GLOSSARIUM De hervorming van de Europese Unie A Acquis communautaire Het "acquis communautaire" (communautaire verworvenheden) betreft de gemeenschappelijke onderbouw van rechten en plichten die alle lidstaten uit hoofde van de Europese Unie bindt. Deze communautaire verworvenheden zijn grotendeels vastgelegd in het Verdrag van Rome en in de teksten ter aanvulling op dit Verdrag (Europese Akte, Verdrag betreffende de Europese Unie, enz.), alsmede in het omvangrijke afgeleide recht. Het acquis communautaire heeft met name betrekking op de interne markt en de vier vrijheden (vrij verkeer van goederen, personen, kapitaal en diensten), de gemeenschappelijke beleidsmaatregelen ter ondersteuning van deze markt (landbouwbeleid, handelsbeleid, mededingingsbeleid, vervoersbeleid, enz.), alsook op de solidariteitsmaatregelen ten behoeve van de minst begunstigde regio's en bevolkingsgroepen. De Unie heeft zich ten doel gesteld het acquis communautaire volledig te handhaven en verder te ontwikkelen. Uitzonderingen op het juridisch kader dat door het acquis communautaire wordt gevormd, zijn uitzonderlijk en hebben een beperkte reikwijdte. Zie: * Gedifferentieerde integratie * Institutioneel kader (één...) * Pijlers van de Europese Unie Agenda 2000 Agenda 2000 is een document dat op 15 juli 1997 door de Commissie werd goedgekeurd. Met dit document gaf de Commissie gehoor aan de verzoeken van de Europese Raad om een algemeen document op te stellen over de uitbreiding en de herziening van het gemeenschappelijk beleid, alsmede een mededeling over het financiële kader van de Unie na 31 december 1999. De adviezen van de Commissie over de toetredingsverzoeken zijn bij dit document gevoegd, waarin tevens wordt ingegaan op alle vraagstukken waarmee de Europese Unie aan het begin van de 21e eeuw zal worden geconfronteerd. Agenda 2000 omvat drie delen: * versterking en herziening van het beleid van de Unie, met name het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de inspanningen ten behoeve van de economische en sociale samenhang; * aanbevelingen met als doel de uitbreiding zo goed mogelijk te laten verlopen; * een nieuw financieel kader voor de periode 2000-2006. Zie: * Uitbreiding * Verdieping Akkoord van Luxemburg Het akkoord van Luxemburg (januari 1966) maakte een einde aan de zogenoemde "lege-stoelcrisis". Gedurende deze crisis, die in juli 1965 uitbrak, werden de Raadszittingen door Frankrijk geboycot. Hierbij werd een verschil van mening vastgesteld tussen enerzijds de regeringen die, ingeval zeer gewichtige nationale belangen in het geding waren, wensten dat de leden van de Raad binnen een redelijke termijn een voor hen allen aanvaardbare oplossing trachtten te vinden onder eerbiediging van hun wederzijdse belangen, en anderzijds Frankrijk dat zich uitsprak voor een voortzetting van de besprekingen totdat een unaniem akkoord was bereikt. Andere lidstaten zouden zich later achter het standpunt van Frankrijk scharen. Het Akkoord vormde geen beletsel voor de Raad om besluiten te nemen overeenkomstig het EG-Verdrag, dat in een groot aantal gevallen in besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid van stemmen voorziet. Evenmin heeft het Akkoord de leden van de Raad ervan kunnen weerhouden voort te gaan met hun inspanningen om nog voor de totstandkoming van het Raadsbesluit de standpunten nader tot elkaar te brengen. Zie: * Eenparigheid * Gekwalificeerde meerderheid * Raad van de Unie Architectuur, Europese Het gaat hierbij om het geheel van organisaties, instellingen, verdragen en gewoonten waarop de Europese ruimte is gebaseerd, teneinde in onderling overleg een oplossing te vinden voor de vraagstukken van gemeenschappelijk belang. Een belangrijk deel van deze architectuur is tot stand gebracht bij het Verdrag betreffende de Europese Unie, dat drie pijlers heeft ingevoerd : de Europese Gemeenschap (eerste pijler), het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (tweede pijler) en de samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken (derde pijler). De vraagstukken die onder de tweede en derde pijler vallen, worden door de instellingen van de Gemeenschap (Europese Raad, Raad van ministers, Commissie, Europees Parlement, ...) behandeld, maar hierbij worden procedures met een intergouvernementeel karakter gehanteerd. Zie: * Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB) * Institutioneel kader (één...) * Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ) * Pijlers van de Europese Unie Artikel 235 Achter artikel 235 gaat de gedachte van de opstellers van het Verdrag van Rome schuil, dat de bevoegdheden die in de vorm van specifieke taken (functionele bevoegdheid) worden toegewezen, weleens onvoldoende zouden kunnen zijn om doelstellingen te verwezenlijken die uitdrukkelijk in de verdragen zelf zijn vastgelegd (materiële bevoegdheid). Door middel van dit artikel kan in deze lacune worden voorzien, omdat het als volgt luidt: "indien een optreden van de Gemeenschap noodzakelijk blijkt om (...) een der doelstellingen van de Gemeenschap te verwezenlijken zonder dat dit Verdrag in de daartoe vereiste bevoegdheden voorziet, neemt de Raad met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement de passende maatregelen". Zie: * Raad van de Unie * Subsidiariteit Artikel N Artikel N van het Verdrag betreffende de Europese Unie is de rechtsgrondslag op grond waarvan een conferentie van vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten (IGC) bijeen kan worden geroepen met het oog op een herziening van de Verdragen. Artikel N bepaalt dat de regering van elke lidstaat of de Commissie ontwerpen tot een dergelijke herziening van de Verdragen aan de Raad kan voorleggen. Indien de Raad, na raadpleging van het Europees Parlement en de Commissie, een gunstig advies uitbrengt, roept de voorzitter van de Raad de conferentie bijeen. Vervolgens treden de eventuele wijzigingen in werking nadat zij door alle lidstaten, overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen, zijn bekrachtigd. In lid 2 van dit artikel wordt uitdrukkelijk bepaald dat de IGC in 1996 bijeen wordt geroepen. Dit lid zal bij de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam worden ingetrokken. Zie: * Intergouvernementele Conferentie (IGC) GLOSSARIUM De hervorming van de Europese Unie B Bemiddelingscomité In het kader van een medebeslissingsprocedure tussen de Raad en het Parlement kan het bemiddelingscomité dat in artikel 189 B, lid 4, van het Verdrag betreffende de Europese Unie is voorzien, worden ingesteld. Ingeval de Raad en het Parlement aan het einde van deze procedure geen overeenstemming hebben bereikt, wordt dit comité, dat is samengesteld uit leden van de Raad of hun vertegenwoordigers en een gelijk aantal vertegenwoordigers van het Europees Parlement, bijeengeroepen ten einde overeenstemming te bereiken over een ontwerptekst die voor beide partijen aanvaardbaar is. De eventuele ontwerptekst dient vervolgens binnen zes weken met gekwalificeerde meerderheid van stemmen in de Raad en met volstrekte meerderheid van stemmen in het Europees Parlement te worden goedgekeurd. Wanneer een van deze twee instellingen het voorgestelde besluit niet goedkeurt, wordt het geacht niet te zijn aangenomen. Zie: * Medebeslissingsprocedure, bedoeld in artikel 189B Besluit en kaderbesluit (Titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie) Deze nieuwe instrumenten van titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie (politiële en justitiële samenwerking in strafzaken) zullen na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam het gemeenschappelijk optreden vervangen. Omdat zij een dwingender karakter hebben, zullen zij zorgen voor een efficiënter optreden in het kader van de gereorganiseerde derde pijler. Het kaderbesluit zal worden gebruikt voor de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten. Het is verbindend voor de lidstaten ten aanzien van het te bereiken resultaat, doch aan de nationale instanties wordt de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen. Het besluit zal worden gebruikt voor elk ander doel dan de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten. Het is verbindend, en de Raad neemt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de maatregelen aan die nodig zijn om deze besluiten op het niveau van de Unie uit te voeren. Zie: * Gemeenschappelijk optreden * Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken * Ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid * Titel VI (JBZ) Bestrijding van de georganiseerde internationale criminaliteit en het witwassen van geld Deze beide opdrachten werden toegewezen aan de Europol-Drugseenheid, die zorgt voor de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten om tot een betere politiële en douanesamenwerking te komen. Zodra het Verdrag van Amsterdam in werking treedt, zal de bestrijding van de internationale criminaliteit worden opgenomen in de nieuwe titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Dank zij deze uitdrukkelijke vermelding zullen de lidstaten verder kunnen gaan dan een eenvoudige uitwisseling van informatie. Zij zullen immers over een specifieke rechtsgrondslag beschikken om gebruik te maken van de in het nieuwe artikel K.6 genoemde instrumenten (gemeenschappelijk standpunt, besluit, kaderbesluit en overeenkomst) en om een echt beleid tegen de internationale criminaliteit te voeren. Zie: * Europese Politiedienst (Europol) * Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ) * Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken Bestrijding van fraude De bestrijding van fraude is gebaseerd op twee rechtsgrondslagen : artikel K.1 (punt 5) van het Verdrag betreffende de Europese Unie, dat handelt over "bestrijding van fraude van internationale omvang, voor zover dit gebied niet onder de punten 7 tot en met 9 valt" (justitiële samenwerking in strafzaken, douanesamenwerking en politiële samenwerking), en artikel 209A van het EG-Verdrag, dat betrekking heeft op de maatregelen ter bestrijding van fraude ten nadele van de financiële belangen van de Europese Gemeenschap. Een overeenkomst betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen werd op 26 juli 1995 ondertekend op grond van de derde pijler van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Zij is erop gericht in het strafrecht van elke lidstaat de notie "fraude ten nadele van de financiële belangen van de Gemeenschappen" op te nemen. Het Verdrag van Amsterdam wijzigt deze twee rechtsgrondslagen. Om corruptie en fraude te bestrijden wordt opgeroepen tot "nauwere samenwerking tussen politiediensten, douaneautoriteiten en andere bevoegde autoriteiten in de lidstaten, zowel rechtstreeks als via (...) Europol" (artikel K.1 van de nieuwe titel VI) en wordt artikel 209 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap uitgebreid. Na de inwerkingtreding van het nieuwe Verdrag kunnen de Raad en het Europees Parlement volgens de medebeslissingsprocedure maatregelen aannemen op het gebied van de preventie en bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad. Zie: * Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ) * Pijlers van de Europese Unie * Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken Bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat Er bestaat geen uitdrukkelijke rechtsgrondslag voor de bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat, ook al hebben de communautaire instellingen een aantal maatregelen getroffen in het kader van het door de Europese Unie gevoerde sociaal beleid. Derhalve berustte de uitroeping van 1997 tot "Europees jaar tegen het racisme" op een gewone resolutie van de Raad en niet op een besluit; hierdoor is de organisatie van dit jaar afhankelijk van de goede wil van de lidstaten. Bij het Verdrag van Amsterdam is een rechtsgrondslag ingevoerd door de voorkoming en bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat toe te voegen aan artikel K.1 van de nieuwe titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zodat de uitwerking van een echt communautair beleid op dit gebied mogelijk wordt gemaakt. Zie: * Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ) * Non-discriminatie (beginsel van...) * Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken * Rechten van de mens Bestrijding van terrorisme In artikel K.1 wordt gezegd dat de bestrijding van terrorisme zal worden gecoördineerd door de Europese Politiedienst (Europol). De overeenkomst om Europol op te richten is echter nog altijd niet in werking getreden, zodat de politiële samenwerking op het gebied van terrorisme voor het ogenblik in handen is van een werkgroep die onder de Raad ressorteert. Zodra het Verdrag van Amsterdam in werking treedt, zal aan artikel K.1 van de nieuwe titel VI een uitdrukkelijke vermelding van de bestrijding van terrorisme worden toegevoegd, zodat de lidstaten gemeenschappelijke standpunten, besluiten, kaderbesluiten en overeenkomsten kunnen aannemen om de bestrijding van dit verschijnsel beter te coördineren. Zie: * Europese Politiedienst (Europol) * Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ) * Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken Bevoegdheden van de Europese Gemeenschap, externe De benaming van de externe bevoegdheden van de Europese Gemeenschap hangt af van de wijze waarop zij tussen de Gemeenschap en de lidstaten zijn verdeeld. De bevoegdheden zijn "exclusief" indien zij volledig door de Gemeenschap worden uitgeoefend (bijvoorbeeld het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid) en "gemengd" indien zij ten dele door de lidstaten, ten dele door de Gemeenschap worden uitgeoefend (bijvoorbeeld het vervoerbeleid). Deze typologie is vastgelegd in jurisprudentie van het Hof van Justitie en gaat terug op de leer van de impliciete bevoegdheden, op grond waarvan de externe bevoegdheid uit een bevoegdheid op het interne vlak voortvloeit. Het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap kent immers slechts in twee gevallen uitdrukkelijk externe bevoegdheden toe: het handelsbeleid (artikel 113) en de associatieakkoorden (artikel 238). Er zij op gewezen dat het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid niet onder de externe bevoegdheden van de Europese Gemeenschap valt, maar onder de externe betrekkingen van de Europese Unie, die door de intergouvernementele methode (tweede pijler) worden geregeld. De uitoefening van de externe bevoegdheden is bemoeilijkt door de uitbreiding van de activiteiten van de Gemeenschap (zoals de voltooiing van de interne markt), de ontwikkeling van de wereldhandel en een genuanceerder jurisprudentie. Bovendien brengt de uitoefening van deze bevoegdheden tegelijkertijd met zich dat in verband met de eenheid van optreden op het internationale vlak omvangrijke samenwerking en coördinatie vereist zijn. Teneinde de Gemeenschap in de gelegenheid te stellen zich aan de radicale ontwikkeling van de mondiale economische structuren aan te passen en rekening te houden met de grotere bevoegdheden die aan de Wereldhandelsorganisatie zijn toegekend zal artikel 113 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap zodra het Verdrag van Amsterdam in werking treedt, worden gewijzigd om de Raad, die met eenparigheid van stemmen besluit, in staat te stellen de toepassing van de gemeenschappelijke handelspolitiek uit te breiden tot internationale onderhandelingen en overeenkomsten betreffende diensten en intellectuele eigendom. Zie: * Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB) * Gemeenschappelijke handelspolitiek * Pijlers van de Europese Unie Burgerschap van de Unie Voorwaarde voor het burgerschap van de Unie is dat men onderdaan van één van de lidstaten is. Bijgevolg wordt elk individu dat de nationaliteit van een lidstaat heeft, beschouwd als een burger van de Unie. Naast de in het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bedoelde rechten en plichten brengt het burgerschap van de Unie vier specifieke rechten met zich: * het recht om in de gehele Unie vrij te reizen en te verblijven; * het actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen en verkiezingen voor het Europees