niet perfect en dat weten zij. Ze spelen, ze bluffen en wachten af. Ziet, daar lopen ze al voorbij. Toonen, hij kijkt. Snel wegduiken. Hij keek naar binnen, door de kier. Hij zag mij op de grond zitten. Hij observeerde mijn leed en gaat nu verslag uitbrengen aan de contactpersoon. De man met de koffer. De man die langs de huizen waart. Ze zullen zich gaan mobiliseren. Het offensief gaat beginnen. Ik heb het gehaald, ook deze keer weer. Maar ze zullen terugkomen. Met versterking, met meer. Er is geen plaats voor mij en dat weten zij en daar zullen zij iets aan doen. Langzaam, systematisch, zeker. Ik zal mijn plek verdedigen maar ze zullen terugkomen en ze zullen mij krijgen.