Antwoord C. S. Adama van Scheltema Ach kind: waarheid en leugen Zijn altijd wat verward, Want geen van beide deugen Ze alleen voor 'n menschenhart. Weef tussche' uw hart en 't leven Het kleed van schoonen schijn - De bloemen daar geweven Zullen de ware zijn. Als andren ze anders noemen Hebben zij ook gelijk - Het zijn nu eenmaal bloemen En leugens tegelijk. Wat deert het of het waar is Zoo 't u wat moois verhaalt - Als 't kleed ten leste klaar is Wordt 't toch weer uitgehaald. Niet gansch uw oogen sluiten, Alleen maar meer of min:- 't Is binnen niet, niet buiten, Maar altijd middenin! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Uit stilte en strijd, 1909 Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl). Zomer C. S. Adama van Scheltema De groote zomerdag staat open En bouwt zijn weelde over de aarde, Het malsche moes lacht in de gaarde Bij 't sappig groen, met dauw bedropen; Het ruischelt in de weeke hagen, Het gonzelt in de bloesemstruiken, het tintelt in de groene pruiken Der berken bij de zoete vlagen; De kool brandt op de peerse kluiten, De blonde brem bloeit welig tegen De mulle hel-beschenen wegen Met volle gele honigtuiten, - Hef over de aarde uw aangezicht, Over uw oogen valt het licht, Over uw lippen stort een lied - Levend mooi mensch geniet! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Van zon en zomer, 1902 Zomer C. S. Adama van Scheltema Daar ben 'k gekuierd Door 't zomerland, Daar rook ik, luierd, Van alderhand: - Dat oude gehuchie - Zoo'n boerennest, Dat lauwe luchie Van melk en mest; Dat blomzoet hegje Vol zacht getier, Dat wierook-wegje Van witte vlier; En 't Hollandsch weitje, Dat reukaltaar, Dat bloeipartijtje Van allegaar; En nog zoo'n bedje Van hei en tijm, Zoo'n paars boeketje - Dat wrijf je fijn! En ach! zoo'n vleugje Van 't warme woud, Zoo'n hartig teugje In 't dennenhout! - Die luchies woeien Zoo in mijn mmond, Tot ik te bloeien en blozen stond. Daar groeide' al struiken Rondom mijn hoed - Mijn ziel ging ruiken Van al dat goed! En 's avonds keek ik Zoo stil en stom - Ach, toen geleek ik Een oude blom! ------------------------------------------------------------------------ God zag me, en zei me: "Wat doe jij daar?" "Och" zie 'k "kom bij me En pluk me maar!" ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Eenzame Liedjes, 1906 Wij zoeken 't ver C. S. Adama van Scheltema Wij zoeken 't ver:- Ik zoek het zuiver schoone beeld, Dat kan verzoenen met dit leven: De vreemde vlinder die daar speelt Draagt 't op haar vleugelen geschreven - Doch als 'k mijn handen om haar sluit Wisch ik die teere teekens uit! "Gij volgt vergeefs wat immer vliedt En houdt den schoonen schijn voor 't wezen, Door eigen onrust ziet gij niet Dat op haar vleugels staat te lezen: Mijn beeld bloeit immer aan uw zij, Gij gaat mij blindelings voorbij!" Wij zoeken 't ver:- Ik zoek de zegenrijke vrucht Van wijsheid en volkomen weten, Ik zoek de sterren aan de lucht En alle hemelen te meten - Maar ach, hoe hooger of ik stijg, Hoe meer of ik naar adem hijg! "Gij zoekt te zien wat niemand kent, Wilt gij nog meer zien dan uw oogen, Zoo streeft gij uit uw element En zwijmt gij als een visch op 't droge: Slechts die zichzelven wenscht Voelt zich en zijne ziel begrensd!" Wij zoeken 't ver:- Ik zoek de liefde en dien gloed Die altijd brandt en nooit beschadigt, De diepe bron, die immer zoet, Toch immermeer mijn dorst verzadigt - Maar ach, van elke nieuwe min Proef ik het einde in 't begin! "Gij zoekt - en elk gevonden hart Verliest gij reeds bij het ontvangen, Omdat