PALAMEDES OFT VERMOORDE ONNOZELHEID. Joost van den Vondel Treur-spel [Inhoud][Eerste handel] Nunc cassum lumine lugent KLINKERT. 'T en leed geen zeven jaar, of Palamedes schâuw, Bij nacht, de tenten ging der Rechteren doorwaren: Die rezen op verbaasd met opgerezene haren, En zagen daar een schim mishandeld blond en blauw. Zijn baard hing dik van bloed, zijn 'keel was schor en flauw. Wie komt ons, riepen zij, in 't duister dus vervaren? Bij toortslicht, sprak hij, ik uw straf lees uit dees' blaren: Die mijne onnozelheid ten rove gaaft aan 't grauw. Zij sidderden van schrik; zij vloden niet, zij vlogen, Dan ginder, dan weêr hier, voor 't branden zijner ogen. Hij stapte hen na, en liet een bloedvlek waar hij trad; Tot dat de schemering des dageraads ontloken, D'ankstvalligheid verdreef van 't naar en ijslijk spoken, En vond de vadersbeuls door 't knagen afgemat. THEOK. Idacharis es ti potherpei. Threpsai kai lukideis, threpsai kynas, hoos ty phagoonti. VOOR-REDEN. Die tot staat, en ampten beroepen wezende, ijvert voor 't gemeen beste, zet goed en bloed in de weegschaal om het gemeen beste: want vermits de weg ter deugde, in zeker aanzien, steil en moeielijk valt, wordt hij van weinigen gezocht, veel min bewandeld; overzulks munten deugdelijke personagien voor andere uit, en worden van de gemeente geliefd en als aangebeden, zo lang de zelve van hare voogden en vaderen gezond oordeelt. Tegens de zulke kanten zich altijd die hun bizonder boven het gemeen welvaren stellen, en om alle hinderpalen weg te nemen, trachten bij alle middelen der vromen naam en faam hatelijk te maken; hetwelk dan, overmits hiertoe stof ontbreekt, niet kan geschieden, als met slinkse afwegen, tot geweld en valsheid, log en bedrog in te slaan. De mensen, die de meestendeel onervare zijn, en op mensen steunen, of nutshalven, of om zucht die zij den dezen of dien toedragen, of uit licht betrouwen, laten zich lichtelijk misleiden van geveinsde en bedriegelijke voorgangers, en nog lichter alser zaken onder gemengd worden, die 't hailige betreffen; onder welks momaanzicht de boze Heidenen (ik roer gene Christenen) wonderlijk hunne personagie hebben gespeeld, en tot nadeel van de vrome raadsmannen ende de lichtgelovige en wispelturige gemeente, treffelijke winsten gestreken. Evenwel, gelijk het der rechtvaardigheid als eigen is verdrukking te lijden, alzo is haar ook als enen troostelijken loon bijgeleîd, dat hare onnozelheid niet onderdrukt blijft, maar bij alle eerlijke nakomelingen doorbreekt, en in waarden gehouden ende gevierd wordt. Onder de overoude kan hiervan getuigen de Griekse Palamedes, dien wij op het Neêrlandse toneel brengen; want na dat hij zo schendig, onder het deksel van met den vijand gehandeld en penningen genoten te hebben, bij 't gemene volk hatelijk gemaakt, en door Agamemnon en Ulysses, tot ene onherhalijke schade en bederf van gants Griekenland vermoord was, zo heeft zijne onnozelheid en oprechtigheid, na het verdwijnen der logenen en lasteringen, hoe langs hoe meer, tot schande en verstrooiinge zijner beulen en moordenaaren, doorgebroken; even als de Zonne, dewelke, na het verstuiven der nevelen en dampen, wederom opklaart, en te voorschijn komt; gelijk dit veersken zeît, dat de Zeegod Collectasque fugat nubes, solemque reducit. Dat is: Verjaagt de wolken, die zich dik te zaam' vergaren, En weer met zonneschijn den Hemel op doet klaren. En zonder dezen troost en beloninge zouden de vrome (die als pilaren nog de wereldse staten en gezelligheid der mensen staande houden, en onderschoren) dikwijls onder hunnen last, en in de aanvechtingen, die zij voor het gemeen beste lijden, bezwijken; daar zij nu, hierdoor gesterkt zijnde, nog menig-maal de stormen en onweren manhaftig ende met ene wonderbare standvastigheid uitstaan; gelijk wij hiervan een voorbeeld hebben aan den geduldigen Socrates, die, beschuldigd ende ter dood veroordeeld wezende, om dat hij vreemd van de Griekse Goden gevoelde, zich, na Xenophons getuigenis, met Palamedes aldus troostte en sterkte: Paramytheitai d'eti me kai Palameedees, ho parapleesioos emoi teleuteesas. eti gar kai nun polu kallious hymnous parechetai Odysséoos tou adikeoos apokteinantos auton. Dat is zeggen: Daarbeneffens vertroost mij Palamedes, die ene gelijke dood gestorven is als ik; want hij nu schoondre lofzangen verschaft als Ulysses, die hem onrechtvaardelijk om het leven brocht. Overzulks is het gemene beste niet weinig gehouden in de geschichtschrijvers, poëten en redenaars, die de beroemde helden hebben onsterfelijk gemaakt door hunne geschriften, zonder de welke zo vermaarde en loffelijke daden, met den grave, en ene eeuwige vergetelheid, zouden overstolpt blijven; daar nu hunne geheugenis en glorie nog vele dappere mannen uitlevert, en hen ter deugde aanprikkelt, wanneer zij overwegen, hoe Indomita virtus colitur, & toto Deus Narratur orbe; zo veel gezeîd: Voor d'ongetemde deugd men wierookreuken kweeket, En van zo groot een' God de gantse wereld spreekt. Als mijne Treurzangeres tochtig was, om iet wat treffelijks te rijmen, zo heeft ze Palamedes uitgepikt, een' man die bij Griekse en Latijnse schrijvers zo hoog geroemd wordt. Diogenes Laërtius getuigt in het leven van Socrates, dat Euripides, die wijze dichter en Goddelijke teurspeelder, zijnen Palamedes op het toneel brengende, die van Athenen hunne moordadigheid, gepleegd in het ombrengen van Socrates, bedektelijk aldus verweten heeft; Ektanet' ektanete tan pansophon tan ouden algunousan adona mousan. Philostrates, die het leven van Palamedes beschreven heeft, gedenkt mede in zijnen Ulysses dezelve woorden, en voegt er dit volgende nog bij: kai hoti peisthentees anthroopoo deinoo, kai anaidei logoo, tauta drasejan. Hetwelke wij in rijm aldus aaneenschakelen: Gij hebt, o Griekse schaar! verstoord Den zoeten nachtegaal vermoord, Een zanggodin, in all's verzocht En wijs, die geen verdriet aanbrocht; En hebt, geblinddoekt altemaal Door d'onbeschaamde logentaal Eens wreên tirans, vol bitterheid, Bedreven zo vervloekt een feit. Daar hebt gij een treffelijke getuigenis gehoord van dezes Vorsten wijsheid, heerlijk uitgedrukt door den Goddelijken bijnaam PANSOPHON: gelijk Xenophon, die Socrates' leerling en tijdgenoot geweest is, hiermede overeenstemt in 't vierde boek der gedenkweerdige zaken, daar hij Euthydemus doet spreken: Maar hebt gij niet gehoord van Palamedes' rampzaligheden, dien ze altemaal roemen, dat hij, om zijne wijsheid benijd, door Ulysses omgekomen is? Dezelve Xenophon, in zijn 10de boek van de Jacht, zeît, dat Palamedes, doen hij leefde, zijne tijdgenoten in wijsheid verre te boven ging. Zijne rechtvaardigheid ende onnozelheid blijkt niet minder als zijne voorzichtigheid, gelijk wij alrede hebben aangewezen; en Philostrates, in het leven van Apollonuis Tyaneus, doet Tespoin, een Overste der school-sophisten, in zijn gesprake van rechtvaardigheid, aldus spreken: Als ik bij mij-zelven overlegge 'tgeen Palamedes voor Trojen, en Socrates te Athenen overgekomen is, zo dunkt mij dat de rechtvaardigheid bij de mensen kwalijk onthaald wordt: want deze, die de alderrechtvaardigste waren, zijn met de hoogste onbillijkheid bejegend, ja, alleen op vermoeden van boze feiten omgebrocht, als men buiten recht het oordeel over hen velde. Virgilius, in zijn tweede boek van Æneas, getuigt'er dit af: Fando aliquid si forte tuas pervenit ad aureis Belidae nomen Palamedis, & inclyta fama Gloria: quem falsa sub proditione Pelasgi Insontem, infando indicio, quia bella vetabat, Demisere neci: nunc cassum lumine lugent. Dat is: Zo mooglijk koutsgewijze u iet ter oren kwam Van Palameed, geteeld uit Koning Belus' stam, Beroemd van naam en faam, die zonder schuld most sneven En onder schijn van 't loos verraad bij hem bedreven, Op't overschendig blijk ter grouwelijke dood Van Grieken werd gedoemd, mids hij den krijg verbood: Nu dees voor 's Hemels licht geloken heeft zijne ogen, Betreurt de Griek zijn lijk, te spa met rouw bewogen. Wij komen tot Ovidius, daar Ajax Ulysses dit te kauwen geeft: Vellet & infelix Palamedes esse relictus; Viveret aut certe lethum sine crimine haberet. Quem male conviccti nimium memor iste furoris Prodere rem Danaum finxit, fictumque probavit Crimen: & ostendit quod jam praefoderat aurum. Dat is: D' onzaalge Palameed met recht mocht wensen Meê, Dat nooit Ulysses waar getogen over zee: Hij zoû gewisselijk op dezen dag nog leven, Of had, zo vals beticht, den geest niet opgegeven; Wien d' overtuigde, en al te wrokkende Ithakees Opdichtte 't loos verraad, en endelijk bewees 't Gedichte schellemstuk: ontdekkende de gaven, En 't goud dat hij 'er zelf te voren had doen graven. Voorwaar, na mijn oordeel heeft Naso dit geestig in zijne Transformatie te pas gebrocht, overmits dit aartsschelmstuk eigentlijk tot de herscheppinge of verschoppinge behoort. Dictys Cretenzer, die den Trojaansen oorloog zelf bekleed en in de Punische tale beschreven heeft, gedenkt in zijn tweede boek beide deze deugden van Palamedes met deze woorden: alzo is die uitnemende en in den leger aangenamen man, wiens raad nochte vromigheid nooit vruchteloos geweest waren, schendig omgebrocht, als hij besingeld was van zulke die het alderminst betaamde. Dat de Phrygiaanse Dares zeît, dat Palamedes door de hand van Alexander of Paris vechtende omgekomen is, verdient geen geloof, overmits hij hierin van het gemene gevoelen afwijkt. Roept men, dat Dares in den krijg tegenwoordig is geweest; wij stellender Dictys tegen. Het is ons genoeg dat Dares hem afmaalt: wijs, manhaftig en lieflijk, en dat hij getuigt dat de Argiven in den leger Palemedes' wetenschap, billijkheid, zachtmoedigheid, en goedheid betreurden. Daar is ook weinig aan gelegen, of weinige schrijvers meer verschillen in de maniere zijner dood: dat, na Pausanias' zeggen, Ulysses en Diomedes hem verdronken, of, zo Dictys aantekent, dat die twee hem in een put stenigden. Immers, wat er van is, Ulysses en Diomedes worden na het algemeen gevoelen voor de schelmen gehouden, die dezen aanslag gebrouwen hebben; waarbij aanmerkens waardig is hetgeen Dictys getuigt, dat er waren, die zeiden: dat Agamemnon niet onkundig was van dezen aanslag, uit liefde die hij hadde tot het Veldheerschap, en omdat het meestendeel van palamedes begeerde geregeerd te wezen, en opentlijk uit zeiden, dat hem het opperste gebied toekwam. De zelve Dictys schrijft elders: dat alle de Griekse Vorsten Agamemnon vervloekten, en van hem afweken, om dat hij Apollo's Priester, Chryses, zijne dochter, die hij wellusts halve misbruikte, wigerde, en ook om dat Ulysses en Diomedes, niet zonder zijnen raad, let hierop, hadden vermoord Palamedes, die in den heire zo bemind en aangenaam was. Ook staat ons waar te nemen hetgeen Dares getuigt, dat Palamedes, terwijl het bestand was, den Vorsten meermaals aandiende, dat Agamemnon niet waardig en was Veldoverste te wezen. Maar of iemand zihc verwonderde, waarom Homerus dezen vader des vaderlands zo stilzwijgende voorbijgegaan is, die zal weten, dat de poëet hiertoe noodzakelijk gedrongen was, om zijnen dolenden Ulysses niet te brandmerken; waarom Philostrates, in het leven van Apollonuis, wel te recht zeît, dat Palamedes gene grotere vijanden gehad heeft, als Ulysses en Homerus: vermits die hem lagen leîde, waardoor hij gestenigd is; maar dees niet weerdig geacht heeft, met enen woorde zijnen lof aan te roeren. Wat onheil den Grieken, om en sedert Palamedes' dood, overgekomen is, gedenkt Dictys Cretenser in zijn zeste boek, Hyginius in zijn 116e hoofdstuk, Euripides in zijne Helene, en Electra, Seneca, de Latijnse Treurspeelder, in zijnen Agamemnon. Ik zwijge, dat Xenophon, in zijn tiende boek van de Jacht, uitdrukkelijk de Goden tot wrekers van dezes mans dood maakt; alzo, dat de Pelasgen met recht klagen mochten: Impius ex quo Tydides, sed enim scelerumque inventor Ulysses Fatale agressi sacrato avellere templo Palladium, cæsis summæ custodibus arcis, Corripuere sacram effigiem, manibusque cruentis Virgineas ausi Divæ contingere vittas: Ex illo fluere, ac retro sublapsa referri Spes Danaum, fractæ vires, aversa Deæ mens: Nec dubiis ea signa dedit Tritonia monstris. Dat is: Maar sedert Tydeus' zoon die goddeloos bestond, Met d'Ithakois, éen tuk op schelmerijen-vond, 't Palladium, bescheerd tot heil of ongelukken, Uit Trojens Godgewijde en hailge kerk te rukken; Na dat z', op 't opperste geklommen van den borg, De wachters hieuwen neêr, en dorsten zonder zorg Aangrijpen 't hailig beeld, en met bloedverwige handen Aanroeren Pallas' pruik en maagdelijke banden; Van doen af is vervloeid aller Argiven moed, En d'hoop die zeeg en ging te-rug door tegenspoed, Hun macht gebroken is, en 's outers gunst geweken: Minerve gaf hiervan geen twijfelachtig teken. Na dat dees treffelijke man zo schendig van de Grieken vermoord was, zo hebben Achilles en Ajax zijn lichaam ter aarde gedaan, op den oever van Æoliën, niet verre van Trojen, wij hebben in dit treurspel zijne uitvaart gehouden in Boetiën, in de kerk, daar het wijdberoemde en overoude orakel of de Godspraak was der Godesse Themis, aan wiens voeten wij hem een gouden pronkbeeld rechten; dan dit zal men de poëtische vrijheid toegeven, alzo Philostrates zeît, dat die van Æoliën hem ene kapelle hailigden, en een beeld toewijdden, an de gestaltenis eens manhaftigen en grootmoedigen mans, wien de inwoonders daarontrent, op zekere dagen des jaars te zamen scholende, offeranden toebrochten: zo dat de Mosopische treurspeelder wel te recht zingt in zijne Andromache: Ou toi leipsana toon agathoon Androon aphaireitai Chronos ha d'areta Kai thanousi lampei. Dat is: De tijd en heeft nooit weggenomen De naam, en 't overschot der vromen; want na dat zij zijn overleên, Zo blinkt hun deugd voor ieder-een. Maar wij vallen mogelijk den Lezer verdrietig, met al te lang enen voor-reden en zeggen nog om kort te maken, dat indien den letter-kundigen hierin iet vreemds of ongerijmds voorkoomt, die zal weten dat wij ons daarin gedragen hebben na het letter-kunstig besluit, daarvan wettelijk t'Amstelredam bij enige dichters gemaakt: en wat de spelling belangt, alzo ons besluit daarvan niet en rept, en dit in elks vrijheid staat, zo hebben wij meest den gemenen sleur gevolgd, uitgezeîd in weinige dingen, overmits wij tot nog toe nooit ons zelven daarin hebben konnen voldoen, ook achtende dat er zo veel niet aan gelegen is, als (met verlof) zich sommige wel inbeelden. HET INHOUD. Palamedes, de zoon van Nauplius, Koning van Euboea, was door zijne langdurige en getrouwe diensten en zonderlinge wijsheid en voorzichtigheid, in zulk een aanzien en grootachtbaarheid gekomen bij de Griekse vorsten ende de koningen-gebroeders, dat er zonder zijnen raad niet werd besloten, ja, dat men de gewichtigste zaken op zijne wakkerheid en ervarentheid liet aankomen en berusten. Maar alzo hij gestreng en onbuigelijk was, in 't voorstaan van der Vorsten en Steden hoogheden, handvesten, en gerechtigheden, zo kon hij 't zo nauw niet mikken, of Agamemnon liet zich dunken dat zijne eer door dezen man óf enigszins gekwetst, óf niet na behoren gevoorderd werd, waardoor hij enen afkeer van hem kreeg; hetwelk de Priesters en wichelaars, en in-zonderheid Calches, gewaar wordende, zochten dien onlust bij Agamemnon te voeden, alzo zijlieden zich in zaken die den Godsdienst en hunne hoogheid en hailigheid betroffen, niet weinig gekwetst hielden. Palamedes evenwel liet niet na den Myceensen koning te begunstigen in al hetgeen wat hij behoudens eer en eed vermocht; gelijk hij dan beneffens andere goede diensten bevorderde, dat hem het opperste beleid des Trojaansen tochts werd opgedragen, en met gemene stemmen Veldheer gemaakt. Sedert geviel 't, dat Ulysses (om van den optocht ontslegen te zijn, nochte de tegenwoordigheid zijner gemalinne Penelope te derven) zich zot veinzende, de strand ploegde: waarover hij achterhaald werd van Palamedes, die Telemaach, des ploegers zoontjen, in de vore leîde; hetwelk de vader vermijende te kwetsen, zo is de schalkheid daardoor openbaar geworden; waaruit Ulysses, van dien tijd af, mede oorzaak nam om hem te haten. Namaals, als Ulysses na Thraciën gezonden was, om graan voor 't leger te halen, en ledig wederkeerde, werd Palamedes derwaarts geschikt, die, met geladen schepen afgeveerdigd en, het heir spijzende, prijs inleîde. Hierdoor is Ulysses' wrok in ene doodlijke vijandschap veranderd, en heeft, om zich te wreken, den gesteurden Agamemnon (die nu óf na meerder gezag, óf na d'opperste Hoogheid stond) nog wijders, zo door zich-zelven, als door Calches en andere, misleid en opgehitst; voorgevende dat de Eubeër niet anders voorhad als de Argolische heren te verschoppen, en Achilles tot de eer van 't veldheerschap te verheffen en in te dringen. Na dat nu door deze onenigheid, gedurende het bestand, de vorsten en hoplieden hierover gedeeld waren, en allerlei achter denken onder het lichtgelovig volk was uitgestrooid en de domme gemeente geblinddoekt, en bekwaam gemaakt om logen voor waarheid, en valse voor oprechte munte te ontvangen, zo brouwen Ulysses en Diomedes, met kennisse des Veldheers, enen aanslag, om glimpelijk en onder schijn van recht, Palamedes van kant te helpen; hetwelk aldus toeging: men bracht door Agamemnon te wege, dat Palamedes van legerplaats verwisselde. 