Alexis Alexis heeft zijn zusjen lief, Wanneer ze in vrede leven; Hij noemt haar zelfs zijn hartedief, Als zij haar speelgoed hem wil geven. Maar als zij iet, dat hem behaagt, Voor haar, om meê te spelen vraagt, Dan wordt die liefde ras verminderd; En als zij hem in 't doen van zijnen zin verhindert, Dan haat hij bijkans haar geheel; Ook is zij doorgaans hem te veel, Wanneer zij boven hem door iemand wordt geprezen. ... Een liefde die zoo ras verkoelt, Die slegts op eigen voordeel doelt, Zou dat wel regte liefde wezen? Hiëronymus van Alphen (1746 - 1803) Het verstandig antwoord Hieronymus van Alphen (1746-1803) Gij vraagt mij, waarom ik aan God gehoorzaam ben? 't Is daarom, dat ik Hem als wijs en goed erken. Hij heeft aan ons zijn wet uit liefde alleen gegeven. Op dat wij vergenoegd en vrolijk zouden leven; En al wat ons die wet verbiedt, Is, hoe, 't ook schijnen mag, ten onzen voordeel niet, Wil iemand dan gelukkig wezen, Die leer gehoorzaam God te vreezen. Hieronymus van Alphen Mr. Hieronijmus van Alphen (1746-1803) was voor zijn tijdgenoten vooral van belang als estheticus. Ontevreden over het peil van onze literatuur dacht hij die langs rationalisische weg te verbeteren door in een tweetal theoretische geschriften logisch te beredeneren hoe het moest. Hierbij werd hij sterk beïnvloed door Duitse theoretici als Riedel. Het bekendst is hij natuurlijk geworden door zijn Kleine Gedigten voor kinderen (1778-1782), die hier volledig overgenomen zijn. Ze werden in hun tijd hoog gewaardeer, later fel bespot. Zijn gedichten zijn van veel natuurlijker toon dan die van zijn tijdgenoten, de inhoud is aangepast aan de kinderlijke mentaliteit en ze zijn ook nu nog goed leesbaar, dit in tegenstelling tot vrijwel alle achttiende eeuwse dichters. Voor de huidige lezer zijn zijn gedichten zoetsappig (Volmaakte ouders en kinderen bevolken van Alphen's wereld) en wordt God er wat te veel bij gehaald. Toch zie je af en toe dat hij precies de gedachtenwereld van kinderen treft, heeft hij regelmatig strofes, die goed te citeren zijn en iedereen die op deze pagina rondneust, moet zich wel aangesproken voelen door een gedichtje als De eenzaamheid: "Menig uurtje nog gelezen, Welkom welkom! eenzaamheid!" Noten bij: Hieronymus van Alphen: Over de auteur Hieronijmus Ik heb drie spellingswijzen aangetroffen voor voornaam van van Alphen: Hieronymus, Hieronijmus en Hiëronymus. Afhankelijk van degene die een gedicht voor deze pagina heeft ingevoerd kan de naam dan ook variëren. bespot Voor een licht geval van spot kan men bijvoorbeeld De kinderliefde met De dankbare zoon van de Schoolmeester vergelijken. Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl). Opmerkingen aan: coster@dds.nl. De bedelaar Hieronymus van Alphen (1746-1803) Die afgeleefde man, die bijkans nakend zit, En rillend van de kou, mij om een duitje bidt, Is even goed als ik. Gods wijsheid gaf alleen Mij wat meer geld dan hem. Ben ik dan beter? ... Neen. Een vroom en eerlijk mensch draagt dikwijls slegte kleeren, Ik wil dan ook de deugd in arme menschen eeren. Die met veragting op hem ziet, Doet naar 't bevel van Jesus niet. Een brief van Carel aan zijn zusje Caatje Hieronymus van Alphen (1746-1803) Zusje lief! ik laat u weten, Dat ik sedert uw vertrek, In mijn kamer heb gezeten, Meid lief! met een stijve nek. 'k Dagt, ik zal u tog eens schrijven, Want het weder is zo guur, Dat ik steeds in huis moet blijven, En dat smaakt niet op den duur. 'k Heb met u vrij wat te praten; Dikwijls denk ik, wasze hier! Maar dat denken kan niet baten, Daarom praat ik op papier, Schrijven, moet men, zegt Papaatje, Even zo, als of men praat; Daarom zal ik, lieve Caatje, U vertellen, hoe 't mij gaat. 'k Was eerst knorrig, dat Clorinde U van huis en met zig nam; 'k Was wel blij, datze u beminde, Maar wat doetze te Amsterdam, Zei ik - wasze hier gebleven, 'k Had haar graag mijn beste prent Voor een nieuwejaar gegeven; O wij zijn zo saam gewend. Maar wat hielp tog al dat klagen, Caatje zus was heen gegaan: 'k Wende dies, in weinig dagen, Schoon uit nood, daar langzaam aan. Daarop, door me in 't zweet te loopen, Heb ik zware kou gevat; 'k Moest dat speelen duur bekopen; Ach, wat heb ik pijn gehad: 'k Mogt dan dit, dan dat niet eeten; En ik wou geduurig weeten, Of het haast gedaan zou zijn. 'k Had geen lust in lezen, schrijven, Ja zelfs in mijn prenten niet; En zo lang in 't bed te blijven Gaf mij telkens veel verdriet. Vader wilde mij vermaken; Moeder lief deed, watze kon; Maar zij moesten 's schielijk staken, 'k Was al moede eer ik begon. 'k Vreesde dat het nooit zou lukken, En wanneer ik ledig zat, Kreeg ik bijster kwade nukken, Wijl ik geen geduld meer had. 'k Zei in 't eind - dat ledig wezen Kan tog nooit voordeelig zijn. 'k Nam een boek; ik ging wat lezen; En ik voelde minder pijn. Ook begon ik wat te schrijven, En wanneer ik prenten zag, Kon ik op mijn kamer blijven, Met vermaak, den heelen dag. Vader zag mij eens beginnen Aan een kleine teekening, Moeder lief kwam daar op binnen; Om te zien hoe 't met mij ging. 'k Was, zij zagen 't, wel te vrede; 'k Was niet knorrig als voorheen; 'k Praatte nu en dan eens mede; 'k Zei inet kort af ja of neen. Zo versleet ik gansche dagen, Schoon op ver na niet hersteld, Maar dat kniezen en dat klagen, Heeft mij sinds niet meer gekweld. Vader zegt, 't kan meer gebeuren, Dat ik niet welvarend ben; Maar ik zal te minder treuren. Hoe ik meer daar aan gewen. Die zig naar Gods wil kan voegen, (Zegt hij) met een stil gemoed, Smaakt in ziekte zelfs genoegen; God is altijd wijs en goed. Nu vaarwel, aanminnig meisjen! Ieder in ons huis verlangt, Datge een eind maakt van uw reisjen, Als gij deze brief ontfangt. Hieronijmus van Alphen (1746-1803) Welkomgroet van Claartje voor haar kleine zusje Welkom lieve kleine zus! Welkom in dit leven! Baker mag ik niet een kus Aan mijn zusje geven. Wilje slapen? o zij krijt! 