ge, in eigenmin verward, Slechts liefde voelt voor uw verlangen: De liefde, die gij 't leven vraagt, Bloeit in het hart dat ge in u draagt!" Wij zoeken 't ver:- Wij zoeken een gedroomd gelaat In 't driftig leven te bereiken - 't Geluk, dat immer vóór ons gaat En immer verder schijnt te wijken, En tusschen stage vrees en hoop Gaat onze rusteloosze loop; Wij zoeken en vergaren 't goud, Dat we immer de' andren dag zien blinken, Om eindlijk, afgeteld en oud, Op onze schatten neer te zinken; Wij blinden: - ook het kleinste stuk Droeg toch den beeld'naar van 't geluk! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Uit stilte en strijd, 1909 Zingende stemmen C. S. Adama van Scheltema Zachte stemmen zingen door het leven, Stroomend over aller harten grond, Doch de droomen die zij ruischend weven, Doch de beelden die zij wekken, zweven Zelde' omhoog uit een zingende mond. In de onverzadelijke vlagen Van het leven gaat hun lied te loor. En bezij de paden, waar wij jagen, Naar den bodem onzer luide dagen, Neigt maar zelden een aandachtig oor. Maar op 's harten grond murmlen de beken, Waar een ongeweten licht in speelt, Waar de stemmen van dit leven breken, Doch waar nieuwgeboren stemmen spreken Rondom menig stil verzonken beeld. En de beken aller harten glijden Samen tot één fonkelende stroom, Stroom van schoonheid onder 's levens lijden, Aller stemmen dragend naar dien wijden Zee-gelijken en oneind'gen droom. Luisterend, met donker zachte oogen, Staan wie dichters heeten aan dien vliet: Droomend over menig beeld gebogen, Zingen zij, als 't ruischend riet bewogen - Zingen zij uw vliedend levenslied. ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Zingende stemmen, 1916 Bezorgd door Joachim Verhagen Zondagmorgen C. S. Adama van Scheltema Vroeg in den morgen! Hei! la li lo! Verscheen mij de zonne En verlichtte de ruiten, Een vogel zong buiten, De klokken begonnen te luien - Bim! bam! Bim! bam! Vroeg in den morgen! Hei! la li lo! De zondag ontwaakte, De boerelui gingen In de dorpskerk zingen, Alle klokken geraakten aan 't luien - Bim! bam! Bim! bam! Vroeg in den morgen! Hei! la li lo! 'k Verdronk in mijn droomen, - Ik droomde iets heerlijks, Iets liefs - iets begeerlijks, - Daar bleef het zoo loome aan 't luien - Bim! bam! Bim! bam! Vroeg in den morgen! Hei! la li lo! En de menschen leefden In liefde - en al lichter Werd de weerld, en al dichter Dreef ze aan 't licht, - stil zweefde het luien - Bim! bam! Bim! bam! Vroeg in den morgen! Hei! la li lo! 'k Ontwaakte op aarde, - Mijn hoofd was tevreden In 't zonlicht gegleden, - - Van verre bedaarde het luien - Bim! bam! Bim! bam! - bim! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Van zon en zomer, 1902 De wijde wereld C. S. Adama van Scheltema De wijde wereld lag te grijp, Een vogeltje speelde er wat, - Ik droomde en rookte een zomerpijp, En dacht zoo - en streelde maar wat. De wijde wereld lag te kijk, Een beestje werd ergens geboren, - In 't mooie malsche zomerrijk Ging een ander weer ergens verloren. Ik keek de wijde wereld in, En dacht, zoo'n beetje zelfzuchtig:- Wees jij weer kind, als in 't begin! Wat wijzer! - wat minder luidruchtig! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Van zon en zomer, 1902 De wilgen Carel Steven Adama van Scheltema (1877-1924) Coster-pagina Daar waren eens zeven wilgen In ene boerenwei. Die droegen grote pruiken op Hun oude harde houten kop En stonden op een rij. En hunne pruik met haren Die kwam nooit tot bedaren- Zij knikten al maar: "ja en neen," Wat dat beduidde, wist er geen! Toen kwamen er heel veel vogeltjes- Die bouwden daar hun nest, Die woonden allen paar aan paar, En leefden leutig met elkaar, En vonden 't opperbest. En ieder zong een liedje- Van wiede-wiede-wiede,- Maar al de wilgen riepen: "Och, Wat schreeuwen daar die vogels toch!" Toen kwam de wilde wervelwind- Die ziet ze daar zo staan, En draait zich driemaal om, en ziet: "Wat's dat nou voor parmantigheid!" En waait zo op ze aan:- Eerst deden ze nog deftig. Maar 't werd hun gauw te heftig- Toen riepen ze allen door mekaar: "O jeminee wat is dat naar!" Toen kwam een grote regenbui- Die keek heel boos, en zei: "Die pruiken vind ik veel te hoog, Dat's geen fatsoen, die zijn te droog- Daar moet wat water bij!" De wilgen snikten en steenden: "Wat is dat nat -- ze weenden! "O! riepen ze met 'n lang gezicht, "Nee, dat vergeten we niet licht!" Toen kwam een dikke bonte koe- Die snoof zo's en zei:"Wel Zo'n wilgebladje mag ik graag, Da's juit goed voor een volle maag En voor een zwak gestel! 'k Mag zeker van uw pruiken Wel 'n kleinigheid gebruiken?"- De wilgen zuchtten elkander toe: "Wat zeg je nou van zó een koe!" Toen werd op 't laatst hun pruikebol Zo alleraakligst lang, Dat iedereen van schrik wegliep- De vogels riepen:"Piep piep piep" En werden ook al bang. En ieder zei:"wat vreeslijk! Dat's zeker ongeneeslijk!" De wilgen dachten:"Dat's juist fijn, 't Bewijst dat wij van adel zijn!" Toen kwam de boerenkapper aan, Die had een lange schaar- En knipte met een grote hap, Zo maar op éénmaal: knip-knip-knap, Door àl dat wilgenhaar! Zij schrokken zelf verbazend, Maar de andren lachten razend, En riepen allemaal brutaal: "Wat bennen jullie nou weer kaal!" ------------------------------------------------------------------------ Naar de Coster-pagina. ------------------------------------------------------------------------ Weemoed C. S. Adama van Scheltema Wat is 't nog dat mijn hart behoeft? Wat is dit wonderlijk verdriet - Ik voel mij doof en diep bedroefd, En zit en zie - en weet het niet. Wat is het dat mij zwijgen doet, Hoe is mijn gansche lichaam stom - Is 't leven slecht - is 't leven goed - Of niet - of wel - waarom - waarom? Wat is 't dat 'k weet - en wat of wie Dat ik verloor of dat ik won - Ik weet het niet, en zit en zie - - En in mijn handen ligt de zon. ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Uit stilte en strijd, 1909 Paarlende webben C. S. Adama van Scheltema Zie: na den regen Straalt weer de avond Over de aarde, En onder duizend Dampende droppels - Zie onze gaarde Vol paarlende webben! Alles leek helder, Zuiver de wegen Waarlangs wij waarden, En nu eenmaal: Vol zijn de paden - Zie onze gaarde Vol paarlende webben! Zoo lijkt ons leven Louter, en lieflijk Wat wij bewaarden - Tot wij door tranen Zien naar een vale Vochtige gaarde Vol paarlende webben! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Uit stilte en strijd, 1909 Ach waar ik ga C. S. Adama van Scheltema Ach waar ik ga en wat ik leve, En wat ik schrei en wat ik lijd - Ik ben datzelfde kind gebleven Van vroeger tijd! Ach ik ken ál diezelfde zonden, Ach ik lijd ál diezelfde smart - Diezelfde "andre kindren" wonden Mijn kinderhart! Ach 'k kom dien tijd niet meer te boven, Hoe ik ook doe en wat ik wensch - Ik moet toch altijd weer gelooven Aan een "groot mensch"! Ach 'k ben niet voor "groot mensch" geboren, Ik leef en lijd als in die jeugd, - Ik heb maar één lief ding verloren: - Die kindervreugd! O! laat mij dan nog 't leven wanen Zoo mooi als 'k toen het leven zag - En laat mij met die kindertranen Dien kinderlach! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Eenzame Liedjes, 1906 Waakt op proletaren C. S. Adama van Scheltema Het is lente geworden - waakt op proletaren! Wekt elkaar voor het teedere feest van den Mei, En herstelt en hertelt en verzamelt uw scharen - Weer een jaar van den oorlog op aarde is voorbij. Weer een jaar is de strijd tusschen menschen gestreden, Weer een winter van jammer en leed is volbracht, En weer komt onze stoet langs de wegen geschreden, Als een donkre vlek op de aarde - die lacht; Zie: die lacht! en met al hare bloeiende toppen, Vol van geurende zomerbeloften, opzwelt Tot een ruiker van duizend ontelbare knoppen - En wij hebben de hoofde' en de harten geteld! - Hoe vaak keert nog die lente voor ons, proletaren, Hoe vaak gaat zij voorbij aan ons zonneloos hart - Tot hoe lang neemt de greep van een groep tollenaren Ons het loon van den arbeid - de vrucht onzer smart? Wanneer zullen die vaandels het lentefeest vieren, Niet verstrooid hier en ginds, als een bloem in de wei, Maar vereend tot een leger van roode banieren, Naast elkaar - als een land roode tulpen in Mei? Wanneer bloeien ook òns al de doornige hagen, Wanneer komt ook voor òns eenmaal de lentedag, Die ons niet meer een kruis op de schouders ziet dragen, Maar een bloeiende twijg - en een bloedroode vlag! - O hij wacht ons, hij wenkt ons - waakt op proletaren! Want het is onze adem die die lente wekt, Want het is onze schoot die die lente zal baren En ons hart waaruit ze eenmaal haar levenskracht trekt. O hij komt, want hem draagt ge in uw hoopvolle handen, Hij ontbloeit aan uw lichaam, hij bot uit uw bloed - De dag dien we als een vuur in ons oog voelen branden, Die de duistere verte verlicht met zijn gloed. 't Is de dag die met iedere lente ons nadert, 't Is de dag der bevrijding - de dag van den Mei - 't Is de dag die gansch 't volk om ons vaandel vergadert - O zij allen - zij allen - en niet alleen wij! - Het is lente geworden - waakt op proletaren! Wij zijn nog maar een zwervende stem in de lucht, Wij zijn nog maar de gidsen en de martelaren, Wier gebeent' die toekomstige lente bevrucht. Maar gelijk ieder lente al haar glanzende loover, Al haar weelde opbouwt uit haar schamele zaad, En zich breidt als een bloeiende zegening over Al het oude, dat rot en vervalt en vergaat;- Zoo groeit eens op dit dor en ellendig verleden, Als de dag uit het duister, als 't koren uit kaf, Een onkenbare wereld vol liefelijkheden - - Kameraden eens bloesemt die Lente om ons graf! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Uit stilte en strijd, 1909 De vuurtoren schets van ontwaken C. S. Adama van Scheltema Ik ben wakker aan 't worden als een toren aan zee - De lieflijke lamp van mijn droomen Verbleekt in den weifelende dag. Vannacht hebben beelden van licht Gedraaid door een duistere wereld Over de grillige zee; Nu sta ik pal in de lucht Met roode en witte strepen Als een visschersjong in een trui. En de wind waait door mijn hoofd En door mijn doorzichtige oogen Als door een glazen lantaren; Dichtbij klotsen de golven Van het frissche schuimige leven - - - - - - - - - - - - - - - - Zie het is dag! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Uit stilte en strijd, 1909 De vrouwen C. S. Adama van Scheltema Wij komen uit duister verleden, Uit land van ellende vandaan - Hoor, hoe onze ruischende schreden Naar 't land van de toekomst gaan! Naar 't land, dat zooveel vrouwen zagen Aan den rand van hun horizont, - Toekomst, die hen 't heden deed dragen - Maar die geen moede voet vond. Want strook na strook viel voor hun oogen Van die wachtende wereld af - Tot hun brekend hart scheen bedrogen: Dat land lag achter hun graf! Zij zonken in de' afgrond der tijden, Naamloos in een naamloos verleên - De weg dien zij voor óns bereidden, Gaat over hun harten heen. Zie zusters: - dwars over de aarde Buigt een breede, donkere baan Langs de doornen van 's werelds gaarden - Dien weg zijn vrouwen gegaan! Maar van wie, met tranen ompereld, Als een herfstbloem ter neder boog, Rees door de wolken onzer wereld Een heldere vonk omhoog. Zie: - dwars door het eeuwig gewemel Van sterren die weemlende baan, Zich buigend van hemel tot hemel - Dien weg zijn vrouwen gegaan! En elk onzer zusteren hief de Vlammen van haar ziel in den nacht - Vlam van leve' en leed: - vlam van liefde, Van liefde, die niets verwacht. En elk, die gebogen door smarten Zich boog bij een doovende vlam, Schonk de brandende olie haars harten In 't hart van wie na haar kwam. Wij waren, die 't bitterst deel leden Van al 't bittere leed op aard! Die in stilte hebben gestreden - In stilte hebben gebaard. Wij, zoo rijk aan al 's werelds wanen, Wij, zoo arm aan 's werelds geluk: - Wij hebben door droomen en tranen Gedragen der menschheid juk! Wij, wij, die ten eeuwigen dage Zoo heilig en zwak zijn genoemd - En daarvoor het zwaarst moesten dragen - En daarvoor 't diepst zijn verdoemd! Maar wij ook hebben door de tijden In onzen gemartelden schoot De toekomst gedragen naar 't wijde Belovende morgenrood! Zie zusters die brandende kammen, Ontstraald aan den rijzenden dag! Strijdt mede om dien einder van vlammen - Strijdt mede dien laatsten slag! Want luister: - van achter de boorden Aan dat vuur'ge ontluikend verschiet Ruischt een stroom van stormende akkoorden - Ruischt golvend een zegelied! Geen lied van belofte en verlangen Uit 't land van eeuwigen vree - Maar de eeuwig wisselende zangen Van de eeuwig zingende zee! Lied van óns, van der vrijheid scharen, Lied uit onze juichende jeugd, Zee van witte, dansende baren - Zee van muziek! - zee van vreugd! - ------------------------------------------------------------------------ Wij komen uit duister verleden Uit land van ellende vandaan - Hoor die duizend ruischende schreden Naar de dagende toekomst gaan! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Zingende stemmen, 1916 Bezorgd door Joachim Verhagen (jcdverha@xs4all.nl). Vrede C. S. Adama van Scheltema Vrede spreid gij uw zachte vleugels Over de donkere aarde heen - Over de moeden en de gewonden, Over de duizenden, die verzwonden, Over al de snikkende monden, Die verbleekt zijn van geween! Vrede daal gij uit de lichte sferen, Waarheen gij vluchtet voor deze wereldsmart, Daal over hen, die u hebben verraden, En over de dwazen, die op u smaadden, En over de blinden, die om u baden, Daal - daal gij weder in ons hart! Opdat uw liefde daar weder wone, Opdat uw liefde ons weer genas - Liefde bove' onze ijdele wenschen, Liefde over alle ijdele grenzen, Liefde alleen, van mensch tot menschen, Die eindelijk leerden wat liefde was! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Zingende stemmen Bezorgd door Joachim Verhagen (jcdverha@xs4all.nl). Voorbij Carel Steven Adama van Scheltema (1877-1924) Coster-pagina Er ging iets moois voorbij, Zo aan mijn hoofd voorbij, Vlak langs mijn hart voorbij - Ik wist niet wat. Ik deed mijn venster dicht, En beî mijn ogen dicht, En al mijn vingers dicht - Of ik het had. Ik keek mijn venster uit, Zag naar de verte uit, Hoog naar de hemel uit - Of het daar stond. Ik liep naar buiten toe, Heel naar de verte toe, Zo naar de hemel toe - Of ik het vond Daar bij de wei daar zong, Daar door de bomen zong, Hoog in de hemel zong - De lente een lied. Ik zag een kindje gaan, En nog een beestje gaan, En nog een meiske gaan - Dat was het niet. 