Parlement in de staat van verblijf; * de diplomatieke en consulaire bescherming van de autoriteiten van elke lidstaat indien de lidstaat waaruit de betrokken burger afkomstig is, niet in een derde land is vertegenwoordigd; * het recht verzoekschriften in te dienen en zich tot de ombudsman te wenden. Met nadruk zij erop gewezen dat de invoering van het burgerschap van de Unie het nationale burgerschap niet vervangt, maar aanvult. Door deze complementariteit wordt de burger zich sterker en concreter bewust van zijn betrokkenheid bij de Unie. Zie: * Ombudsman, Europese * Petitierecht GLOSSARIUM De hervorming van de Europese Unie C Civiele bescherming, toerisme en energie Aan civiele bescherming, toerisme en energie is een verklaring gewijd die is gehecht aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. In een verslag wijst de Commissie erop dat de Europese Unie een aantal acties op deze drie gebieden heeft verwezenlijkt op basis van artikel 235, zulks bij gebrek aan specifieke rechtsgrondslagen. In de toekomst zou de invoering van bepalingen in het Verdrag de continuïteit en de samenhang van het communautair optreden kunnen waarborgen en dat doorzichtiger maken. Elk van deze drie sectoren vertoont echter specifieke kenmerken waarmee rekening moet worden gehouden: * hoewel het Europees energiebeleid het enige gebied is waarvoor de Europese Unie reeds over precieze rechtsinstrumenten beschikt, blijft het versnipperd over het EGKS-Verdrag en het Euratom-Verdrag enerzijds en algemene bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap anderzijds; * de acties op het gebied van toerisme, zoals het programma Philoxenia, werden tot dusverre uitgevoerd in het kader van ander beleid van de EU (milieu, vrij verkeer van personen, opleiding, ...); * op het gebied van civiele bescherming werden verschillende resoluties aangenomen, wat het resultaat was van de samenwerking tussen de lidstaten, zulks ondanks het ontbreken van een desbetreffende rechtsgrondslag. Classificatie van de uitgaven Bij de uitgaven wordt een onderscheid gemaakt tussen de uitgaven van de Unie waarvan het beginsel en de hoogte in de Verdragen, het afgeleide recht, overeenkomsten, internationale verdragen of privaatrechtelijke contracten zijn vastgelegd (de "verplichte uitgaven" - VU), en de uitgaven waarbij de begrotingsautoriteit de kredieten vrij mag vaststellen (de "niet-verplichte uitgaven" - NVU). De classificatie van de uitgaven als verplichte of uitgaven is een bron van meningsverschillen tussen de twee instellingen die de begrotingsautoriteit vormen - de Raad en het Europees Parlement - omdat alleen de NVU in laatste instantie door het Europees Parlement worden vastgesteld. Aangezien de landbouwuitgaven als VU worden beschouwd, ontsnapt meer dan 50% van de Gemeenschapsbegroting aan de controle van het Europees Parlement. Zie: * Europees Parlement * Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) * Raad van de Unie * Raadplegingsrocedure Codificatie van wetgevende teksten Bij de constitutieve of officiële codificatie gaat het om de aanneming van een nieuw rechtsbesluit dat in het Publicatieblad (L-reeks) wordt bekendgemaakt en waardoor de besluiten die het voorwerp zijn van de codificatie (basisbesluit(en) + wijzigingsbesluiten), worden samengevoegd en ingetrokken, zonder dat de kern ervan wordt gewijzigd. De constitutieve of officiële codificatie is: * verticaal : het basisbesluit en de wijzigingsbesluiten ervan worden door het nieuwe rechtsbesluit tot één nieuw besluit samengevoegd; of * horizontaal : het nieuwe rechtsbesluit voegt verscheidene vergelijkbare basisbesluiten - en de wijzigingen ervan - die betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, samen tot één nieuw besluit. Zie: * Vereenvoudiging van de wetgeving Collectieve verdediging Met collectieve verdediging wordt de deelname aan de verdediging van Europa bedoeld, overeenkomstig het Verdrag van Brussel (artikel V) en het Verdrag van Washington (artikel 5). In deze verdragen wordt bepaald dat de verdragsluitende staten in geval van een gewapende aanval op één of meer van hen, verplicht zijn bijstand te verlenen teneinde de veiligheid te herstellen. Sinds 1949 is de organisatie die bij het Verdrag van Washington in het leven is geroepen (de NAVO), de belangrijkste garantie geweest voor de veiligheid in West-Europa, terwijl de activiteiten in het kader van de West-Europese Unie (WEU) bijna dertig jaar zeer beperkt zijn geweest. Desondanks zij erop gewezen dat de West-Europese Unie (WEU) de enige zuiver Europese organisatie is die een automatische collectieve verdedigingsverplichting in het leven heeft geroepen. In het kader van de ontwikkeling van een Europese identiteit op defensiegebied moet de WEU thans een grotere rol gaan spelen. Zie: * EUROFOR/EUROMARFOR * Eurokorps * Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB) * Gemeenschappelijk defensiebeleid * NAVO * NAVO (vernieuwde) * Westeuropese Unie (WEU) Comité van artikel K.4 (JBZ - Justitie en Binnenlandse Zaken) Bij artikel K.4 van het Verdrag betreffende de Europese Unie is een coördinatiecomité van hoge ambtenaren opgericht, dat tot taak heeft de werkzaamheden van de Raad op het gebied van Justitie en Binnenlandse Zaken voor te bereiden. In de praktijk bestond dit comité reeds sedert de Europese Raad van Rhodos (december 1988). Zodra het Verdrag van Amsterdam in werking treedt, zal artikel K.4 worden hernummerd tot artikel K.8, zonder dat de inhoud ervan verandert. Zie: * Justitie en Binnenlandse Zaken Comité van de Regio's Het bij het Verdrag van Maastricht opgerichte Comité van de regio's bestaat uit 222 vertegenwoordigers van de lokale en regionale lichamen, die op voorstel van de lidstaten voor 4 jaar door de Raad worden benoemd. Het wordt door de Raad of de Commissie geraadpleegd op gebieden waarmee regionale belangen zijn gemoeid, met name onderwijs, jeugdzaken, cultuur, volksgezondheid, economische en sociale samenhang, enz. Het comité kan ook op eigen initiatief adviezen uitbrengen. Na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam zal het Comité van de regio's op een groter aantal terreinen verplicht worden geraadpleegd: milieu, sociaal fonds, beroepsopleiding, grensoverschrijdende samenwerking en vervoer. Voorts zal het door het Europees Parlement kunnen worden geraadpleegd. Comitologie Met de term "comitologie" wordt de raadpleging van comités bedoeld wanneer de Commissie de bevoegdheden tot uitvoering van een besluit van de Raad uitoefent die haar bij dat besluit worden verleend. Wanneer de Raad een besluit heeft goedgekeurd waarin is bepaald dat de Commissie uitvoeringsmaatregelen moet treffen, wordt een comité opgericht om de Commissie bij te staan. Het bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten en wordt door de Commissie voorgezeten. Er zijn drie typen: reglementeringscomités, comités van beheer en raadgevende comités. Dankzij dit systeem hoeft de Raad zich niet bezig te houden met technische overwegingen en wordt het besluitvormingsproces dus efficiënter (op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid is bijvoorbeeld een groot aantal comités opgericht). Dit systeem wordt hoofdzakelijk geregeld door het besluit van de Raad van 13 juli 1987 tot vaststelling van de voorwaarden die gelden voor de uitoefening van aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden. In een aan het Verdrag van Amsterdam gehechte verklaring roept de Intergouvernementele Conferentie de Commissie op uiterlijk eind 1998 bij de Raad een voorstel tot wijziging van dit besluit in te dienen. De procedures voor de oprichting en de werking van deze comités bleken namelijk ingewikkeld en dus niet erg doorzichtig. Er bestaan ook andere comités die door de Commissie zijn opgericht om haar rechtstreeks uit het Verdrag voortvloeiende bevoegdheden uit te oefenen (bijvoorbeeld het comité van artikel 113, dat de Commissie bijstaat tijdens handelsbesprekingen met een of meer staten of internationale organisaties). Deze comités vallen niet onder het comitologie-systeem, maar hebben hun eigen bepalingen. Zij bestaan echter eveneens uit door de lidstaten aangewezen deskundigen en worden ook door de Commissie voorgezeten. Zie: * Europese Commissie * Raad van de Unie Communautaire en intergouvernementele methodes De communautaire methode is de institutionele werkwijze van de eerste pijler van de Europese Unie. Zij berust op het subsidiariteitsbeginsel en de integratiegedachte en wordt in het bijzonder gekenmerkt door de volgende hoofdelementen : * monopolie van het initiatiefrecht van de Commissie; * algemener gebruik van de stemming met gekwalificeerde meerderheid in de Raad; * actieve rol van het Europees Parlement (adviezen, voorstellen voor amendementen, enz.); * uniforme uitlegging van het Gemeenschapsrecht door het Hof van Justitie. De communautaire methode staat tegenover de institutionele werkwijze van de tweede en derde pijler. Deze berust op intergouvernementele samenwerking (intergouvernementele methode) en wordt gekenmerkt door de volgende hoofdelementen : * het initiatiefrecht van de Commissie wordt gedeeld met de lidstaten of blijft beperkt tot bepaalde specifieke gebieden; * eenparigheid binnen de Raad; * raadgevende rol van het Europees Parlement; * beperkte rol van het Hof van Justitie Zie: * Controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht * Gekwalificeerde meerderheid * Hof van Justitie * Initiatiefrecht * Institutioneel kader (één...) * Pijlers van de Europese Unie Communautarisering Communautarisering houdt in dat een gebied dat binnen het institutionele kader van de Unie onder de intergouvernementele methode valt (tweede en derde pijler), naar de communautaire methode (eerste pijler) wordt overgeheveld. De communautaire methode is gebaseerd op de gedachte dat de behartiging van het algemeen belang van de burgers van de Unie beter wordt gewaarborgd wanneer de communautaire instellingen hun rol in het besluitvormingsproces ten volle spelen, onder naleving van het subsidiariteitsbeginsel. Wanneer het Verdrag van Amsterdam in werking treedt, zullen de terreinen die betrekking hebben op het vrije verkeer van personen en die momenteel tot justitie en binnenlandse zaken (derde pijler) behoren, worden gecommunautariseerd en dus onder de communautaire methode vallen. Zie: * Communautaire en intergouvernementele methodes * Justitie en binnenlandse zaken (JBZ) * Passerelle, communautaire (JBZ) * Pijlers van de Europese Unie * Ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid Compromis van Ioannina Het compromis van Ioannina dankt zijn naam aan een informele bijeenkomst van de ministers van Buitenlandse Zaken in Ioannina (Griekenland) op 27 maart 1994. Op deze bijeenkomst nam de Raad onder meer een besluit over het specifieke vraagstuk van de stemming met gekwalificeerde meerderheid in een uitgebreide Unie met 16 leden. Dit besluit werd vervolgens aangepast in verband met de niet-toetreding van Noorwegen. Het bereikte compromis houdt het volgende in: indien Raadsleden die te zamen 23 (oude drempel van de blokkeringsminderheid) tot 25 stemmen (nieuwe drempel van de blokkeringsminderheid) vertegenwoordigen, kenbaar maken zich te zullen verzetten tegen de aanneming van een besluit door de Raad met gekwalificeerde meerderheid, zal de Raad alles doen wat in zijn vermogen ligt om binnen een redelijke termijn een bevredigende oplossing te vinden die met ten minste 65 van de 87 stemmen kan worden aangenomen. Zie: * Gekwalificeerde meerderheid * Raad van de Unie Concentrische cirkels Het begrip concentrische cirkels heeft betrekking op een architectuur van Europa die bestaat uit deelverzamelingen van staten die verschillende integratieniveaus hebben bereikt. Het beginsel blijft niet beperkt tot de integratiestructuur van de Europese Unie en is door verschillende persoonlijkheden ontwikkeld. Sommigen van hen onderscheiden de "cirkel van het Gemeenschapsrecht" (de lidstaten van de Unie), de "cirkel van de naaste buren" (derde landen die in afwachting zijn van toetreding) en "meer beperkte cirkels" waarbinnen sprake is van versterkte samenwerking (monetaire cirkel, defensiecirkel, enz.). Zie: * Gedifferentieerde integratie (flexibiliteit) Concurrentievermogen Het in 1994 door de Europese Commissie gepubliceerde Witboek inzake groei, concurrentievermogen en werkgelegenheid bevat richtsnoeren voor een alomvattend mededingingsbeleid. Dit beleid omvat vier doelstellingen die nog steeds niet aan actualiteit hebben ingeboet: * De toetreding van de Europese ondernemingen tot een mondiale en interdependente concurrentie-omgeving vergemakkelijken; * De door de dematerialisatie van de economie ontstane concurrentievoordelen benutten; * Een duurzame industriële ontwikkeling stimuleren; * De kloof tussen de snelheid waarmee vraag en aanbod zich ontwikkelen, verkleinen. De nieuwe titel betreffende de werkgelegenheid, die in het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap zal worden opgenomen zodra het Verdrag van Amsterdam in werking treedt, zal rekening houden met de in het witboek vastgestelde doelstellingen. Zie: * Duurzame ontwikkeling * Globalisering van de economie * Werkgelegenheid Consolidatie van wetteksten Bij de consolidatie van wetteksten gaat het om een zuiver declaratoire en informele vereenvoudiging van rechtsbesluiten. Het feit dat de diverse wijzigingen in het basisbesluit worden opgenomen, betekent niet dat een nieuw besluit wordt genomen. Het betreft enkel een door de Commissie uitgevoerde maatregel om de wetgeving te verduidelijken. De tekst die daar het resultaat van is, heeft geen rechtsgevolgen, maar kan eventueel - zonder aanhalingen en overwegingen - in het Publicatieblad (C-reeks) worden bekendgemaakt. Zie: * Vereenvoudiging van de wetgeving Controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht De controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht valt onder de verantwoordelijkheid van de Europese Commissie, die de "hoedster van de Verdragen" is. Uit deze controle blijkt dat de Europese Unie op het recht is gebaseerd en zich ten doel stelt de naleving en de feitelijke toepassing van dit recht in en door de lidstaten te waarborgen. Bij de uitoefening van haar controlerende taak zorgt de Commissie ervoor dat de nationale gerechtelijke instanties de rol die ook zij op dit gebied toebedeeld kregen, kunnen blijven spelen. De controle op de toepassing kan in diverse vormen geschieden: * inleiding van inbreukprocedures naar aanleiding van klachten of ambtshalve ontdekte gevallen; * instellen van beroep tegen andere instellingen; * controle op de wettigheid van de steun die door de lidstaten is toegekend; * naleving van de verbodsbepalingen met betrekking tot bepaalde mededingingsregelingen en het misbruik van machtsposities. De jaarverslagen van de Commissie over de toepassing van het Gemeenschapsrecht tonen aan dat zij niet alleen streeft naar transparantie ten opzichte van de klagers, maar ook jegens de burgers en parlementariërs. Zie: * Burgerschap van de Unie * Doorzichtigheid * Europese Commissie * Hof van Justitie Convergentiecriteria Ter waarborging van de duurzame convergentie die nodig is voor de totstandbrenging van de Economische en Monetaire Unie (EMU), zijn in het Verdrag vijf convergentiecriteria vastgesteld waaraan elke lidstaat moet voldoen om deel te kunnen nemen aan de derde fase van de EMU. Of aan deze criteria is voldaan, wordt beoordeeld aan de hand van verslagen van de Commissie en het Europees Monetair Instituut (EMI). De criteria zijn als volgt: * het overheidstekort mag niet meer dan 3 % van het bruto binnenlands product bedragen; * de overheidsschuld mag niet meer dan 60 % van het bruto binnenlands product bedragen; * een houdbare prijsontwikkeling en een gemiddeld inflatiepercentage dat, gemeten over een periode van één jaar vóór het onderzoek, niet meer dan 1,5% hoger ligt dan dat van ten hoogste de drie lidstaten die op het gebied van de prijsstabiliteit het best presteren; * een gemiddelde nominale langetermijnrente die niet meer dan 2% hoger ligt dan die van ten hoogste de drie lidstaten die op het gebied van prijsstabiliteit