'S anderen daags daarna, als Ulysses zekeren schat van goude penningen begraven had, ter stede daar Palamedes eerst zijne tenten spande, zond hij enen Trojaen, zijnen gevangen, met enen brief, om dien heimelijk te bestellen aan Palamedes: maar de bode werd bij Diomedes, die op hem paste, onderschept, om hals gebrocht, ende in vollen krijgsraad gesleept, daar de brief gelezen werd: waarin Priam vermeldde van het gezonden geld, en hem steef tot het voorgenomen verraad. Het meestedeel der vorsten, ziende 's vijands hand en zegelring (die konstig nagebootst waren), hielden het verraad voor waarachtig, te meer, alzo zulke geruchten lang onder het volk gemompeld hadden: enige twijfelden; enige wisten beter; en alzo hierover twist rees, zeide Ulysses, men zoude zulks niet eer geloof geven, voor dat men het stuk hadde nagevorst, en de penningen, daar de brief af vermeldde, bij den verdachten gevonden. Dit werd zo besloten, en de schat ontdekt zijnde, werd Palamedes in hechtenis verzekerd. zijne doodvijanden stelde men over hem tot rechters, doch ter bede werd Nestor hun, om welstaans wille, nog toegevoegd. Als zij nu vast over 't oordeel bezig waren, kwam Calches, vergezelschapt met het bij hem opgestookte grauw, ende de krijgslieden, den welken men dezen beschuldigden (na dat de gemeente zijne dood gestemd had) overleverde, die hem als enen openbaren verrader uitleidden ende stenigden. Oates, de jonger zoon van Nauplius, met rouw getroffen door 't verhaal van het deerlijk ombrengen zijns broeders, valt klachtig aan Neptuyn, den Zeegod: die, het hoofd ten golven uitstekende, hem vertroost met de ere, die het onschuldige lijk volgen zal, en voor ogen stelt wat plagen en ongelukken Griekenland en den Vadermoordenaren over 't hoofd hangen. die van Trojen vieren over de dood van hunnen vijand Palamedes. Het toneel is in en buiten het Griekse leger, voor en om Trojen. PERSONAGIEN. * Palamedes. * Rei van Euboeers. * Rei van Ithakoisen. * Megeer. Sisyphus Ulysses. * Ulysses' dienaar. * Diomedes * Rei van Peloponnesers en Ithokoisen. * Eurypilus. * Schildwacht. * Agamemnon. * Agamemnons dienaars. * Nestor. * Ajax. * Oates. * Thersites. * Calches. * Bode. * Neptuin * Priam, Hecuba. * Rei van Trojaanse. DE EERSTE HANDEL. PALAMEDES: Die zorgt, en waakt en slaaft, en draaft, en ploegt, en zweet, en tot 's lands oorbaar vast een lastig ambt betreedt en waant de mensen aan zijn vroomheid te verbinden, die zal zich jammerlijk aan 't end bedrogen vinden van 't wispelturig volk dat, veel te los van hoofd, genoten dienst vergeet, en leider! 't kwaad gelooft. Wat dorperheid is dit, onedele gemeente! Wat bitse nijd verteert het merg in uw gebeente! Wat dolheid u vervoert, dat gij uw heren hoont, en met zo vals een' munt uw trouwste vaders loont! Koomt, reukloze schaar, treedt voorts! Ik ben tevrede te dingen om 't geschil ter vierschaar van de rede. Doet vrij uw stukken daar, brengt van uw' zeggen blijk, opdat rechtvaardigheid een billijk vonnis strijk. Gij zegt, als nu de wraak om Troje om te keren, onledig hield de raad der koningen en heren dat ik gedagvaard kwam. En schoon zij altemaal besloten 't eerloos feit te rechten met het staal. Nog zeide ik: 't Was bij hen te heftig opgenomen, en dat men tijds genoeg en zou tot het uiterst' komen. waaruit men vaten mocht dat ik 't meinedig rijk meer gunst toedroeg als ons. Gekwest door 't ongelijk ik antwoord: het besluit is licht om wederleggen, vermits dit geenszins volgt uit het voorgaande zeggen. maar eer het tegendeel. Want dat ik liever zag de zaak in vreê beslecht, bij middel van verdrag is waar, en lovens weerd. En wie ontkent wat plagen Bellone met zich sleept, met droeve nederlagen! Gevaarlijk voor't gemeen, wiens welvaart men met druk en angst ziet hangen in de weegschaal van 't geluk. Dat ik Priaam dan nô met krijg zag aangegrepen, was om der Phrygen torts te weren van ons' schepen. Was om Achilles niet met Hector onverveerd te worstlen doen, om 't ramp, of hun, of ons bescheerd. Hierbij en rust'et niet. Men smijt mij voor de schenen dat ik de koningen van Sparten en Mycenen met al de vorsten, als wij zetten onze voet op Dardans bodem, woû versmoren in hun bloed. Omdat ik, als men had gegeven 't bloedig teken, de vloot, nog vers geland, van d'oevers af deê steken, en hiel me binnen boords. 't Geleek wat, wist men niet dat dit door enkel last des veldheers was geschied, die, als wij 't aarzelen der bange krijgsliên vruchten, hun allen troost en hoop benemen woû van vluchten, en moedigen tot slaan, wanneer de dood hen deê aanlopen op den spits, of 't zwalpen van de zee. Nog wil men mij te lijve, omdat ik driest, en stouter als andre, eer Iphigeen nog verfde het bloedig auter, het offer marren dede, en 't stuk leîd' in beraad. Of juist onnozel bloed en Agamemnons zaad de grimmige Hecate most paaien en verzachten? Dan of men haar een hinde of tere geit zou slachten? Een' zake die zich schaamt. Recht of hij iet verbeurt die Chalches in zijn waan en schelmse dromen steurt, en daaraan twijfel slaat of Goden en Godessen in 't grouwzaam moorden van gehailigde prinsessen behagen nemen ooit. Gelijk der Goden tolk dees grove logens veilt voor waarheid aan het volk, dat voor hem nedervalt en feest maakt van 't vernielen, en 't ommebrengen van zo veel gedoemde zielen. Men strooit, om 's veldheers haat te scherpen tegens mij, dat ik besnoeien wil de wettige voogdij der twee gebroederen, en d' opperste der Grieken trek op Achilles zijd' en tracht bedekt hun wieken te korten waar ik mag. 't Welk uitbarst langs hoe meer, mits ik met hengsten van 't veroverd Lesbos keer, met horenbeesten en een hoop geboeide slaven, maar 't goud verloochen om behendig t'ondergraven het steunsel hunner macht. Dewijl elk als zijn' God dien aanbidt, die hem strekt tot voordeel en genot. Dan, om die laster plaats te geven, ik de vorsten hoû t'edel van gemoed. En geen doorluchte borsten gevoelen dit van mij, die Menalaüs, met zijn oudren broeder heb gemerkt en uitgezet tot hoofden van den tocht, als 't velen heeft verdroten, en droeg hun op 't beleid van ons beroemde vloten. Doen Chalches op hen smaald' en uitspoog vier en vlam, omdat ze daalden van zo goddeloos een stam. Dat ik gebrandmerkt wordt met zo een onrijp oordeel, als die den roof misbruikt tot een bizonder voordeel, en Chirons voêsterling zoek voor te trekken. Neen, ik kan, en dank 't de Goôn, 't bizonder van 't gemeen voorzichtig schiften, en elk-een het zijn verschaffen. Ik handhaaf ieders recht, en pas op niemands blaffen. Elks vrijheid is de mijn: die weeg' ik in een schaal. Wie hier uit vreze deist: ik sta gelijk een paal. Dreigt Palamedes vrij te moorden en te priemen, hij blijft dezelfde man, al sneed gij hem aan riemen. En draagt zich na zijn plicht, getrouw, oprecht, en kuis. Men zoeke hem waar men wil; hier leît d'Euboeër thuis. Voorts, dat ik Thestors zoon zo vaak heb doorgenomen, 't Is waar; mij docht, 't was tijd zijn hovaard te betomen omdat hij verder als de kerk en 't outer gaat, en snufflen komt uit baat en staatzucht, in den raad. Hij is een vreemdling, ja een Trojaan geboren, noch kent de zeden niet die tot ons land behoren, noch wat ons welvaart eist. Hij wette zijn verstand in 't geen zijn ampt betreft, en kruip int ingewand der dieren met zijn geest, en staar' op 's Hemels lichten. Hij lette op vooglenzang, op dromen en gezichten, op Godspraak en geheim, en hang er niet wat bij van 't zijn. Of lustet hem? elk hebb' zijn oordeel vrij. Maar 't is schandeloos en strijdt met al mijn daden, dat ik ben omgekocht om 't leger te verraden. Dat Paris, om met mij te handlen van die moord, lag 's nachts met een galei, met goud gelaân aan boord. Dat ik den oorlog schorste, en uitstel nam tien dagen om ons t'ontwapenen, en dan het stuk te wagen met meerdre zekerheid. Appollo die uw troon en zetel heb gebouwd temidden van de Goôn, en met uw klaarheid blust de goddelijke lampen, en van het Aardrijk veegt de nevelen en dampen, gij ziet in deze nacht, en voor uw Majesteit derzulker schennis stuit op mijn onnozelheid. Dits mijn bezolding dan, voor dat ik met bezwaren tot der Argiven heil geslaafd heb zo veel jaren. Met wijsheid, raad, en daad 't bouwvallig rijk gestut, de stormen afgeweerd, en op mijn borst geschut. Den boef, vermomd met schijn van Godvrucht en van hailigheid, ontdekt, en Pelops hof en 't land hersteld in vailigheid. Uitheemse ballingen, van have en huis beroofd, gelokt, gewellekomd, en in mijn schoot gestoofd, vergroot der steden kreits en ommeloop der muren, tot Griekens hulp verplicht gekroonde nageburen. Met kielen ingesleept den oegst, die 't Oosten las, ja, daar de naalde zwijmt, gestaan na vrijen pas. Ulysses achterhaald. Het heir, als 't scheen verlaten door hongersnood, gespijsd. Geoefend ons soldaten. De deugd des Pelaans verstaald met kloek beleid. D'eilanden, en de steên, aan Helles strand ontzeîd. Steenrotsen uitgehoold, en stukken lands vergraven. Nu hier een schans geleîd, dan gins gediept ene haven. 't Abyde in doods-gevaar mijn' vromigheid gebracht, daar ik gewond werd op den aanslag in der nacht. Daar, doen Achilles week, als 't nauwlijks was begonnen, nog vóor den morgenstond de vesting werd gewonnen. En had ik d' ongunst van ons Prinsen niet gevreesd, Lyrnes voor mijn vertrek veroverd waar geweest. Maar wat beschuldig ik een wuft en dom gepeupel, dat, na de voorgang van zijn' heer, gaat recht, of kreupel. Daar doch Laërtes zoon, die op een grootren bouwt, mij, met 's rijks Wichelaar, al deze moeiten brouwt, en na mijn leven staat, en gaat zijn zinnen spitsen, om 't krijgsvolk tegens mij dolkoppig op te hitsen. Zij brullen langs hoe meer. Waar of ik best verschuil? Wie blijft, die lijdt gevaar; wie vlucht, die schouwt men vuil. Mij docht, den jongsten nacht, dat ik, vóór andre, radder, beklom des schakers burg, en vechtende op een ladder opgaf den geest, daar ik den vijand bezig hiel, en, met een groot stuk muurs, geplet ter Aarde viel. Doen schoot ik op. En schoon ik niet op d' ijdelheden van spook of dromen pas, nog leît mij op de leden of d'ene of d'andre ramp mijn strenge dwaalstar ook voorlang te Troje in 't veld mijn beide oogappels look. De wichelaars mij niet als ongelukken spellen, doch een' manhafte ziel moet dit ter zijden stellen. Heer vader, die mij erft den zegen van uw' kroon, het ga met mij zo 't wil. Ik blijf uw echte zoon van bloed en van gemoed, en zal u niet ontaarden in vromigheid, in trouw, in 't midden van de zwaarden, in 't midden van de nijd en lasteringen, daar mijn goede naam en faam meê wordt bedrukt zo zwaar. Ik weet waarop ik steun: mijn ongekreukt geweten en is niet kwaads bewust, noch heeft zich nooit vergeten aan enig schendig feit. En zo ik daarom lij, zo wass' mijn edel bloed eens anders schelmerij. REI VAN EUBOEËRS, REI VAN ITHAKOIZEN, REI VAN EUBOEËRS: Wij krijsliên passen op ons beurt rondom Neptunus muren. Terwijl den hemel starloos treurt, en telt de slepende ure. De nare lucht nu schreit en zucht. Hoe lange zal het duren? De middernacht herhaalt haar scha met dikkre duisternissen. Slagregens dekken Cynthia, dies wij haar aanschijn missen. Wiens vroomheid zal, met Trojens val, 't begonnen oorlog slissen? REI VAN ITHAKOIZEN: d'Euboeër afkomst zal met dwang Mars teugelen ten lesten, maar niet met Trojens ondergang en 't storten van dees vesten, maar met deze aard, door Hectors zwaard, van lijken vet te mesten. REI VAN EUBOEËRS: Die zwanger gaan van guiterij ons Prins hiermeê betichten om dat ze minder zijn als hij, en niet vooruit en lichten. Dus tracht de nijd zijn faam, van spijt, veel logens op te dichten. REI VAN ITHAKOIZEN: Wat zucht hij in zijn boezem draagt is vaak aan hem gebleken. Die 't heir op 's vijands bodem waagt, en dan van vreê wil spreken, die veinst en sluipt en onderkruipt al d' Opperste der Greken. REI VAN EUBOEËRS: Aan hem, wiens tong van Nectar douwt, en draagt vergift inwendig, wordt eer dees schalkheid toevertrouwd, en wat men acht voor schendig. Die hof en zaal, met logentaal stofferen kan behendig. Ons Vorst zoekt op geen ledekant Mycenen te bescharmen. Hij ploegt niet aan d' onvruchtb're strand, opdat hij mag verwarmen zijn bedgenoot, die in haar schoot hem kust en neemt in d' armen. REI VAN ITHAKOIZEN: Het log geslacht van Ithaca, dat achter leît gekropen, is niet zo vierig, nergens na, om hopliên op te lopen gelijk uw Heer, die met zijn speer koomt achter aan gedropen. REI VAN EUBOEËRS: Wat Palamedes derf bestaan dat bleek, doen hij in 't landen het volk dede in slagoorden staan, en redde van verbranden. en strandens nood ons trotse vloot, als 't leger week met schanden REI VAN ITHAKOIZEN: 't Is waar, wij kennen 's mans bedrijf. Het bergen van de kielen was 't bergen van zijn eigen lijf doen zo veel helden vielen. Doen hij de dood den rugge bood, met wieken aan zijne hielen. REI VAN EUBOEËRS: Hoe d'onverbiddelijke Thrax hem leende gunstige oren bleek, doen hij 't heir vertroostte straks met graan, en