'k Zocht bij de rozeboom, Onder de pereboom, Onder de appelboom - Ik zag er niets. Toen ben ik heengegaan, Ben ik maar weggegaan, Ben ik naar huis gegaan - Zo zonder iets. Ik nam mijn eigen hart, Keek in mijn grote hart, Diep in mijn lege hart - Of het daar lag. Tot de dag henen was, totdat het avond was, Tot het zo donker was - Dat ik niets zag. Toen in de schemering, Dacht 'k in de schemering, Dat in de schemering - Iemand mij riep --; Toen heb ik zacht geschreid, Heb ik heel stil geschreid, Heb ik zo lang geschreid - Totdat ik sliep. ------------------------------------------------------------------------ Naar de Coster-pagina. ------------------------------------------------------------------------ Last modified: Sun Jan 28 18:32:58 1996 De vogeltjes C. S. Adama van Scheltema Ik heb een vogeltje gezien: - Het was geen watersnippie Maar een verkouwen kippie, Ze had kroost als gele godjes Van eier-donzen dotjes, - Toen kwam de baas, die zocht ze En nam ze en verkocht ze; Zij keek eens schuin naar boven En wou 't eerst niet gelooven - Toen lei der kale kontje Een eitje met een strontje, - Toen kwam de baas, die zocht et En nam et en verkocht et; Dat kon ze niet verkroppen En pikte in kippekoppen - Toen dee ze een kleinigheidje: Het was een kippeneitje, - Toen kwam de baas, die zocht et En nam et en verkocht et; En eindlijk werd ze vetgemest, Geplukt, geroosterd, en de rest! - Ze had wel een aasje Van Jan-Piet-en-Klaasje! Ik heb een vogeltje gezien:- Lorretje, kaporretje kapoe, Het was geen kaketoe Maar 't was een papegaaitje: Een papegaaien-gaaitje; Het was een rose wijfje Met veertjes aan der lijfje - Het was de baas zijn liefje Zijn harte- en duitendiefje; En was de baas afwezig Dan hield ze zich wel bezig, Want ieder amuseerde 'er Die kleine schuinsmarcheerder! En kreeg de lieve lorre Dan van den baas es knorren, Dan zat ze stil in 't kooitje En zocht ze een vogelvlooitje, Dan keek ze heel aandoenlijk - Maar toch niet erg fatsoenlijk; En toen 'k eens zei: "dag lachebek!" Toen riep ze plotseling: "verrek!" - Ze leek wel een beetje Op een mainteneetje! Ik heb een vogeltje gezien:- De gele pronkkanarie Van Tante Bim Bombarie; Zij stond op 't guérdonnetje Van tante's lief salonnetje, En 's avonds mocht ze mede Naar tante's legerstede, - Daar hing ze in haar hoekje, Bedekt door tante's doekje; Het beestje heette Grietje - Doch "Grietje" had geen "Pietje" En Grietje, 't gele guitje, Zat nooit in 't huwlijksschuitje, Maar tante zei: dat dee ze Voor het fatsoen - dat zee ze; Toch zong het "pinkie! pinkie!" Nog mooier dan een vinkie, Maar 's winters zong het weinig, Dan leek het wat chagrijnig; En iedre dag bad tante weer: "Bewaar mijn Grietje Lieve-Heer!" - Het dee me denken aan 't gezichie Van mijn ongehuwde nichie! Ik heb een vogeltje gezien:- Het was een plechtig uiltje, Een heilige op een zuiltje; Het had wel wat van tante Met kiespijn en bouffante, Maar in zijn platte facie Had hij toch veel meer statie, Al keek is soms wat druilig- Maar dat is speciaal uilig; Een paar brutale musschen Die name' 't dier der tusschen, Die vroegen of ie echt was En of ie wel terecht was - Doch 't adelijke diertje Keek enkel door een kiertje; Maar 's avonds was de rakker Wel wis en