't Zal haar wis verveelen. Morgen, als gij waaker zijt, Zal ik met u speelen. Slaap gerust, dan wordt gij groot; Leer tog spoedig loopen! Als gij zit op moeders schoot, Zal zij speelgoed koopen. O! Mamaatjen is zo goed! Alles wil zij geven, Als haar kindertjes maar zoet En te vrede leven. Claartje Bij de schilderij van hare overleden moeder Hieronymus van Alphen (1746-1803) wanneer ik neêrgezeten Bedaard het beeld aanschouwe Van mijne lieve moeder, Dan rollen mij de tranen Gestadig langs de wangen. Dat lief en lagchend wezen, Waar godvrugt en opregtheid Bevalligheid en blijdschap Zo klaar op is te lezen, Doet mij dan bitter schreien, Om dat ik haar moet missen; Ik - nog geen negen jaren. Wat heb ik niet al uurtjes Met nut bij haar gezeten, Wanneer zij mij, al spelend Het een en ander leerde. Maar 't zal mij altoos heugen, Hoe zij mij bij haar sterven Voor 't laatst nog eens omhelsde. Ik kan er niet aan denken, En 'k doe het tog zo gaarne. Toe zeize: "Lieve Claartje! "Uw moeder zal haast sterven, "En van deze aarde scheiden, "Om in den blijden Hemel "Bij de engelen te woonen; "Hoor dan mijn laatste woorden, "En geef mij 't laatste kusje. "Eert God, bemin uw vader! "Groei op in deugd en wijsheid! "En wiltge vrolijk leven, "Leert vroeg de zonden haten. "Maar hebt ge eens kwaad bedreven, "Dan moetge 't gul belijden; "En God om Jesus wille "Zal u vergeving schenken. "Maar zietge dan, mijn Claartje! "Op aarde mij niet weder, "Zie dikwijls naar den hemel, "En zeg - daar woont mijn moeder. "Ach, zag ik na uw sterven "Mijn kind ook daar verschijnen, "Hoe zou ik mij verblijden, "En God eerbiedig danken. "Voor u, mijn lieve Claartje! "Is ook de hemel open. "Maar ach; mijn lieve meisje! "Ik voel den dood genaken, "En kan niet langer spreken, "Vaarwel, vaarwel dan, Claartje! "Daar hebtge 't laatste kusje!" 'k Ging screiend naar beneden; En 't duurde weinig uuren, Of Moeder was gestorven. Wanneer ik nu, gezeten Bij 't beeld van mijne moeder, Aan hare dood gedenke, Dan rollen mij gestadig De tranen langs de wangen. Dan zie ik naar de hemel, De woonplaats mijner moeder; Dan roep ik, bitter schreiend, o God, hebt gij die moeder Aan mij zo vroeg ontnomen, U mag ik niet berispen, Hoe zeer ik haar betreure; Neen, gij zijt wijs en heilig, Mag ik u maar beminnen, Mijn lieven Vader eeren, En moeders lessen volgen, Dan zal ik bij mijn sterven Bij U en moeder komen. Wat zal dat zalig wezen! Eene vertelling van Dorisje Hieronymus van Alphen (1746-1803) Wij zaten laatst bij Saartje, Onze oude goede baker, Die sprookjes kan vertellen. Wij dronken chocolade, En deden honderd vragen. In 't einde zei ons Saartje: Wel nu, mijn hartediefjes! Gij kent de vier getijden, Wat houdt gij voor het beste? Toen zei mijn zusje Miesje, Die tijd is mij de liefste, Wanneer de boomen bloeien. Dan krijgt men mooie bloempjes, Om tuiltjes van de vlegten. Dan ziet men duizend vogels Op groene takjes zingen. Is dat niet in de lente? De winter, lieve Saartje! Zei Pietje, is de beste, Dan hooren wij vertellen, En drinken chocolade, Of eeten dikke wafels. Neen ik verkies den zomer Zei Keesje, dan is 't kermis. Dan hoef ik niet te leeren. Maar ik zei, 't is het beste, Als meest de vrugten rijp zijn. Dan valt er braaf te knappen. Dan heeft men abricoozen, En pruimen, en morellen, En perzikken, en peeren: En is dat niet in 't najaar. Hoort kinders, zeide Saartje. De winter moet de velden En tuinen vruchtbaar maken. Met moet de boomen snoeien; Den akker moet men mesten; Dat doet men in de winter. De boomen moeten bloeien, Om vrugten ons te geven; Dat doen zij in de lente. De vrugten moeten groeien; Dat doen zij in de zomer. Men moet de vrugten plukken; Dat doet men in het najaar. Dus moet gij, lieve kinders, In alle jaargetijden Gods wijze goedheid loven, En wel te vrede wezen. Opmerkingen aan: coster@dds.nl. Hieronijmus van Alphen (1746-1803) De drijftol Nooit loopt mijn drijftol zonder slagen; Want hou ik op, dan loopt hij niet. Ik heb in al dat slaan verdriet, En zal om ander speelgoed vragen. Maar is 't ook zoo met Flipje niet? Ja; had ik nimmer slaag te vezen, 'k Zou zelden in mijn boeken lezen, En dat geeft vader ook verdriet. Foei dat ik van een tol moet leeren, Met vlijt te werken zonder dwang. 'k Wil tot mijn straf, mijn leven lang Geen ander speelgoed meer begeeren. De eenzaamheid Hieronymus van Alphen (1746-1803) Denk niet, lieve speelgenooten! Dat de tijd mij heeft verdroten, Toen ik gistren zat alleen. Die vermaak heeft in het lezen, Hoeft geen eenzaamheid te vreezen. Maar is altoos wel te vreên. Vader zegt, dat brave menschen Dikwijls naar die uurtjes wenschen; Dikwijls naar hun kamer gaan, Om in oude en nieuwe boeken Wijze lessen op te zoeken: En dat staat mij wonder aan. 'k Wou zo graag verstandig wezen, En ik worde ook graag geprezen, 'k Zeg: zo als het bij mij leid; Dient er dan, om veel te weten, Menig uurtje nog gelezen, Welkom! welkom! eenzaamheid! De goede eerzucht Eene klagt van Daantje Hieronymus van Alphen (1746-1803) Ach mij! ik ben verdrietig, Ik heb den prijs verloren, Dien vader lief beloofd had, Aan hem, die 't beste leerde. Dat boek met mooie prentjes, Met groene zijde lintjes, Waar naar ik zo verlangde, Heeft Jantje nu gekregen; Om dat hij 't best kons schrijven, En 't vlugst was in het lezen. Ja op de kaarten kon hij De landen en rivieren, De zeeën en de steden, het gauwst van allen vinden. Maar zou ik hem benijden, En nu nog minder leeren? Neen, 'k wil zijn gaven prijzen En hem te meer beminnen. Maar tevens zal ik tragten, Den eereprijs te winnen, Dien vader weer beloofd heeft. 'k Wil dan wat minder spelen, Ik wil wat korter slapen, En grooter vlijt besteden In 't horen naar de lessen, Die mij mijn meesters geven. Door al te veel te spelen, Door al te lang te slapen, Door telkens rond te kijken, Wanneer ik op moest letten, Heb ik den prijs verloren. Dat boek met mooie prentjes, Met groene zijde lintjes Heeft Jantje dat gekregen! Ik kan het niet vergeten, Maar 't zal niet meer gebeuren. Hieronymus van Alphen (1746-1803) Flipje Wel waarom snoeitge tog de boomen, Zeg trouwe Piet? Daar aan die takjes vrugt zou komen, Gelijkge ziet. De tuinman Een boom, die al te veel moet dragen, Verliest zijn kragt, Ook zou de vrugt zo niet behagen, Als gij verwagt. Uw vader heeft graag goede peeren! De vader 't Is wel gezegd: En 't deel van die te veel begeeren Is doorgaands slegt. Geduld is zulk een schoone zaak, Om in een moeielijke taak Zijn oogwit uittevoeren; Dit zag ik laatst in onze kat, Die uuren lang gedoken zet, Om op een rat te loeren. Zij ging niet heen voor zij de rat, Gevangen, in haar klauwen had. Hieronymus van Alphen 1746-1803 Het kinderlijk geluk Ik ben een kind, Van God bemind, En tot geluk geschapen. Zijn liefde is groot; 'k Heb speelgoed, kleedren, melk en brood, Een wieg om in te slapen! Ik leef gerust; Ik leer met lust; Ik weet nog van geen zorgen. Van 't spelen moê, Sluit ik mijn oogjens 's avonds toe, En slaap tot in den morgen. Geloofd zij God Voor 't ruim genot Van zoo veel gunstbewijzen! Mijn hart en mond, Zal hem, in elken morgenstond, En elken avond prijzen. Hiëronymus van Alphen (1746 - 1803) Hieronijmus van Alphen (1746-1803) Het geschenk Moederlief! zie daar een roosjen Van uw Coosjen, Wijl gij heden jarig zijt. 