het best presteren ; * de normale fluctuatiemarges van het wisselkoersmechanisme van het Europees Monetair Stelsel dienen ten minste gedurende de laatste twee jaren vóór het onderzoek, zonder grote spanningen, te zijn aangehouden. De convergentiecriteria beogen te waarborgen dat de economische ontwikkeling in het kader van de EMU evenwichtig is en geen spanningen tussen de lidstaten teweegbrengt. In dit verband zij erop gewezen dat de criteria met betrekking tot het overheidstekort en de overheidsschuld ook na de inwerkingtreding van de derde fase van de EMU (1 januari 1999) in acht moeten worden genomen Hiertoe is tijdens de Europese Raad van Amsterdam een stabiliteitspact aangenomen. Zie: * Economische en monetaire unie * Stabiliteits- en groeipact Coreper Het Coreper (Comité van Permanente Vertegenwoordigers) bestaat uit de permanente vertegenwoordigers van de lidstaten. Het heeft tot taak de Raad van de Unie terzijde te staan door de dossiers die op de Raadsagenda staan (door de Commissie ingediende voorstellen en ontwerpbesluiten), voorafgaand aan het onderhandelingsstadium voor te bereiden. Het Comité neemt een centrale plaats in in het communautaire besluitvormingsproces: het heeft zowel de rol van overlegorgaan (overleg tussen de permanente vertegenwoordigers onderling en tussen elke afzonderlijke vertegenwoordiger en zijn hoofdstad) als van orgaan voor politieke controle (sturing en controle van de werkzaamheden van de deskundigengroepen). Het Comité is in feite in tweeën gedeeld om al zijn taken te kunnen uitvoeren: * Coreper I, bestaande uit de adjunct permanent vertegenwoordigers; * Coreper II, bestaande uit de ambassadeurs. De kwaliteit van de werkzaamheden van het Coreper is een waarborg voor een goed functioneren van de Raad. Zie: * Europese Commissie * Raad van de Unie COREU (GBVB - Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid) Het COREU (telexnet van Europese correspondenten) is een communicatienetwerk tussen de lidstaten van de EU om de samenwerking op de terreinen van het buitenlands beleid te bevorderen. Zie: * Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB) GLOSSARIUM De hervorming van de Europese Unie D Democratisch tekort Het democratisch tekort is een begrip dat voornamelijk wordt gehanteerd om aan te geven dat de Europese Unie aan een gebrek aan democratie lijdt en voor de burger ontoegankelijk lijkt door de ingewikkelde werking ervan. In dit verband bestaat de indruk dat het institutioneel stelsel van de Gemeenschap gedomineerd zou worden door een instelling die wetgevende en gouvernementele bevoegdheden cumuleert, de Raad, en een instelling zonder echte democratische legitimatie, de Commissie (hoewel de leden van het college door de lidstaten worden benoemd en als college ter goedkeuring worden onderworpen aan een stemming van het Europees Parlement, en zij collectief verantwoording moeten afleggen aan het Parlement). Het democratisch tekort zou moeten afnemen als gevolg van de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam, dat een grotere rol toekent aan het Europees Parlement en voorziet in systematische informatieverstrekking aan de nationale parlementen. "Dit Verdrag markeert een nieuwe etappe in het proces van totstandbrenging van een steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa, waarin de besluiten in zo groot mogelijke openheid en zo dicht mogelijk bij de burger worden genomen." Zie: * Doorzichtigheid * Europees Parlement * Institutioneel evenwicht en democratische legitimiteit Diensten van algemeen belang De diensten van algemeen belang zijn de activiteiten op het gebied van - al dan niet commerciële - dienstverlening die door de overheid van algemeen belang worden beschouwd, en waarvoor hierom van staatswege specifieke verplichtingen inzake openbare dienstverlening gelden. Zij omvatten de activiteiten op het gebied van niet-economische dienstverlening (leerplichtstelsel, sociale bescherming, enz.), de zogeheten "regale" functies (veiligheid, justitie, enz.) en de diensten van algemeen economisch belang (energie, communicatie, enz.). Er zij op gewezen dat de voorwaarden van artikel 90 van het Verdrag niet van toepassing zijn op de eerste twee categorieën (activiteiten op het gebied van niet-economische dienstverlening en zogeheten "regale" functies). Zie: * Diensten van algemeen economisch belang * Handvest van de openbare diensten * Openbare dienst * Universele dienst Diensten van algemeen economisch belang De diensten van algemeen economisch belang zijn de activiteiten op het gebied van commerciële dienstverlening waarbij taken van algemeen belang worden vervuld, en waarvoor hierom van staatswege specifieke verplichtingen inzake openbare dienstverlening gelden (artikel 90 van het EG-Verdrag). Dit is in het bijzonder het geval met de dienstverlening via vervoer-, energie- en communicatienetwerken. Zodra het Verdrag van Amsterdam in werking treedt, zal in het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap een nieuw artikel 7 D worden ingevoegd. Dit artikel onderkent de plaats die de diensten van algemeen economisch belang binnen de gemeenschappelijke waarden van de Europese Unie innemen, alsook de rol die zij vervullen bij het bevorderen van de sociale en territoriale samenhang van de Unie. Deze diensten moeten functioneren op basis van beginselen en voorwaarden die hen in staat stellen hun taken te vervullen. Zie: * Diensten van algemeen belang * Handvest van de openbare diensten * Openbare dienst * Universele dienst Discussiegroep De door de Europese Raad van Korfoe van 24 en 25 juni 1994 opgezette discussiegroep had tot taak de Intergouvernementele Conferentie van 1996 (IGC) voor te bereiden door oplossingen voor te stellen voor de interne en externe uitdagingen waarmee de Unie wordt geconfronteerd. De groep bestond uit vertegenwoordigers van de ministers van Buitenlandse Zaken van de lidstaten, het Europees Parlement (Elmar Brok, PPE, D, en Elisabeth Guigou, PSE, F) en het met institutionele vraagstukken belaste lid van de Commissie, de heer Oreja. Zij werd voorgezeten door Carlos Westendorp, die door de Spaanse regering was aangesteld. Ten einde een bijdrage te leveren aan de werkzaamheden van de groep, die van juni tot december 1995 plaatsvonden, stelde elke instelling een voorbereidend verslag op over de werking van het Verdrag betreffende de Europese Unie. De conclusies van de groep zijn aan de Europese Raad van Madrid (15 en 16 december 1995) voorgelegd en vormden een werkbasis voor de Intergouvernementele Conferentie. Zie: * Intergouvernementele Conferentie (IGC) Doorzichtigheid Het begrip doorzichtigheid wordt vaak gehanteerd in het taalgebruik van de instellingen, en daarmee wordt dan bedoeld de duidelijkheid van de werking der communautaire instellingen. Het houdt verband met de uiteenlopende verzoeken om een ruimere toegang voor de burger tot de informatie omtrent en de documenten van de Unie, alsook met een betere leesbaarheid van de teksten (vereenvoudiging van de Verdragen, consolidering van de wetgevingsteksten, enz.). Het gebrek aan doorzichtigheid wordt dikwijls naar voren gebracht om uiting te geven aan een bij de Europese burgers levend gevoel dat de Europese instellingen ver van hen verwijderd zijn en voor hen gesloten blijven, en dat de daarbinnen toegepaste beslissingsprocedures door hen moeilijk te begrijpen zijn. Zodra het Verdrag van Amsterdam in werking treedt, zal in het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap een nieuw artikel 191 A inzake de doorzichtigheid worden opgenomen. In dit artikel is bepaald dat iedere burger van de Europese Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat het recht heeft op toegang tot de documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie. Binnen twee jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam bepaalt de Raad samen met het Europees Parlement volgens de medebeslissingsprocedure de algemene beginselen en de beperkingen (op grond van openbare of particuliere belangen) betreffende dit recht op toegang tot documenten. Elk van de drie betrokken instellingen neemt in haar eigen reglement van orde specifieke bepalingen betreffende de toegang tot haar documenten op. Zie: * Democratisch tekort Doorzichtigheid van de werkzaamheden van de Raad In het kader van het debat betreffende de doorzichtigheid van de werkzaamheden van de Raad wordt aan twee hoofdelementen aandacht besteed: * openbaarmaking van de beraadslagingen in de Raad; * toegang tot de processen-verbaal en de toegevoegde verklaringen betreffende de uitlegging van de stemmingen. Sedert de wijziging van zijn reglement van orde (6.12.1993) past de Raad het volgende beleid toe: als algemene regel blijven zijn beraadslagingen geheim, maar houdt hij open debatten (b.v. halfjaarlijks werkprogramma van het Voorzitterschap). Wat de openbaarmaking en de uitlegging van de stemmingen van de lidstaten betreft, heeft de Raad een gedragscode (2.10.1995) goedgekeurd waardoor het publiek toegang krijgt wanneer de Raad als wetgever optreedt. De praktische uitvoeringswijze van dit laatste werd door het Coreper op 8 november vastgelegd in een verslag over de te volgen interne procedure. Zodra het Verdrag van Amsterdam in werking treedt, zullen de voorwaarden voor de toegang tot documenten formeel in artikel 151 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap worden opgenomen. De uitslag van de stemmingen, de stemverklaringen en de verklaringen in de notulen zullen dus door iedereen kunnen worden ingezien. Zie: * COREPER * Doorzichtigheid Drugsbestrijding De drugsbestrijding wordt gekenmerkt door verschillende aspecten waarvan de voornaamste de voorkoming van drugsverslaving en de bestrijding van illegale drugshandel zijn. De voorkoming van drugsverslaving valt onder zowel artikel K.1, sub 4), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, hetwelk deze voorkoming als een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang omschrijft "voor zover dit gebied niet onder de punten 7 tot en met 9 valt" (justitiële samenwerking in strafzaken, douanesamenwerking en politiële samenwerking), als artikel 129 van het EG-Verdrag inzake volksgezondheid. De bestrijding van illegale drugshandel werd toevertrouwd aan de Europol-Drugseenheid, die een eenheid voor verstrekking van inlichtingen over deze handel heeft opgericht, waardoor een betere politiële en douanesamenwerking tussen de lidstaten mogelijk is. Deze politiële samenwerking staat ook vermeld in de lijst van aangelegenheden van gemeenschappelijk belang in artikel K.1 (punt 9). De Commissie heeft artikel K.1 gebruikt als rechtsgrondslag voor haar actieplan voor drugsbestrijding (1995-1999), waarin verschillende aspecten worden behandeld (voorkoming van drugsverslaving, vermindering van de drugshandel en actie op internationaal vlak), doch heeft met artikel 129 van het EG-Verdrag (met minder reikwijdte) genoegen moeten nemen om haar toekomstig actieprogramma voor de preventie van drugsverslaving te funderen, waardoor het effect ervan kleiner wordt. Na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam zal de bestrijding van de illegale drugshandel een duidelijke rechtsgrondslag hebben in artikel K.1 van de nieuwe titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Zie: * Europese Politiedienst (Europol) * Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ) * Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken Dubbele meerderheid In het vooruitzicht van een uitgebreid Europa zijn voorstellen gedaan om het huidige evenwicht tussen de "grote" en de "kleine" landen bij de besluitvorming in de Raad te behouden. Indien een meerderheid van zowel de lidstaten als de bevolking in de Unie benodigd zou zijn, zou de door sommigen gevreesde ontwikkeling in de richting van een "oververtegenwoordiging" van de kleine landen worden vermeden. Zo zou de drempel van de gekwalificeerde meerderheid (die thans ongeveer 70 % bedraagt) kunnen worden gehandhaafd, maar de lidstaten die vóór hebben gestemd, zouden ten minste drie vijfde van de Europese bevolking moeten vertegenwoordigen. Het minimumaantal stemmen dat benodigd is voor deze dubbele meerderheid, zou naar gelang van het onderwerp kunnen worden vastgesteld. Het institutionele vraagstuk van de besluitvorming in de uitgebreide Europese Unie is tijdens de laatste Intergouvernementele Conferentie niet opgelost. Zodra het Verdrag van Amsterdam in werking treedt, zal dan ook een protocol betreffende de instellingen in het vooruitzicht van de uitbreiding aan het Verdrag betreffende de Europese Unie worden gehecht. In dit protocol wordt een verband gelegd tussen de besluitvorming in de Raad en de grootte van de Commissie, aangezien in dit protocol is bepaald dat op de datum van de eerstvolgende uitbreiding één onderdaan van elke lidstaat zitting heeft in de Commissie, mits de weging van de stemmen in de Raad voor die datum is gewijzigd, hetzij via een herweging van de stemmen, hetzij via een dubbele meerderheid. In dit protocol is tevens bepaald dat uiterlijk een jaar voordat de Europese Unie meer dan twintig leden telt een nieuwe Intergouvernementele Conferentie wordt bijeengeroepen om de bepalingen inzake de werking van de instellingen van de Europese Unie te herzien. Zie: * Gekwalificeerde meerderheid * Samenstelling van de Commissie * Stemmenweging in de Raad * Uitbreiding Duurzame ontwikkeling Het begrip duurzame ontwikkeling heeft betrekking op een economische groei waarmee in de behoeften van onze samenlevingen kan worden voorzien, in termen van welzijn op de korte, middellange en vooral lange termijn. Dit betekent dat de ontwikkeling in overeenstemming moet zijn met de behoeften op dit moment, zonder dat de mogelijkheden van de toekomstige generaties in gevaar worden gebracht. Concreet gezien houdt duurzame ontwikkeling in dat dusdanige voorwaarden worden geschapen dat de economie zich op de lange termijn kan ontwikkelen, terwijl rekening wordt gehouden met het behoud van het milieu. Daarnaast is op de wereldtop voor de sociale ontwikkeling, die in maart 1995 in Kopenhagen plaatsvond, benadrukt dat de sociale uitsluiting moet worden bestreden en dat de gezondheid van het individu moet worden beschermd. Vanaf de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam zal de duurzame ontwikkeling uitdrukkelijk worden genoemd in de overwegingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Zie: * Concurrentievermogen * Globalisering van de economie GLOSSARIUM De hervorming van de Europese Unie E Economisch beleid Het nationaal economisch beleid wordt in het Verdrag een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang genoemd die een zekere graad van coördinatie binnen de Raad vergt om bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Gemeenschap. Om deze coördinatie concrete vorm te geven, stelt de Raad, op aanbeveling van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een ontwerp van globale richtsnoeren op dat aan de Europese Raad wordt toegezonden. Uitgaande van de conclusies van de Europese Raad neemt de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een aanbeveling aan waarin de globale richtsnoeren van het economisch beleid van de lidstaten en de Gemeenschap zijn vastgelegd, en stelt het Europees Parlement hiervan in kennis (artikel 103, lid 2). Opgemerkt zij dat de in de artikelen 102 A tot en met 104 C vervatte bepalingen betreffende het economisch beleid in verschillende andere besluitvormingsprocedures voorzien naargelang van de behandelde kwesties: * de in artikel 189 C bedoelde procedure voor kwesties die verband houden met het multilateraal toezicht (artikel 103, lid 5), de toepassing van het verbod van bevoorrechte toegang (artikel 104 A, lid 2), de toepassing van het verbod verbintenissen over te nemen en voorschotten in rekening-courant te verlenen (artikel 104 B, lid 2); * de gewone raadpleging met gekwalificeerde meerderheid in de Raad voor bepalingen betreffende de toepassing van het protocol inzake buitensporige tekorten (artikel 104 C, lid 14, derde alinea); * eenparigheid binnen de Raad zonder raadpleging voor kwesties die te maken hebben met de bij de