weeldig koren, daar hij 't uw' Vorst ontzeggen dorst, doen 't leger scheen verloren. REI VAN ITHAKOIZEN: Ulysses droeg men geen ontzag. Wat was aan hem bedreven? Die niet uit Argos schatkist mag zijn paarden voeder geven, nocht aan den dis des Veldheers is gezien en hoog verheven. REI VAN EUBOEËRS: Hij is te vreden met zijn erf, en zijn heer vaders lenen, al bet als hij, die roemen derf op Ithaca, van stenen en klippen woest en groot, wiens oegst is slechter als wij menen REI VAN ITHAKOIZEN: Maar waarom stoft dit volk aldus op zijne erfkoninkrijken? Heeft niet de vader Nauplius voor Prinsen moeten wijken? En, tot zijn heil, de vlag en 't zeil voor mindre moeten strijken? REI VAN EUBOEËRS: 't Was Nauplius, wiens wijsheid vaak veel koningen verzochten, en hiel met alle Vorsten spraak. op veel manhafte tochten, doen zij wel eer, van heind en veer, geschenken hem toebrochten. REI VAN ITHAKOIZEN: Waar 't vreemd dat Palamedes dan ons heirkracht ging verraden? Vermits hij muilen stallen kan, met schatten zwaar geladen. Gelijk de stam, daar hij af kwam, geen' giften kost versmaden. REI VAN EUBOEËRS: Verdient hij een brandteken, die, tot onzes Staats verklenen, ik meest verrijkt met giften zie. Merk dezen niet, maar genen wiens goudzucht boos en Goddeloos, vindt zijns gelijk niet enen. Steil Neritos vol klippen heeft nooit woester dier ontvangen als hij, die schelms en onbeleeft betrouwt zijn' slimme gangen. Die liegt, en stout zijn verw behoudt, schoon hij 'r in wordt gevangen. REI VAN ITHAKOIZEN: Ulysses, die op Calches steunt, en ons gebroederheren, zich deze laster niet bekreunt. Zijn vroomheid zal men eren. Maar wie den helm voert als een schelm, dat zal de tijd ons leren. REI VAN EUBOEËRS: Draal lang, o blonde Phoebus! draal, schouw eeuwig onze kimmen. d'Ondankbre Grajen niet bestraal, die langs hoe meer verslimmen. Waar vlieden wij? Wat Razerij komt uit den afgrond klimmen? DE TWEEDE HANDEL. SISYPHUS, MEGEER. SISYPHUS: Waar ben ik, Sisyphus, gemat van op te stijgen? Nu schep ik weder locht, nu kan ik adem krijgen. Waar ben ik? In wat nacht? Megere, die mij jaagt, nachtmerrie, oude kol. Hoe hebt gij ons geplaagd met uw bebloede zweep en pekstok onderwegen, eer ik een doorgang heb na 't bovenvolk gekregen. Waar ben ik? In den dag, of in een' blijdre nacht als d'onderaardse poel? Waar mag ik dolen? Zacht! Waar vind ik Hecate? Waar flonkeren de starren? Wanschepsel, die geen' grijns behoeft, noch kunt ontwarren uw' pruik, die grouwlijk krielt van zwarte slangen, zeg waar dwaal ik? Op wat spoor? Waar leidt ons deze weg? Mij dunkt ik hoor geblaf van honden, die ons rieken. Zwijgt, rekels. Luistert. Sus. Help Cerberus! 't Zijn Grieken. Ik ben in Pelops rijk, of in mijn oud gebied, t' Ephyren. Dat gaat wel. Momaanzicht, hoort gij 't niet? Wij zijn t' Ephyren, daar de mensen van mijn' treken en boevestukken, met een groot afgrijzen spreken. en Minos vloeken, als zij horen dat mijn straf niet zwaarder weegt, als 't wicht eens steens berg op berg af te wentlen, nat van zweet, in d' onderaardse kelders. Kolrijster, rade ik recht? Zeg op, of zijn wij elders? MEGEER: In Troas staan we, niet in Isthmos: in 't gezicht van Ilium, daar nu het Dorisch leger ligt. In 't vlakke en open veld, van waar wij korts vernamen die bleke schimmen, die ons treurig tegenkwamen, besprenkeld van veel bloeds, gehouwen en gekapt, mishandeld, en mismaakt, gezengd, gekwetst, gekrabd. SISYPHUS: Wat 's d' oorzaak van 't geschil? MEGEER: Een Vorst, door geile van minne, heeft tot zijn boel geschaakt de bruid en koninginne van Menelaüs, die zozeer niet op de deugd als op de schoonheid vlamt, en 't bloeisel harer jeugd, en hoger die waardeert als veler Prinsen leven. SISYPHUS: Een slimmer Sisyphus is nog na mij gebleven. Wat uitkomst of ons staat te wachten van 't gevecht? MEGEER: Men zal geëffend zien en tot den grond geslecht 't hof van Laömedon, en dees benijde vesten, als Inachus' geslacht die 't krijgsvolk geeft ten besten, dat, overwinner nog, den tienden zomer zal de Goôn verschrikken met zo ijselijk een val. Dan zal het overschot der vluchtige Trojanen, met handenwringen en afbiggelende tranen, beschelden Paris, die, zo schandeloos onkuis, veroorzaakt heeft 't bederf van zijn doorluchtig Huis, en liever had zijn faam en glorie uit te wissen, als boels aanminnigheid en kitteling te missen. SISYPHUS: Gij en uw zusters, als hem Venus had verlokt, hebt verre een groter kwaad gesponnen en berokt. Als gij der Doren vloot de zee gingt overvoeren, en om een lichte vrouw gants Asiën beroeren. Eumenides! Welaan, recht ijlig overend uw slingerslangig haar, en brandt, en blaakt, en schendt, en schuimbekt, raast, en moordt! Daar ziet men 't leger krielen, daar laadt men Charons schuit, tot zinkens toe, met zielen. Het is er drok aan 't veer; zo, Wrekeressen, voort! Spookt door de benden heen, verzadigt u met moord! De messen zijnder op gewet en scharp geslepen. Beschildert uw gewaad met bloed en paarse strepen. Bevlekt uw aangezicht met brein, vers uitgespat. Ziet toe, gij snevelt licht, het is er slibberglad. Zo, dochters van de nacht! Maar als gij hier met lijken de stromen hebt gedamd en de overzeese rijken tot puin en gruis verplet en uit hun plaats beweegd, den adeldom en 't puik der Vorsten uitgeveegd, zal dan de wraak, vernoegd door 't bloed zo veler helden, het woeden staken? MEGEER: Neen, dan wil 't Europe gelden. Gij Grajen! Huilt en graait, uw doodverw zet, wordt bang. Wij komen, om den weg tot uw en ondergang te banen, zwanger van voordachte schellemstukken, en hechten Argos' ramp aan Trojens ongelukken. SISYPHUS: Wat middel is er om te rokkenen dit kwaad? MEGEER: Den Phoenix, daar hun heil en zegen in bestaat, te helpen aan d' een zij; opdat ze, met zijn sterven, ook zijn manhaftigheid, en raad, en wijsheid derven, en vallen overhoop, wraakgierig van gemoed, en voeren borgerkrijg om zijn onschuldig bloed. Ik zie de Vorsten al gespouwen en verbolgen, de volken van éen stam malkanderen vervolgen. d'Eilanden in 't geweer en 't vaste land in roer. Hier wordt men vlam gewaar, daar hoort men een rumoer van steden tegens steên, van vloten tegens vloten. D' een ramp uit d' andre wast; wat wordter bloeds vergoten! Euboea loopt 't gedeild Peloponnesus af, en Scyros Ithaca. Thessaliën, tot straf van Locres krijgsvolk licht. De Cyclades die slijpen hun speer, om onderling malkandren aan te grijpen. De zonden klimmen op. d' Een draagt des anders schuld. Der Vorsten hoven zijn met grouwelen vervuld, met bloedschand, overspel, met moord, met vuiligheden. Men luistert noch na recht, na billijkheid, noch reden. de Koninginnen en Prinsessen zijn bekans all schuldig aan de moord en neêrslag harer mans. En eer- en trouweloos. Elk is om 't zeerst verwoeder. De zoon den vader wreekt, de dochter wreekt haar moeder. 't Vertwijflen aan de stam en wettige afkomst splist het volk, en voedt den vede, en endelozen twist, en 't woeden, dat zo lang beschreielijk zal duren, totdat men ziet in 't end de steden zonder muren, de stromen onbezeild, de kampen onbeploegd, en d' onderaardse Styx bevollekt en vernoegd. Rampzalig spook! Gij zijt tot mijn behulp verkoren voor andre zielen. Ga, en noop uw' neef met sporen, wiens schalkheid hapert, om, bedrieglijk en vals, den zoon van Nauplius te brengen om den hals. Hij sluimert: in zijn' droom en slaap zal hij u horen, En wat uw geest erdicht, dat vezel hem in d' oren. Ga heen, rampzalig spook! SISYPHUS: Ben ik de beste dan dien d'afgrond tot dit snood bedrijf uitbraken kan? Is niemant bet bekwaam tot schelmerij gevonden? Dit is mijn afkomsts tent. Ik moet zijn hert doorgronden. Hij heeft de leus al weg. Megere! 't Is beschikt. Als hij mijn geest vernam, doen was zijn geest verschrikt. Zijn zweet brak uit van angst, zijn haren schielijk rezen. Ik heb hem na zijn wens den korsten weg gewezen. MEGEER: Zo is het reizens tijd. Gedoemde ziel, ga schuil. Duik in den donkren poel en nooit beschenen kuil. De nacht is op zijn droefste, en Phoebe wijkt te spoken. Ulysses gaapt en geeuwt: gij hebt zijn rust gebroken. Daar treedt hij uit zijn' tent. Gaap, aardrijk , en alheel verzwelgt ze, die gij t'hans gebraakt hebt uit uw keel. ULYSSES, LIJFKNECHT, DIOMEDES. ULYSSES: Een dunne slaap beschoot nog nauwelijks mijne ogen, of mijn ontruste geest door 't guichlen werd bedrogen eens drooms, of door een' schim, die me in den droom verscheen, en droeg mijn' aanslag gunst, en holp me 't feit bekleên, en 't stuk met zulk een' list besteken en vermommen, dat Nestors wijze tong daartegens moet verstommen. Het zij dan schim of droom, of wat het wezen wil. 't En is geen marrens tijd. Mijn lijfknecht, ga al stil na Diomedes tent. Zeg, dat ik hem verbeide zo daatlijk hier ter steê. Doen thans hij van mij scheidde werd d' aanslag opgeschort tot wijder overleg. Als nu zo was er 't een, dan 't ander in den weg. Nu, dunkt me, gaat hij glad, en verstrekken, doch vaak schijnt ruim in 't eerst 'tgeen scharp valt in 't voltrekken. Maar d'aanslag nietemin moet eenmaal zijn gewaagd. Mijn vijand staat versuft, en dut, en is versaagd. Hij vindt zich radeloos, om van de lastermonden en logens zich 't ontslaan, waarmede hij wordt geschonden. Te meer hij zich verweert en na zijne onschuld tracht, te meer het lastren groeit. Hij is, en blijft verdacht. Het krijsvolk is gedeeld: d' een looft hem als een' vader, en d' ander hem verspuwt en scheldt voor landverrader. Bij deze zwarigheid koomt, dat der Goden tolk de lasterlogen kweekt en koestert onder 't volk. Mijn wraaklust zal eerlang hem zijnen trots verleren, en d'oude lemten gants tot etter uit doen zweren. Hij, ziende dat zijn pleit en rolle liep na 't end, den Veldheer gistren nog kwam smeken in zijn tent, en bad, hij wilde hem doch zijn' gunstige oren lenen. Ophalende, wat dienst dat Argos en Mycenen ontvangen hadden, eer, door zijn getrouwen plicht. De konink beet hem toe, vergramd in 't aangezicht: "Ik heb gedienstigheên, ik ken 't, door u genoten; maar ene ontvange spijt mij schendig heeft verdroten. d'Atryden zullen u vermorselen tot gruis, of gij zult hen tot stof verdelgen met hun Huis." Dit dreigement hem trof. Hij antwoordde al verslagen: "Mycenen heeft zich ooit beleefdelijk gedragen en met genade altijd zijn vijanden ontmoet. Dies bidde ik, dat uw toorn niet al te heftig woed." Dus scheidde hij, maar beducht (zo 't bleek aan zijn manieren) voor Agamemnons grim en 't spits der helbaardieren. Nu 't gader mede hoe 't wil, 't kan anders niet als wel. Ik ben het niet alleen; de grootste zijn in 't spel. Wij hebben op ons zij' de wereldlijke machten en geestelijken arm, gestarkt met domme krachten. En waartoe zal hij zijn beducht voor veel gevaars, die tot zijn voorspraak heeft de tong des Wichelaars? DIOMEDES: Ik koom op uw ontbod, geheimste vriend en makker. Wat onrust drijft uw' geest? wat houdt uw zinnen wakker, Dus in de middernacht? ULYSSES: Nocht Venus, nocht haar vier, maar zaken van gewicht. De rechte tijd is hier om onzen aanslag zo terstond in 't werk te stellen. DIOMEDES: Mijn raad is hier te klein. ULYSSES: Daar wilt u niet meê kwellen. DIOMEDES: Ik kan geen doorgang zien, Ik blijf er nog voor staan: Zo lang ik niet begrijp hoe dat het toe kan gaan. ULYSSES: Hij brak uit 's Veldheers last zijn' tent op, gistrenmorgen, en sloeg zich elders neêr, zo dat men kan verborgen in d' eerste legerplaats, een zeker wicht van goud, recht of zijn zorge dat aan 't aardrijk had vertrouwd. Als hij nu wordt beticht van zijn ontvange gaven, zo zal de krijgsraad fluks dien rijkdom op doen graven, waardoor hij schuldig wordt aan 't opgeleîde kwaad. DIOMEDES: 't En heeft niet schijns genoeg. ULYSSES: Dit komt ons nog te baat: Ik zal in Priams naam een brief aan hem doen schrijven, die, meldende van 't goud, hem zoekt ter daad te stijven. DIOMEDES: Wie zal de bode zijn? ULYSSES: Maar, een Trojaans slavoen, die mijn gevangen is. Gij zult de ronde doen, en passen op den spie, en helpen hem om 't leven, en, vindende den brief, dien Agamemnon geven. Hoe kan d' Eubeër doch ontworstlen dezen strik? DIOMEDES: 't Is recht Ulysses vond: maar als ik ernstig wik, het stuk is vol gevaars. Laat dezen raad besterven. ULYSSES: Ik vreze, uw' blodigheid die zal de zaak bederven. Hoe stouter aangevat, hoe lichter uitgevoerd. De kans moet zijn gewaagd. DIOMEDES: Waar 't schaakspel, waar het boert . Best, dat men 't wat vertrek, de tijd is niet geboren. ULYSSES: Daar is met sammelen tot nog toe méer verloren, meer schade als winst gedaan. DIOMEDES: De man heeft grote gunst Bij 't volk en bij den raad. ULYSSES: Bedekte logenkunst Die heeft ze vrij gedund door 't lang en stadit knagen. DIOMEDES: Al die hem zijn verwant van vrienden en van magen zijn zijde gunstig zijn en dreigen ons met wraak. ULYSSES: Geen mage of bloetverwant mag tuigen in zijn' zaak. Van dreigen niemand sterft. DIOMEDES: Achilles, vroom in feiten, En Ajax zal zijn recht ten uitersten bepleiten, Door 's grijzen Nestors tong. ULYSSES: Dit acht ik heel gering: De veldheer is de ziel en stuurman van 't geding. 's Rechts uitspraak staat bij hem; hij kiest bekwamen mannen, en kipt de rechters uit, die d' heilge vierschaar spannen. DIOMEDES: Zo d' aangeklaagde zich beroept op 't Griekse recht? ULYSSES: 't Geschil wordt na de plaats gevonnist en beslecht: Wij staan op 's vijands boôm; wij kennen hier geen wetten, als die des Veldheers mond en lippen zullen zetten. Zijn wil is wets genoeg. Die spreek, een ieder zwijg: des oppervorsten zwaard is rechter in den krijg. DIOMEDES: Of d' Oppervorst bezweek, als d' aanslag waar begonnen? ULYSSES: De wereld geenszins lijdt twee schitterende zonnen: Zo duldt gene Heerschappij twee hoofden in een rijk, Geen Vorst zijn wederga, geen Koning zijns gelijk. d' Eubeër is te hoog in mogendheid gestegen en aanzien bij 't gemeen. Dit 's Agamemnon tegen. Die heeft wel duizend maal geklopt op zijn rapier, gevloekt bij all' de Goôn, gezworen hoog en dier, bij zijnes gordels draak, bij 't krunkelen der slangen, waarmeê de Gorgon is zijns beukelaars behangen, en bij den staf zijns Rijks, van Mulciber gesmeed: dat hij zich wreken zal van 't aangedane leed. Dat d' eilander niet lang zijn' majesteit zal benglen, al zoû hij d' Oppergoôn met d' onderaardse menglen. DIOMEDES: Met Agamemnons wrok is 't leger niet gepaaid. ULYSSES: 't Is waar, maar dat is vol onenigheid gezaaid. De meesten hoop is blind, om d' oorzaak van dit wrokken te zien met onderscheid; ook heeftmer in betrokken 't verschil van kerkenplicht, de macht van 't geestlijk hof, en 'tgeen den dienst betreft der Goden; deze stof zodanig is van aard, dat allerlei krakelen, dat zucht tot eige baat en staat hier onder spelen. En alle schelmerij, die slechts een schijngestalt van hailigheid ontleent, licht door dien trechter valt. Men hitst 's volks harten op tot dolligheid door 't krijten, en d'aldersterkste past den zwaksten uit te bijten. DIOMEDES: Maar wacht u, als de tijd de waarheid eens ontdekt. ULYSSES: Al hebt ge 't hailigdom met vadermoord bevlekt, uw zusters schaamt ontbloot, in 't aanzicht van uw zwager, ja, zelf den blixemdrig gekroond tot horendrager, verkracht zijn eêgemaal, en schenker Ganimeed. 