'k Heb van morgen al gezongen En gesprongen: Zo verlangde ik naar dien tijd, Maar kan ik geen rijmpjes digten, Moet ik zwigten Voor mijn broêr in poëzij. Neem dan moeder! slegts dit roosjen  Van uw Coosjen, 'k Heb u tog zo lief als hij. Het gevonden liedjen Hieronymus van Alphen (1746-1803) 't Vond daar even dit papiertjen, 'k Hoop dat ik het lezen kan. Boven staat er op geschreven: Hoe! ... De vergenoegde man Kom kinders zet u bij mij neêr. 'k Zal u een liedjen geven. De vergenoegdheid is veel meer Dan schatten in dit leven. Al heb ik weinig. 'k heb genoeg; Zou ik een man benijden, Die altoos mooie kleren droeg, Maar zware pijn moest lijden. Het werken houdt mij steeds gezond, En vlug van lijf en leden. 't Word wakker in den morgenstond, Verkwikt en wel te vreden. De honger, dien ik zelden mis, Doet mij veel grager eeten, Dan of ik aan een koningsch disch, Was dag aan dag gezeten. 't Heb dikwijls water uit een bron Met meerder smaak gedronken, Dan ooit de wijn mij geven kon, Bij bekers ingeschonken. En is de dag voorbijgegaan, Zie ik den avond rijzen, Dan hef ik eens een liedjen aan, Om mijnen God te prijzen. Nu, lieve kinders! leef als ik, Verblijdt u in Gods zegen! Zeg dankend, ieder oogenblik, Wat heb ik veel gekregen! Welk een lief en aartig liedjen! Hoe behaagt en treft het mij. Mogt ik leeren zo te leven, Vergenoegde man! als gij. Het geweten Hieronymus van Alphen (1746-1803) Nooit heb ik meer vermaak, dan als ik mijnen pligt Blijmoedig heb verrigt. Dan smaakt het leven best; dan kan ik vrolijk springen; En blijde liedjes zingen; Maar ben ik traag of stout, dan ben ik niet gerust; Dan heb ik geenen lust In spijs, in drank of spel; dan wordt mij door 't geweten Geduuriglijk verweten, Dat ik een slegtaart ben, en dat ik nooit een man, Zoo doende, worden kan. De gezondheid Hieronymus van Alphen (1746-1803) Gezondheid is een groote schat, Om vergenoegd te leven. Ofschoon ik grote rijkdom had, wat voordeel zou het geven, Zo ik, doorknaagd van angst en pijn, Mij zelven tot een last moest zijn. Maar zou ik dan mijn vaders raad Niet ijverig betragten? En gulzigheid en overdaad Niet mijden en veragten? Die nooit genoeg heeft voor zijn mond, Leeft zelden vrolijk en gezond. Het gebroken glas Eene vertelling Cornelis had een glas gebroken Voor aan de straat; Schoon hij de stukken had verstoken, Hij wist geen raad Hij had een afschrik van te liegen, Wijl God het ziet; En zou hij Mama nu bedriegen, Dat kon hij niet. Hij stond onthutseld en bewogen; De moeder komt; Zij ziet de tranen in zijn oogen; Hij scheen verstomd, Heeft Keesje, zeize, wat bedreven? Wat scheelt er aan? 'k Heb, zei hij, moeder-lief! zo even Weer kwaad gedaan. Terwijl ik bezig met paletten Bij 't venster was, Vloog mijn volan, door 't forsch raketten, Daar in het glas. Maar als uw Keesje 't van zijn leven Niet weder doet, Dan wilt gij 't immers hem vergeven, Gij zijt zo goed! Kom Keesje lief! hou op met krijten, Zei moeder toen: 'k Wil u dien misslag niet verwijten, Hij kreeg een zoen. 'Die altoos wil de waarheid spreken, Wordt wel beloond, Die leugens zoekt voor zijn gebreken,, Wordt niet verschoond.' Hiëronymus van Alphen (1746 - 1803) De godsdienstigheid Hieronymus van Alphen (1746-1803) Als in de lieve lente De bloemen 't veld versieren, Dan pluk ik roozenknopjes, Viooltjes, maagdeliefjes, Citroenkruid en seringen. Dan zal ik kransjes vlegten, En dragen die ter eere Van God, die mij het leven En bloempjes heeft geschonken. Dan zinge ik: Hemelkoning! Gij doet viooltjes groeien, Met roosjes, maagdeliefjes, Citroenkruid en seringen, Met duizend duizend bloemen; Om uwe magt en liefde Aan kinderen te toonen. Hoe mooi staat mj dit kransjen! Ach laat mij niet vergeten, Dat gij het hebt doen groeien! Gods goedheid Hieronymus van Alphen (1746-1803) God is goed, daar valt de regen Op het uitgedroogde land: Vader bad om zulk een zegen, Zonder regen, Zegt hij, groeit geen kruid noch plant. Lieve droppels valt op de aarde! Valt in grooten overvloed, 't Goud is niet van zulk een waarde Voor onze aarde. God verhoort ons: God is goed! Gods wijsheid Hieronymus van Alphen (1746-1803) God is wijs, die malsche regen Houdt nu op: het dorre gras Heeft weer zo veel vogt gekregen, Als voor 't groeien nodig was. Viel er al te zwaare regen, Zag men nimmer zonneschrijn, Dan zou 't niet langer tot zegen, Maar tot schade voor ons zijn. God is wijs, die malsche regen Houdt weer op: de dorre grond Heeft nu zo veel vogt gekregen, Als Gods wijsheid nodig vond. De haas Hieronymus van Alphen (1746-1803) Kijk Pietje! Kijk, een haas, o die zo gauw kon loopen! Neen, zei de slimme Piet, Wilt gij een haasjen zijn, ik niet: 'k wil liever langzaam gaan, dan 't met de dood bekoopen. Hij, die altoos wel te vreden Met vermogens die hij heeft Vergenoegd en dankbaar leeft, Kan zijn gaven wel besteden. Maar dat hij, die altoos kniest, En wat andren zijn wil wezen, Zelfs het geen hij heeft, verliest, Heb ik meer dan eens gelezen. Hieronijmus van Alphen (1746-1803) Het hondjen Hoe danbaar is mijn kleine hond Voor beentjes en wat brood! Hij kwispelstaart, hij loopt in 't rond, En springt op mijnen schoot. Mij geeft men vleesch en brood en wijn, En dikwijls lekkernij: Maak kan een beest zo dankbaar zijn, Wat wagt men niet van mij! Hieronymus van Alphen - noframe pagina's Hieronymus van Alphen 1746-1803 Kleine Gedichten voor kinderen * Over de auteur * Voorberigt van den uitgevers * Voorberigt * Aan twee lieve klein jongens * Het kinderlijk geluk * De perzik * De kinderliefde * Alexis * De ware rijkdom * het vrolijk leeren * Het medelijden * De naarstigheid * De spiegel * Klacht van den kleine Willem op den dood van zijn zusje * Het geschenk * Welkomstgroet van Claartje voor haar kleine zusje * Ledigheid * Het Hondjen * Het gebroken glas * de godsdienstigheid * De haas * Eene vertelling van Dorisje * Jesus, een zangstukje * De drijftol * De pruimeboom * De bedelaar * De ware vriendschap * Lotje en Keesje * De gezondheid * Klaartje en Keetje * Het gevonden liedjen (De vergenoegde man) * De goede eerzucht * De klepperman * Klaasje en Pietje * Winterzang * Gods goedheid * Gods wijsheid * De edelmoedige wedervergelding * Het zieke kind * Het goede voorbeeld * Pietje en Keetje * Het geduld * Een godsdienstige jeugd maakt een gelukkige ouderdom * De koolmees * Pietje bij het ziekbed van zijn zusje * Het verhoorde gebed * Het tederhartig kind * De onbedagtzaamheid * De vogel op de kruk * Aan mijn kleine lezers * Jantje en het konijn * De zingende Willem, morgenlied * De kleine zangster, avondlied * De verkeerde vrees * De liefde tot het Vaderland * De vegtende jongens * Het onweder * Claartje, bij de schilderij van hare overleden moeder * De verwelkte roos * Mietje bij het clavecimbaal * Het verstandig antwoord * Het geweten * Een brief van Carel aan zijn zusje Caatje * De zwaluwen * De zon * Het lijk * Het vogelnestjen * Flipje, de vader en de tuinman * De eenzaamheid Jesus Een zangstukje Hieronymus van Alphen (1746-1803) Claartje en Jantje. te samen. Jesus is een kindervriend! Onzer wil hij ontbarmen. Hij nam kinders in zijn armen: Jesus is een kindervriend! Claartje alleen. Ach was Jesus nog op aarde! Aanstonds vloog ik naar hem heen. Jantje alleen. Ach was Jesus nog op aarde! 