economische situatie passende maatregelen (artikel 103 A, lid 1); * gekwalificeerde meerderheid binnen de Raad, verslag van de Commissie, advies van het Monetair Comité, advies en aanbeveling van de Commissie (rekening houdend met de opmerkingen van de betrokken lidstaten) om uit te maken of er al dan niet een buitensporig tekort bestaat (artikel 104 C, lid 6); * twee derde van de stemmen in de Raad (exclusief de stemmen van de betrokken lidstaat), op aanbeveling van de Commissie voor de procedure bij buitensporige tekorten (artikel 104 C, lid 13); * eenparigheid binnen de Raad (behalve bij natuurrampen) op voorstel van de Commissie en met kennisgeving aan het Europees Parlement voor communautaire financiële bijstand aan een lidstaat met ernstige economische moeilijkheden (artikel 103 A, lid 2). Vermeld zij dat voor de institutionele (artikelen 109 A-109 D) en overgangsbepalingen (artikelen 109 E-109 M) betreffende titel VI van het EG-Verdrag (economisch en monetair beleid) bijzondere besluitvormingsprocedures gelden die verschillen van die welke wij hier hebben uiteengezet. Zie: * Convergentiecriteria * Economische en Monetaire Unie * Eenparigheid * Europees Parlement * Europese Centrale Bank (ECB) * Europese Commissie * Europese Raad * Gekwalificeerde meerderheid * Monetair beleid * Procedure bedoeld in artikel 189C * Raad van de Unie * Raadplegingsprocedure * Stabiliteits- en groeipact * Werkgelegenheid Economische en Monetaire Unie (EMU) De Economische en Monetaire Unie (EMU) komt tot stand in het kader van een proces tot harmonisatie van het economisch en monetair beleid van de lidstaten van de Unie, met het oog op de invoering van één enkele munt. Zij heeft het voorwerp uitgemaakt van een van de twee Intergouvernementele Conferenties waarmee in december 1990 werd gestart. Het Verdrag bepaalt dat de EMU in drie fasen tot stand zal worden gebracht: * fase 1 (beëindigd in december 1993) : vrij verkeer van kapitaal tussen de lidstaten, grotere coördinatie van het economisch beleid en intensivering van de samenwerking tussen de centrale banken; * fase 2 (loopt sinds januari 1994) : convergentie van het economisch en monetair beleid van de lidstaten (met het oog op prijsstabiliteit en gezonde overheidsfinanciën); * fase 3 (begint uiterlijk op 1 januari 1999) : oprichting van een Europese Centrale Bank, vastlegging van de wisselkoersen en invoering van één munt. Zie: * Convergentiecriteria * Europese Centrale Bank (ECB) * Intergouvernementele Conferentie (IGC) * Stabiliteits- en groeipact Economisch en Sociaal Comité Het Economisch en Sociaal Comité telt 222 leden die over drie groepen zijn verdeeld: werkgevers, werknemers en vertegenwoordigers van specifieke activiteiten (landbouwers, ambachtslieden, kleine en middelgrote bedrijven en industrieën, vrije beroepen, vertegenwoordigers van consumenten, wetenschappen en onderwijs, sociale economie, gezinnen en milieubewegingen). Het Comité moet worden geraadpleegd voordat een groot aantal besluiten kan worden genomen; het kan ook op eigen initiatief adviezen uitbrengen. Na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam zal het Economisch en Sociaal Comité over een groter aantal onderwerpen verplicht worden geraadpleegd (nieuw werkgelegenheidsbeleid, sociale vraagstukken, volksgezondheid). Voorts zal het door het Europees Parlement kunnen worden geraadpleegd. Zie: * Sociale dialoog * Sociale partners Economische en sociale samenhang De economische en sociale samenhang is als gevolg van de Europese Akte in het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap opgenomen en heeft betrekking op de saamhorigheid tussen de lidstaten en de regio's van de Europese Unie. De doelstellingen zijn een evenwichtige en duurzame ontwikkeling, de verkleining van de structurele verschillen tussen regio's en landen, alsmede de bevordering van werkelijk gelijke kansen tussen personen. Te dien einde worden diverse financiële steunmaatregelen, met name de structuurfondsen, ingezet. De Europese Commissie brengt om de drie jaar verslag uit over de vooruitgang die is geboekt bij de verwezenlijking van de economische en sociale samenhang, alsmede over de wijze waarop de diverse in het Verdrag bedoelde middelen daartoe hebben bijgedragen. De toekomst van de economische en sociale samenhang is een van de belangrijkste onderwerpen die in Agenda 2000 door de Commissie worden behandeld, met name wegens de budgettaire gevolgen ervan. Zie: * Agenda 2000 Eenheid voor beleidsplanning en vroegtijdige waarschuwing De idee een eenheid voor beleidsplanning en vroegtijdige waarschuwing in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) op te richten gaat uit van het standpunt dat het GBVB alleen efficiënt kan zijn wanneer de externe evoluties op lange, middellange en korte termijn scherpzinniger en vroegtijdiger worden geanalyseerd. Met het oog hierop moeten de onder het GBVB vallende besluiten gebaseerd zijn op een betere analyse die de lidstaten van de Unie delen. Door middel van een verklaring in de slotakte is de Intergouvernementele Conferentie overeengekomen om bij het secretariaat-generaal van de Raad, onder de verantwoordelijkheid van de secretaris-generaal, een eenheid voor beleidsplanning en vroegtijdige waarschuwing op te richten. Het personeel van de eenheid is afkomstig van het secretariaat-generaal van de Raad, de lidstaten, de Commissie en de West-Europese Unie (WEU). Zie: * Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB) * Hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) Eenparigheid Eenparigheid betekent dat tussen alle in de Raad verenigde lidstaten consensus moet worden bereikt opdat een voorstel kan worden goedgekeurd. Sedert de inwerkingtreding van de Europese Akte is de werkingssfeer van dit beginsel duidelijk beperkter dan voordien. Zo is in het communautair kader van de eerste pijler stemming bij gekwalificeerde meerderheid thans de algemene regel. Voor de tweede en de derde pijler gelden daarentegen nog ten volle de intergouvernementele methode en de eenparigheid. Zie: * Gekwalificeerde meerderheid * Institutioneel kader (één...) * Pijlers van de Europese Unie * Raad van de Unie Eenvormige verkiezingsprocedure voor en samenstelling van het Europees Parlement Artikel 138 bepaalt dat het Europees Parlement (EP) ontwerpen moet opstellen om de verkiezing van zijn leden door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen mogelijk te maken volgens een in alle lidstaten eenvormige procedure. Dankzij een dergelijke procedure zou het mogelijk zijn een betere representativiteit van de verschillende politieke strekkingen binnen het EP te garanderen. Voor het ogenblik stuiten de concrete voorstellen op de nationale verkiezingstradities. Tot nu toe was het dankzij het aan elke lidstaat in het EP toegekende aantal zetels mogelijk een compromis tussen de demografische realiteit van en de gelijkheid tussen de lidstaten tot stand te brengen door oververtegenwoordiging van de Staten met de kleinste bevolking. Ten einde de doeltreffendheid van het EP in een uitgebreide Unie te garanderen, is in het Verdrag van Amsterdam bepaald dat het aantal leden van het EP niet meer dan zevenhonderd bedraagt. Zie: * Eenparigheid * Europees Parlement * Instemmingsprocedure * Uitbreiding EUROFOR/EUROMARFOR In de Verklaring van Lissabon van de West-Europese Unie (15 mei 1995) werd het besluit van Frankrijk, Italië en Spanje bekrachtigd om strijdkrachten voor de inzet op land (EUROFOR) en op zee (EUROMARFOR) op te richten. De oprichting van deze strijdkrachten houdt verband met de "onder de West-Europese Unie ressorterende strijdkrachten" en met het streven om de eigen mogelijkheden van Europa voor operaties die op de Verklaring van Petersberg teruggaan, te vergroten. Portugal heeft zich bereid verklaard een bijdrage te leveren aan deze strijdkrachten, indien zij in het kader van de WEU worden ingezet, zonder dat evenwel de collectieve verdedigingstaak van de lidstaten wordt verwaarloosd (artikel V WEU-Verdrag en artikel 5 NAVO-Verdrag). Zie: * Collectieve verdediging * Gemeenschappelijk defensiebeleid * Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid * NAVO * NAVO (vernieuwde) * Verklaring van Petersberg van 19 juni 1992 (Petersberg-taken) * Westeuropese Unie (WEU) Eurokorps Het Eurokorps werd tijdens de 59e Frans-Duitse topontmoeting op 21 en 22 mei 1992 in La Rochelle opgericht. Sedertdien zijn drie andere staten tot het korps toegetreden: België (25 juni 1993), Spanje (10 december 1993) en Luxemburg (7 mei 1996). Het korps bestaat uit 50 000 manschappen en is sinds 30 november 1995 operationeel (na de oefening PEGASUS-95). Het Eurokorps hoort bij de "onder de West-Europese Unie ressorterende strijdkrachten". Het korps kan in het kader van de WEU (artikel V) en de NAVO (artikel 5) optreden en voor humanitaire taken, evacueringsmaatregelen, alsook maatregelen voor het herstel of de handhaving van de vrede worden ingezet, onder auspiciën van de Verenigde Naties of de OVSE. Over de inzet van het Eurokorps onder de politieke controle van de WEU werd op 24 september 1993 een akkoord gesloten, terwijl de inzet onder verantwoordelijkheid van de NAVO door de overeenkomst van 21 januari 1993 werd gecodificeerd. Zie: * Collectieve verdediging * EUROFOR/EUROMARFOR * Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid * Gemeenschappelijk defensiebeleid * NAVO * NAVO (vernieuwde) * Westeuropese Unie (WEU) Europa "à la carte" Dit begrip houdt in dat de Europese eenwording zich volgens een gedifferentieerd integratiemodel voltrekt, waarin de verschillende lidstaten - net als in een restaurant -de beleidsterreinen mogen uitkiezen waarop zij willen meewerken. Tegelijkertijd aanvaarden zij echter wel een minimum aantal gemeenschappelijke doelstellingen. Zie: * Gedifferentieerde integratie * Institutioneel kader (één...) Europa "met meerdere snelheden" Dit begrip houdt in dat de Europese integratie op gedifferentieerde wijze verloopt, waarbij slechts een bepaalde groep van lidstaten die vooruitgang willen en kunnen boeken, gemeenschappelijke doelstellingen nastreven. Het model gaat ervan uit dat de overige lidstaten later zullen volgen. Zie: * Gedifferentieerde integratie * Institutioneel kader (één...) Europa "met variabele geometrie" Met dit begrip wordt een model bedoeld waarin het Europese eenwordingsproces gedifferentieerd verloopt. Het model houdt rekening met het bestaan van onherstelbare verschillen in de integratieve structuur en maakt een duurzame scheiding mogelijk tussen een groep van enkele lidstaten en minder ontwikkelde integratieve eenheden. Zie: * Gedifferentieerde integratie * Institutioneel kader (één...) Europees Handvest Het gaat bij dit handvest om een tekst waarin de basisprincipes van het Europees politiek systeem nauwkeurig, beknopt en op toegankelijke wijze zouden moeten worden verzameld. In het handvest zouden de voornaamste beginselen van de institutionele organisatie op het niveau van de Unie worden opgenomen, alsmede de beginselen die van toepassing zijn op de verhouding tussen de instellingen en de burgers. Tegelijkertijd zouden de huidige verdragen, dat wil zeggen de teksten inzake de bevoegdheden van de Unie en de uitoefening ervan, op geordende wijze in een afzonderlijke tekst worden samengebracht. Europees Parlement Het Europees Parlement verenigt de vertegenwoordigers van de 370 miljoen burgers van de Europese Unie. Deze worden sinds 1979 door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen gekozen, zijn thans 626 in aantal en zijn verdeeld volgens de omvang van de bevolking van de respectieve lidstaten. De voornaamste functies van het Europees Parlement zijn de volgende: * het onderzoekt de voorstellen van de Commissie en is te zamen met de Raad bij het wetgevingsproces betrokken in het kader van verschillende procedures (medebeslissingsprocedure, samenwerkingsprocedure, ...); * het heeft ten aanzien van de activiteiten van de Unie controlebevoegdheid door de investituur van de Europese Commissie (en de mogelijkheid om deze tot ontslag te dwingen) alsmede door middel van de schriftelijke en mondelinge vragen welke het tot de Commissie en de Raad kan richten; * het deelt met de Raad de begrotingsbevoegdheid door het goedkeuren van de jaarlijkse begroting en toe te zien op de uitvoering hiervan. Bovendien heeft het een ombudsman aangesteld die bevoegd is om de klachten van de burgers van de Unie betreffende gevallen van wanbeheer bij het optreden van de communautaire instellingen en organen in ontvangst te nemen. Ten slotte kan het tijdelijke enquêtecommissies aanstellen waarvan de bevoegdheden niet beperkt zijn tot de activiteiten van de communautaire instellingen, doch die zich ook kunnen uitstrekken tot het optreden van de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van het communautair beleid. Door de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam zullen de wetgevingsprocedures worden vereenvoudigd, waarbij de samenwerkingsprocedure vrijwel verdwijnt (zij zal van toepassing blijven op enkele onderwerpen die onder de titel betreffende de Economische en Monetaire Unie vallen) en de medebeslissingsprocedure een veel bredere toepassing krijgt. Zie: * Democratisch tekort * Instemmingsprocedure * Investituur van de Commissie * Medebeslissingsprocedure, bedoeld in artikel 189B * Nationale parlementen * Ombudsman, Europese * Raadplegingsrocedure * Samenwerkingsprocedure, bedoeld in artikel 189C Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) Het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden heeft een oorspronkelijk stelsel voor de internationale bescherming van de rechten van de Mens in het leven geroepen doordat individuen het genot van gerechtelijk toezicht op de eerbiediging van hun rechten wordt verschaft. Bij het Verdrag zijn verschillende toezichthoudende organen opgericht, die in Straatsburg zijn gevestigd: * de Europese Commissie voor de rechten van de mens, die belast is met het onderzoek van de verzoekschriften die door een individu of een hierbij aangesloten lidstaat zijn ingediend; * het Europees Hof voor de rechten van de mens, waarbij de hierboven genoemde Commissie of een hierbij aangesloten lidstaat een zaak na een rapport van deze Commissie aanhangig maakt (in geval van een gerechtelijke schikking); * het Comité van Ministers van de Raad van Europa, dat als "hoeder" van het EVRM fungeert en waarbij de zaak aanhangig wordt gemaakt ingeval voor een politieke beslechting van het geschil wordt gekozen. Er is al vaak gesproken over een eventuele toetreding van de Europese Unie tot het EVRM, maar in een advies van 28 maart 1996 heeft het Hof van Justitie zich tegen deze mogelijkheid uitgesproken omdat hierdoor bevoegdheidsconflicten zouden kunnen ontstaan tussen het Hof van Justitie en het Europees Hof voor de rechten van de mens. Zie: * Rechten van de mens Europese Centrale Bank (ECB) De Europese Centrale Bank (ECB) is een instelling die zal worden opgericht bij de overgang naar de derde fase van de Economische en Monetaire Unie (invoering van de eenheidsmunt op 1 januari 1999) en die zal worden belast met de tenuitvoerlegging van het Europees monetair beleid. Concreet gezien zullen de besluitvormende organen van de ECB (de Raad van Bestuur en de directie) een Europees Stelsel van centrale banken (ESCB) besturen, dat tot taak zal hebben de geldvoorraad te beheren, wisselkoersverrichtingen uit te voeren, de officiële deviezenvoorraden van de lidstaten aan te houden en te beheren en de goede werking van de betalingssystemen te waarborgen. De ECB zal de plaats innemen van het huidige Europees Monetair Instituut (EMI), dat de voorloper van de ECB is. Zie: * Convergentiecriteria * Economische en monetaire unie (EMU) Europese Commissie De Europese Commissie is een instelling met initiatiefrecht en met bevoegdheden op het gebied van uitvoering, beheer en controle. Zij is de hoedster van de Verdragen en belichaamt het Gemeenschapsbelang. De Commissie is samengesteld uit een college van 20 onafhankelijke leden (2 leden voor Duitsland, Spanje, Frankrijk, Italië en het Verenigd Koninkrijk en 1 lid voor elk van de overige landen). Zij