't En wordt niet eens gemerkt, als maar een outerkleed die grouwelen bedekt; ten strekken dan geen zonden. DIOMEDES: En of de Priesters 't pleit met Palamedes stonden? ULYSSES: Dat is onmogelijk; want hoe men 't wendt of keert, 't schort even Calches daar, daar 't Agamemnon deert. Zijn hoogheid is geraakt, en hailigheid: die stedes, mits de onderkruipingen en list van Palamedes, allenks gemuilband wordt en van zijn glans beroofd. En 't was zo veer gebracht, dat geen gemijterd hoofd zoû spreken in den raad, of met de Vorsten stemmen. Een toom om na zijn wens de wichelaars te temmen. Dit leît hem in den krop. Behalven dat hij steef de Vorsten tegens hem, die zo Godijvrig dreef, dat ieder Griekse stad zoû leggen nieuwe drempels om 't Noodlot op 't outaar, in godgewijde tempels te vieren, met den reuk van 't gulden wierrookvat. Dienst, daar de Priesterschap een koninklijken schat en rijken oegst af maait. Hoe geestig zag men schaken den tabberd met de kap? Met onbeschaamde kaken dreef Calches, na zijn wens, met luttle stemmen door, 't besluit der tempeliers, en gaf geen reên gehoor. d' Euboeër heeftet ook in Aulis heel verpeuterd. Daar zijd' hij: "Schoon de vloot door storm en onweêr leutert, men mag zo reukeloos niet plengen koningsbloed. Men stel den neêrslag uit. Misschien zal ook de vloed hier mee niet zijn gepaaid. Wilt u der jonffer jamren? Hakt liever af den hals van witgewolde lamren." Daar schond hem 't Priesterdom de krijgsliên op het lijf. Elk vloekte en schold om 't zeerst; zij kreten even stijf. "Het zaad van Nauplius van Godsdienst is verbasterd: 't viert tempel noch outaar. Diana wordt gelasterd! Verworg den vrijen geest, of stort hem van een rots. Dees smaalt op wichlerij en dromen. d' Inspraak Gods hij gants in twijfel trekt. Hij zal het heir verwarren. Hij acht noch voglenzang, noch' ingewand, noch' starren." Ik rep van geen geheim, Gij Diomedes, zaagt wat hij te lijden had om 't redden van de maagd. DOIMEDES: Zijne aangewende vlijt tot Iphigeens verschoning, te lichter hem in gunst kan brengen bij den Koning. ULYSSES: 't Blijft tussen mij en u: 't is Agamemnons aard, dat zijn gedachtenis geen weldaad lang bewaart. Maar 't aangedane leed, en de eens gelede smarte, schiet diepe wortelen in zijn wraakgierig harte, al t'onverzoenelijk. 't Was Atreus, die voorheen bij opdracht onderkroop 't oud recht der Griekse steên. De zoon vlamt op de vrucht van deze parkementen, en hoopt zijn lauren-telg op deze boom te enten. Maar Palamedes oog zijn gangen onderschept, en is vóor hem gereed, en waakt eer hij zich rept. Dies raast 's Krijgsvorsten wraak, die, om hem te betrapen, misbruikt den ouden haat der Griekse legerpapen, bedienaars van de Nood en nooit verbeden dwang. Die doen hem 't koude zweet aflopen door 't gedrang der lasteraren, en, staâg liegende, onverboden, geen misdaad reeknen 't kwaad, 'tgeen strekt ten dienst der goden. Doch 't geldt óns even veel. Wij doelen na ons wit, het zij dan slinks of rechts. Waarom ik ernstig bid dat uwe dapperheid dit heldenstuk verzelle. DIOMEDES: Ik vind den aanslag goed, 't is waar; maar dat ik stelle mij-zelven in 't gevaar, is overwegens waard. Ik ben een man in 't veld, om op een moedig paard dat schuimbekt, briest, en krabt, en stof werpt met zijn' voeten mijn vijand voor de vuist, met zweerd en speer, t' ontmoeten. Maar 'k heb uw vijnzerij, Ulysses, lang verleerd. Ik stem het nietemin, dewijl gij 't zo begeert. ULYSSES: Laat, Diomedes, slechts de zorg aan mij bevolen Het moet 'er donker zijn, daar d' Ithakois zal dolen. DIOMEDES: Welaan, ik ben 't getroost; doch eer wij 't stuk bestaan, zo zal 't hoog-nodig zijn ons wijders te beraân, opdat men 't schandelijk ten halven niet laat steken. Vernieuw mij ander-werf den voorslag uwer streken. ULYSSES: Treê met mij in mijn tent; 't zal wel zo veilig zijn. Men handelt van die zaak best achter de gordijn. REI VAN PELOPONNEZERS EN ITHAKOIZEN, EURYPILUS. REI: Koomt, laat ons bij de donkre maan eendrachtelijk te reie gaan, en storten ijvrig deze beê voor ons Drie-aanzicht Hecaté. Dat ze Atreus zonen doch bewaar, die, voor onze haardstede en 't outaar, zo rustig waagden lijf en goed, en troosten 't volk in tegenspoed. Dat geen verrader zich verstout, om 't flikkren van 't Trojaanse goud, hem 't overlevren aan den Phrijg, en ons in 't heimelijk bekrijg. En smoor half-doôn op doôn gehoopt in 't bloed, dat uit onz' wonden loopt, en steek tot schrik van Griekenland, door Hectors toorts de vloot aan brand. En geef uitheemse gasten stof te zeggen: "Hier is 't kerrekhof, daar Troje, door Godlozen boef, Mycenen met haar macht begroef. Daar stond Achilles tent weleer Hier Agamemnons; ginder veer werd, dag op dag, zo fel gestreên, om Menelaüs bruid Heleen. Hier lag de vloot om dezen hoek." Keer, o Godesse, zulk een vloek; Bewaar, Godin, uw kerken ook, Opdatm' uw tempel plechtig smook. Opdat uw reukwerk opwaarts rijs na d' eenmaal aangenome wijs, na d' eenmaal voorgeschreven plicht, 't zij, dat gij droef of heller licht. Begunstig doch Apolloos zoon, Den taalman van den oppertroon, die zich op Gods geheim verstaat, en alle tekens gade-slaat. Die vaak kan spellen 't ongezienst, en wien de zuivre godesdienst zo diep en zwaar ter harten gaat, en acht ze een pijler van de staat. Een pijler, daar de staat op leunt: en om deze oorzaak zich bekreunt vaak met den wereldlijken staf. Al neemt men 't hem zo kwalijk af. Weer van ons alle nieuwigheên, bevrij voor vlek uwe outerkleên, en neem de Priesters in uw scharm, die uwe altaren houden warm. EURYPILUS: Zij heeft u toegeknikt; nu wend u tot de Nood; Heft aan een nieuwen dans, en maakt haar' Godheid groot. REI: O kracht, die niet en zijt t' ontvlien : Geweld, dat tussen uwe knien beklemt de diamanten spil, daar 't al op draait na uwen wil: Die hebt van eeuwigheid gezaaid 't zaad, daar de tijd zijn' vrucht af maait. O dwangbestuurster van al 't werk, die Goôn en mensen stelt een perk. Houvast en anker van 't gesticht der wereld, die in tegenwicht d'hoofdstoffen houdt. O zuil, die zelf draagt onbezwaard dat zwaar gewelf. O die met ijzren scepter heerst, en blijft er laatst, en waart 'er eerst, die Hemel, Aarde,en Hel bestiert, en maakt, dat elk uw Godheid viert. Die, op haar beurt, de starren riept, en meerdre en mindre Goden schiept, en blijft verstenigd en verstokt, en hebt al 't noodlijk kwaad berokt, Saturnus zijnen Vader lubt, en 't pekelschuim met bloed bedrupt. Ene oorzaak, dat er Venus kwam, met hare onkuise minnevlam Jupijn, ontvonkt door Sypris straal, voorts walgde van zijne eêgemaal. Die bleef verschopt, en alzijn feest was hoer, of jongen, of een beest Mercuur werd d' alderslimste dief, en Bacchus kreeg de kruiken lief, en, struikelende na den dronk, zong hailge verzen dat het klonk. Mars groeid' in bloed en mensenmoord. Dat reuzen kwamen fel aan boord den Donderaar, met smaad en schimp. Doen ze Ossa parsten met Olymp, en weêr met Ossa Pelion, eer hem een starker overwon. Dat Minos bruid, het geile dier, Zich liet bespringen van een' stier. Dat d'Africaan, zo wreed als sterk van mensenhoofden bouwde een kerk, en dat zijn tempelpriester had een doodshoofd tot zijn wierookvat, en, eer hij nog gebeden sprak, een mensenongeltoorts ontstak, en plengde, met een heilgen schijn, paars mensenbloed, in plaats van wijn, en offerde den Goôn tot brand, halflevend menseningewand, terwijl een mensendarrem sluit om 't lijf zijn taaie mensenhuid, zijn offerkleed, en feestsieraad. En zong, en schreeuwde zonder maat, uit parkement vol bloedrood schrift, verrukt door innerlijke drift, en deê weêrgalmen, op elk vaars, een rei van woeste moordenaars. Wier wapen zwaard, noch kortelas, maar kakebeen of schinkel was. Dat Tantalus, nog vuil bemorst van verse moord, opschaffen dorst het vlees zijns zoons op Jovis dis. Niet bij geval gebeurd en is. Maar, onontworstelbaar Bescheer, gij zelf waart d' oorzaak. U koomt d'eer die dobbeltronie Janus slacht, die achter grijnst, van voren lacht. Zo nog 't verraad smeult in zijne as, ontdekt zulks doch uw' Priesters ras. Scharp Argos sabel langs hoe meer, en Priams stander werp ter neêr. EURYPILUS: Houd op, gij hebt voldaan. Het Noodlot heeft volkomen uw dansen en gezang goedgunstig aangenomen. DE VIERDE HANDEL. OATES O Chalcis! Die de strand bekleedt met praal van huizen, en t'elkens zevenwerf hoort in éen etmaal bruisen Euripus pekelschuim, zo vaak met zand vermengd hij uit d' Aegese zee geweld van golven brengt en steekt zijne hoornen op en komt uwe hoge muren en Aulis havendiep en weêrzijds de overs schuren. O, vaderlijke stad! Hoe luttel voelt ge nog hoe Argos wrok en wraak en 't Cephaleens bedrog mijn' ongerusten geest afmatten en vermoeien. Hoe vrees en hoop in mij nu ebben, nu weêr vloeien. Ach vader Nauplius! Uwe afkomst is in nood Men dingt hem na den hals. Hij worstelt met de dood. Men toetst de lastering. Men schouwt hem vroom, en echter, men gaat hem na, en stelt zijn vijand tot zijn' rechter. Hij, die de tong, de mond, en schild der vrijheid is; zijn vrijdom nu ontbeert in zware vangenis. Hoe kan Ulysses doch een wettig vonnis spreken? Wiens haat niet lievers wenste als zich aan hem te wreken van sedert dat hij sleept uitzinnig 't ploegespoor aan strand, doen Palameed het kind leide in de voor waardoor hij zijne bruid Penelope most missen om Sparten te geval de schandvlek uit te wissen van Menelaüs' bed. En namaals als de Thrax hem afsloeg zijn verzoek en mijnen broeder straks afveerdigde met graan, doen 't schier was omgekomen heeft d' oude wrok allenks in felheid toegenomen. Meer zaken ik verzwijg. Wat Tydeus zoon belangt: dat 's een soldaat die gants aan Agamemnon hangt en van zijne handen vliegt. Maar weert vooral, o Grieken! Dat doch de razebol dien niemand kwalijk rieken of luchten mag en scharp twee woorden spellen kan ter vierschaar niet en ga, nocht over zulk een man nocht over zijne daân een onrijp oordeel stamer. Zijn domheid wordt bereên van onzen vogelramer Thersites buldert uit wat Calches denkt of droomt. d' Onwetendheid die maakt hem stout en onbeschroomd. Kortom: loftuiterij en baatzucht zien wij heden, en loshoofds dommekracht den rechterstoel bekleden. Dit wichelt mij niet goeds. Mijn broeder is verraân. Zijne haters meesters zijn. Hoe of dit wil vergaan? Maar zie ik herwaars niet den groten Ajax treden? Zijn aanzicht is vol viers, hij mort en schijnt t' onvreden. Best zoek ik heul aan hem. O zone van Jupijn! Wat tijding brengt gij ons? Zal heden zonder schijn van recht d'onnozelheid mijns broeders sneuvlen moeten? AJAX De nooit verdiende peen en straffe zal hij boeten 't en zij het wordt geschut. OATES Wat zal ik best bestaan? 'k Ben radeloos. Wat raad? AJAX Mijn neef de Peleaan te Lesbos wordt verlet. 't Zijn d' Ithakoise treken. Men heeft met voordacht door d' Atryden dit besteken. Maar zonder dat, wij twee doorhieuwen met ons staal 's gevangens banden zelfs in spijt van logentaal en valsheid, die doortrapt dit na haar wens beschikken, en 's vorsten brave ziel en wakkerheid verstrikken met openbaar geweld. Zij willender meê voort. Foei, dat dus Atreus zaad de vorsten ringeloort! Foei, dat zo groot een man voor zulk een' snode vierschaar betrokken plengt zijn bloed dat naderhand zo dierbaar zal worden gewaardeerd als 't klagen is te laat, en Griekenland de lucht met luiden weêrgalm slaat van klachten en gehuil, wanneer de vlechten hangen en handen gaan in 't hair. De tranen langs haar wangen afbiggelen bedrukt en 't schelmstuk wordt verfoeid. Maar dat d' aartswichelaar geveinsd hier onder roeit met zijn doortrapte tong en koestert onze plagen en bakert ons bederf - dat 's zonde te verdragen. Dat in zo fel een' brand hij voedende olie giet dat een verlopen Phrygh gants Grieken doet verdriet! Het lust me ditmaal eens zijn leven te doorlopen. Zijn vader Thestor hiet. Wiens harsen had doorkropen 't half levende ingewand der dieren, zo hij zeî, en noemde zich een zoon van Phoebus en Agley, en lette op voglezang, op spook, en ijdle dromen, op drift van God en geest, op 't ruisen van de bomen en 's hemels aangezicht in 't aldernaaste dorp, 't welk rookte bij het lek, ontrent een' slingerworp. Hier kweekte hij Calches brein en leerde hem deftig klappen en grollen mengen in landnutte wetenschappen, en ramen op een hair na d' hairen van een dog, de korlen van een' vijg, de biggen van een zog die rond en zwanger ging, na 'et maaksel van haar' jongen, en oefende zijn' geest op drie- op zeven-sprongen, en 't wettelijk gebruik van woord- en letterkracht, zeef, bekken, en gebeent. Vaak leidde hij hem bij nacht op Idaas hoge kruin en starende in de starren gaf diepe raadsels uit en liet zijn' zoon ontwarren verwarde vragen en ontstrikken knopen daar een Godschalk Arabier of oud Egyptenaar of Indiaans Branman om zweten zoude hijgen. Hier prachte Calches meê om nooddrufts eis te krijgen en bedelde achter land gelijk hij was gewend tot dat Laocoön en Panthus hem in 't end verworven gunst bij 't hof. Dit wist hij zo te smeken door ijdel lof en door 't oppronken der gebreken dat hij verkoren werd aartswichelaar van 't rijk. Doen blies hem hovaard op. Doen achtte hij zich gelijk een' hailig van 't outaar en die zo korts ging beedlen hoonde alle tempeliers en bengelde 's lands eedlen. Zijn' trotsheid borst terstond tot boze stukken uit. Door gailheid hij ontmaagde een streng verloofde bruid, den bruîgom te geval. Dit tuigt de grijze Nestor. Den schimmen vloekte hij toe zijn ouden vader Thestor. Eens anders bedgenoot, al 't eerloos van gemoed, tot schennis hij verzocht en maakte haar kuisheid vroed, dat niemand Minos heeft noch Cerberus te vruchten dat Styx en Acheron zijn moliken en kluchten. Eurypilus bedekte het overige vuil zijns meesters, tot zo lang hij blô gelijk een uil van ieder-een verpikt most Ilium begeven. Doen kwam hij al berooid in Griekenland gedreven, aan Agamemnons hof en vlamde op 't oud genot. Uitgevende hoe hij 's nachts, door inspraak van den god Apollo, was vermaand uit Trojens slot en wallen te vlieden om 't ontgaan de dreigende ongevallen die 't stamhuis van Dardaan nu hingen over 't hoofd. Dit nam ons priesterschap zo in en 't werd geloofd van 't volk. De faam ging voorts door alle steden strooien hoe Calches had gezien den hogen burg van Trojen verweldigd en de wacht in 't sluimeren gedood en van't Palladium Minervaas kerk ontbloot. De Scese poort beroofd van wijlen konings assen, 't palais met vlam omringd, en 't Griekse zwaard verrassen de stad, van wijn en slaap bedolven, op haar' feest. Ja, tot waarteken nog, hoe zijn ontwolkte geest de vijandlijke goôn, op Ilium gebeten, zag waren. Pallas, op de kruin van 't slot gezeten met helm en beukelaar, vast drilde haar' taaie lans en schudde haar' pluim. Belloon die blies van 't torentrans en stak haar moordtrompet. De vader, heet ontsteken door wraak, zelf de armen steef, en zenuwen der Greken, verschafte hun moed, en dreef de goôn op den Dardaan, en op zijn wapenen met kracht en ijver aan. Zijn' wrede Juno met den aangegorden degen de Scese poort bezetten en hiel alzins de wegen en toepaân veilig langs de zee en waterkant, en riep met hese keel de krijgslien van de strand. De vloot gaf drommels uit, den anderen tot bijstand. Neptuin die schudde vast met zijner gaffel drijtand, 's muurs oude grondvest die zo diepe wortels schoot. De priesterschap verbaasd en al bestorven vlood om troost na d' outers toe na Godgewijde drempels. Maar al vergeefs helaas! Zij vonden alle tempels verlaten van de Goôn, van hailigdom het koor. Zij wierookten te spa. Geen' Godheid gaf gehoor. Daar spookten met haar' toorts de wrede razerijen met slingerslangig hair. Men zag aan alle zijen de stad ten val gedoemd. Zo raakte hij in zijne eer. Wat Ilium ontnam, dat gaf hem Argos weêr. De veldheer most zijn' tong tot grote kosten huren, en zelf zijn' wreedheid en moordadigheid bezuren. In Aulis aldereerst, doen, op der vorsten beê en dwang, hij Iphigeen most hailgen Hecate. Een burger die 't mishaagde en aanzag met verwondren most vluchten en bedrukt zijn huisgoôn nog zien plondren door krijsliên, heimelijk bij Calches opgeruid, die zeî nog dat dees straf ontstond door Gods besluit. D' Atryden weten 't wel dat Thestors zoon een schelm is, en evenwel vermits hij hun een stalen helm is. Bij dees' gelegentheid misbruiken ze zijn' dienst en boosheid tot hun wit. Maar op het ongezienst zo zullen ze den boef en booswicht eens verschoppen, gelijk de kinders doen hunne afgesleurde poppen. OATES Mijn broeder heeft den boef gekeken door en door, van voetzool tot de kruin en kwam zijn lagen voor, tot der Argiven heil, en hiel met kracht den teugel, tot hij den enen voet arglistig in den beugel en, door des veldheers heup, kreeg steun van stegelreep. Nu doet hij 't Dorisch ros eens draven na zijn zweep en luistren wondergauw na 'et prikklen zijner sporen, nu rijdt hij die hem reê, en heeft alreê gezworen bij Palamedes dood. Wat raad? De tijd is kort en hoe men langer draalt hoe 't kwaad nog arger wordt. AJAX De radeloze neemt het reedste tot zijn voordeel niet zo hij wil maar mag. Zo Nestor over 't oordeel mocht zitten, mogelijk viel 't vonnis niet zo zwaar. 