'k Vloog met u naar Jesus heen. te samen. Zoon van God! die eeuwig leeft! Hoor ons smeeken, En vergeeft Onze stoutheid en gebreken! Zoon van God! die eeuwig leeft, Zegen onze jeugd, en geeft, Dat wij dikwijls van U spreken! Klaartje en Keetje Hieronymus van Alphen (1746-1803) Klaartje Altoos werken, altoos lezen, Dat moet wel verdrietig wezen: Is het daarom dat men leeft? Lustig Keetje! nu aan 't spelen; Ach! de tijd moet u verveelen, Dien gij aan uw meesters geeft. Keetje Nooit te werken, nooit te lezen, Altoos in den tuin te wezen, Is het daarom dat men leeft? Klaartje lief, hou op met spelen; Ach! de tijd moet u verveelen, Dien gij aan uw poppen geeft. Klaartje Somtijds spelen, somtijds lezen, Dat zal wel het beste wezen, Keetje lief! kom speel met mij. Keetje 't Zal dan zeker u verveelen, Op te houden met te spelen: Leer nu eerst, dan spelen wij. Ter nauwer nood had Keetje dit gezegd, Of Klaartje had, beschaamd, haar poppen weggelegd. Hieronijmus van Alphen (1746-1803) Klaasje en Pietje Klaasje Pietje, zoo gij niet wilt deugen, Dan verschijnt de zwarte man. Pietje Klaasje, foei, dat is een leugen! Laat hem komen als hij kan. Die aan zulk een man gelooft, Is van zijn verstand beroofd. Bron: Spiegel van de Nederlandsche poezie door alle eeuwen. (1939) N.V. De Spiegel, Amsterdam Hieronijmus van Alphen (1746-1803) Klagt van den kleinen Willem op de dood van zijn zusjen Ach! mijn zusjen is gestorven, nog maar veertien maanden oud. 'k Zag haar dood in 't kistje liggen: ach wat was mijn zusje koud! 'k Riep haar toe: mijn lieve Mietje! Mietje, Mietje! maar om niet. Ach! hare oogjes zijn gesloten; schreijen moet ik van verdriet. Altoos wil ik om haar treuren, bloempjes strooien op haar graf: Weenend aan de kusjes denken, die mij 't lieve meisje gaf. Morgen zal ik - maar voor mij ook is 't gevaar van sterven groot. Gistren liep zij met mij speelen; gistren nog! en nu -- reeds dood! Hieronijmus van Alphen (1746-1803) Klepperman Zou ik voor den klepper vreezen, O! die lieve brave man Maakt, dat ik gerust kan wezen, En ook veilig slapen kan. Moeder lief 'k geloof het vast, Dat hij op de dieven past. Schoon hij loopt door wind en regen, 't Zingen wordt hij nimmer moe: Goede God! geef hem Uw zegen, Maar mijne oogjens vallen toe. Lieve klepper! hou de wagt! Ik ga slapen: goede nagt! Jantje en het konijn Hieronymus van Alphen (1746-1803) Daar zie ik een konijn! Wat zou ik gelukkig zijn, Had ik het, om er meê in onzen tuin te loopen; Zei Jan: maar schoon 'k mijn geld Al driemaal heb geteld, Ik het te weinig om dat lieve dier te koopen; En schoon mij dit aan 't harte gaat, Ik weet geen raad! .... Wel: laat u dit geval dan leeren, Mijn lieve Jan! Dat een verstandig kind geen dingen moet begeeren, Die hij te voren weet, dat hij niet krijgen kan. De koolmees Hieronymus van Alphen (1746-1803) Mijn knip had in den boom een uurtje pas gehangen, Of deze koolmees zat er in. Toen zei ik bij mij zelf: wat zal ik vogels vangen! Dat heet eerst regt een goed begin! Maar ach! het zijn wel zeven dagen, Ik zag in al dien tijd geen vink of koolmees weêr; Nu ben ik heel ter neer geslagen, Nu zeg ik bij mij zelf: er zijn geen vogels meer. Die al te grote dingen wagt, Om dat hem in 't begin zijn pogingen gelukken, Is even dwaas, als die tot wanhoop wordt gebragt, Om dat hij voor een tijd voor tegenspoed moet bukken. Opmerkingen aan: coster@dds.nl. De liefde tot het Vaderland Hieronymus van Alphen (1746-1803) Al ben ik maar een kind, Tog wordt mijn Vaderland van mij op 't hoogst bemind; Ik werd er in geboren; Ik heb er drank en spijs; Ik mag er onderwijs Van wijze meesters hooren. Ik heb er ouders, vrienden in, Die ik met al mijn hart bemin; Ik kan er veilig woonen; Dies zal ik dankbaar mij betoonen; En, worde ik eens een man, Zo nuttig zijn voor 't land, als ik maar wezen kan. Hieronijmus van Alphen (1746-1803) De Ledigheid Nimmer moet ik ledig wezen; Alles doen met lust en vlijt. Bidden, leeren, schrijven, leezen, Spelen, werken heeft zijn tijd. Moeder lief 't kan ook niet veelen, Dat de tijd verwaarloosd wordt. Lui zijn, zegt ze, is tijd te steelen, En ons leven is zo kort! Het vrolijk leeren Hieronymus van Alphen (1746-1803) Mijn speelen is leeren, mijn leeren is speelen, En waarom zou mij dan het leeren verveelen? Het lezen en schrijven verschaft mij vermaak. Mijn hoepel, mijn priktol verruil ik voor boeken: Ik wil in mijn prenten mijn tijdverdrijf zoeken, 't Is , 't zijn deugden, naar welke ik haak. Aan mijn kleine lezers Hieronymus van Alphen (1746-1803) Zeg tog niet, mijn lieve wigtjes, Dat van Alphen u vergeet; 'k Heb, om u nog iets te geven, Eenige uurtjes weêr besteed. Mooglijk is 't de laatste bundel; Hoort! gij hebt er ook genoeg. 't Is in 't aantal niet gelegen; En voor grooter is 't wat vroeg. Weinig, wél, en dikwijls lezen, Leert het best, in uwen tijd: Grooter boeken zultge krijgen, Als ge ook wat grooter zijt. De kinderliefde Mijn vader is mijn beste vrind; Hij noemt mij steeds zijn lieve kind. 