dood van de vliegengod ik kus de beruchte vlieg die zelfs bergen bederft en noem hem beëlzebub op zijn bevel voed ik tienduizend duivels mijn luchtruim is zowel stal als graf hij danst in zijn giftige stoel gouden tressen rond zijn pens bevuilt de zon de bril waardoor hij sterren ziet rijzen en dalen naar wens heel het heelal en mij bedwelmt hij met zijn pummelig gebrom geen klok heeft mij mak geslagen geen vuurwater heeft mij uitgedoofd geen zaligmaker maakte mij lamlendig maar vliegenalmacht heeft mij aangeboord goed en kwaad morst hij met zijn flamboyante slurf naast de trog van mijn lichaam nog lig ik in de hinderlaag eens met een krant van vandaag vernietig ik de animophaag van de roerloze woelgeest het hoog heelal ligt verkreukeld tussen het kleumende kruid overal staat de huid op een kier liplezers lezen zo goed beesten als mensen en op geur vinden blinden heg en steg en steeg en hun sleutelgat want alles is mond en mondt uit op grote gevoeligheid achter de horizon ontwaart men de argonauten aan de mast hoor je het hart hevig slaan en het klapperen van 't zeil en het natte hemd het komen en het gaan van de eeuwige sterren klinkt als een machtige gongslag waarop het web van de eieren gedecoreerde spinnen trilt de gebroken hemel wordt rood en de boze daagt ontwaakt gezond en monter het monster bestijgt zijn merrie en rijdt door het rijke land hemelwijd in hoge marmeren tempels drentelen de rechters ver achter het geweten aan en ook de priesters drukken hun schraapzuchtige geestverwanten aan de borst met zilveren spinnenwebben getooide zwanen slapen stuiptrekkend in de vijvers wit het kwaad misdaad waart door hun dromen stilaan het masker versteent op het gelaat van de klant van de grote maskerfabrikant alleen grote lichte gevoeligheid ligt nog op de lippen die het heilig vuur heeft ingebrand al wat gezocht is gevonden de hand op het hoofd van de dagdromer beeft van beelden de stenen smelten als kaarsen op het laaiende altaar der aarde waar dwars door de sleutelgaten in de hemel stoken de vaderen de moerasruiter de edele gedrevene in paardenpak op het platste pad is hij ontploft daar waar het ruiste en kraakte van aangezicht tot aangezicht waren ingestort oud of jong schedels vol drassige dromen van wat was de overbodige maquette van het bergmoeras snel overvalt dorst de nederige geest ook al heeft hij een dampend vaandel gered dat van het gebed als offerte of als laatste bod 'oh god als gij nu niet wordt gemolken op de alpen zullen dierbare borsten als graven bersten in de dalen zie de hoogvlieger verstoten uit het verstoorde nest hoe plat alles plat gingen de bloemen te bed het paard steigerde verstijfd op de poorten doch koddige beestjes soms zelfs zingende muizen als rockers met raketten dansen nu op de borstrok platitudes dus en bases voor een karakter kil beheerst in 't verval - de katarakt - geef ook ik geen kik tegen het leven beproef ik mijn blinde wil profeet te zijn van het verloren ogenblik nu schuilt men om niet meer bij te zijn hier diep in het moerasravijn waar men zich naziet zo mogelijk barmhartig op worm of tobber of geharnast op het hiaat in niets er is alles in de wereld het is alles er is alles in de wereld het is alles de dolle hondenglimlach van de honger de heksenangsten van de pijn en de grote gier en zucht de grote oude zware nachtegalen het is alles in de wereld er is alles allen die zonder licht leven de in ijzeren longen gevangen libellen hebben van hardstenen horloges de kracht en de snelheid binnen het gebroken en papier van de macht gaapt onder de verdwaalde kogel van de vrede gaapt voor de kortzichtige kogel van de oorlog de leeggeschoten schedel de erosie er is alles in de wereld het is alles arm en smal en langzaam geboren slaapwandelaars in een koud circus alles is de wereld het is alles slapp bericht van mijn eigen hengst ik ben een oosters paard en kan niet dood gaan omdat een gek mij eens heeft aangeraakt ik ben een gewillig dier die in zijn immense schaduw zeer gaarne wiegen wil bewogen mensen het mogen zijn de ouden en de doden het mogen zijn de krommen om den brode maar elk hart moet zijn een dronken hart want alleen een kind mag mij berijden. nota bene 's winters blaas ik ook gratis de zee op als ik slaap ik draai een kleine revolutie af ik draai een kleine mooie revolutie af ik ben niet langer van land ik ben weer water ik draag schuimende koppen op mijn hoofd ik draag weer schietende schimmen in mijn hoofd op mijn rug rust een zeemeermin op mijn rug rust de wind de wind en de zeemeermin zingen de schuimende koppen ruisen de schietende schimmen vallen ik draai een kleine mooie ritselende revolutie af en ik val en ik ruis en ik zing