't Was winst genoeg indien wat tijds gewonnen waar. Zo hem de vierschaar sloeg in endeloze boeien. Achilles midlertijd die kost eronder roeien, d'oplopendheid des volks mocht koelen, 's veldheers haat verzachten. Nauplius zoû spreken voor zijn zaad en wettige' erfgenaam en treden ze onder ogen. Oates! 't Voegt u best te dingen voor uw bloed. Ga Agamemnon aan en grijp hem in 't gemoed. Betuig hem hoe het strijdt met aller rechten orden dat iemand, wie 't ook zij, zal van zijn vijand worden veroordeeld en verzoek ernsthaftelijk, dat hij gedoog dat Neleus zoon met d'overige drij ter vierschaar ga. Misschien zal hij 't uw' beê vergunnen uit schaamte en ook om dat zeer licht drie rechters kunnen vermeestren 's vierden stem. Dit's 't naaste dat ik weet. OATES Ik spoei mij binnen. Och de Atrijden zijn te wreed! Dies ben ik hopeloos, en vrees een droevig ende. AJAX Jupijn uw' broeder vrije, en al zijn haters schende. AGAMEMNON, OATES, LIJFKNECHT AGAMEMNON d' Eubeërs krijten vast: wij maken 't langs hoe grover. Het moet er evenwel nu onder door of over. Hier geldt geen aarzelen. De kans is al gewaagd. OATES Gij die als oppervorst de bijl van 't leger draagt, en zijt geboren tot het staf- en scepterzwaaien, wilt door uwe heusheid doch ons onbenoegen paaien. De rechters spannen vast de rechtbank en te gaâr mijn' broeder dreigen met het uiterste gevaar van 't leven, en, van ouds op hunnen vijand nijdig en hatig dragen zich in 't oordeel te partijdig. Schut deze onbillijkheid en weert ze door uw macht. AGAMEMNON Gij spreekt te spa. De zaak is nu te veer gebracht. De rechters zijn gelot. Hij zal ze erkennen moeten. Maar vindt gij het goed, men zal 'tgeen streng schijnt wat verzoeten met nog een vierde stem. Wij stellen 't aan uw keur. Kies die u best gevalt en draag ons iemand veur. OATES Dit ampt voegt Nestor best. AGAMEMNON Mijn lijfknecht, zonder beiden zeg Nestor aan dat hij in 't recht den twist help' scheiden en voeg' bij d'andre drie zijn wijsheid, dat er niet onbillijks in dit stuk uit toorne en zucht geschied'. Zij wanen ons het werk met listen t' onderkruipen. Maar 't is de doodsnak. 't Zijn d' Eubeërs laatste stuipen. De zaak is zo doornaaid en zo bezet in all's hij raakt er eer niet af, 't en kost hem zijnen hals. De kling die moet er deur hetzij men 't recht of krom schouwt. Ja, eer de rechtbank zweeg, ik goot een tong van stom goud. Dat honderdogig hoofd, die wachter, ben ik moê, en Argos Argus haat al waar 't maar om de koe die tot den buik toe treedt in frisse klaverweide. Ik zie ik zie den beul 't zwaard trekken uit der scheide. Den ouden hondsvot vast staan siddren voor den slag. Daar leît de grijze kop, 's lands uitgediend gezag. ULYSSES, NESTOR THERSITES, DIOMEDES, REI VAN PELOPONNENSERS EN ITHAKOISEN, CALCHES. ULYSSES Gij heren die te gaâr, op Agamemnons heten, om Palamedes zaak ter vierschaar zijt gezeten; U allen is bekend het grouwelijk verraad, gebrouwen tot bederf van den gemenen staat. En hoe de Eubeër vorst, uit Nauplius gesproten, het toegezonden goud meinedig heeft genoten van koning Priams spie, en listig omgekocht vele hopliên, en zo 't heir al meer en meer gebrocht in 't uiterste gevaar van onder Trojens wallen vóor 't krieken van den dag te worden overvallen. Dewijl de misdaad dan zo klaar en helder blijkt, ontbreekt er dat er voorts een wettig vonnis strijkt, en na 'et begangen stuk den schuldige doe boeten zijn' welverdiende straf. Gij, rechters, zult dan moeten aanwijzen met uw' stem wat hem wordt opgeleîd die zich bewegen liet tot zo vervloekt een feit. Dat Nestor zich verklaar. NESTOR Ik wens, genadige heren, dat wij door 't oordelen nocht kwetsen nocht verzeren den schoon gebloeiden staat, maar dat men liever hel tot matigheid, als al te streng een vonnis vel. THERSITES Wat zeît de grijze man? Gij suft o oude vader. Geen' strengheid is te hard. Het is een landverrader een overgeven schelm! Vindt zulk een bij u heul? Laat mij 'er meê begaan en hailigt me tot beul. Ik heb voor lang gewenst den booswicht aan te randen en tot elks schouwspel hem te villen met mijn' tanden. ULYSSES Thersites! Hoû gemak en spreek op uwe béurt. Gij vader Nestor, dat gij 't leger niet gesteurd wilt hebben nocht gekwetst is lof en prijzens waardig. Dat, acht ik, zal geschiên indien wij, heel rechtvaardig, afhandlen deze zaak, en laten 't recht geschiên, en niemands bloed, nocht stam, nocht mogendheid ontzien. Want, zo ge deze straf wilt zwakken door verschoning, en door de vingers zien die 't outer en de woning uit goudzucht heeft belaagd, en dragen u als tolk van zulk een schendig stuk: - gewisselijk het volk zal t'zamenrotten en vergaren in vele hopen en morren dat men laat de grootste schelmen lopen, en die handdadig zijn aan klene zonden hard ter straffe vordert en de goê gemeente sart en als bij d' oren trekt. Het krijgsvolk zal ons honen en roepen dat wij zijn aanzienders van personen, of dat wij 't met hem staan, die zulke netten breidt. DIOMEDES Daar dient wel opgelet. Hetgeen Ulysses zeît is niet dan al te waar. Laat dees zijn' schuld betalen eer dat we op onzen hals der hopliên ongunst halen. Ik zie veel zwarigheên en vind mij al bevreesd, en ducht niet zonder reên dat duizendhoofdig beest bij dees' gelegentheid en onder Trojens vesten. THERSITES De vader die wordt kinds. Men houd 'et hem ten besten. Wat uitspraak hoeft men hier? Hij brengt zijn vonnis meê. NESTOR Om 't heil van 't vaderland, vergunt me deze beê, en bij u-zelven proeft, en overweegt mijn zeggen of 't ongeraden waar d'Eubeër vorst te leggen in eeuwige hechtenis, opdat men niet en maak zijn overoud geslacht verblind door hete wraak. Hij heeft een' langen sleep van hooggeboren magen zijn vader Nauplius, als wij in Aulis lagen, zich in gedienstigheên niet weinig kweet en bood al wat hij bieden mocht tot redding van de vloot. En Palamedes dienst ging boven elks vermoeden. ULYSSES Voorgaande deugden met een schelmstuk te vergoeden is Grieken ongewend. Eén schandelijke daad wist alle weldaân uit. Voorlede vroomheid baat geen' mense die van aard verwisselt en verwandelt, zich aan 't gemeen vergrijpt en met den vijand handelt. Noch reeks van oud geslacht nocht stam nocht adeldom en wordt hier aangezien, noch' buigt de wetten krom. Want raakte dit in zwang en waar die dag geboren wat zouder tegens staan? Zo liep de staat verloren. En om in hechtenis te brengen Palameed 't heeft veel bedenkens in, en strijdt met onzen eed voor-eerst die ons verbindt dat zulk een mens moet sterven die schuld heeft aan verraad en al 't gemeen bederven. Daarna, zo kan geen plaats verzekeren genoeg een' vorstelijk persoon. Men tracht of spade of vroeg naar zijn verlossing, en men zoekt de wacht te krenken. Men houdt het vaderland in onrust en bedenken. Men graaft de muren door of draagt hem in een' kist voor boeken uit. Men veinst, men hangelt, en men vist om torens en om gracht, of eer men het kan rieken krijgt een gevangen heer gelijk een vogel wieken. En over zee en zand zweeft heen door d'ope lucht als de Cecropische Dedael zich gaf ter vlucht en van zijn vangenis waarin hij zat versteken, ontbonden, past zijn leed en ongelijk te wreken hetgeen hij waant en droomt dat zich is aangedaan, en derf al wat hij denkt aangrijpen en bestaan. Meer dingen ik verzwijg die stonden te bezorgen. NESTOR Ontsla u van die vrees door vaste en wisse borgen. DIOMEDES Wat borge is mans genoeg? NESTOR Achilles geef zijn woord en Ajax. Wel wat 's dit? Wie komt ons hier aan boord? THERSITES Het is de goê gemeent. NESTOR O goddeloze treken! THERSITES Wat zegt gij? 't Is het volk dat heeft er in te spreken. Wat zeît er 't leger toe? Koomt geef uw oordeel dra. Zal Palameed de landverrader sterven? REI Ja CALCHES Dat is de stemme Goods. Gij rechters neigt uwe oren en stemt met uw' gemeent of vreest der Goden toren. ULYSSES Men lever hem den volke. DIOMEDES Ik stem 't. THERSITES Thersites ook. NESTOR Argivische landouw, mijne ogen zien den rook opgaan van uwen brand. En Calches ondertussen die wiegt het volk in slaap, en niemand tracht te blussen het vier dat in zijne as vast smeult en heimlijk smookt. En die u hoeden zoû. Die is het die dit stookt, en uit bizondren wrok geeft voedsel deze vlammen. Roemt op geen' lange rij van oude-vaadrenstammen op hoven schoon van bouw, noch steden trots van muur. Men sloopt, men slecht, 'et al op deze onzalige uur. Men velt gezwind ter neêr wat langzaam is geklommen. Gaat Grieken! Rukt om veer die zuil der vorstendommen, den Atlas die 't gebied met zijne schouders schraagt, en onverwikkelijk dat groot gevaarte draagt, die onlangs heeft gevrijd uw' dierverpande steden. Gaat Grieken! Smoort de ziel van uw' gerechtigheden. Verworgt uw' trouwsten raad in zo veel ongevals, uw vrijheids voorspraak. Rukt de tong uit zijnen hals. Mijn' ziele smelte aan lucht, en Pylus mijne benen ontvange, eer dat ik hoor der Grieken val bewenen. REI VAN EUBEëRS Ach! Waartoe of der Goden onbescheid befaamde deugde hier rust en vreê ontzeît, en, zonder staf en aarzelen, doet gaan zo steil een pad, zo wild en woest een' baan, door kreupelbos, door wegen, ruig begroeid en onbestraat. Daar elke stap vermoeit. een' arbeidzaam' hardvochtig' man geteeld om barrevoets geschoeid te gaan met eelt. Daar vrouw natuur gezaaid heeft scharp gesteent dat zweten doet zelfs reuzen langgebeend. Daar me' eenzaam dwaalt, daar zonder spoor of pad voor 't oog geen' spits verrijst van vlek of stad. Zo zwaar een' weg van 's Hemels hogen trans dreef Junoos wrok den bastaardzoon haars mans geweldig in 't geklater van haar' zweep van kindsbeen af zijn' grove krachten sleep. Voor d'eerste proef 't wicht met zijn handjes greep twee slangen aan, die 't fluks te barsten kneep. De voêster schepte haar' doodverw, en zag stom 's kinds vuistjens zwart van adders om en om. Zijn stiefmoêr staâg raast op Alcmene beus als zij hem ziet van Hydra, leeuw, en reus van Diomeed, Busyr, en stier, en beer, en Kakos moord met zege komen weêr en gespen tot verwondring zijner eeuw om zijne borst de slang en fieren leeuw. Geharrenast onvergeleken held met die hij vreesde en moedig had geveld. Wat gruwelijk, wat schrikkelijk gedrocht lucht, zee, en aarde in 't licht te voorschijn brocht dat leît gekneusd. Elk Hercles daden prijst. waar Phoebus glans verguldt 's aardbodems lijst. De faam zijn roem voert over alle zeên zijn' godheid wordt kerkplechtig aangebeên. Van daar de zon de beide Moren verft, tot daar ze daalt en in de baren sterft. Maar endelijk zo breekt hij met zijn' knots ter poorten in des onderaardsen Gods der schimmen rijk na boven openlag 't sprietoogt er al geslagen van den dag. Van derwaarts hij opdondert onversaagd en voor zich heen den zwarten rekel jaagt. Viert kort en vlijt de kreten met zijne hand waarmede hij fors den driekop leîde aan band. Met zweem de zon en 't licht ontzonk zijn' ziel en als een kleed de nacht op 't aardrijk viel van schrik en vrees. Hij dreef den grouwel voor en voerde hem zo de Griekse steden door. Zo had de vuist van Hercules geklemd. Men zag nu aarde en onderaards getemd als hij zijn hoofd door 's hemels nave stak en onderschoorde het licht gestarrend dak. Alcides deugd genoot dit tot haar' loon dat hij omhoog met d' eeuwigheid der goôn omtogen werd, en slaande 't hoofd omleeg rook 't wierook dat van d' outers opwaarts steeg. Alcmenaas zoon, die zulk een' glorie kreegt, wat baatet dat gij 't aardrijk hebt geveegd van ongediert van menigen tiran, en dat de goôn u bruikten tot hunn' wan? Als sedert uw' vergoding d'opperhel na ouden aard wat grouwzaam is en fel weêr heeft geteeld en rokkent enkel kwaad? Als 't onkruid weêr vertreedt het edel zaad? Och, of gij nooit van ons gescheiden waart! Och, hadt gij doch gestaakt uwe hemelvaart! Zo zou onz' borst niet zuchten na omhoog noch tranendauw neêrbigglen uit ons oog. Zo zouden wij niet derven d' oude vreugd, noch treurig zien hoe d' hooggemelde deugd zo overvals beticht wordt en beklad. Hoe 't hailig bloed 't meinedig zweerd bespat. Hoe d'oppervorst en aller guiten tolk dat edel brein ten rove geeft aan 't volk 't welk opgeruid door vorst en priesterhaat in zijn bederf met blijschap weien gaat. Nu raast en woedt d'onwetende gemeent en onze staat voorbochtig overleent. Thans, als me' ontwaakt en slaat zijn dolheid ga komt na berouw en klagen veel te spa. Thans, als 's mans deugd na logens, mist en damp opbeurt het hoofd en blinkt als 's hemels lamp, dan zal 't gehuil betuigen wie hij was. Maar te vergeefs bevochtigen zijne as. DE VIERDE HANDEL. OATES O Chalcis! Die de strand bekleedt met praal van huizen, en t'elkens zevenwerf hoort in éen etmaal bruisen Euripus pekelschuim, zo vaak met zand vermengd hij uit d' Aegese zee geweld van golven brengt en steekt zijne hoornen op en komt uwe hoge muren en Aulis havendiep en weêrzijds de overs schuren. O, vaderlijke stad! Hoe luttel voelt ge nog hoe Argos wrok en wraak en 't Cephaleens bedrog mijn' ongerusten geest afmatten en vermoeien. Hoe vrees en hoop in mij nu ebben, nu weêr vloeien. Ach vader Nauplius! Uwe afkomst is in nood Men dingt hem na den hals. Hij worstelt met de dood. Men toetst de lastering. Men schouwt hem vroom, en echter, men gaat hem na, en stelt zijn vijand tot zijn' rechter. Hij, die de tong, de mond, en schild der vrijheid is; zijn vrijdom nu ontbeert in zware vangenis. Hoe kan Ulysses doch een wettig vonnis spreken? Wiens haat niet lievers wenste als zich aan hem te wreken van sedert dat hij sleept uitzinnig 't ploegespoor aan strand, doen Palameed het kind leide in de voor waardoor hij zijne bruid Penelope most missen om Sparten te geval de schandvlek uit te wissen van Menelaüs' bed. En namaals als de Thrax hem afsloeg zijn verzoek en mijnen broeder straks afveerdigde met graan, doen 't schier was omgekomen heeft d' oude wrok allenks in felheid toegenomen. Meer zaken ik verzwijg. Wat Tydeus zoon belangt: dat 's een soldaat die gants aan Agamemnon hangt en van zijne handen vliegt. Maar weert vooral, o Grieken! Dat doch de razebol dien niemand kwalijk rieken of luchten mag en scharp twee woorden spellen kan ter vierschaar niet en ga, nocht over zulk een man nocht over zijne daân een onrijp oordeel stamer. Zijn domheid wordt bereên van onzen vogelramer Thersites buldert uit wat Calches denkt of droomt. d' Onwetendheid die maakt hem stout en onbeschroomd. Kortom: loftuiterij en baatzucht zien wij heden, en loshoofds dommekracht den rechterstoel bekleden. Dit wichelt mij niet goeds. Mijn broeder is verraân. Zijne haters meesters zijn. Hoe of dit wil vergaan? Maar zie ik herwaars niet den groten Ajax treden? Zijn aanzicht is vol viers, hij mort en schijnt t' onvreden. Best zoek ik heul aan hem. O zone van Jupijn! Wat tijding brengt gij ons? Zal heden zonder schijn van recht d'onnozelheid mijns broeders sneuvlen moeten? AJAX De nooit verdiende peen en straffe zal hij boeten 't en zij het wordt geschut. OATES Wat zal ik best bestaan? 