'k Ontzie hem, zonder bang te vreezen. En ga ik hupplend aan zijn zij', Ook dan vermaakt en leert hij mij; Er kan geen beter vader wezen! Ik ben ook somtijds wel eens stout, Maar als hijn' ondeugd mij berouwt, Dan wordt zijn vaderhart bewogen; Dan spreekt zijn liefde geen verwijt, Ja zelfs, wanneer hij mij kastijdt, Dan zie ik tranen in zijn oogen. Zou ik, door ongehoorzaamheid, Dan maken dat mijn vader schreit; Zou ik hem zugten doejn en klagen; Neen, als mijn jonkheid iets misdoet, Dan val ik aanstonds hem te voet, En zal aan God vergeving vragen. Hiëronymus van Alphen (1746 - 1803) Interpretatie van de Schoolmeester Het lijk Hieronymus van Alphen (1746-1803) Mijn lieve kleine kinders, schrikt tog niet, Wanneer gij dode menschen ziet; Zoudt gij voor de lijken beven? Kom hier: deze bleke koude man, Die voelen, zien, noch hooren kan, Houdt nu niet op te leven. Hij denkt en werkt - ja meer dan gij; Maar met geen ligchaam zoo als wij. De ziel is weg van de aarde. Die God, dien hij hier heeft gevreesd, Is bij hem in zijn dood geweest; En houdt dit lijk in waarde. Al is de ziel van 't ligchaam af, Al daalt het lijk in 't donker graf, Dat moet u niet doen ijzen. Geloofd het tog, de goede God Zal zelfs dit lelijk overschot Veel schooner doen verrijzen. Ach, lieve kinders! zegt dan niet; Wat is dat sterven een verdriet! Mogt ik maar altoos leven! Wanneer ge God bemint en dient, Dan voert de dood u, als een vriend, In 't eeuwig zalig leven. En komt dan eens de jongste dag, Dan zal het ligchaam, dat daar lag, Zig leven weêr vertoonen. Dan voeren de Englen van beneên, U zingend naar den hemel heên, Om eeuwig daar te woonen. Mijn lieve kinders, schrikt dan niet, Wanneer gij doode menschen ziet; Zoudt gij voor lijken beven? Zegt liever vrolijk - deze man, Die hier niet zien of hooren kan, Mag in den hemel leven. Lotje en Keesje Hieronymus van Alphen (1746-1803) Keesje Zeg me zoete lieve Lotje! wat is dee oorzaak, datge schreit: Hebtge uw beugeltas verloren, of gebroken, lieve meid? Lotje Zou 'k niet schreien, waarde Keesje! Moeder lief was niet voldaan Met mijn naaiwerk; o! zij zag mij met verdriet en droefheid aan. Ja zij wilde mij niet kussen, zo als ze anders altijd doet. Foei mij! ach! dat zulk een moeder om mijn stoutheid treuren moet. Keesje Wat kan 't baten, dat gij eenzaam in een hoekje zit, en klaagt. Ga, zij zal het u vergeven, als gij om verschoning vraagt. Lotje Zult gij dan mijn voorspraak wezen? mij geleiden? Keesje Ja gewis Zou ik niet voor Lotje spreken, die mijn liefste zusje is. Maar gij hebt geen voorspraak noodig, als gij moeder valt te voet, Zal zij 't zeker u vergeven, moeder, weet gij, is zo goed, Gistren las zij voor ons beide, dat ook God de schuld vergeeft: 'k Weet, zij zal u wis verschoonen, daar zij zulk een voorbeeld heeft. Het medelijden Wie dat ik immer smart zie dragen, 'k Heb ook gevoel daar van. Ik sluit mijn oor niet voor zijn klagen, Maar help hem als ik kan. Een mensch in droefheid optebeuren, Is zelfs voor kinders zoet. Die spotten kan met hen die treuren, Vertoont een slegt gemoed. Zou mij eens anders leed verblijden? Zou 'k lagchen in zijn smart? O neen! een edel medelijden Past aan mijn kinderhart. Ik wil dan met bedroefden kalgen, Hen troosten in hun pijn. Eens anders last te helpen dragen, Zal mijn genoegen zijn. Hiëronymus van Alphen (1746 - 1803) Mietje Bij het clavecimbaal Hieronymus van Alphen (1746-1803) Die liefelijke toonen Behagen mij alreê; Al heb ik weinig jaren, Ik zing zo graag eens meê. Wanneer mijn oudste broêrtjen Op 't clavecimbaal speelt, Dan vraagt hij mij, al spottend, Of 't mij niet ras verveelt? Dan zeg ik, lieve jongen! o Speel tog lang voor mij! Mogt ik het ook maar leeren, Ik deed mijn best als gij. Eergistren was ik jarig, En moeder vroeg mij toen, Wat ik van haar begeerde; Ik gaf haar eerst een zoen, En zei: mijn lief mamaatje! Bewijs mij deze gunst, Dat ik mag leeren speelen, En zingen naar de kunst. Zij nam mij in haar armen, En zei: in 't nieuwejaar. Nu brande ik van verlangen, Ach kwam de meester maar. De jeugd spant zig met speelen En zingen nuttig uit; En is men moe van 't leeren, Dan geeft dit lief geluid Weêr nieuwen lust en kragten; Zo leeft mijn blij en zoet; En schuwt met vreugd gezelschap, Dat dikwijls doolen doet. De naarstigheid Des morgens lang te slapen, Te geeuwen en te gapen, Staat lelijk voor een kind. Die altoos veel moet snappen, En zotte taal wil klappen, Ziet zelden zig bemind. Zou ik mijn tijd besteden Aan duizend nietigheden? 'k Heb daar geen voordeel van. Mijn lessen wil ik leeren, Mijn meesters zal ik eeren, Dan word ik haast een man. Hiëronymus van Alphen (1746 - 1803) Het vogelnestjen Eene vertelling Hieronymus van Alphen (1746-1803) Mietje had eens, onder 't wandlen, Een verholen vogelnestjen In een doornhaag gevonden. 'k Heb nu, zeize, mijn verlangen: o Hoe zal ik mij vermaken Met die lieve kleine diertjes! Aanstonds ga ik 'thuis wat halen, Om dit nestjen in te bergen. Mietje liep en zag haar moeder, Die zij hijgend dit vertelde: Lieve Mietje, zei de moeder, Stoort to nimmer vogelnestjes! Denk maar eens, hoe de oude vogels Om dat stooren zouden treuren; Zoudt gij, Mietje lief, niet schreien, Als men u, met Piet en Jetje, Tegen wil en dank vervoerde; Mietje lief, heb medelijden, Met die oude lieve vogels! Zoekt tog nimmer uw genoegen In de droefheid van een ander. Neen, zei Mietje, lieve Moeder! Neen dat niet! maar hoorze eens schreeuwen; Ach zij hebben zulken honger! Denk niet meisje, zei de moeder, Dat zij juist van honger schreeuwen. Ach zij zouden zeker sterven, Als gij hun zo lang woudt spijzen, Totze niet meer konden schreeuwen. Maar wiltge u eens regt vermaken, En eens zien hoe de ouden zorgen Om hen juist zo veel te geven, Als die diertjes noodig hebben, Zet u slegts in stilte neder, En ge zult dan schielijk merken, Dat zij vliegjes, mugjes, wormpjes Vangen en in 't nestje brengen. o De goede wijze Schepper Heeft zo wel aan deze vogels Ouders, als aan u, gegeven: Deze weten altoos beter, Wat de kinders noodig hebben, Om dat zijze 't meest beminnen, Ja die zullen nooit verzuimen, Hun teêrhartig te verzorgen; Daar toe heeft hun God de liefde Voor hun jongen ingeschapen; En gij moet niet wijzer wezen, Dan de goede en wijze Schepper. Mietje hoorde naar haar moeder; Maar ging dikwijls zagtkens kijken Naar het groeien van de jongen, Zonder 't nestjen ooit te stooren. Hieronijmus van Alphen (1746-1803) De Onbedagtsaamheid Zie Keesje! deze dode mug Vloog nog zo even blij en vlug, Maar 't is door onbedagtsaamheid, Dat hij nu op tafel leit Hij had in 't kaarslicht zulk een zijn, En vloog er onvoorzigtig in. Nu ligt hij daar; maar 't is te laat; Er is voor 't mugje nu geen raad. Zij werd bedrogen door den schijn. O! laat ons dit tot leering zijn, Dat, eer men iets gewigtigs doet, Men zicht wat lang bedenken moet. Eén uur van onbedagtsaamheid Kan maken dat men weeken schreit. Het onweder Hieronymus van Alphen (1746-1803) Hoe schoon schiet daar de bliksem neêr! Hoe statig rolt de donder! De wolken pakken saam, of drijven heen en weêr; Terwijl ik in dat al, gedugte Hemelheer! Uw Majesteit bewonder. Nu is 't voorbij; een frische lugt Omringt mij, waar ik ga, en doet de vogels zingen. Ik zie een nieuwen glans op boom en veld en vrucht; Maar, eeuwig God! gij blijft gedugt, Zelfs in uw zegeningen. Wat zie ik, Caatje! hoe, gij beeft? Ach wilt daar nooit voor vreezen! 