wordt in onderlinge overeenstemming voor 5 jaar door de lidstaten benoemd; haar benoeming is onderworpen aan een investituurstemming van het Europees Parlement, dat zij verantwoording verschuldigd is. De Commissie wordt bijgestaan door administratief apparaat bestaande uit directoraten-generaal en gespecialiseerde diensten, waarvan het personeel grotendeels over Brussel en Luxemburg is verdeeld. Bij de goedkeuring van het Verdrag van Amsterdam heeft de Intergouvernementele Conferentie er nota van genomen dat de Commissie voornemens is de taken van haar leden te reorganiseren voordat in 2000 de volgende Commissie aantreedt, en tegelijkertijd haar diensten dienovereenkomstig te reorganiseren. Op 15 juli 1997 heeft de Europese Commissie in het kader van Agenda 2000 de hervorming van de werking van de Commissie aan de orde gesteld. Agenda 2000 bouwt voort op het omvangrijke hervormingsprogramma dat reeds wordt uitgevoerd bij de Commissie op basis van de initiatieven SEM 2000 ("gezond en doelmatig beheer") en MAP 2000 ("modernisering van personeel en administratie"). In Agenda 2000 wordt benadrukt dat de Commissie haar taken moet reorganiseren en herdefiniëren, rekening houdend met de behoeften van de 21e eeuw. Zie: * Agenda 2000 * Controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht * Europees Parlement * Europese Raad * Intergouvernementele Conferentie (IGC) * Investituur van de Commissie * Samenstelling van de Commissie * Voorzitter van de Europese Commissie Europese Politiedienst (Europol) De idee van een Europese politiedienst is ter sprake gekomen vanaf de Europese Raad van Luxemburg (28 en 29 juni 1991). Dan werd het voornemen uitgesproken een nieuw orgaan op te richten dat de structuur zal vormen voor het ontwikkelen van de politiële samenwerking tussen de lidstaten op de gebieden preventie en bestrijding van gevaarlijke vormen van georganiseerde internationale criminaliteit, inclusief terrorisme en illegale drugshandel. De overeenkomst tot oprichting van Europol werd evenwel pas in juli 1995 ondertekend, en is nog steeds niet in werking getreden. Om tot een snellere concretisering van de in Titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie beoogde politiële samenwerking te komen, werd in januari 1994 een Europol-drugseenheid opgericht. Deze eenheid kreeg als eerste doelstellingen de bestrijding van illegale drugshandel en het hiermee samenhangende witwassen van geld. De opdracht ervan werd vervolgens uitgebreid met de bestrijding van illegale handel in radioactieve en nucleaire stoffen, netwerken voor illegale immigratie, gestolen voertuigen en witwassen van geld dat met deze vormen van criminaliteit samenhangt, alsook met bestrijding van mensenhandel. Het Verdrag van Amsterdam geeft Europol nieuwe taken voor de toekomst: coördinatie en uitvoering van specifieke onderzoeksacties door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, ontwikkeling van specifieke expertise om de lidstaten te assisteren bij het onderzoeken van zaken van georganiseerde criminaliteit, alsmede totstandbrenging van contacten tussen functionarissen belast met opsporing/vervolging die zich specialiseren in de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. Zie: * Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ) * Overeenkomst (JBZ) * Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken Europese politieke samenwerking (EPS) De Europese politieke samenwerking (EPS) startte informeel in 1970 (in aansluiting op het verslag-Davignon), en werd nadien in 1987 door de Europese Akte geïnstitutionaliseerd. Zij voorzag in overleg tussen de lidstaten op de gebieden van het extern beleid. In dit kader dienden de lidstaten de standpunten van het Europees Parlement in overweging te nemen, en binnen de internationale organisaties zoveel mogelijk gemeenschappelijke standpunten te verdedigen. Het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) is de opvolger van de EPS. Zie: * Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB) Europese Raad Met de Europese Raad worden de regelmatige bijeenkomsten van de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten van de Europese Unie bedoeld. De Europese Raad werd opgericht door middel van het slotcommuniqué van de Topontmoeting van Parijs van december 1974 en kwam in 1975 voor de eerste maal bijeen (10/11.03.1975 te Dublin). Hij kwam in de plaats van de Europese topconferenties die kenmerkend waren voor de periode van 1961 tot 1974 en werd door de Europese Akte juridische bekrachtigd. Hij heeft een officiële status gekregen in het Verdrag betreffende de Europese Unie. De Europese Raad komt ten minste twee maal per jaar bijeen, en de voorzitter van de Commissie maakt van rechtswege deel uit van de Europese Raad. De Europese Raad heeft tot taak de nodige impulsen voor de ontwikkeling van de Unie te geven en de algemene beleidslijnen ervan vast te stellen. Zie: * Intergouvernementele Conferentie (IGC) * Programma van de Europese Unie GLOSSARIUM De hervorming van de Europese Unie F GLOSSARIUM De hervorming van de Europese Unie G Geassocieerde leden van de West-Europese Unie (WEU) In hun Verklaring van Maastricht van 10 december 1991 boden de lidstaten van de WEU de Europese leden van de NAVO (die welke geen lid van de Europese Unie zijn) een geassocieerd lidmaatschap van de WEU aan. Het gaat hierbij om drie lidstaten: IJsland, Noorwegen en Turkije. De "geassocieerde leden", waarvan het statuut in de Verklaring van Petersberg van 19 juni 1992 is neergelegd, kunnen ten volle aan de vergaderingen van de Raad van de WEU en de werkgroepen ervan deelnemen. Door middel van een permanente verbindingsprocedure kunnen zij bij de werkzaamheden van de planningsgroep van de WEU worden betrokken. Voorts hebben zij het recht hun standpunt mede te delen, maar zij kunnen een besluit waarover de lidstaten overeenstemming hebben bereikt, niet blokkeren. De drie kunnen zich achter de besluiten van de WEU-leden scharen en eventueel een bijdrage aan de militaire operaties van de WEU leveren. Zie: * Geassocieerde partners van de Westeuropese Unie * NAVO * Statuut van waarnemer bij de Westeuropese Unie * Westeuropese Unie (WEU) Geassocieerde partners van de West-Europese Unie (WEU) Het statuut van geassocieerde partners geldt voor tien landen van Midden- en Oost-Europa : de drie Baltische Staten, Bulgarije, Hongarije, Polen, de Republiek Tsjechië, Roemenië, Slovenië en Slowakije. Het stelt deze landen in staat deel te nemen aan de vergaderingen van de Raad van de WEU, waarbij zij regelmatig worden voorgelicht omtrent de activiteiten van de werkgroepen van die Raad, tot de vergaderingen waarvan zij op ad hoc-basis kunnen worden uitgenodigd. Zij kunnen ook een procedure voor verbinding met de planninggroep hebben. Ten slotte kunnen zij zich aansluiten bij de besluiten die door de lidstaten worden genomen met betrekking tot de volgende opdrachten waarin de Verklaring van Petersberg voorziet : opdrachten van humanitaire aard of voor het evacueren van onderdanen, opdrachten voor het behoud van de vrede, opdrachten van strijdkrachten voor crisisbeheer, inclusief herstel van de vrede. Zie: * Geassocieerde leden van de Westeuropese Unie * Verklaring van Petersberg van 19 juni 1992 (Petersberg-taken) * Waarnemer bij de Westeuropese Unie * Westeuropese Unie Gecoördineerde strategie voor werkgelegenheid Het Verdrag van Amsterdam voert het concept "gecoördineerde strategie voor werkgelegenheid" in, dat aansluit bij de geïntegreerde werkgelegenheidsstrategie die door de Europese Raad van Essen van december 1994 werd ingevoerd. De Europese Raad van Essen verzocht de lidstaten meerjarenprogramma's voor de werkgelegenheid en voor de Commissie verslagen over de tenuitvoerlegging daarvan op te stellen. Deze verslagen bevatten een beschrijving van de belangrijkste maatregelen die in de laatste twaalf maanden door de regeringen zijn genomen ter uitvoering van hun meerjarenprogramma's, alsmede - in sommige gevallen - een evaluatie van de gevolgen van deze maatregelen voor de werkgelegenheid. Ten slotte wordt melding gemaakt van de voornaamste wijzigingen en de nieuwe initiatieven op dit gebied. Deze in Essen vastgestelde strategie is door de Europese Raden van Madrid (december 1995) en Dublin (december 1996) aangescherpt. Dit gebeurde beide keren op basis van een door de Commissie en de Raad gezamenlijk opgesteld verslag waarin een samenvatting werd gegeven van de verslagen over de tenuitvoerlegging van de meerjarenprogramma's. De Europese Raden van Florence (juni 1996) en Amsterdam (juni 1997) ontvingen gezamenlijke beknoptere tussentijdse verslagen. Bij de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam zal een titel betreffende de werkgelegenheid in het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap worden opgenomen. Deze nieuwe titel voert de concepten "gecoördineerde strategie" en "richtsnoeren voor de werkgelegenheid" in. Concreet betekent dit dat twee belangrijke vernieuwingen worden ingevoerd: * De Raad stelt jaarlijks, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de regio's en het Comité voor de werkgelegenheid, richtsnoeren voor de werkgelegenheid op, die verenigbaar zijn met de globale richtsnoeren voor het economisch beleid; * De Raad kan tevens met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op aanbeveling van de Commissie, aanbevelingen tot de lidstaten richten indien hij zulks in het licht van zijn jaarlijks onderzoek naar de tenuitvoerlegging van het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten dienstig acht. De Europese Raad van Amsterdam heeft besloten dat de desbetreffende bepalingen van de nieuwe titel betreffende de werkgelegenheid onmiddellijk, dus vóór de inwerkingtreding van het nieuwe Verdrag, van kracht moesten worden. Zie: * Werkgelegenheid Gedifferentieerde integratie (flexibiliteit) Met gedifferentieerde integratie wordt een integratieproces bedoeld waarin de lidstaten zelf bepalen hoe snel zij vooruitgang willen boeken en/of welke doelstellingen zij daarbij willen nastreven. Dit proces vormt een tegenstelling met een monolithische constructie van staten die in eenzelfde tempo dezelfde doelstellingen nastreven. Zodra het Verdrag van Amsterdam in werking treedt, zal de gedifferentieerde integratie uitdrukkelijk in de vorm van algemene bepalingen worden opgenomen in een nieuwe titel (inzake nauwere samenwerking) van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Zie: * Concentrische cirkels * Europa "à la carte" * Europa "met meerdere snelheden" * Europa met variabele geometrie * Institutioneel kader (één...) * Nauwere samenwerking * Sociaal protocol Gekwalificeerde meerderheid Met gekwalificeerde meerderheid wordt het aantal stemmen bedoeld dat in de Raad moet worden behaald om besluiten op grond van artikel 148, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap te kunnen nemen. De drempel van de gekwalificeerde meerderheid is op 62 van de 87 stemmen vastgesteld (71 % van de stemmen). De stemmen worden als volgt gewogen: Duitsland, Frankrijk, Italië en het Verenigd Koninkrijk 10 stemmen; Spanje 8 stemmen; België, Griekenland, Nederland en Portugal 5 stemmen; Oostenrijk en Zweden 4 stemmen; Denemarken, Ierland en Finland 3 stemmen; Luxemburg 2 stemmen. Zie: * Compromis van Ioannina * Raad van de Unie * Stemmenweging in de Raad Gelijke behandeling van mannen en vrouwen Reeds in 1957 werd in artikel 119 van het Verdrag van Rome het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke arbeid vastgelegd. Vanaf 1975 werd dit beginsel door middel van een reeks richtlijnen uitgebreid tot gelijke behandeling bij de toegang tot de arbeidsmarkt, tot de algemene en de beroepsopleiding en met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden. Aldus werd beoogd een einde te maken aan alle discriminaties in de arbeidsomgeving. Vervolgens werd het beginsel van gelijke behandeling ook ingevoerd voor de sociale zekerheid, de wettelijke regelingen en de beroepsregelingen. De erkenning van dit beginsel heeft in de jaren '80 geleid tot de bevordering van gelijke kansen door middel van meerjarenprogramma's. Het Verdrag van Amsterdam tracht de beperkte reikwijdte van artikel 119 (dat slechts betrekking heeft op de gelijke beloning) uit te breiden door de bevordering van de gelijke behandeling op te nemen in artikel 2 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, waarin de taken van de Gemeenschap worden opgesomd. Zie: * Gelijke kansen Gelijke kansen Met gelijke kansen wordt een algemeen beginsel bedoeld waarvan artikel 6 (verbod van discriminatie op grond van nationaliteit) en artikel 119 (gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers) van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap essentiële onderdelen vormen. Het is de bedoeling dat het beginsel op alle terreinen wordt toegepast, met name op economisch, sociaal en cultureel gebied en in het gezinsleven. Zodra het Verdrag van Amsterdam in werking treedt, zal een nieuw artikel 6 A worden opgenomen ter versterking van het non-discriminatiebeginsel, dat nauw verband houdt met de gelijke kansen. In dit nieuwe artikel is bepaald dat de Raad passende maatregelen kan nemen om discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid te bestrijden. Zie: * Gelijke behandeling van mannen en vrouwen Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) Het GBVB is ingesteld en wordt geregeld door titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Het vervangt de Europese Politieke Samenwerking (EPS) en voorziet in de vaststelling op termijn van een gemeenschappelijk defensiebeleid dat mettertijd tot een gemeenschappelijke defensie zou kunnen leiden. De doelstellingen van deze tweede pijler van de Unie zijn vervat in artikel J.1 en worden nagestreefd door middel van eigen rechtsinstrumenten (gemeenschappelijk optreden, gemeenschappelijk standpunt) die in de Raad met eenparigheid van stemmen worden goedgekeurd. Na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam heeft de Unie een nieuw instrument tot haar beschikking: de gemeenschappelijke strategie. Dit instrument wordt vermeld in het nieuwe artikel J.2 van het Verdrag. Zie: * COREU * Eenheid voor beleidsplanning en vroegtijdige waarschuwing * Gemeenschappelijke strategie (GBVB) * Gemeenschappelijk optreden (GBVB) * Gemeenschappelijk standpunt (GBVB) * Institutioneel kader (één...) * NAVO * Onthouding, constructieve * Pijlers van de Europese Unie * Politiek Comité (COPO) * Titel V * Verklaring (GBVB) * Westeuropese Unie Gemeenschappelijk defensiebeleid Het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) van de Europese Unie houdt de vaststelling op termijn van een gemeenschappelijk defensiebeleid in dat mettertijd zou kunnen leiden tot een gemeenschappelijke defensie. In dit verband verzoekt de Europese Unie de West-Europese Unie (WEU) de besluiten en maatregelen uit te werken en ten uitvoer te leggen die met defensie verband houden (artikel J.4 van het Verdrag betreffende de Europese Unie). Het gemeenschappelijk defensiebeleid vormt een element van een veiligheidsbeleid in brede zin. Het heeft tot doel de risico's te verminderen die de gemeenschappelijke waarden en de fundamentele belangen van de Unie en haar lidstaten bedreigen, en tot de handhaving en de consolidatie van de vrede bij te dragen overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties, de Slotakte van Helsinki, het Verdrag van Washington (NAVO) en het gewijzigd Verdrag van Brussel (WEU). Als gevolg van de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam vindt een belangrijke vernieuwing plaats: humanitaire en reddingsopdrachten, vredeshandhavingsopdrachten en opdrachten van strijdkrachten op het gebied van crisisbeheersing (zie verklaring van Petersberg) zullen in het Verdrag betreffende de Europese Unie worden opgenomen. Het huidige artikel J.4 zal worden vervangen door een nieuw artikel J.7. Zie : * Geassocieerde partners van de Westeuropese Unie (WEU) * Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid * NAVO * NAVO (vernieuwde) * Verklaring van Petersberg * Westeuropese Unie Gemeenschappelijke handelspolitiek De gemeenschappelijke