'k Ben radeloos. Wat raad? AJAX Mijn neef de Peleaan te Lesbos wordt verlet. 't Zijn d' Ithakoise treken. Men heeft met voordacht door d' Atryden dit besteken. Maar zonder dat, wij twee doorhieuwen met ons staal 's gevangens banden zelfs in spijt van logentaal en valsheid, die doortrapt dit na haar wens beschikken, en 's vorsten brave ziel en wakkerheid verstrikken met openbaar geweld. Zij willender meê voort. Foei, dat dus Atreus zaad de vorsten ringeloort! Foei, dat zo groot een man voor zulk een' snode vierschaar betrokken plengt zijn bloed dat naderhand zo dierbaar zal worden gewaardeerd als 't klagen is te laat, en Griekenland de lucht met luiden weêrgalm slaat van klachten en gehuil, wanneer de vlechten hangen en handen gaan in 't hair. De tranen langs haar wangen afbiggelen bedrukt en 't schelmstuk wordt verfoeid. Maar dat d' aartswichelaar geveinsd hier onder roeit met zijn doortrapte tong en koestert onze plagen en bakert ons bederf - dat 's zonde te verdragen. Dat in zo fel een' brand hij voedende olie giet dat een verlopen Phrygh gants Grieken doet verdriet! Het lust me ditmaal eens zijn leven te doorlopen. Zijn vader Thestor hiet. Wiens harsen had doorkropen 't half levende ingewand der dieren, zo hij zeî, en noemde zich een zoon van Phoebus en Agley, en lette op voglezang, op spook, en ijdle dromen, op drift van God en geest, op 't ruisen van de bomen en 's hemels aangezicht in 't aldernaaste dorp, 't welk rookte bij het lek, ontrent een' slingerworp. Hier kweekte hij Calches brein en leerde hem deftig klappen en grollen mengen in landnutte wetenschappen, en ramen op een hair na d' hairen van een dog, de korlen van een' vijg, de biggen van een zog die rond en zwanger ging, na 'et maaksel van haar' jongen, en oefende zijn' geest op drie- op zeven-sprongen, en 't wettelijk gebruik van woord- en letterkracht, zeef, bekken, en gebeent. Vaak leidde hij hem bij nacht op Idaas hoge kruin en starende in de starren gaf diepe raadsels uit en liet zijn' zoon ontwarren verwarde vragen en ontstrikken knopen daar een Godschalk Arabier of oud Egyptenaar of Indiaans Branman om zweten zoude hijgen. Hier prachte Calches meê om nooddrufts eis te krijgen en bedelde achter land gelijk hij was gewend tot dat Laocoön en Panthus hem in 't end verworven gunst bij 't hof. Dit wist hij zo te smeken door ijdel lof en door 't oppronken der gebreken dat hij verkoren werd aartswichelaar van 't rijk. Doen blies hem hovaard op. Doen achtte hij zich gelijk een' hailig van 't outaar en die zo korts ging beedlen hoonde alle tempeliers en bengelde 's lands eedlen. Zijn' trotsheid borst terstond tot boze stukken uit. Door gailheid hij ontmaagde een streng verloofde bruid, den bruîgom te geval. Dit tuigt de grijze Nestor. Den schimmen vloekte hij toe zijn ouden vader Thestor. Eens anders bedgenoot, al 't eerloos van gemoed, tot schennis hij verzocht en maakte haar kuisheid vroed, dat niemand Minos heeft noch Cerberus te vruchten dat Styx en Acheron zijn moliken en kluchten. Eurypilus bedekte het overige vuil zijns meesters, tot zo lang hij blô gelijk een uil van ieder-een verpikt most Ilium begeven. Doen kwam hij al berooid in Griekenland gedreven, aan Agamemnons hof en vlamde op 't oud genot. Uitgevende hoe hij 's nachts, door inspraak van den god Apollo, was vermaand uit Trojens slot en wallen te vlieden om 't ontgaan de dreigende ongevallen die 't stamhuis van Dardaan nu hingen over 't hoofd. Dit nam ons priesterschap zo in en 't werd geloofd van 't volk. De faam ging voorts door alle steden strooien hoe Calches had gezien den hogen burg van Trojen verweldigd en de wacht in 't sluimeren gedood en van't Palladium Minervaas kerk ontbloot. De Scese poort beroofd van wijlen konings assen, 't palais met vlam omringd, en 't Griekse zwaard verrassen de stad, van wijn en slaap bedolven, op haar' feest. Ja, tot waarteken nog, hoe zijn ontwolkte geest de vijandlijke goôn, op Ilium gebeten, zag waren. Pallas, op de kruin van 't slot gezeten met helm en beukelaar, vast drilde haar' taaie lans en schudde haar' pluim. Belloon die blies van 't torentrans en stak haar moordtrompet. De vader, heet ontsteken door wraak, zelf de armen steef, en zenuwen der Greken, verschafte hun moed, en dreef de goôn op den Dardaan, en op zijn wapenen met kracht en ijver aan. Zijn' wrede Juno met den aangegorden degen de Scese poort bezetten en hiel alzins de wegen en toepaân veilig langs de zee en waterkant, en riep met hese keel de krijgslien van de strand. De vloot gaf drommels uit, den anderen tot bijstand. Neptuin die schudde vast met zijner gaffel drijtand, 's muurs oude grondvest die zo diepe wortels schoot. De priesterschap verbaasd en al bestorven vlood om troost na d' outers toe na Godgewijde drempels. Maar al vergeefs helaas! Zij vonden alle tempels verlaten van de Goôn, van hailigdom het koor. Zij wierookten te spa. Geen' Godheid gaf gehoor. Daar spookten met haar' toorts de wrede razerijen met slingerslangig hair. Men zag aan alle zijen de stad ten val gedoemd. Zo raakte hij in zijne eer. Wat Ilium ontnam, dat gaf hem Argos weêr. De veldheer most zijn' tong tot grote kosten huren, en zelf zijn' wreedheid en moordadigheid bezuren. In Aulis aldereerst, doen, op der vorsten beê en dwang, hij Iphigeen most hailgen Hecate. Een burger die 't mishaagde en aanzag met verwondren most vluchten en bedrukt zijn huisgoôn nog zien plondren door krijsliên, heimelijk bij Calches opgeruid, die zeî nog dat dees straf ontstond door Gods besluit. D' Atryden weten 't wel dat Thestors zoon een schelm is, en evenwel vermits hij hun een stalen helm is. Bij dees' gelegentheid misbruiken ze zijn' dienst en boosheid tot hun wit. Maar op het ongezienst zo zullen ze den boef en booswicht eens verschoppen, gelijk de kinders doen hunne afgesleurde poppen. OATES Mijn broeder heeft den boef gekeken door en door, van voetzool tot de kruin en kwam zijn lagen voor, tot der Argiven heil, en hiel met kracht den teugel, tot hij den enen voet arglistig in den beugel en, door des veldheers heup, kreeg steun van stegelreep. Nu doet hij 't Dorisch ros eens draven na zijn zweep en luistren wondergauw na 'et prikklen zijner sporen, nu rijdt hij die hem reê, en heeft alreê gezworen bij Palamedes dood. Wat raad? De tijd is kort en hoe men langer draalt hoe 't kwaad nog arger wordt. AJAX De radeloze neemt het reedste tot zijn voordeel niet zo hij wil maar mag. Zo Nestor over 't oordeel mocht zitten, mogelijk viel 't vonnis niet zo zwaar. 't Was winst genoeg indien wat tijds gewonnen waar. Zo hem de vierschaar sloeg in endeloze boeien. Achilles midlertijd die kost eronder roeien, d'oplopendheid des volks mocht koelen, 's veldheers haat verzachten. Nauplius zoû spreken voor zijn zaad en wettige' erfgenaam en treden ze onder ogen. Oates! 't Voegt u best te dingen voor uw bloed. Ga Agamemnon aan en grijp hem in 't gemoed. Betuig hem hoe het strijdt met aller rechten orden dat iemand, wie 't ook zij, zal van zijn vijand worden veroordeeld en verzoek ernsthaftelijk, dat hij gedoog dat Neleus zoon met d'overige drij ter vierschaar ga. Misschien zal hij 't uw' beê vergunnen uit schaamte en ook om dat zeer licht drie rechters kunnen vermeestren 's vierden stem. Dit's 't naaste dat ik weet. OATES Ik spoei mij binnen. Och de Atrijden zijn te wreed! Dies ben ik hopeloos, en vrees een droevig ende. AJAX Jupijn uw' broeder vrije, en al zijn haters schende. AGAMEMNON, OATES, LIJFKNECHT AGAMEMNON d' Eubeërs krijten vast: wij maken 't langs hoe grover. Het moet er evenwel nu onder door of over. Hier geldt geen aarzelen. De kans is al gewaagd. OATES Gij die als oppervorst de bijl van 't leger draagt, en zijt geboren tot het staf- en scepterzwaaien, wilt door uwe heusheid doch ons onbenoegen paaien. De rechters spannen vast de rechtbank en te gaâr mijn' broeder dreigen met het uiterste gevaar van 't leven, en, van ouds op hunnen vijand nijdig en hatig dragen zich in 't oordeel te partijdig. Schut deze onbillijkheid en weert ze door uw macht. AGAMEMNON Gij spreekt te spa. De zaak is nu te veer gebracht. De rechters zijn gelot. Hij zal ze erkennen moeten. Maar vindt gij het goed, men zal 'tgeen streng schijnt wat verzoeten met nog een vierde stem. Wij stellen 't aan uw keur. Kies die u best gevalt en draag ons iemand veur. OATES Dit ampt voegt Nestor best. AGAMEMNON Mijn lijfknecht, zonder beiden zeg Nestor aan dat hij in 't recht den twist help' scheiden en voeg' bij d'andre drie zijn wijsheid, dat er niet onbillijks in dit stuk uit toorne en zucht geschied'. Zij wanen ons het werk met listen t' onderkruipen. Maar 't is de doodsnak. 't Zijn d' Eubeërs laatste stuipen. De zaak is zo doornaaid en zo bezet in all's hij raakt er eer niet af, 't en kost hem zijnen hals. De kling die moet er deur hetzij men 't recht of krom schouwt. Ja, eer de rechtbank zweeg, ik goot een tong van stom goud. Dat honderdogig hoofd, die wachter, ben ik moê, en Argos Argus haat al waar 't maar om de koe die tot den buik toe treedt in frisse klaverweide. Ik zie ik zie den beul 't zwaard trekken uit der scheide. Den ouden hondsvot vast staan siddren voor den slag. Daar leît de grijze kop, 's lands uitgediend gezag. ULYSSES, NESTOR THERSITES, DIOMEDES, REI VAN PELOPONNENSERS EN ITHAKOISEN, CALCHES. ULYSSES Gij heren die te gaâr, op Agamemnons heten, om Palamedes zaak ter vierschaar zijt gezeten; U allen is bekend het grouwelijk verraad, gebrouwen tot bederf van den gemenen staat. En hoe de Eubeër vorst, uit Nauplius gesproten, het toegezonden goud meinedig heeft genoten van koning Priams spie, en listig omgekocht vele hopliên, en zo 't heir al meer en meer gebrocht in 't uiterste gevaar van onder Trojens wallen vóor 't krieken van den dag te worden overvallen. Dewijl de misdaad dan zo klaar en helder blijkt, ontbreekt er dat er voorts een wettig vonnis strijkt, en na 'et begangen stuk den schuldige doe boeten zijn' welverdiende straf. Gij, rechters, zult dan moeten aanwijzen met uw' stem wat hem wordt opgeleîd die zich bewegen liet tot zo vervloekt een feit. Dat Nestor zich verklaar. NESTOR Ik wens, genadige heren, dat wij door 't oordelen nocht kwetsen nocht verzeren den schoon gebloeiden staat, maar dat men liever hel tot matigheid, als al te streng een vonnis vel. THERSITES Wat zeît de grijze man? Gij suft o oude vader. Geen' strengheid is te hard. Het is een landverrader een overgeven schelm! Vindt zulk een bij u heul? Laat mij 'er meê begaan en hailigt me tot beul. Ik heb voor lang gewenst den booswicht aan te randen en tot elks schouwspel hem te villen met mijn' tanden. ULYSSES Thersites! Hoû gemak en spreek op uwe béurt. Gij vader Nestor, dat gij 't leger niet gesteurd wilt hebben nocht gekwetst is lof en prijzens waardig. Dat, acht ik, zal geschiên indien wij, heel rechtvaardig, afhandlen deze zaak, en laten 't recht geschiên, en niemands bloed, nocht stam, nocht mogendheid ontzien. Want, zo ge deze straf wilt zwakken door verschoning, en door de vingers zien die 't outer en de woning uit goudzucht heeft belaagd, en dragen u als tolk van zulk een schendig stuk: - gewisselijk het volk zal t'zamenrotten en vergaren in vele hopen en morren dat men laat de grootste schelmen lopen, en die handdadig zijn aan klene zonden hard ter straffe vordert en de goê gemeente sart en als bij d' oren trekt. Het krijgsvolk zal ons honen en roepen dat wij zijn aanzienders van personen, of dat wij 't met hem staan, die zulke netten breidt. DIOMEDES Daar dient wel opgelet. Hetgeen Ulysses zeît is niet dan al te waar. Laat dees zijn' schuld betalen eer dat we op onzen hals der hopliên ongunst halen. Ik zie veel zwarigheên en vind mij al bevreesd, en ducht niet zonder reên dat duizendhoofdig beest bij dees' gelegentheid en onder Trojens vesten. THERSITES De vader die wordt kinds. Men houd 'et hem ten besten. Wat uitspraak hoeft men hier? Hij brengt zijn vonnis meê. NESTOR Om 't heil van 't vaderland, vergunt me deze beê, en bij u-zelven proeft, en overweegt mijn zeggen of 't ongeraden waar d'Eubeër vorst te leggen in eeuwige hechtenis, opdat men niet en maak zijn overoud geslacht verblind door hete wraak. Hij heeft een' langen sleep van hooggeboren magen zijn vader Nauplius, als wij in Aulis lagen, zich in gedienstigheên niet weinig kweet en bood al wat hij bieden mocht tot redding van de vloot. En Palamedes dienst ging boven elks vermoeden. ULYSSES Voorgaande deugden met een schelmstuk te vergoeden is Grieken ongewend. Eén schandelijke daad wist alle weldaân uit. Voorlede vroomheid baat geen' mense die van aard verwisselt en verwandelt, zich aan 't gemeen vergrijpt en met den vijand handelt. Noch reeks van oud geslacht nocht stam nocht adeldom en wordt hier aangezien, noch' buigt de wetten krom. Want raakte dit in zwang en waar die dag geboren wat zouder tegens staan? Zo liep de staat verloren. En om in hechtenis te brengen Palameed 't heeft veel bedenkens in, en strijdt met onzen eed voor-eerst die ons verbindt dat zulk een mens moet sterven die schuld heeft aan verraad en al 't gemeen bederven. Daarna, zo kan geen plaats verzekeren genoeg een' vorstelijk persoon. Men tracht of spade of vroeg naar zijn verlossing, en men zoekt de wacht te krenken. Men houdt het vaderland in onrust en bedenken. Men graaft de muren door of draagt hem in een' kist voor boeken uit. Men veinst, men hangelt, en men vist om torens en om gracht, of eer men het kan rieken krijgt een gevangen heer gelijk een vogel wieken. En over zee en zand zweeft heen door d'ope lucht als de Cecropische Dedael zich gaf ter vlucht en van zijn vangenis waarin hij zat versteken, ontbonden, past zijn leed en ongelijk te wreken hetgeen hij waant en droomt dat zich is aangedaan, en derf al wat hij denkt aangrijpen en bestaan. Meer dingen ik verzwijg die stonden te bezorgen. NESTOR Ontsla u van die vrees door vaste en wisse borgen. DIOMEDES Wat borge is mans genoeg? NESTOR Achilles geef zijn woord en Ajax. Wel wat 's dit? Wie komt ons hier aan boord? THERSITES Het is de goê gemeent. NESTOR O goddeloze treken! THERSITES Wat zegt gij? 