't Is een geschenk dat God ons geeft, En daarom, lieve meid, moest Caatje dankbaar wezen. Hieronymus van Alphen (1746-1803) Die in zijn jeugd Het pad der deugd Heeft ingeslagen, En 't goede doet, Wagt welgemoed Zijne oude dagen. Maar die zijn tijd Onnut verslijt, Zijn frische krachten Der zonde geeft, Moet afgeleeft, Verdriet verwagten Laat dan, o jeugd! Het pad der deugd U vroeg behagen, Dan slijt ge blij, Van wroeging vrij Uwe oude dagen. Al zijtge een spot Van hun, die God Te stout veragten, Ge hebt veel meer Dan geld of eer Van hem te wagten. Die God bemint Die wordt zijn kind; En moet hij sterven 't Zij vroeg of spaê. Hij zal genaê Bij God verwerven. De perzik Die perzik gaf mijn vader mij, Om dat ik vlijtig leer. Nu eet ik vergenoegd en blij, Die perzik smaakt naar meer. De vrolijkheid past aan de jeugd Die leerzaam zig betoont. De naarstigheid, die kinderdeugd, Wordt altoos wel beloond. Hiëronymus van Alphen (1746 - 1803) Pietje en Keetje Hieronymus van Alphen (1746-1803) Pietje Kom mijn lieve zoete zusje, Geef me een kusje, o Ik ben zo in mijn schik! 'k Heb van moeder zo vernomen, Dat Camie van 't school zal komen, Niemand is zo blij als ik. Keetje Laat ons dan eens wat bedenken, Om te schenken Aan die allerliefste meid. Als wij haar maar wat vertellen, En geen daden dat verzellen, Is 't geen regte vrolijkheid. Pietje Wel: ik heb vier mooie printjes. Keetje Ik heb twee lintjes, Goed voor haar, gelijk ik gis. Pietje 't Zal haar, hoe gering, behagen. Wijl zij dan niet hoeft te vragen, Of 't bij ons maar praten is. De pruimeboom Eene vertelling ¹ Jantje zag eens pruimen hangen, O! als eijeren zo groot. 't Scheen, dat Jantje wou gaan plukken, Schoon zijn vader 't hem verbood. Hier is, zei hij, noch mijn vader, Noch de tuinman, die het ziet: Aan een boom, zo vol geladen, mist men vijf zes pruimen niet. Maar ik wil gehoorzaam wezen, En niet plukken: ik loop heen. Zou ik, om een hand vol pruimen, Ongehoorzaam wezen? Neen. Voord ging Jantje: maar zijn vader, Die hem stil beluisterd had, Kwam hem in het loopen tegen, Voor aan op het middelpad. Kom mijn Jantje! zei de vader, Kom mijn kleine hartedief! Nu zal ik u pruimen plukken; Nu heeft vader Jantje lief. Daarop ging Papa aan 't schudden Jantje raapte schielijk op; Jantje kreeg zijn hoed vol pruimen, En liep heen op een galop. Hiëronymus van Alphen (1746 - 1803) De ware rijkdom Geen geld bekore ons jong gemoed, Maar heiligheid en deugd. De wijsheid is het noodigst goed; Het sieraad van de jeugd. Wat is toch rijkdom? wat is eer? Een handvol nietig slijk. Gods vriend te wezen is veel meer; Die Jesus lieft, is rijk. Komt vallen we onzen God te voet Om deugd en heiligheid: Zo wordt op aarde ons jong gemoed Ten hemel voorbereid. Dan krijgen wij dien besten schat, Die nimmermeer vergaat. Dan loopen wij op het deugdenpad, En schrikken van het kwaad. Hiëronymus van Alphen (1746 - 1803) De verwelkte roos Hieronymus van Alphen (1746-1803) Waarom verwelkt de roos zo ras? Zei Jantje, och of 't anders was! God wierd ook, dunktme, meer geprezen, Zoo 't roosjen langer bleef in wezen. Al denktge, datge 't wel doorziet, Mijn lieve Jan! het is zo niet. De Schepper weet het best van allen, Waarom 't zo schielijk af moet vallen; En wil ook, datge gadeslaat, Hoe ras het aardsche schoon vergaat. De schepper, dien 't ons past te vreezen, Wordt door bedillen nooit geprezen. De spiegel Die telkens in de spiegel ziet, En zig met schoonheid vleit; Beseft de waare schoonheid niet, Maar jaagt naar ijdelheid. Dit glas maakt trots, of geeft ons pijn; Wil 'k weeten, wie ik ben, Dan moet Gods woord de spiegel zijn, Waar ik mijn hart uit ken. Zou ik mijn tijd besteden Aan duizend nietigheden? 'k Heb daar geen voordeel van. Mijn lessen wil ik leeren, Mijn meesters zal ik eeren, Dan word ik haast een man. Hiëronymus van Alphen (1746 - 1803) Het tederhartig kind Hieronymus van Alphen (1746-1803) Zou ik niet mijn moeder eeren, Ach wat doetze niet voor mij? Wat mij nut is, mag ik leeren; Ben ik vrolijk, zij is blij. Ben ik ziek, ik hoor haar klagen; En wanneer zij bij mij zit Met het oog om hoog geslagen, Dan geloof ik, dat zij bidt. Ja dan bidt zij, dat ik spoedig Mag bevrijdt zijn van mijn smart: Worde ik beter, hoe blijmoedig En hoe dankbaar is haar hart. Ik zal altoos haar beminnen, Altoos doen, dat haar behaagt. Nimmer wil ik iets beginnen, Daar mijn moeder over klaagt. 'k Zal haar naam met eerbied noemen, Als zij neerdaalt in het graf. En Gods goedheid altoos roemen, Die mij zulk een moeder gaf. Goede God! ach laat haar leven Tot mijn voordeel, tot mijn vreugd, Welk een droefheid zou 't mij geven, Haar te missen in mijn jeugd. Kleine Gedichten voor kinderen * Over de auteur * Voorberigt van den uitgevers * Voorberigt * Aan twee lieve klein jongens * Het kinderlijk geluk * De perzik * De kinderliefde * Alexis * De ware rijkdom * het vrolijk leeren * Het medelijden * De naarstigheid * De spiegel * Klacht van den kleine Willem op den dood van zijn zusje * Het geschenk * Welkomstgroet van Claartje voor haar kleine zusje * Ledigheid * Het Hondjen * Het gebroken glas * de godsdienstigheid * De haas * Eene vertelling van Dorisje * Jesus, een zangstukje * De drijftol * De pruimeboom * De bedelaar * De ware vriendschap * Lotje en Keesje * De gezondheid * Klaartje en Keetje * Het gevonden liedjen (De vergenoegde man) * De goede eerzucht * De klepperman * Klaasje en Pietje * Winterzang * Gods goedheid * Gods wijsheid * De edelmoedige wedervergelding * Het zieke kind * Het goede voorbeeld * Pietje en Keetje * Het geduld * Een godsdienstige jeugd maakt een gelukkige ouderdom * De koolmees * Pietje bij het ziekbed van zijn zusje * Het verhoorde gebed * Het tederhartig kind * De onbedagtzaamheid * De vogel op de kruk * Aan mijn kleine lezers * Jantje en het konijn * De zingende Willem, morgenlied * De kleine zangster, avondlied * De verkeerde vrees * De liefde tot het Vaderland * De vegtende jongens * Het onweder * Claartje, bij de schilderij van hare overleden moeder * De verwelkte roos * Mietje bij het clavecimbaal * Het verstandig antwoord * Het geweten * Een brief van Carel aan zijn zusje Caatje * De zwaluwen * De zon * Het lijk * Het vogelnestjen * Flipje, de vader en de tuinman * De eenzaamheid Aan twee lieve kleine jongens Ziedaar, lieve wigtjes! Een bundel gedigtjes, Vermaak u er meê! En spring naar uw wooning; Maar... eerst ter belooning Een kusjen of twee. Door liefde gedrongen Heb ik ze gezongen, En wilt gij er meer, Gij moogt er om vragen. Wanneer ze u behagen Komt huppelend weêr. Hiëronymus van Alphen (1746 - 1803) De vegtende jongens Hieronymus van Alphen (1746-1803) Gijsje Laat ons dezen twist