handelspolitiek behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap (artikel 113 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap). Zij heeft het mogelijk gemaakt een douane-unie tussen de lidstaten van de Gemeenschap tot stand te brengen, en zij berust op uniforme beginselen, met name met betrekking tot tariefwijzigingen, de sluiting van tarief en handelsakkoorden met derde landen, het uitvoer- en invoerbeleid, enz. Voor de uitwerking ervan geldt de besluitvormingsprocedure waarbij binnen de Raad een gekwalificeerde meerderheid vereist is. Zodra het Verdrag van Amsterdam in werking treedt, zal artikel 113 worden gewijzigd, zodat de Raad met eenparigheid van stemmen kan besluiten om de toepassing van de bepalingen inzake de gemeenschappelijke handelspolitiek uit te breiden tot internationale onderhandelingen en overeenkomsten betreffende diensten en intellectuele eigendom. Zie: * Bevoegdheden van de Gemeenschap, externe * Gekwalificeerde meerderheid * Raad van de Unie Gemeenschappelijke strategie (GBVB) De gemeenschappelijke strategie is een nieuw instrument in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, dat wordt ingevoerd zodra het Verdrag van Amsterdam in werking treedt. In het nieuwe artikel J.3 is bepaald dat de Europese Raad de beginselen en de algemene richtsnoeren voor het GBVB vaststelt en besluiten neemt over door de Unie uit te voeren gemeenschappelijke strategieën op de gebieden waarop de lidstaten aanzienlijke belangen gemeen hebben. Concreet betekent dit dat in de gemeenschappelijke strategieën de doelstellingen en de duur ervan worden omschreven, alsmede de middelen die door de Unie en de lidstaten beschikbaar moeten worden gesteld. De Raad voert de gemeenschappelijke strategieën uit, met name door het aannemen van gemeenschappelijke optredens en gemeenschappelijke standpunten. De Raad kan de Europese Raad aanbevelingen doen voor gemeenschappelijke strategieën. Zie: * Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) Behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap en streeft de in artikel 39 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap genoemde doelstellingen na, met name door de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten. Het vormt een van de voornaamste beleidstakken van de Unie (de landbouwuitgaven belopen meer dan 50 % van de communautaire begroting). Voor de uitwerking ervan geldt de besluitvormingsprocedure waarbij binnen de Raad een gekwalificeerde meerderheid vereist is en het Europees Parlement moet worden geraadpleegd. In het vooruitzicht van de uitbreiding werd een debat op gang gebracht over de mogelijke hervormingen van het huidige GLB. Het document Agenda 2000, dat in juli 1997 door de Commissie werd ingediend, bevat een concreet voorstel voor de hervorming van het GLB. Dit is echter pas het begin van de discussie over dit onderwerp, dat van essentieel belang is voor de toekomst van de Europese Unie. Zie : * Agenda 2000 * Classificatie van de uitgaven * Europees Parlement * Gekwalificeerde meerderheid * Raad van de Unie * Raadplegingsprocedure Gemeenschappelijk optreden (GBVB - Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid) Deze term, het rechtsinstrument van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie, heeft betrekking op een gecoördineerd optreden van de lidstaten waarbij hulpmiddelen van uiteenlopende aard (menselijke hulpbronnen, know-how, financiële middelen, materieel, enz.) worden aangewend ter verwezenlijking van de concrete doelstellingen die de Raad op basis van de algemene richtsnoeren van de Europese Raad heeft vastgesteld. Het gemeenschappelijk optreden wordt bij de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam afgeschaft en vervangen door "besluiten" en "kaderbesluiten". Zie: * Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid * Titel V Gemeenschappelijk optreden (JBZ - Justitie en Binnenlandse Zaken) Met deze term, het rechtsinstrument van titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie, wordt een gecoördineerd optreden van de lidstaten bedoeld, dat namens of in het kader van de Unie ten uitvoer wordt gelegd indien de doelstellingen van de Unie vanwege de omvang of de gevolgen van het beoogd optreden beter kunnen worden bereikt door een gemeenschappelijk optreden dan door een optreden van de lidstaten afzonderlijk. Het gemeenschappelijk optreden wordt bij de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam afgeschaft en vervangen door "besluiten" en "kaderbesluiten". Zie: * Besluit en kaderbesluit * Justitie en Binnenlandse Zaken * Titel VI Gemeenschappelijk standpunt (GBVB) Het gemeenschappelijk standpunt in het kader van het GBVB is bedoeld om de samenwerking systematischer en beter gecoördineerd te maken. De lidstaten zijn gehouden om deze standpunten te volgen en te verdedigen die zij tijdens een Raadsvergadering met eenparigheid van stemmen hebben goedgekeurd. Zie: * Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid Gemeenschappelijk standpunt (JBZ - Justitie en Binnenlandse Zaken) Het gemeenschappelijk standpunt in het kader van Justitie en Binnenlandse Zaken is een rechtsinstrument waarmee de Raad iedere samenwerking kan bevorderen die nuttig is voor het nastreven van de doelstellingen van de Unie. De lidstaten verbinden er zich dan toe zich binnen hun interne orde en binnen hun extern beleid te voegen naar datgene waartoe zij tijdens een Raadsvergadering met eenparigheid van stemmen hebben besloten. Het Verdrag van Amsterdam handhaaft dit instrument in de nieuwe titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie (politiële en justitiële samenwerking in strafzaken). Zie: * Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ) * Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken * Titel VI Gemeenschappelijk vervoerbeleid Het gemeenschappelijk vervoerbeleid is gericht op de invoering van gemeenschappelijke regels voor het internationaal vervoer dat plaatsvindt vanaf of naar het grondgebied van een lidstaat, of waarbij van het grondgebied van een of meer lidstaten gebruik wordt gemaakt. Het houdt ook de vaststelling in van de voorwaarden voor toelating van buitenlandse vervoerders tot het nationaal vervoer in een lidstaat. Tenslotte omvat het de maatregelen waardoor de veiligheid van het vervoer kan worden verbeterd. Voor de uitwerking ervan gelden besluitvormingsprocedures die verschillen naar gelang van de gebieden waarop de vast te stellen voorschriften betrekking hebben. Wanneer deze laatste voorschriften betrekking hebben op vervoer over het land (spoorwegen, wegen en binnenwateren), beslist de Raad: * overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 189 C (samenwerking) en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité; * met eenparigheid van stemmen en na raadpleging (gewoon advies) van het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité, wanneer de kwestie betrekking heeft op de beginselen van de vervoerregeling en zij de levensstandaard en de werkgelegenheid alsook het gebruik van het vervoerapparaat ernstig zou kunnen beïnvloeden. Wanneer de te nemen maatregelen het zee- of het luchtvervoer betreffen, zal de Raad: * met gekwalificeerde meerderheid kunnen beslissen of, in hoeverre en door welke procedure passende maatregelen zullen kunnen worden genomen. Het Verdrag van Amsterdam voorziet in vereenvoudiging van de wetgevingsprocedures. Zodra dit Verdrag in werking is getreden, zullen alle besluiten op vervoersgebied volgens de medebeslissingsprocedure (artikel 189 B) worden genomen. Zie: * Eenparigheid * Gekwalificeerde meerderheid * Medebeslissingsprocedure, bedoeld in artikel 189 B * Samenwerkingsprocedure, bedoeld in artikel 189 C * Raadplegingsprocedure Gemeenschapsrecht In engere zin bestaat het Gemeenschapsrecht uit de oprichtingsverdragen (primaire bron) alsmede de regels die zijn vervat in de besluiten die door de communautaire instellingen ter uitvoering van deze Verdragen zijn genomen (afgeleid recht). In brede zin omvat het Gemeenschapsrecht alle rechtsregels die gelden binnen de communautaire rechtsorde. Het gaat derhalve ook om de algemene rechtsbeginselen, de jurisprudentie van het Hof van Justitie, het recht dat uit de externe betrekkingen van de Gemeenschappen voortkomt, en ook het aanvullend recht dat voortkomt uit de overeenkomsten die tussen de lidstaten zijn gesloten voor de toepassing van de Verdragen. Zie: * Controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht Globalisering van de economie (mondialisering) De Europese Raad van Turijn heeft de mondialisering van de economie als een van de grootste uitdagingen bestempeld waaraan de Europese Unie aan het einde van deze eeuw het hoofd moet bieden. Hierbij gaat het om een snel voortschrijdende integratie van de mondiale economie, die op de volgende hoofdoorzaken teruggaat: * liberalisering van de wereldhandel en het kapitaalverkeer; * versnelling van de technologische vooruitgang en opkomst van de informatiemaatschappij; * deregulering. Deze drie factoren versterken elkaar wederzijds omdat de technologische vooruitgang de wereldhandel stimuleert en de wereldhandel een betere verspreiding van de technische vooruitgang mogelijk maakt. Tegelijkertijd stimuleert de deregulering de ontwikkeling van nieuwe technologieën en draagt zij bij tot het wegnemen van de handelsbelemmeringen. Volgens sommigen kunnen bedrijven en particulieren de nationale voorschriften dank zij de technologische vooruitgang echter gemakkelijker omzeilen. Groenboeken De door de Commissie gepubliceerde groenboeken zijn documenten die ten doel hebben een denkproces te bevorderen en een raadplegingsprocedure over een bepaald onderwerp op Europees niveau op gang te brengen (bijvoorbeeld: sociale politiek, eenheidsmunt, telecommunicatie, enz.). Het overleg dat naar aanleiding van een groenboek plaatsvindt, kan vervolgens tot de publicatie van een witboek leiden, waarin de resultaten van de discussie in de vorm van concrete actiemaatregelen van de Gemeenschap worden opgenomen. Zie: * Europese Commissie * Witboeken GLOSSARIUM De hervorming van de Europese Unie H Handvest van de openbare diensten Het plan bestaat om een handvest van de openbare diensten op te stellen waarin de grondrechten en de beginselen met betrekking tot het vervullen van diensten aan het publiek uiteen worden gezet. Tot deze beginselen behoren onder meer: * de continuïteit van de dienst; * de kwaliteit; * een gegarandeerd aanbod; * de gelijkheid van toegang; * een betaalbare prijs; * de maatschappelijke, culturele en ecologische aanvaardbaarheid. Zie: * Openbare dienst * Universele dienst Harde kern Hiermee wordt een beperkte groep landen bedoeld die in staat en bereid zijn om de onderlinge samenwerking te intensiveren. Dit idee moet worden bezien in de brede context van de flexibiliteit, waardoor de gedifferentieerde integratie in het institutioneel kader van de Unie moet kunnen worden ondergebracht om te voorkomen dat buiten dit kader "harde kernen" worden gevormd, zoals het geval was bij de Schengen-ruimte. Zie: * Gedifferentieerde integratie * Nauwere samenwerking * Schengen Hiërarchie tussen communautaire besluiten (voorschriftenhiërarchie) In een verklaring die aan het Verdrag betreffende de Europese Unie is gehecht is bepaald dat "de indeling van de communautaire besluiten kan worden herzien met het oog op de vaststelling van een passende hiërarchie tussen de onderscheiden categorieën van besluiten". Het voornaamste doel van een dergelijke hiërarchie is dat de wetgever zich hierdoor gemakkelijker op de politieke aspecten van de problemen zou kunnen concentreren en zich niet bezig zou hoeven te houden met details. De hiërarchie zou het communautaire besluitvormingsproces op doorslaggevende wijze beïnvloeden aangezien besluiten van constitutionele aard aan zwaardere procedures (bijv: eenparigheid van stemmen, versterkte gekwalificeerde meerderheid, instemming, enz.) zouden worden onderworpen dan de wetgevende besluiten, die op hun beurt weer aan zwaardere procedures (bijv.: medebeslissingsprocedure) zouden worden onderworpen dan de uitvoeringsbesluiten (bijv: geïnstitutionaliseerde delegatie van bevoegdheden aan de Commissie). De kwestie kwam ter sprake tijdens de eerste beraadslagingen onder de mogelijkheid om de medebeslissingsprocedure in het Verdrag op te nemen, waarmee in 1990 een aanvang werd gemaakt. De achterliggende gedachte was dat hierdoor wordt voorkomen dat een te omslachtige procedure wordt toegepast op bepaalde minder belangrijke besluiten. Aldus zou rechtsverstikking worden vermeden. In 1991 had de Commissie tijdens de onderhandelingen over het Verdrag van Maastricht voorstellen gedaan voor de invoering van een hiërarchie tussen de communautaire besluiten en een nieuwe typologie van de communautaire voorschriften (Verdrag, wet, secundaire besluiten of uitvoeringsbesluiten). Deze voorstellen leden echter schipbreuk in verband met de verschillende rechtstradities van de lidstaten. Over deze kwestie is niet onderhandeld tijdens de Intergouvernementele Conferentie van 1996-97. Zie: * Eenparigheid * Gekwalificeerde meerderheid * Instemmingsprocedure * Medebeslissingsprocedure, bedoeld in artikel 189B * Raadplegingsprocedure * Rechtsinstrumenten, communautaire * Samenwerkingsprocedure, bedoeld in artikel 189C * Versterkte gekwalificeerde meerderheid Hof van Justitie Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bestaat uit vijftien rechters, bijgestaan door negen advocaten-generaal, die in onderlinge overeenstemming voor zes jaar door de lidstaten worden benoemd. Het Hof heeft twee hoofdtaken: * het toetst het handelen en nalaten van de Europese instellingen en de regeringen aan de Verdragen; * het doet op verzoek van een nationale rechter een uitspraak over de uitlegging of de geldigheid van het communautair recht. Het Hof wordt bijgestaan door een Gerecht van eerste aanleg, dat met name de geschillen tussen de Europese instellingen en hun personeelsleden behandelt, alsook de geschillen betreffende de tenuitvoerlegging van de mededingingsregels. Hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) Naar aanleiding van de discussie over de wenselijkheid om een meneer of mevrouw GBVB te benoemen, zal, zodra het Verdrag van Amsterdam in werking treedt, de functie van hoge vertegenwoordiger worden gecreëerd. Deze functie zal worden vervuld door de secretaris-generaal van de Raad. Deze zal het voorzitterschap bijstaan, dat de Unie vertegenwoordigt in zaken die onder het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vallen. De hoge vertegenwoordiger zal tevens bijdragen tot de formulering, voorbereiding en uitvoering van beleidsbeslissingen van de Raad. Deze kan namens de Raad en op verzoek van het voorzitterschap de politieke dialoog met derden voeren. Nadat deze nieuwe functie is gecreëerd, wordt de plaatsvervangend secretaris-generaal belast met de leiding van het secretariaat-generaal van de Raad. Zie: * Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid * Meneer of mevrouw GBVB * Raad van de Europese Unie GLOSSARIUM De hervorming van de Europese Unie I Initiatiefrecht Teneinde haar rol van hoedster van de Verdragen en het algemeen belang ten volle te kunnen spelen, is de Commissie een recht van initiatief toegekend op grond waarvan zij het recht en de plicht heeft om voorstellen te doen over de onderwerpen die in het Verdrag zijn opgenomen, hetzij omdat het Verdrag dit uitdrukkelijk bepaalt, hetzij omdat de Commissie dit noodzakelijk acht. * Dit initiatiefrecht is exclusief op het terrein van de communautaire wetgeving omdat de Raad in beginsel slechts "op voorstel van de Commissie" besluiten neemt, om er zo voor te zorgen dat elk initiatief past in een samenhangend kader. * Op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid kan de Commissie op dezelfde wijze als de lidstaten initiatieven voorstellen. Zij heeft daarentegen geen recht van initiatief op bepaalde terreinen die onder justitie en binnenlandse zaken vallen. Voorts kunnen de Raad en het Europees Parlement de Commissie uitnodigen initiatieven uit te werken indien zij zulks nodig achten. Het recht van