't Is het volk dat heeft er in te spreken. Wat zeît er 't leger toe? Koomt geef uw oordeel dra. Zal Palameed de landverrader sterven? REI Ja CALCHES Dat is de stemme Goods. Gij rechters neigt uwe oren en stemt met uw' gemeent of vreest der Goden toren. ULYSSES Men lever hem den volke. DIOMEDES Ik stem 't. THERSITES Thersites ook. NESTOR Argivische landouw, mijne ogen zien den rook opgaan van uwen brand. En Calches ondertussen die wiegt het volk in slaap, en niemand tracht te blussen het vier dat in zijne as vast smeult en heimlijk smookt. En die u hoeden zoû. Die is het die dit stookt, en uit bizondren wrok geeft voedsel deze vlammen. Roemt op geen' lange rij van oude-vaadrenstammen op hoven schoon van bouw, noch steden trots van muur. Men sloopt, men slecht, 'et al op deze onzalige uur. Men velt gezwind ter neêr wat langzaam is geklommen. Gaat Grieken! Rukt om veer die zuil der vorstendommen, den Atlas die 't gebied met zijne schouders schraagt, en onverwikkelijk dat groot gevaarte draagt, die onlangs heeft gevrijd uw' dierverpande steden. Gaat Grieken! Smoort de ziel van uw' gerechtigheden. Verworgt uw' trouwsten raad in zo veel ongevals, uw vrijheids voorspraak. Rukt de tong uit zijnen hals. Mijn' ziele smelte aan lucht, en Pylus mijne benen ontvange, eer dat ik hoor der Grieken val bewenen. REI VAN EUBEëRS Ach! Waartoe of der Goden onbescheid befaamde deugde hier rust en vreê ontzeît, en, zonder staf en aarzelen, doet gaan zo steil een pad, zo wild en woest een' baan, door kreupelbos, door wegen, ruig begroeid en onbestraat. Daar elke stap vermoeit. een' arbeidzaam' hardvochtig' man geteeld om barrevoets geschoeid te gaan met eelt. Daar vrouw natuur gezaaid heeft scharp gesteent dat zweten doet zelfs reuzen langgebeend. Daar me' eenzaam dwaalt, daar zonder spoor of pad voor 't oog geen' spits verrijst van vlek of stad. Zo zwaar een' weg van 's Hemels hogen trans dreef Junoos wrok den bastaardzoon haars mans geweldig in 't geklater van haar' zweep van kindsbeen af zijn' grove krachten sleep. Voor d'eerste proef 't wicht met zijn handjes greep twee slangen aan, die 't fluks te barsten kneep. De voêster schepte haar' doodverw, en zag stom 's kinds vuistjens zwart van adders om en om. Zijn stiefmoêr staâg raast op Alcmene beus als zij hem ziet van Hydra, leeuw, en reus van Diomeed, Busyr, en stier, en beer, en Kakos moord met zege komen weêr en gespen tot verwondring zijner eeuw om zijne borst de slang en fieren leeuw. Geharrenast onvergeleken held met die hij vreesde en moedig had geveld. Wat gruwelijk, wat schrikkelijk gedrocht lucht, zee, en aarde in 't licht te voorschijn brocht dat leît gekneusd. Elk Hercles daden prijst. waar Phoebus glans verguldt 's aardbodems lijst. De faam zijn roem voert over alle zeên zijn' godheid wordt kerkplechtig aangebeên. Van daar de zon de beide Moren verft, tot daar ze daalt en in de baren sterft. Maar endelijk zo breekt hij met zijn' knots ter poorten in des onderaardsen Gods der schimmen rijk na boven openlag 't sprietoogt er al geslagen van den dag. Van derwaarts hij opdondert onversaagd en voor zich heen den zwarten rekel jaagt. Viert kort en vlijt de kreten met zijne hand waarmede hij fors den driekop leîde aan band. Met zweem de zon en 't licht ontzonk zijn' ziel en als een kleed de nacht op 't aardrijk viel van schrik en vrees. Hij dreef den grouwel voor en voerde hem zo de Griekse steden door. Zo had de vuist van Hercules geklemd. Men zag nu aarde en onderaards getemd als hij zijn hoofd door 's hemels nave stak en onderschoorde het licht gestarrend dak. Alcides deugd genoot dit tot haar' loon dat hij omhoog met d' eeuwigheid der goôn omtogen werd, en slaande 't hoofd omleeg rook 't wierook dat van d' outers opwaarts steeg. Alcmenaas zoon, die zulk een' glorie kreegt, wat baatet dat gij 't aardrijk hebt geveegd van ongediert van menigen tiran, en dat de goôn u bruikten tot hunn' wan? Als sedert uw' vergoding d'opperhel na ouden aard wat grouwzaam is en fel weêr heeft geteeld en rokkent enkel kwaad? Als 't onkruid weêr vertreedt het edel zaad? Och, of gij nooit van ons gescheiden waart! Och, hadt gij doch gestaakt uwe hemelvaart! Zo zou onz' borst niet zuchten na omhoog noch tranendauw neêrbigglen uit ons oog. Zo zouden wij niet derven d' oude vreugd, noch treurig zien hoe d' hooggemelde deugd zo overvals beticht wordt en beklad. Hoe 't hailig bloed 't meinedig zweerd bespat. Hoe d'oppervorst en aller guiten tolk dat edel brein ten rove geeft aan 't volk 't welk opgeruid door vorst en priesterhaat in zijn bederf met blijschap weien gaat. Nu raast en woedt d'onwetende gemeent en onze staat voorbochtig overleent. Thans, als me' ontwaakt en slaat zijn dolheid ga komt na berouw en klagen veel te spa. Thans, als 's mans deugd na logens, mist en damp opbeurt het hoofd en blinkt als 's hemels lamp, dan zal 't gehuil betuigen wie hij was. Maar te vergeefs bevochtigen zijne as. DE VIJFDE HANDEL. BODE, OATES. BODE Vervloekte, afgrijselijke en derelijke moord verfoeilijk schellemstuk. Waar heeft men ooit gehoord van zulk een grouwel? Kan den hemel dat gehengen! Wie zag doorluchtig bloed ooit schandelijker plengen? OATES Die neêrlaag ons verhaal. Vertel van stuk tot stuk mijn broeders uitgang en beklaaglijk ongeluk. BODE Zo fluks de rechters na veel overlegs, ten leste hem gaven 's krijgsvolks grim en hevigheid ten beste, teeg al de Pelopese en Itakoise schaar naar 's opperhoofdmans tent en legerplaatse, daar men Palamedes hiel verzekerd en gevangen, en paap Eurypilus hem sterkte, om zijne gangen te strekken na de dood, getroost en wel gemoed. Met zo spreekt Calches: "Gij die onzer aller bloed en leven op een prijs gezet hebt, en u merklijk bezondigd en misgaan aan 't wereldlijk en 't kerklijk; de goedige gemeent die vordert u tot straf. Uw' jongste tijd is hier dus breekt dit marren af.". d'Eubeër vorst die rees van daar hij was gezeten en sprak: "O mannen die verhit zijt en gebeten op mijne onnozelheid wat is dit voor een' wijs', dat veertigjaarge dienst en zo veel slavernijs met stortinge van bloed vergolden wordt in 't ende?". Zij kreten: "Landverraâr! Jupijn uw' meineed schende! Gij hebt uw' vonnis weg!". Hij zweeg en trad voor heen. Zijn' rechte zijde kwam d' aartswichelaar bekleên, de slinke Eurypilus, en schenen zich t'erbarmen. Een Cephaleens soldaat recht voor hem op zijne armen 't kwansuis meinedig goud droeg in een' beukelaar. Zo ging hij moedig en met voegelijk gebaar bedrommeld en bestuwd van krijgsliên en van trossen en vorderde zijn tred na Idaas hoge bossen. Een heuvel rijst er aan den voet des bergs die schuin groeit als een schouwtoneel. Van wiens verheve kruin en toppunt, als de vloot werp 't anker in deze haven, een' kerk, de zon gewijd, gesierd met rijke gaven verstrekte een' baak in zee. Vermits de God die korts voor d' ooster gevel braaf te prijk stond met een' torts, wiens goude flonkervlam natuurlijk scheen te lichten, en dag te zenden op der mensen aangezichten. Nu leît dat schoon gebouw geschonden en ontsloopt en d' hailge stenen hier en ginder opgehoopt de vorige heerlijkheid bestenen en beschreien. Ons' krijgsvolks moedwil in die godenpraal ging weien en brandde en blaakt' et al. d'Aartswichelaar stond stom en loeg om 't plonderen van Phebus heiligdom en grenikte als hij zag hoe 't schuim der mensen vailig een schouwspel maakte van den Phrygiaansen hailig. Deze eertijds een gewijde en afgekeurde plaats, nu een verspogen vloek, na 't woeden des soldaats. Ten vadermoord gedoemd met grouwelijke woorden. Vast grimmelt van het volk dat zwart van allen oorden hier dringt en t' zamenschoolt. En Ida's steilheid leeft van mensen, daar de berg een open uitzicht heeft op dezen heuveltop. Ontallijkheid van zielen in zijn' cypressen en geboge takken krielen en beven in de blaân. Wat isser een gewoel! Een ieder heeft zijn wit. Dees draagt zich stil en koel in 't wereldlijk beloop, noch weet wat hij zal wensen, en om te kijken volgt slechts 't spoor van andre mensen. Die braakt zijn' gal en scharpt zijn tong gelijk een pijl en bootst in 't spreken na den priesterlijken stijl en scheldt en is vol viers en groeit in 's naasten schennis, en wordt al heel bereên van ijver zonder kennis, en dorst na 'et edel bloed. Een ander ruim zo flauw in tegenijveren. Uit vreze van het grauw zich intoomt en met rouw het treurspel komt bekijken en 't voorspel tot bederf der Europese rijken. Een enig zwijger weegt de wereld in een' schaal 's volks zotternij belacht en treurt om 's lijders kwaal. De domme menigten hare handen t' zamenklappen met dat hij als een leeuw grootmoedig aan komt stappen en klimt den heuvel op eer dat hem iemand vergt. En, staande op 't opperste na 'et rijzende gebergt, dat statig aanzicht wendt waarmeê hij onbezweken plag in Mycenens zaal voor 't hailig recht te spreken, en voor den Grieksen staat te dingen met zijn tong. Het nieuwsgier volk door 's mans vrijpostig wezen hong in twijfel of hij met den hals zijn' schuld zoû boeten dan of men door genade het vonnis zoû verzoeten. OATES Mijn' borst die klopt en schrik mijne aandacht breekt en stoort. Doch vaar gij niet te min met uw' vertelling voort. BODE Zo staande in 't openbaar, met opgerechten hoofde, "O mannen", zeid hij, "Of uwe heusheid nooit geloofde al 'tgeen de valsheid heeft van landverraad erdicht, dat was mijns harten wens. 'k Heb volgens mijnen plicht gants vroom en ongeveinsd en opentlijk gehandeld en sterf een oprecht Griek, gelijk ik heb gewandeld.". Uit had hij, als daarop van wederzijden hem de priesters bij de goôn verbaden met hunn' stem en steenden overluid. Na 'et sluiten der gebeden zo weken ze af verbaasd en gaven zich beneden. Hij, met zijn dienaars hulp, getroost en wel te moê bereidde zich ter dood, en tot de middel toe ten halven lijve naakt, in 't uiterst van zijn lijden zijn' lijfknecht oorlof gaf die treurig trad ter zijden na d' alderjongsten dienst. Daar stond de deugd, gesierd met ware onnozelheid. Van 't lelijk ongediert, begrenen en begrimd de beestelijke krijgers. Van mensen nu veraârd in luiperden en tijgers van reedlijkheid ontkleed bezeten van de wraak en felste razerij, beving een grager smaak na 'et goddelijke bloed. Zij knarsten op de tanden de gramschap zag men uit hunn' dreigende ogen branden, die gloeiden vreselijk, gelijk als kolen viers en nu verkropt van toorne ontzind en vol getiers en vloekens als den haat hunn' krachten had geslepen De grouwelijke beuls en duivels stenen grepen en bliksemden met macht op dezen vromen vorst. Ik zag den eersten steen afstuiten van zijn' borst. Den tweeden van den slaap zijns hoofds en hoorde klinken den slag van 't bekkeneel. Ter-stond verging hem 't blinken van 't eerlijk zilverhair. Dat achtbare gelaat werd jammerlijk van bloed besprenkeld en begaad. Met zeeg hij zwijmend neêr. De godvergete boeven die hagelden zo lang tot dat ze hem gants begroeven en smoorden door 't gewicht van stenen meer en meer. Gelijk als Bacchus rei ging razende te keer den zoeten harpenaar (die vogelen kost lokken en dieren en 't geboomt) met tortsen, stenen, stokken en morzelden zijn vlees met allerlei geweer. Zodanig was het end van dezen wijzen heer, als 't reukeloze volk toevliegende op ging krabbelen het bloedig puin en om de wrede stenen grabblen. Des uit nieuwsgierigheid en die uit enklen haat opdat zijn' dolligheid en moordlust werd verzaad. Veel dooptender in 't bloed de vocht bezwete doeken en wrongen 't uit in wijn en zopen 't op met vloeken, en noodden juichend tot d' onmenselijke feest hunn' spitsbroêrs van die God en zelven tuimelgeest gedreven en geraakt. Den hemel strook uw' zinnen met troost om door geduld dat onheil te verwinnen. OATES Grootvader, legt ge dood in d'afgrond, noch' gevoelt uw' Godheid 't ongelijk uws naneefs? Koom, en spoelt en was het aardrijk weêr van de oude grouwelvlekken. Uw' gramschap kost weleer den bergen kruinen dekken en, tot uw broeders wraak, de mensen en het vee (Doen Pyrrhe en haar gemaal niet zag als bare zee) verdrenken en verdoen. Uw hoofd nu op wilt steken en toon u log noch traag om straf en streng te wreken u zelven en uws bloeds geleden smaad en hoon. Koom, handhaaf uw geslacht en d'oude sluierkroon van koning Nauplius, opdat er door uw oordeel nog blijk dat godenzaad heeft boven andre voordeel. OATES, NEPTUYN NEPTUYN Mijn zoon, die 't broederlijk en deerlijk ongeluk besteent, schep moed en toom en matig uwen druk. Zijn' dood, zo onverdiend als staat- en landbederflijk, roept wraak en maakt zijn' naam roemruchtbaar en onsterflijk. De dappere Ajax en Achilles blijven stout bewaarders van het lijk, tot dat men namaals houdt zijne uitvaart, als zijne as met tranen wordt begoten van Cadmus' borgerij, de schreiende Boeoten. Wanneer de toeloop van 't bij hem verdedigd volk zijn' sterflijkheid verzelt ter onderaardse kolk verwelfd met elpenbeen, verdekt met marmorzarken, daar Themis antwoord geeft en in haar' kerk der kerken het wierook voor haar smookt, dicht aan de voeten van d' aanbedelijke Maagd, men dezen groten man een goude pronkbeeld recht. De Griekse joffers bringen en lenen tot deez' praal hare afgestreke ringen. Alrede zie ik staan den hailig hallef naakt vrijpostig als een held die voor de vrijheid waakt, betekend door den hoed, bewaard zo zorrigvuldig met d' ene, d' andre hand (aan Trojens goud onschuldig) d' handvesten toevertrouwd 't gewijde parkement, en zegels gadeslaat opdat ze niemand schend. d' Eerwaardige Godes 's mans deugden schijnt te vieren, en dekt zijn' grijzen kop met hailige laurieren terwijl hem vreeslijk lijf en leven wordt ontzeîd van 't grimmig ongediert op zijne onnnozelheid (gemat van ouderdom en veertigjarige worstlen) als op een' vetten roof met opgesttreke borstlen, met manen vers geschud en muilen opgespard gebeten en verhit. Zijn fiere moed die tart 't vierspouwen van den draak, ene onrust zijner eeuwe, het huilen van den wolf, het brullen van den leeuwe, 't schuimbekkende everzwijn, het naar geloei des stiers, het grijnzen van den beer, 't gebries eens tigerdiers en 's luiperts tandgeknars. Zo leeft zijn' faam de jaren en eeuwen door in spijt der vadermoordenaren, die Phoenix zijner tijd! En hoe de nijd méer bast hoe minder hij versaagt, hoe hoger dat hij wast. 