beslegten, Door eens moedig te gaan vegten! Klaasje 'k Wil niet; 'k heb geen lust in slaan; Maar laat ons naar Vader gaan; 'k Wil u niet verongelijken; Vader mag het vonnis strijken. Gijsje Laffe jongen, zonder moed! Klaasje O! bekenk eerst watge doet. Gijsje 'k Vat u aanstonds bij de kleeren: Klaasje Wagt u, 'k zou mij dan verweeren; 'k Ben zo min bevreesd als gij. Gijsje Is dat waar, kom dan ter zij! Klaasje Neen: daar zal ik mij voor wagten; Maar uw dreigen hier veragten. Ha! geen dwaasheid is zo groot, Dan te vegten zonder nood. Hier werden zij gestoord. Papa lief had juist gehoord. Hij die een krijgsman was, en dikwijls in zijn leven Van zijn beleid en moed veel proeven had gegeven; Zei: 't is de beste held; hij heeft den grootste moed; Die dapper vegten kan, maar 't nooit onnoodig doet. De edelmoedige wedervergelding Hieronymus van Alphen (1746-1803) Zou ik dan mijn zusje kwellen, Om dat zij me niet bemint? Zou ik kwaad van haar vertellen? Neen ik denk: zij is een kind! 'k Zal haar van mijn lekkers geven, Dan wat druiven, dan een peer, Dan een hazelnoot zes zeven, En wanneer zij wil, nog meer. 'k Zal haar hart door liefde winnen, Ze is tog geen kwaadaardig kind; Zo lang zal ik haar beminnen, Tot ze in 't eind mij ook bemint. Het verhoorde gebed Hieronymus van Alphen (1746-1803) Mijn zusje is gezond. God hoorde mijn gebed! En heeft tot onze vreugd mijn zusje lief gered. Wat zal mijn dankbaar hart dien goeden God vergelden? Zo groot een God wil die gedankt zijn van een kind? Ja! vader zegt, dat God daar behagen in vindt, Dies zal ik zijnen lof, al ben ik jong, vermelden. De vogel op de kruk Hieronymus van Alphen (1746-1803) Het zijn nu pas zes of zeven dagen, Dat ik dit cijsje kogt van Klaas den vogelman; En schoon ik in het eerst mijn moeite moest beklagen, Nu is er nergens geen, die beter vliegen kan. Wat zou ik vorderingen maken, Als ik zo leerzaam was als hij! Maar 'k zou wel haast aan 't schreien raken. Mijn vogel, ach! veroordeelt mij. 'k Wil dan voortaan mij zo gedragen, Dat eer ik mij tot spelen schik, Ik zonder vrees mij af kan vragen: Wie leert er beter, hij of ik? Kleine Gedichten voor kinderen Voorberigt Hieronymus van Alphen (1746-1803) Het genoegen, dat mijne landgenooten in deze kleine gedigten voor kinderen betoond hebben, en de aanhoudende aftrek derzelver, heeft mijnen Drukker bewogen, om de drie stukjes in een bundeltje saam te voegen, en in en kleinder formaat, zindelijk, op best papier te doen afdrukken, ten einde dezelve te geschikter mogen zijn voor kleine geschenken. Ik heb niets anders te zeggen bij deze uitgave, dan het weinige 't geen ik bij de uitgave der vorige stukjes gezegd hebbe. Het kan een schrijver niet anders, dan aangenaam zijn, wanneer zijne geschriften, ze mogen dan groot of klein zijn, boven zijne verwagting aan zijn oogmerk voldoen; en wanneer het nut daar door veroorzaakt, hem van tijd tot tijd, in vele bijzonderheden, en aangename ontmoetingen, voor oogen gesteld wordt. Het is tog een alleraangenaamste sensatie, blijken te ontvangen, dat men iets op deze wereld heeft toegebragt, tot vermaak, nut en stigting van zijne medemenschen; en hij is veel aan God verpligt, dien de oneindige Goedheid daartoe verwaardigt. Vaarwel mijne kleine lezers! leeft vrolijk en gezegend! God zij de leidsman uwer jeugd! De egte exemplaren van dezen afdruk zijn allen getekend: Hieronymus van Alphen Kleine Gedichten voor kinderen Voorberigt van den Uitgever Door aankoop uit het fonds van wijlen den Heer J. Allart, eigenaar geworden zijnde van het kopijregt van de platen tot de Kindergedichten van Mr. H. van Alphen, ben ik te rade geworden, dewijl de daarvan gemaakte afdrukken spoedig verkocht waren, dezelve op nieuws door den bekwamen Zeelander te laten graveren, met inachtneming van de tegenwoordige kleederdragt, en verdere uiterlijkheden. Tevens heb ik, zonder den prijs der plaatjes te verhoogen, uit achting en dankbaarheid voor den nu zalige Dichter, deszelfs welgelijkend afbeeldsel door den bekwamen Velijn gegraveerd, naar een nog onuitgegeven portret, bij dit werkje gevoegd. Ik vertrouw hiermede aan het tegenwoordige geslacht geenen ondienst te doen, daar het, niettegenstaande de menigvuldige navolgingen, nog bestendig eene regtmatige voorkeur geeft aan van Alphen's Gedichtjes, en daardoor toont, dat Hij den regten kindertoon getroffen heeft. Trouwens, dit getuigen allen, voor wie deze klassieke Kinderdichter een vriend hunner jeugd was, en die Hem nu, als den vriend hunner kinderen, boven allen anderen schatten. J.G. van Terveen Utrecht, 1821 Bericht van een volgende uitgever Deze facsimile uitgave van Kleine gedichten voor kinderen van Mr. Hieronijmus van Alphen werd vervaardigd naar de druk die in het jaar 1821 bij J.G. van Terveen te Utrecht verscheen. Zij werd in 1973 in opdracht van Kruseman's Uitgeversmaatschappij N.V. te 's Gravenhage in offset gedrukt door Krips Repro B.V. te Meppel. Voorbericht van het Costerproject. De versie van 1973 is overgetypt voor het Costerprojekt in 1976. De ouderwetse s (die er uitziet als een f), die bij van Alphen naast de gewone s voorkomt, is vervangen door de moderne, om het geheel beter leesbaar te maken voor browsers en mensen. Alle overige afwijkingen zijn typefouten onzerzijds. J.C.D. Verhagen Opmerkingen aan: coster@dds.nl. Noot bij: Hieronymus van Alphen: Voorberigt van den uitgever boven allen anderen schatten Teregt toch zegt een Beoordelaar, in het Algemeen Magazijn voor Opvoeding en Onderwijs, III, Deel I, Stuk., Natuurlijk moet men aan kinderen geene Verzen van Bilderdijk enz. geven; maar de taal van van Alphen in dichtmaat kan nimmer duister zijn, en dit zullen allen, voor wie deze klassieke Kinderdichter een Vriend hunner jeugd was, en nu een Vriend hunner kinderen is, zeker gaarne met ons getuigen. Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl). Opmerkingen aan: coster@dds.nl. Het goede voorbeeld Hieronymus van Alphen (1746-1803) Vader leeft met onze moeder altoos vergenoegd en blij, o Hoe lieven zij elkander, nimmer knorren zij als wij. Toont er een iets te verlangen, dan zegt de ander: dat is goed. Moeder is het best te vreden, als zij iets voor vader doet. Vader poogt altoos te weten, wat de wensch van moeder is; En het geen haar moet verveelen, geeft aan vader droefenis. Vader gaf de beste perzik laatst aan Moeder met een zoen; Hij wou zelf er niet van eeten: Klaartje, zouden wij dit doen? Liefste zusje! liefste broertjes! o het strekt ons tot verwijt, Dat wij dikwijls krakkeelen, ach gij weet niet hoe 't mij spijt. Kom, mijn liefjes, laat ons leven tot elkanders nut en vreugd! Laat ons pogen na te volgen vaders liefde en moeders deugd. Daar alleen kan liefde woonen, daar alleen is 't leven zoet, Waar men, blij en ongedwongen, Voor elkander alles doet. De verkeerde vrees Hieronymus van Alphen (1746-1803) Keesje zag eens Joden loopen, Om wat ouds! wat ouds! te koopen: Hij werd ban, ja bleek van schrik: Hij kroop weg, en ging aan 't huilen; Pietje spotte met dat schuilen; En zei lachend: doe als ik! Kees zei: zoudt gij niet ontstellen, Als gij hun eens aan zaagt bellen? Neen ik tog, zei Pietje toen: Waarom zou ik altoos vreezen! Men behoeft slegts bang te wezen, Als men voorneemt kwaad te doen. Hieronijmus van Alphen (1746-1803) De ware vriendschap Een vriend, die mij mijn feilen toont, Gestreng bestraft, en nooit verschoont, Heeft op mijn hart een groot vermogen: Maag 't laag gemoed, dat altoos vleit, Verdenk ik van baatzugtigheid; Ik kan zijn bijzijn niet gedogen. Die zelden prijst, spreekt vriendentaal. Die altoos vleit, liegt menigmaal. De zingende Willem morgenlied Hieronymus van Alphen (1746-1803) Bij 't opgaan van de zon Zat Willem aan een bron, Van goeder hart te zingen: Hij had den afgelopen nagt Verkwikkend doorgebragt; En kon zig langer niet bedwingen. God, riep hij, is zo goed, Dat ik hem loven moet! Magtige Schepper u heb ik te danken, Dat ik ontwaakte gezond en verheugd. Wijze bestierder! 'k heb Jesus te danken, Dat ik u kenne in het eerst van mijn jeugd. Prijst u de morgen, u zal ik ook eeren, Dat gij mij gunstig in 't leven bewaart; Prijst u de morgen, acht mogtze mij leeren, Heilig en dankbaar te leven op aard. Naarstig, gehoorzaam, en vrolijk te wezen, Is me tot voordeel en 't is uw gebod. Vriendlijke Schepper! wie zou u niet vreezen! Wie u niet eeren, almagtige God! Van u alleen moet ik alles verwagten; Wie is als gij algenoegsaam en mild. 'k Wil dan van daag uwe wetten betragten; Daar gij ook kinderen zegenen wilt. Winterzang Hieronymus van Alphen (1746-1803) 'k Zie de geele bladers vallen, met den zomer is 't gedaan: En 't gehuil van sneeuw en regen kondigt ons den winter aan. Ach! hoe trillen mij de leden, 'k loop naar 't hoekjen van den haart; Vader zegt: in zulk een koude dient er hout noch turf gespaard. o Wij hebben zo veel voorraad voor den schralen wintertijd; Daar men mij met warme kleeren voor den strengen vorst bevrijdt. Winterpeeren, koel, en appels, boter vleesch, ja wat niet al, Ligt er reeds in onze kelder, Dat ons lekker smaken zal. Mogt ik nu maar dankbaar wezen, over mijn gelukkig lot; Ja ik wil gehoorzaam leven, en u danken, goede God! Ja ik wil gedurig denken, als de koude mij verdriet, Ach! hoe menig duizend menschen hebben zo veel voorraad niet. Ja, ik wil dan wat besparen, en wat van mijn overvloed Aan een arrem kindje geven, dat van honger schreien moet. De kleine zangster avondlied Hieronymus van Alphen (1746-1803) Het licht der zon Begon alreê te kwijnen: De maan Ving aan Zo schoon als ooit te schijnen; Toen lieve Cris, Een meid, naar 'k gis, Van agt of negen jaren, Haar kleine citer nam, En hupplend bij mij kwam; Zij paarde lagchend stem en snaren; En zong het vrolijk avondlied, Dat gij hier uitgeschreven ziet. De zon moog haar stralen In 't westen doen dalen, Dit geeft mij geen smart: God heeft ook geschapen De nagt om te slapen, Dies looft Hem mijn hart. Hoe donker 't mag wezen, 'k Behoef niet te vreezen In 't holst van den nagt. God zal voor mij zorgen, tot dat mij de morgen Weêr vrolijk verwagt. Geen leed zal mij naken; God wil mij bewaken, Al ben ik een kind. God toont, door mij 't leven En voedsel te geven, Hoe Hij mij bemindt. Het starrengeflonker Vervrolijkt het donker; De lichtende maan Begint op de weiden Haar glansen te spreiden, En speelt door de blaên. Al ziet men geen kleuren, Men wordt tog door geuren Verkwikt waar men gaat. 'k Hoor zelfs in seringen Den nagtegaal zingen, En 't kwarteltje slaat. Mag ik u verhoogen, Dan sluit ik mijne oogen Gerust, o mijn God! U eere te geven, En dankbaar te leven, Is 't zaligste lot. Pietje Bij het ziekbed van zijn zusje Hieronymus van Alphen (1746-1803) Ach dat kermen, ach dat klagen Kan mijn teder hart niet dragen, Mietje lief ik voel uw pijn! 'k Zou gewillig voor u lijden, Kon het u van smart bevrijden, Of maar tot verligting zijn. Doch 't is boven mijn vermogen; Maar ik buig, met weenende oogen, Biddend mijne knietjes neêr. "Laat mijn bede u niet mishagen "Goede Jesus! hoor mijn klagen, "En herstel mijn zusje weêr. "Laat haar 't leven nog niet derven, "Ach mijn moeder zou 't besterven, "Vader daalde wis in 't graf. "Lieve God! waar bleef tog Pietje, "Naamt gij met mijn zusje Mietje "Ook mijne ouders van mij af." Het zieke kind Hieronymus van Alphen (1746-1803) Mijn hoofdjen! ach! het doet zo zeer! Het schijnt van een gespleten; Geen hobbelpaard vermaakt mij meer; En schoon men vraagt, wat ik begeer, Ik walg van lekker eeten. Al ligt geen kind zo zagt als ik, De rust is mij benomen. En slaap ik eens één oogenblik, Dan worde ik wakker met een schrik Door 't akelige droomen. Nu worde ik eerst, door 't geen ik mis, Tot dankbaarheid gedreven: Nu voel ik, maar met droefenis, Hoe veel men Gode schuldig is, Als men gezond mag leven. Maar o! die God is altoos goed; Ik wil nu dankbaar wezen: En schoon ik pijnen lijden moet, Geduldig zeggen: God is goed: Hij kan mij weer genezen. De zon Hieronymus van Alphen (1746-1803) Als ik de zon zie schijnen, Die met haar lieve stralen Deze aarde vrolijk koestert; Op dat er kruiden groeien, Om vee en mensch te spijzen; Die 't licht ons doet genieten, Om tog verheugd te werken, En vergenoegd te leven, Dan denk ik, met aanbidding, Hoe groot moet God niet weezen! De zon heeft hij geschapen! En dat uit enkel liefde! De zwaluwen Eene vertelling Hieronymus van Alphen (1746-1803) Kees zou voor 't eerst naar school toe gaan, Maar was de stoep pas afgetreden, Of 't scheen, hij was niet wel te vreden; En bleef, het hoofd om hoog, een poos verwonderd staan. Hij zag de zwaluwen zo heen en weder zweeven, En zei, dat heet eerst regt op zijn vermaak te leven. Een man die zig op straat bevond, En Keesjes meening ras verstond, Trok hem, al lachend wat ter zijden; En zei: wel weetge niet, dat zij dit moeten doen; Zij vangen vliegjes, om hun jongen mee te voên, Die anders honger moesten lijden. Noemt gij dit slegts vermaak, neen Keesje! dat is mis, Maar weet gij wat hier uit voor u te leeren is? Zij kunnen, door dit lustig zweven, Aan u een voorbeeld geven, Hoe men met vlijt en vreugd zijn werk verrigten moet: En dat het lelijk staat, als men 't gedwongen doet.