initiatief wordt beschouwd als een essentieel onderdeel van het institutionele evenwicht van de Gemeenschap. Bij de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam zal het initiatiefrecht van de Commissie worden uitgebreid tot nieuwe beleidsterreinen (werkgelegenheid, volksgezondheid), tot vraagstukken in verband met het vrije verkeer van personen, omdat deze terreinen zullen worden "gecommunautariseerd", en tot de derde pijler. Op het gebied van de derde pijler zal de Commissie het initiatiefrecht gedurende de eerste vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag delen met de lidstaten. Daarna zal alleen de Commissie het recht van initiatief hebben. Zie: * Europese Commissie * Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB) * Institutioneel kader (één...) * Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ) * Pijlers van de Europese Unie * Ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid Instemmingsprocedure De instemmingsprocedure werd ingevoerd door de Europese Akte. Zij houdt in dat de Raad de instemming van het Europees Parlement (absolute meerderheid van zijn leden) moet krijgen om bepaalde beslissingen van groot belang te kunnen nemen. Het Europees Parlement kan een voorstel aanvaarden of verwerpen doch kan dit niet amenderen. De instemmingsprocedure geldt voornamelijk voor de toetreding van nieuwe lidstaten en sommige internationale verdragen en overeenkomsten. Voorts is zij ook vereist voor burgerschap, specifieke taken van de Europese centrale bank, wijzigingen van de statuten van het Europees stelsel van centrale banken en van de Europese centrale bank, Structuurfondsen en Cohesiefonds alsook de uniforme verkiezingsprocedure voor de Europese verkiezingen. Vanaf de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam zal de instemming van het Europees Parlement tevens vereist zijn wanneer sancties worden toegepast wegens een ernstige en voortdurende schending van de grondrechten door een lidstaat (nieuw artikel F.1). Zie: * Eenparigheid * Europees Parlement * Gekwalificeerde meerderheid * Raad van de Unie Institutioneel evenwicht en democratische legitimiteit Het institutioneel evenwicht van de Gemeenschap was lange tijd gebaseerd op de Staten, waarbij nagenoeg alleen de lidstaten de stuwkracht van het Europese eenwordingsproces waren. In de loop van dit proces werd het legitimatievraagstuk steeds nijpender. Daarom is in het Verdrag van Maastricht een begin gemaakt om het beginsel van de democratische legitimatie in de institutionele structuur op te nemen. Te dien einde werden de bevoegdheden van het Europees Parlement met betrekking tot de benoeming en de controle van de Commissie versterkt. Ondanks de verbeteringen die door het Verdrag betreffende de Europese Unie tot stand zijn gebracht, zijn de wetgevende bevoegdheden van de Raad en het Parlement nog steeds ongelijk verdeeld. Bij de ratificatie van dit Verdrag in de lidstaten trad de onevenwichtigheid tussen de bestaande staatslegitimatie en de democratische legitimatie die de publieke opinie verwacht, duidelijk aan het licht. In het kader van de institutionele hervorming streeft het Verdrag van Amsterdam naar een evenwicht tussen de beide instellingen met hun eigen legitimatievorm, ten einde een meer democratische verdeling van de bevoegdheden te waarborgen en de Europese burgers en de nationale parlementen nauwer bij het besluitvormingsproces te betrekken, onder meer door betere voorlichting. Het Verdrag van Amsterdam brengt onder meer de volgende wijzigingen aan: * de algemene invoering van de medebeslissingsprocedure, met een uitbreiding van de bevoegdheden van het Europees Parlement op wetgevend terrein; * de versterking van de legitimatie van de Commissie ten opzichte van het Europees Parlement en de lidstaten, door de regels voor de benoeming van de Commissie te herzien en door de rol van haar voorzitter te versterken. Zie: * Dubbele meerderheid * Europees Parlement * Europese Commissie * Europese Raad * Investituur van de Commissie * Medebeslissingsprocedure, bedoeld in artikel 189B * Nationale parlementen * Raad van de Unie Institutioneel Kader (één ...) Door de totstandbrenging van één institutioneel kader wordt het beginsel van de institutionele eenheid geconcretiseerd. Het houdt in dat lidstaten die de onderlinge integratie en samenwerking willen intensiveren, ermee instemmen op te treden via gemeenschappelijke instellingen. Voorts vereist dit beginsel dat de overige lidstaten die niet aan deze intensievere samenwerking willen deelnemen, aanvaarden dat gemeenschappelijke instellingen kunnen worden gebruikt voor gedifferentieerde integratiemaatregelen. Het Protocol en de Overeenkomst betreffende de sociale politiek zijn hier een voorbeeld van. Zie : * Gedifferentieerde integratie (flexibiliteit) * Nauwere samenwerking * Overeenkomst betreffende de sociale politiek * Pijlers van de Europese Unie * Sociaal protocol Integratie van de overeenkomst betreffende de sociale politiek (schrapping van het protocol betreffende de sociale politiek) Het Verdrag van Amsterdam voorziet in de schrapping van het protocol betreffende de sociale politiek, waarbij het Verenigd Koninkrijk de andere lidstaten machtigt om op sociaal gebied verder te gaan, terwijl het zelf niet deelneemt. Nadat de nieuwe Britse regering het voornemen te kennen had gegeven om zich op sociaal gebied weer bij de andere lidstaten aan te sluiten, is namelijk besloten de overeenkomst betreffende de sociale politiek in het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap op te nemen. Voorts zal het Verenigd Koninkrijk spoedig de richtlijnen ten uitvoer leggen die de andere veertien lidstaten hebben vastgesteld in het kader van de overeenkomst betreffende de sociale politiek. De facto zal de Britse uitzonderingspositie op sociaal gebied dus worden beëindigd ruim voordat het Verdrag van Amsterdam in werking treedt en het protocol betreffende de sociale politiek formeel wordt geschrapt. Zie: * Overeenkomst betreffende de sociale politiek * Sociaal protocol * Sociale politiek Intergouvernementele Conferentie (IGC) Het concept Intergouvernementele Conferentie (IGC) betreft een onderhandelingsproces tussen de regeringen van de lidstaten dat resultaten moet opleveren met behulp waarvan de verdragen kunnen worden herzien. De IGC is van grote betekenis voor het Europese eenwordingsproces, omdat veranderingen in de institutionele en juridische structuur - of eenvoudiger gezegd in de tekst van de Verdragen - altijd het resultaat waren van IGC's (bijvoorbeeld Europese Akte, het Verdrag betreffende de Europese Unie). Sedert de oprichting van de Europese Gemeenschap zijn zes Intergouvernementele Conferenties gehouden, waarvan vier sinds 1985. De IGC van 1996 was de zesde in de reeks, en in het kader van deze Conferentie hebben regelmatig in beginsel eenmaal per maand bijeenkomsten op het niveau van de ministers van Buitenlandse Zaken plaatsgevonden. Zij begon op 29 maart 1996 en eindigde tijdens de Europese Raad van Amsterdam (16-17 juni 1997) met de goedkeuring van het Verdrag van Amsterdam. De werkzaamheden waren voorbereid door een groep die is samengesteld uit een vertegenwoordiger van elke minister van Buitenlandse Zaken van de lidstaten en het met institutionele vraagstukken belaste lid van de Europese Commissie. Het Secretariaat-generaal van de Raad draagt zorg voor de praktische organisatie van deze werkzaamheden. Het Europees Parlement is gedurende de gehele Conferentie op de hoogte gehouden van de voortgang van de besprekingen en het heeft zijn standpunt over alle besproken vraagstukken naar voren kunnen brengen wanneer het zulks nuttig achtte. Zie : * Artikel N * Europees Parlement * Europese Commissie * Raad van de Unie * Verdrag van Amsterdam Investituur van de Commissie De procedure voor de benoeming van de Commissie is ingrijpend gewijzigd doordat in het Verdrag betreffende de Europese Unie is voorzien in een investituur van de Commissie. Er bestaan thans twee achtereenvolgende procedures, waarvan de eerste betrekking heeft op de benoeming van de voorzitter van de Commissie en de tweede op die van de Commissie in haar geheel. Allereerst dragen de regeringen van de lidstaten, na raadpleging van het Europees Parlement, in onderlinge overeenstemming de persoon voor die zij voornemens zijn tot voorzitter van de Commissie te benoemen. Vervolgens dragen de regeringen van de lidstaten, in overleg met de voorgedragen voorzitter, de overige personen voor die zij voornemens zijn tot leden van de Commissie te benoemen. De aldus voorgedragen voorzitter en overige leden van de Commissie worden als college ter goedkeuring onderworpen aan een stemming van het Europees Parlement, en vervolgens definitief door de regeringen van de lidstaten benoemd. Deze procedure werd voor de eerste maal aan het begin van de huidige ambtsperiode toegepast. Zij heeft twee voordelen: de legitimatie van de Commissie wordt vergroot en de dialoog tussen de twee organen wordt geïntensiveerd. Zie: * Europese Commissie * Europees Parlement * Samenstelling van de Europese Commissie * Voorzitter van de Europese Commissie GLOSSARIUM De hervorming van de Europese Unie J Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ) De samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken is bij titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie van 1992 aan het werkterrein van de Europese Unie toegevoegd. Deze samenwerking heeft ten doel de veiligheid en de vrijheid binnen de Unie te waarborgen en er tegelijkertijd voor te zorgen dat het beginsel van vrij verkeer van personen wordt toegepast. De samenwerking betreft de volgende sectoren: * asielbeleid; * voorschriften met betrekking tot de overschrijding van de buitengrenzen van de lidstaten; * immigratiebeleid; * drugsbestrijding; * bestrijding van fraude van internationale omvang; * justitiële samenwerking in burgerlijke zaken en in strafzaken; * douanesamenwerking; * politiële samenwerking. Om op deze gebieden maatregelen te nemen zijn verschillende instrumenten ingesteld: het gemeenschappelijke optreden, het gemeenschappelijke standpunt en de overeenkomst. Hoewel aanzienlijke vooruitgang is geboekt, is deze samenwerking altijd het voorwerp geweest van kritiek. Er bestaat overeenstemming over het feit dat meer doeltreffende bepalingen moeten worden ingevoerd teneinde de samenwerkingsstructuren te verbeteren en om de bovengenoemde gebieden die verband houden met de controle van personen (asielbeleid, immigratiebeleid, overschrijding van de buitengrenzen), in het communautaire kader op te nemen. De samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken wordt gereorganiseerd bij het Verdrag van Amsterdam. Na de inwerkingtreding van dit Verdrag zal een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid tot stand worden gebracht. Enkele sectoren zullen worden "gecommunautariseerd", terwijl nieuwe gebieden en methoden hun intrede zullen doen. Voorts zal de Schengen-ruimte, die buiten het rechtskader van de Europese Unie is geschapen op initiatief van enkele lidstaten die met betrekking tot het vrije verkeer van personen sneller vooruitgang wilden boeken, in het nieuwe verdrag worden verankerd. Zie: * Comité van artikel K.4 (JBZ) * Communautarisering * Europese Politiedienst (Europol) * Gemeenschappelijk optreden (JBZ) * Gemeenschappelijk standpunt (JBZ) * Institutioneel kader (één...) * Overeenkomst (JBZ) * Passerelle, communautaire (JBZ) * Pijlers van de Europese Unie * Ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid * Schengen * Titel VI GLOSSARIUM De hervorming van de Europese Unie K GLOSSARIUM De hervorming van de Europese Unie L Leesbaarheid van de Verdragen (vereenvoudiging van de Verdragen) In het kader van de Intergouvernementele Conferentie is aandacht besteed aan het vraagstuk van de leesbaarheid van de Verdragen in verband met de aard van de communautaire rechtsorde, die het resultaat is van een achtereenvolgende reeks Verdragswijzigingen. Er is dan ook reeds op gewezen dat het Verdrag moet worden vereenvoudigd om te voorzien in de behoefte aan meer duidelijkheid dat onder de burgers bestaat. In dit verband zij erop gewezen dat het Verdrag betreffende de Europese Unie een nieuwe structuur heeft toegevoegd die de reeds bestaande wijzigt en aanvult, doch tegelijkertijd de onduidelijkheid over een aantal bepalingen van de voorgaande verdragen laat voortbestaan, omdat deze noch worden overgenomen, noch officieel worden ingetrokken. Daar de geringe leesbaarheid en de complexiteit van de Verdragen tot oprichting van de Unie tot een kloof tussen de Unie en de burger kunnen leiden, heeft de Commissie voorgesteld de Verdragsteksten te consolideren. In een aan het Verdrag van Amsterdam gehechte verklaring is bepaald dat de werkzaamheden ter consolidatie van alle Verdragen (met inbegrip van het Verdrag betreffende de Europese Unie) zo spoedig mogelijk zullen worden voortgezet, teneinde de wijzigingen op te nemen die door het Verdrag van Amsterdam in de vorige Verdragen zijn aangebracht. Deze operatie moet vooral duidelijke teksten opleveren die voor iedereen begrijpelijk zijn. Het resultaat zal geen rechtskracht hebben. Daarnaast zullen de artikelen van de Verdragen opnieuw worden genummerd om het gebruik ervan te vergemakkelijken. Zie: * Doorzichtigheid * Vereenvoudiging van de wetgeving GLOSSARIUM De hervorming van de Europese Unie M Medebeslissingsprocedure, bedoeld in artikel 189 B De in artikel 189 B bedoelde (medebeslissings-)procedure werd ingesteld door het Verdrag betreffende de Europese Unie. Hierdoor krijgt het Europees Parlement de bevoegdheid besluiten te zamen met de Raad vast te stellen. In de praktijk heeft zij de wetgevende macht van het Europees Parlement op de volgende gebieden versterkt: vrij verkeer van werkenden, vestigingsrecht, diensten, interne markt, onderwijs (aanmoedigingsacties), gezondheid (aanmoedigingsacties), consumenten, Trans-Europese netwerken (richtsnoeren), milieu (actieprogramma van algemene aard), cultuur (aanmoedigingsacties) en onderzoek (kaderprogramma). Opgemerkt zij dat de Commissie in haar verslag van juli 1996 over het toepassingsgebied van de medebeslissingsprocedure heeft voorgesteld de in artikel 189B bedoelde procedure uit te breiden tot alle wetgevingsactiviteiten van de Unie. Zodra het Verdrag van Amsterdam in werking treedt, zal de medebeslissingsprocedure worden vereenvoudigd om haar doeltreffender, sneller en doorzichtiger te maken. Daarnaast zal zij worden uitgebreid tot nieuwe gebieden, met name de sociale uitsluiting, de volksgezondheid en de bestrijding van fraude ten nadele van de financiële belangen van de Europese Gemeenschap. Zie: * Bemiddelingscomité * Europees Parlement * Gekwalificeerde meerderheid * Raad van de Unie Meneer of mevrouw GBVB (Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid) Bij dit begrip gaat het om de vraag of, en zo ja in welke vorm, een personificatie van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid geschikt zou zijn om de Unie op internationaal niveau een gezicht en een stem te geven, waardoor zij zichtbaarder en op meer samenhangende wijze naar buiten kan treden. Zie : * Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid * Hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid Milieu Het beleid van de Gemeenschap op het gebied van het milieu is gericht op het behoud, de bescherming en de verbetering van de kwaliteit van het milieu, alsmede de bescherming van de gezondheid van de mens. Ook wordt hierbij gestreefd naar een behoedzaam en rationeel gebruik van de natuurlijke hulpbronnen. Tenslotte draagt dit beleid bij tot de bevordering op internationaal vlak van maatregelen om het hoofd te bieden aan regionale of mondiale milieuproblemen (artikel 130 R). Wat de uitwerking ervan betreft, gelden verschillende besluitvormingsprocedures volgens de gebieden waarop de vast te stellen maatregelen betrekking hebben. Zo besluit de Raad ter verwezenlijking van de in artikel 130 R genoemde doelstellingen: * overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 189 C (samenwerking) en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité voor maatregelen die betrekking hebben op de te ondernemen activiteiten en de uitvoering van de programma's; * met eenparigheid van stemmen en na raadpleging (gewoon advies) van het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité wanneer het gaat om maatregelen van fiscale aard, inzake ruimtelijke ordening en bodembestemming (met uitzondering van afvalstoffenbeheer en maatregelen van algemene aard) of maatregelen die van aanzienlijke invloed zijn op de keuze van een lidstaat op energiegebied (art. 130 S, lid 2)(door deze procedure kan de Raad ook de in artikel 130 S, lid 2, genoemde kwesties omschrijven waarover besluiten met gekwalificeerde meerderheid van stemmen zullen worden genomen); * overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 189 B (medebeslissing) en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité bij de goedkeuring van de actieprogramma's van algemene aard waardoor de prioritair te bereiken doelstellingen zijn vastgesteld. Zodra het Verdrag van Amsterdam in werking treedt, zal het begrip "duurzame ontwikkeling" in de doelstellingen van de Europese Unie worden opgenomen en zal de milieubescherming in sterkere mate worden geïntegreerd in de andere communautaire beleidsterreinen, met name de interne markt. De mogelijkheid voor een lidstaat om strengere normen te hanteren dan de geharmoniseerde normen zal worden verruimd en verduidelijkt. Deze mogelijkheid zal onder strenge voorwaarden worden uitgebreid tot de nieuwe maatregelen die deze lidstaat wenst te treffen in verband met een voor deze staat specifiek milieuprobleem. De Europese Commissie zal deze strengere normen blijven controleren om zich ervan te vergewissen dat zij de goede werking van de interne markt niet belemmeren. Voorts heeft de Commissie zich ertoe verbonden om een milieueffectbeoordeling op te stellen wanneer zij voorstellen indient die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Zie: * Duurzame ontwikkeling * Economische en Sociaal Comité * Eenparigheid * Gekwalificeerde meerderheid * Medebeslissingsprocedure, bedoeld in artikel 189 B * Raadplegingsprocedure * Samenwerkingsprocedure bedoeld in artikel 189 C Monetair beleid De bepalingen betreffende het monetair beleid zijn vervat in de artikelen 105 tot en met 109 en vormen een fundamenteel element van de Economische en Monetaire Unie (EMU). Voor de tenuitvoerlegging van dit beleid zijn er verschillende besluitvormingsprocedures naargelang van de behandelde kwesties : * de in artikel 189 C bedoelde procedure met raadpleging van de ECB voor de uitgifte van munten door de lidstaten (artikel 105 A, lid 2); * gekwalificeerde meerderheid van stemmen binnen de Raad op aanbeveling van ofwel de Europese Centrale Bank (ECB) of de Commissie na raadpleging van de ECB voor de vaststelling van de oriëntaties voor het wisselkoersbeleid (artikel 109, lid 2); * gekwalificeerde meerderheid van stemmen binnen de Raad op aanbeveling van de ECB en na raadpleging van het Europees Parlement en de Commissie, voor de toepassingsmaatregelen bedoeld in de statuten van het Europees stelsel van centrale banken (ESCB) (artikel 106, lid 6) en voor de grenzen en voorwaarden volgens welke de ECB gerechtigd is boeten op te leggen (artikel 108 A, lid 3); * gekwalificeerde meerderheid van stemmen binnen de Raad op aanbeveling van de ECB en na raadpleging van de Commissie en instemming van het Europees Parlement, voor de technische wijzigingen van de statuten van het ESCB (artikel 106, lid 5); * eenparigheid binnen de Raad op aanbeveling van de ECB, of van de Commissie en na raadpleging van de ECB, alsmede na raadpleging van het Europees Parlement, voor de wisselkoers van de ecu ten opzichte van niet-Gemeenschapsvaluta's (artikel 109, lid 1). Vermeld zij dat voor de institutionele (artikelen 109 A-109 D) en overgangsbepalingen (artikelen 109 E-109 M) betreffende titel VI van het EG-Verdrag (economisch en monetair beleid) bijzondere besluitvormingsprocedures gelden die verschillen van die welke wij hier hebben uiteengezet. Zie: * Convergentiecriteria * Economische en Monetaire Unie * Eenparigheid * Europees Parlement * Europese Centrale Bank * Europese Commissie * Gekwalificeerde meerderheid * Procedure bedoeld in artikel 189C * Raad van de Unie * Raadplegingsprocedure * Stabiliteits- en groeipact GLOSSARIUM De hervorming van de Europese Unie N Nationale parlementen Sinds 1989 komen vertegenwoordigers van de bevoegde commissies van de nationale parlementen en het Europees Parlement twee maal per jaar bijeen in het kader van de Conferentie van commissies voor Europese aangelegenheden (COSAC). Naar aanleiding van de inwerkingtreding van het Verdrag van Maastricht zijn de bevoegdheden van de Europese Unie uitgebreid tot gebieden die traditioneel onder de bevoegdheid van de lidstaten vielen, zoals justitie en binnenlandse zaken. Om deze reden is in een verklaring betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie de aandacht gevestigd op het belang van uitwisselingen tussen de nationale parlementen en het Europese Parlement. Bovendien is de nationale regeringen verzocht de wetgevingsvoorstellen van de Commissie te gelegener tijd aan hun parlement voor te leggen met het oog op een eventueel onderzoek. Door de nationale parlementen beter te informeren, zouden deze nauwer bij de communautaire werkzaamheden kunnen worden betrokken en zou de democratische controle van deze werkzaamheden worden verbeterd. Zodra het Verdrag van Amsterdam in werking treedt, zal een protocol betreffende de rol van de nationale parlementen aan het Verdrag betreffende de Europese Unie worden gehecht. In dit protocol is bepaald welke informatie aan de nationale parlementen moet worden toegezonden (groenboeken, witboeken, mededelingen en wetgevingsvoorstellen). Voortaan dient een periode van zes weken te verstrijken tussen het ogenblik waarop een wetgevingsvoorstel door de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad beschikbaar wordt gesteld, en de datum waarop het op de agenda van de Raad wordt geplaatst, zodat de nationale parlementen het eventueel kunnen bespreken. Voorts kan COSAC elke door haar passend geachte bijdrage ter attentie van de instellingen van de Europese Unie leveren, alsmede elk wetgevingsvoorstel bestuderen dat betrekking heeft op de totstandkoming van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid (en dat van invloed zou kunnen zijn op de individuele rechten en vrijheden). Zie: * Europees Parlement Nauwere samenwerking Het concept van nauwere samenwerking zal in het Verdrag betreffende de Europese Unie worden opgenomen zodra het Verdrag van Amsterdam in werking treedt. Het doel van een dergelijke samenwerking zal erin bestaan een beperkt aantal lidstaten die het eenwordingstempo kunnen en willen opvoeren, in staat te stellen de verdieping van de Europese eenwording voort te zetten met inachtneming van het ene institutionele kader van de Unie. De nauwere samenwerking moet aan een aantal voorwaarden voldoen. Zij moet met name: * betrekking hebben op een terrein dat niet uitsluitend onder de bevoegdheid van de Gemeenschap valt; * beogen de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie te bevorderen; * stroken met de beginselen van de Verdragen; * pas in laatste instantie worden gebruikt; * betrekking hebben op een meerderheid van de lidstaten. De machtiging tot nauwere samenwerking wordt verleend door de Raad, die, overeenkomstig de in het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap neergelegde procedure, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een besluit neemt. Zie: * Gedifferentieerde integratie (flexibiliteit) * Institutioneel kader (één) NAVO (Noord-Atlantische Verdragsorganisatie) De Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO, ook bekend onder de naam Atlantisch Pact) werd in 1949 opgericht en is gevestigd in Brussel. Zij telt 16 lidstaten: de leden van de EU (behalve Finland, Ierland, Oostenrijk en Zweden) en Canada, IJsland, Noorwegen, Turkije en de Verenigde Staten. Het beleid van de Unie respecteert de verplichtingen die voor bepaalde lidstaten uit het Noord-Atlantisch Verdrag voortvloeien en is verenigbaar met het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid dat in dit kader wordt vastgesteld. Verklaring nr. 30 die aan het Verdrag betreffende de Europese Unie is gehecht, verduidelijkt de toekomstige relaties tussen de NAVO en de WEU, welke organisatie de defensiecomponent van de Unie en het middel ter versterking van de Europese pijler van het Atlantisch Bondgenootschap is. Zie: * Collectieve verdediging * Gemeenschappelijk defensiebeleid * Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid * NAVO (vernieuwde) * Westeuropese Unie NAVO ("vernieuwde") De "vernieuwde" NAVO verwijst naar een proces van hernieuwde omschrijving van de taken en de werking van de NAVO. Dit proces wordt gekenmerkt door de erkenning van een Europese defensie-identiteit, de versterking van het Europese bestanddeel van het transatlantisch veiligheidssysteem, een nieuwe rol die weggelegd is voor de WEU, en het vooruitzicht van de uitbreiding van de NAVO naar het oosten die, zoals overeengekomen tijdens de NAVO-Raad van juli 1997 te Madrid, in eerste instantie betrekking zal hebben op Hongarije, Polen en Tsjechië. Een en ander zal gepaard gaan met een verdieping van de betrekkingen van de NAVO met de derde landen via de "Partnerschappen voor de vrede" en de Noord-Atlantische Samenwerkingsraad (NASR). In deze context is de totstandbrenging van een solide, stabiel en duurzaam partnerschap met Rusland en Oekraïne een grote uitdaging. Zie: * Collectieve verdediging * Gemeenschappelijk defensiebeleid * Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid * NAVO * Westeuropese Unie Non-discriminatie (beginsel van ...) Het beginsel van non-discriminatie beoogt een gelijke behandeling van alle individuele personen te garanderen, ongeacht hun nationaliteit, geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid. Het verbod van elke discriminatie op grond van nationaliteit is vervat in artikel 6 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Zodra het Verdrag van Amsterdam in werking treedt, wordt een nieuw artikel 6 A in het Verdrag opgenomen om het in de Verdragen vervatte non-discriminatiebeginsel uit te breiden tot de hierboven genoemde gevallen. Zie: * Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) * Gelijke behandeling van mannen en vrouwen * Gelijke kansen GLOSSARIUM De hervorming van de Europese Unie O Ombudsman, Europese Na elke verkiezing van het Europees Parlement wordt de ombudsman voor de zittingsduur van deze instelling benoemd. Deze benoeming geschiedt door het Europees Parlement. De ombudsman is bevoegd kennis te nemen van klachten van burgers van de Unie of van natuurlijke of rechtspersonen met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat over gevallen van wanbeheer bij het optreden van de communautaire instellingen of organen, met uitzondering van het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg. Indien de ombudsman een geval van wanbeheer heeft vastgesteld, legt hij de zaak voor aan de betrokken dienst, stelt hij een onderzoek in, zoekt hij een oplossing voor het probleem en dient hij eventueel ontwerp-aanbevelingen in, waarop de instelling door middel van een met redenen omkleed standpunt moet antwoorden. De ombudsman legt elk jaar aan het Europees Parlement een verslag voor. Zie: * Burgerschap van de Unie * Europees Parlement * Hof van Justitie Omwerking van wetgevingsteksten De omwerking van wetgevingsteksten betekent de goedkeuring, tijdens een nieuwe wijziging die in een basisbesluit wordt aangebracht, van een nieuwe rechtshandeling waardoor, door opneming van deze nieuwe wijziging in het basisbesluit, dit laatste wordt ingetrokken. In tegenstelling tot de codificatie zijn hiervoor inhoudelijke wijzigingen vereist. Zij maakt het ook mogelijk een alomvattend overzicht van een wetgevingsterrein te geven. De nieuwe rechtshandeling wordt gepubliceerd in het Publicatieblad (reeks L). Zie: * Codificatie van wetgevende teksten * Vereenvoudiging van de wetgeving Onthouding, constructieve (onthouding, positieve) Met constructieve onthouding wordt bedoeld dat de Raad in het kader van het GBVB (Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid) in de gelegenheid wordt gesteld besluiten met eenparigheid van stemmen te nemen, ofschoon één van de lidstaten zich van stemming heeft onthouden. Vanaf de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam zal deze mogelijkheid deel uitmaken van het Verdrag betreffende de Europese Unie. In het Verdrag van Amsterdam is bepaald dat, wanneer de onthouding vergezeld gaat van een formele verklaring, de betrokken lidstaat niet verplicht is het besluit toe te passen, maar wel aanvaardt dat het de Unie bindt. De betrokken lidstaat onthoudt zich van ieder optreden dat het optreden van de Unie krachtens dit besluit zou kunnen doorkruisen. Zie: * Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB) * Verdrag van Amsterdam Openbare dienst De notie openbare dienst heeft een dubbele betekenis : zowel de organisatie die de dienst produceert, als de aan deze organisatie toevertrouwde taak van algemeen belang. Om de uitvoering van de taak van algemeen belang in de hand te werken of mogelijk te maken kunnen door de overheid specifieke verplichtingen op het gebied van openbare dienstverlening worden opgelegd aan de organisatie welke de dienst produceert, bijvoorbeeld op het gebied van vervoer over het land, door de lucht en via de spoorwegen, of op energiegebied. Deze verplichtingen kunnen op nationaal of regionaal vlak gelden. Op te merken valt dat openbare dienst dikwijls ten onrechte wordt verward met openbare sector (inclusief overheid), terwijl er een verschil bestaat tussen opdracht en statuut, ontvanger en eigenaar. Zie: * Europees burgerschap * Handvest van de openbare diensten * Sociaal Handvest * Subsidiariteit * Universele dienst Opting out (uitstapmogelijkheid) Met het concept opting-out wordt een afwijking bedoeld die wordt toegekend aan een lidstaat die zich niet bij de overige lidstaten op een welbepaald gebied van de communautaire samenwerking wenst aan te sluiten, en is bedoeld om een algemene blokkering te voorkomen. Zo heeft het Verenigd Koninkrijk de wens uitgesproken niet deel te nemen aan de derde fase van de Economische en Monetaire Unie (EMU), en werden aan Denemarken vergelijkbare afwijkingen toegekend met betrekking tot de EMU, defensie en Europees burgerschap. Zie: * Europese Raad * Gedifferentieerde integratie (flexibiliteit) * Intergouvernementele Conferentie * Nauwere samenwerking Overeenkomst betreffende de sociale politiek De Overeenkomst betreffende de sociale politiek is gehecht aan het Protocol betreffende de sociale politiek, dat op zijn beurt aan het Verdrag betreffende de Europese Unie is gehecht. In de Overeenkomst, die door veertien lidstaten is ondertekend (het Verenigd Koninkrijk wilde niet deelnemen), worden de doelstellingen van de sociale politiek overeenkomstig de door het Sociaal Handvest van 1989 uitgestippelde koers vastgesteld: bevordering van de werkgelegenheid, verbetering van de levensomstandigheden en de arbeidsvoorwaarden, bestrijding van de uitsluiting, ontwikkeling van de menselijke hulpbronnen, enz. De Overeenkomst voorziet tevens in een procedure voor de vaststelling van maatregelen op sociaal gebied. Ten slotte wordt in de Overeenkomst bevestigd dat de sociale partners een fundamentele rol spelen in het kader van de sociale dialoog. Na het aantreden van een nieuwe regering in mei 1997, heeft het Verenigd Koninkrijk het voornemen te kennen gegeven de niet langer gebruik te zullen maken zijn opt-out-clausule op sociaal gebied. Hierdoor zal de Overeenkomst betreffende de sociale politiek, waarvan de bepalingen zullen worden versterkt, bij de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam worden opgenomen in het sociale hoofdstuk van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Aldus zal een nieuwe rechtsgrond worden gecreëerd voor gelijke kansen en gelijke behandeling van vrouwen en mannen op het werk, en