't Is billijk dat zijn roem en lof ten grave uit zwelle. Æoliën hem wijdt en hailigt een kapelle en jaargetijdig feest, en zet op 't hoogoutaar zijn beeltenis met zang en deftig kerkgebaar. De priesters met hun pracht en blinkende gewaden, hem offrende, halen op zijne herelijke daden. Maar groot is 't jammer en beschreîlijk 't ongeval 't welk om éen vrome ziel gans Grieken treffen zal. Groot is de ellende daar zijne haters zich in wikklen. Mijn neef, uw vader gaat met geile minne prikklen der koninginnen en prinsessen eenzaam bed wier bruidegoms de krijg voor Trojen houdt verlet. Wier poezelachtig vlees, door 't lang ontberen welig, de wellust kiest voor schaamt en draagt zich overspelig, en heelt zijn' kitteling en lonkt, en streelt, en kust en onderlingen brand met zoet omhelzen blust, versmaadt der mannen trouw, om 't puik der jongelingen. d' Onerelijke galm van spelen, dansen, zingen door 't gulden welfsel rolt. En Venus strooiter 't zaad om neêrslag, bloed en moord en alderhande kwaad, om tranen en gehuil te maaien en te oegsten om vorst en vorstendom en rijken te verwoesten, en 't dolende overschot met twijfelige stap te zenden over zee, en zand, in ballingschap zo verre en zo uitheems dat nieuwsgier 't volk komt gapen en dut of 't mensen zijn of zeker slag van apen. Achilles gramschap slacht Thersites met een' vuist. De moord slaat Diomeed voor Trojen. 't Water bruist, en raakt aan 't zieden als mijn' grimmigheid verbolgen haar' vinnen van zich steekt, waarop de stormen volgen die Agamemnon in het keren met zijn' vloot, afeisen rekening van Palamedes dood en 't bloed mijns bloedverwants, en pijnigen 't gewissen des fellen moordenaars, die enkle duisternissen met rode stralen viers en kromme bliksems ziet gespouwen en doorkloofd. en met zijne oren niet als schorre donders hoort en ijselijke slagen, en drijft onwetende na Samos door de vlagen, in 't eeuwig schuimend graf van Icarus, en looft den zaligen Priaem voor 't hoog outaar onthoofd, vergeet zijn' zegefeest, en vangt vol schriks en bevens met zijn gehoor 't gekraak van stevens tegen stevens, van zijde tegens zij', scheepskielen tegens kiel. Des vaders Nauplius met zwart verkroopte ziel, die op de Eubeër kust 't weêrkeren van de Greken alreê geroken heeft, een' fakkel doet ontsteken, en licht in zee van 't slot, dat steil en hoog gebouwd op 's bergs verheve kruin van wederzijds beschouwt een 'bare zee, wier diepe en holle waatren woelen, d' eilanden allezins en vasten grond bespoelen. De stuurliên van de vloot, verlokt door deze toorts zich geven derwaarts aan, daar ze al te zamen voorts in plaatse van de nood en lijfsgevaar t' ontslippen vervallen in 't gedruis der Capharese klippen en 't luidende gehuil van zo verbolgen vloed die stadig barnt en op de blinde klippen woedt. Daar houdt gerechte wraak d' ontrampeneerde schepen verlet door 't scharp gesteent, als van hare hand gegrepen, of met een' dijk beweld van zand dat hallef drijft, en door gebrek van vloed hen sloopt en stukken wrijft, of, achter driftig, vóor gestrand op harde kaien, of stoot ze aan splinters door den draaistroom in het zwaaien. De schippers vloeken d' onherbergelijke reê en haten 't droge land, en roepen om de zee, wiens hese en schorre keel door 't naar gehuil der mensen (dat ijdel en vergeefs met bedeloft en wensen mijn' gramschap paaien wil) wordt over 't vlak verdoofd. Ulysses evenwel, en 't wrongkroondragende hoofd, ontslippen dit gevaar, gespaard tot leider treurspel, daar gener schipbreuk van 't voorspooksel is en 't veurspel. 'k Zie Clytemnestre alreê geveinsdelijk en blij onthalen haar' gemaal, en Argos borgerij haar' vorst met wàre vreugd begroeten en ontvangen. De lucht geslagen wordt met fluiten en gezangen. De kerken gaan ter feest. De koninklijke zaal wordt statig toegerust met overdaad van praal. Banketten recht men aan, hoedanig, voor hunn' tranen, de jongste maaltijd was der blijde Phrygianen. Het tafelbedde blinkt van 't Iliase paars en 's purpers glans vermeert bij toorts en wassekaars. 't Goud van Assaracus verzwelgt de Griekse wijnen en godenlekkernij. De koppen vol robijnen het sterfelijk gezicht en d' ogen scheemren doen. 't Goud recht er wildbraad aan, en Pauw en Kallekoen. Hij-zelf leît hoog en prat en munt door zijn sieraden voor andren uit, met bonte en spikklige gewaden, en draagt aan 't lijf de pracht en kleding van Priaam. Zijne eegemaal bezweert hem bij 's verwinners naam dat hij 't versiersel doch zijns vijands af wil leggen voor beetre wisseling. Licht is hij te gezeggen om 't handwerk aan te doen der lieve bedgenoot. Onkundig van 't gevaar der korts aanstaande dood. Verschrikt nocht siddert niet! Een balling om zal brengen den vorst der koningen. Een overspeelder plengen en spillen 't bloed eens mans. Zijn slachting zal geschiên. Het jongste disgerecht zijn' heer zal bloeden zien Het rode vocht den wijn bespatten. 's Konings leven van Argos' koningin ter neêrlaag wordt gegeven. Het aangetogen kleed dat weigert en ontzeît zijn handen doorgang. Dies hij zwoegt en arrebeidt en lucht zoekt, maar vergeefs. De schoten ruim van vouwen, en zonder opening zijn hoofd besloten houwen. De sufferds gants verwijfd hem in de lenden steekt. Maar overmits de moed in 't kwetsen hem ontbreekt het mes ten halven keert. De vorst begint te worstlen en als in 't wilde woud het boszwijn, ruig van borstlen, gegrepen van het net nochtans t' ontvlieden tracht en alzins uitkomst zoekt en woedt met domme kracht gants ijdel en vergeefs vermits het vol verschrikken door 't woelen enger maakt de loze jagerstrikken. Zo woelt en tracht hij ook bedompeld om het vals en blindgeweven kleed te worpen van den hals, en, in den wijden schoot en plooien ingewikkeld, alom zijn' vijand zoekt ankstvallig aangeprikkeld. De dochter van Tyndaar al woênde en razend straks verzelt den gruwelmoord gewapend met ene aks en als men aan 't outaar op plechtige offerfeesten vóor 't slachten met der bijl eerst merkt den nek der beesten en stieren alzo mikt ze en wikt ze haar' felle vuist dan ginder dan weêr hier en neemt'et wis en juist. Hij leît er toe de schelm! Weg heeft hij 't! 't Is geklonken met dezen dwingeland wiens wreedheid heeft gedronken 't Neptuniaanse bloed zo gretig en zo hels. 't Hoofd, kwalijk afgehakt, hangt aan een lapken vels. Hier vloeit het schuimend rood, daar grijnzen mond en ogen. Cassandra, vol van God, ter zaal komt ingevlogen en met haar' rozenhoed den lijke de uiterste eer bewijst en kranst den romp. Zij gaat ze fluks te keer met d' akse warm van bloed en dekt den zielelozen met zijn' geroofden buit die, vallende, de rozen en frisse bloemen kreukt en verwt den marmorvloer. "Leg!" roept de moorderes, !"leg daar, O koningshoer! O schandvlek van mijn bed! O kranker van goê zeden! Dat hebdij voor uw' lang gepleegde vuiligheden!". Het daatlijk juichende hof en vrolijke paleis geeft nu een' naren galm en is vol moordgeschreis. Electra zwijmt van schrik en ankstig voor haar moeders verwoedheid bergt gezwind d' onnozelheid des broeders door Phocius den oom. Zij zelve, in duisterheid en vangenis bemuurd, een treurig leven leidt, tot d' overspeelder haar, om achterdocht te schouwen doet met een' akkerman als een' boerinne trouwen. Ter tijd toe dat de wraak de moordenaars verrast die als ze in Pallas kerk de grote goden vast met blijschap offren om Orestes overlijden besprongen worden en benard van alle zijden. De smart geeft wapenen aan dochter en aan zoon de moedermoord bespat het aangezicht der goôn die toornig en verhit om 't schendig kerkontwijen dagvaarden staande voets de felle razerijen met biezend slangenhair en ijselijk gegrim. De neêrslag knaagt hun 't hart. De moederlijke schim gewapend met een' torts hen nastapt door den tempel. Zij vlieden voor en zien de vloeken op den drempel, zijn aller mense vloek om zulk een' grouwelmoord. De daken stieren ze ongehuisvest altijd voort. Dat leert na hailig bloed van godenkinders dorsten tot in het derde lid! Ik ga den val der vorsten en koningen voorbij. Ik zwijg hoe Griekenland veroorzaakt moord uit moord, en mengelt brand in brand en uitroeit stam met stam, geslachten met geslachten. Door schennis schennis boet, verkrachten met verkrachten en aan 't gewijde slaat zijn' vingers onbesuisd en in zijn' boezem wroet, terwijl Ulysses kruist de zeên veel jaren lang van 't pekelschuim bedolven gesmeten herrewaarts en derwaarts met mijn' golven gesold gerold door zoet en zuur door heet en koud geweekt van 't nat, gebraân van hit en zoor van 't zout. Nadat hij is ontslipt de Capharese lagen de winden hem aan d' onherberglijke overs jagen van 't forse Traciêr volk, daar Hebrus koude vliet zijn water loost en in d'Ægese baren giet. Van derwaarts wederom na d' Africaanse kusten daar zijn gezelschap zich ter neêr wil slaan en rusten, verlokt door 't lekker ooft. Dan naar Trinacria in 't hol van Polipheem den Cyclops die te spa zijn dronkenschap beklaagt, omdat hij nu in 't duiken en 't rijzen van de zon eenogig niet mag bruiken den zienelijken God en 't aangebeden licht. Dan twee maal daar Æool zijn' zetel heeft gesticht en over buien heerst en breidelt dwarrelwinden. Dan weêr na Antiphaat ooit hongrig om verslinden het rauwe mensenvlees waar hij 't bekomen kon. Dan bij de toveres, een dochter van de zon, die haar' verspieders fluks verscheppen kan in zwijnen en d' Ithakois verlet drie-honderd zonneschijnen tot dat ze in 't scheiden zich met Telegoon vertroost in wiens schoon aanschijn zweeft en leeft haar boelschaps kroost. Van derwaarts wendt hij 't roer naar d' Oceaanse baren en daalt daar onderaardse en doodse schimmen waren. Dan wederom zijn schip aan Circes oorden stiert daar met lijkstacy hij Elpenoors uitvaart viert. Van hier langs d' oevers der zoetzingende Sirenen die onder navel vis en boven maagden schenen. Ik zwijg hoe hij 't gevaar van Scylle en van Charybd haar' draaisroom barning kolk en woest gesteente ontslipt, de rotsen wit van schuim en grondeloze afgronden en 't blaffende gehuil der blauwe en zeegroene honden en landt daar Phaëtuse haar vaders beesten hoedt die 't hongrig scheepsvolk slacht wiens zonde Ulysses boet met schipbreuk, als hij naakt, tot berging van zijn leven na negen dagen bij Calypso komt gedreven. Die, als hij is ontrukt de kaken van de dood, hem zeven jaren stooft en koestert in haar' schoot en leert den Griek met min te stoken en te lessen, hoe zoet d' omhelzing is, en bijslaap de godessen ter tijd toe dat ze een' zoon en schone dochter teelt. Deze op de moeder trekt, die is zijns vaders beeld. Na dat hij van haar scheidt (en zij 't niet kan ontzeggen) en ziet Phæaciën met blijschap voor zich leggen, ik mijnen drietand rep en breek zijn' nieuwe kiel. Leucothoë die bergt zijn half verzope ziel de strand ontvangt hem naakt. Hier schuilt hij in de bladen. De koninklijke maagd meêdogende gewaden verschaft den vreemdeling begaan om Peneloop. Hij vindt zijne eegemaal ten laasten met een' hoop verliefde vrijers, die vast na haar' kuisheid dingen besingeld en omheind, en koomt ze stout bespringen en stort hen overhoop en valt na lange ellend in d' armen zijner bruid. Maar voor het dreigement der heilge godspraak (die hem waarschuwt voor zijn' basterd) bevreesd, ontzinnig hij de grote goden lastert en zich bezijden 's weegs in eenzaamheid versteekt. Ter tijd toe Telegoon door Circes zorg gekweekt belust t' aanschouwen eens het aangezicht zijns vaders hem onbekend verwondt en doodlijk kweetst in d' aders met een vergiftige en daartoe bescheerde doorn waaraan de booswicht sterft en blust Neptunus' toorn. OATES Grootvader, vlucht ge uw' zoon en laat ge hem in dit lijen getroost met woorden en met schone profecijen en mart ge met uw' wraak? O vader! Wat zal 't zijn? Het menselijk geslacht wordt welig. Op, Jupijn! Den hemel wordt bestormd, beklommen van de boosheid der nieuwe reuzen. Op, en bliksem hunn' Godloosheid. PRIAAM, HECUBA. PRIAAM Dit ongeluk is hem voor ons te spa beschoren. Waar dit wat eer gebeurd, nooit hadden wij verloren zo veel' beroemde steên tot nadeel van 't gemein. Nu, Griekse wijsheid, loop en raaskal zonder brein. 't Huis van Assaracus heeft zelve Pelops handen den grootstten vijand der Trojanen aan zien randen, en onder 't deksel van meinedig landverraad zo schendig doemen. Vaart nu wel, O Grieksen staat! O radeloze macht die in uw' degens strompelt, droomt van geen Trojen meer. Waakt om niet overrompeld te worden noch' verrast van Hectors schittrig staal. HECUBA Die zegen dauwt op ons uit's hemels milde zaal. De goden tonen zich op heden goedertieren. PRIAAM Ik wil dat hof en stad op deze tijding vieren. REI VAN TROJAANSE MAAGDEN Trojaanse wijdberoemde jeugd zingt Pallas lof en juicht van vreugd en eert met kerkgebaren haar' drempels en outaren. De feestelijke schare dans' en schudd' voor haar den lauwerkrans. Dat maagdelijke pruiken in groene olijven duiken. En 't hair met zilver niet vertuid nocht' paarlesnoer, maar als een bruid den witten hals beklede en dekk' na d' oude zede. Dat Aziën te zamen school' 't zij die op d' oevers an Pactool 't goud scheemren zien en blinken of die Meander drinken. Of treên Caïsters boord, die wit van langgehalsde zwanen zit die in de zuivre plassen haar blanke pluimen wassen. 't Zij 't volk van Sagaris besproeid, die d' ankers schuurt en bochtig vloeit. 't Zij 'tgeen verdreven balling nocht voeder heeft nocht stalling voor Griekse kleppers, en met druk vlood herwaarts om Achilles juk en heerschappij te schouwen in veilige landouwen. En voor Caïcus Xanthus koor en d' Iliase vesten voor Lyrnes wiens zwakke muren geen stormen en verduren. Wekt hailgen galm, en huwt uw' keel aan luit en zangerige veêl. Wilt heldre stemmen paren met spel van wind en snaren. En trekt met goddelijk geluid de blijde ziel ten oren uit, gelijk met maatgezangen gij Paris gingt ontvangen. Doen op het water rei aan rei met vreugd ontmoette zijn' galei en welkom hiet van harten de schone bruid van Sparten, die Proteus brandde met haar min en uitblonk als een zeegodin. Zo Venus kwam bepereld in 't parlemoer ter wereld. En doen de schoonheid van Heleen niet sterflijks maar een' zonne scheen die sierlijk uitgestreken het hoofd eerst op komt steken, en in het zilver van den vloed haar' goude pruike schittren doet, en in 't kristal 't vergulsel ziet spieglen van haar hulsel. O dochter van den dondergod, Minerve! Gij bewaakt het slot van uw godsdienstig Trojen. De vijanden verstrooien en Agamemnon zuipt verwoed zijn trouwste raadsmans edel bloed. Het leger gaat zijn' speren nu tegens Argos keren. Mycenen, van verstand beroofd haar wijsheids bekkeneel doorklooft en langs het veld loopt scharsen met d' uitgetogene harsen. Stads grootste vijand voor de poort leît van zijn eigen volk vermoord. Lof lof zij u godesse! O strijdbre krijgeresse! Voor u glamt 't vrolijke geschrei. Voor u klinkt ruispijp en schalmei! Voor u gehuwde vrouwen en jonffers feestdag houwen en met vermengde reien treên na wit albast en marmorsteen. De priesters op uw' drempels ontsluiten alle tempels zo fluks 't godinnebeeld genaakt dat over Dardans stamhuis waakt, de scharen na u tochten en zijn met loof bevlochten. Stokoude grijzerts, levens zat hunn' wens deelachtig, komen mat u offerwijen brengen en sidderende plengen.