weergaasch wakker: Dan kneep die ouwe jonker De muisies in het donker;- En als ie dood is altemet Dan wordt ie prachtig opgezet! Het lieve diertje leek wel 'n ziertje Op een zalig renteniertje! Ik heb een vogeltje gezien:- Een heel bijzonder beestje, De oppasser noemde 'm "Keesje", Maar 't was eigenlijk een arend; Hij zat op 'n stokje starend Te kijken naar zijn vlerken - Daaraan kon je wel merken, Dat hij geen plaats gekregen Had om zich te bewegen; Er lag een paardelapje - Dat leek een lekker hapje, Maar 't beest scheen niet tevreden, Al had ie hier beneden Toch lang genoeg gezeten Om 't vliegen te vergeten; Toen hupte ie van zijn stokje Naar achter in zijn hokje, En om dat gekke stappen Moet ieder ginnegappen - Maar 't dier dee even doof als stom En keek niet eens es effen om! - Het leek op somm'ge menschen Die de heele boel verwenschen! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Uit stilte en strijd, 1909 Voetnoot bij: De verovering der gouden vloot C. S. Adama van Scheltema De Gouden Vloot Men vroeg mij wat dit toch kon zijn - Och 't is alleen maar zonneschijn. ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Van zon en zomer, 1902 De verovering der gouden vloot C. S. Adama van Scheltema Dag vader! dag moeder! ik ga der op uit! Ik laat me door geen zon koeieneren, Dit wordt de strijd der gebakkene peren, Manmoedig de lont in het kruit! - Paperle - paperle - paperle - par, Kijk es hoe ik in den zonneschijn stap! Piet Hein die veroverde een zilveren vloot - Ik lust je, jou hemeldragonder! Al zou je me kraken, je krijgt me er niet onder: - Ik neem de gouden, of ik ga dood! - Ai! fideldom dideldom dijne, Het is te heet voor de zwijnen! Hier gaat het nou om de pantoffel! Bij alle geplukte en gebraden kapoenen, Al kookt ze mijn kuiten tot watermeloenen En mijn hoofd tot een Duitsche kartoffel - Jan hagel! Jan salie! Jan muggescheet! Met alle permissie ik zweet! Nou wordt langzaam de wereld een pannekoek! Sapperjandosie ik glij van mijn sokken! - Jandoppie Jandoppie ik zie vrouwenrokken! Daar verderop drijft ook een onderbroek - O sakerdei! sakerloot! sakerment! Waarachtig ze staat in der hemd! Die gele, die schele, die keukenmeid, Wat heeft me dat mensch allejezus een asem! Ze blaast me in den stoom, ik besla van den wasem, O! zet nou op een stokkie je gekheid - O Jantje! o Jansje! keer omme! keer omme! Nou zie je me nooit weeromme! Ze aait me! ze draait me! ze steekt me aan haar spit! Ze steekt er goud braadspit van onder tot boven - Heer in den hemel nou gaat ze me stoven! Blaas uit maar, blaas uit maar mijn sikkepit! - O heetje! o keetje! o jemineetje! Nou haal ik mijn allerlaatst zweetje! Papaatje! mamaatje! het doet mij zoo leed! Bewaart gij - begraaft gij tenminste mijn schoenen! O Varus! o Varus! waar zijn mijn kapoenen! - - Als je ooit een geroosterde schaapskop opeet - O Moedertje! vadertje! moedertje mijn! - Gedenkt dan uw armen Piet Hein! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Van zon en zomer, 1902 Voorjaarsmiddag C. S. Adama van Scheltema Een rieten dak met wilde-wingerd, Een wegje, dat er henen slingert Door 't weeke loover, dat al leutert; Een kleine dreumes, die beteuterd Naar 'n ietsje en een nietsje ziet; Een vogeltje van wiedewied! Een gele zon-verheugde ketel, Een roode alp bij doovenetel, Een appel, die te berste bloeit In 't licht, dat met het windje stoeit Een fladdert in het glanzig veld En van iets vriendelijks vertelt; Een beetje stilte en zonnigheid, Een klein beetje tevredenheid, En overal die blauwe hemel Met tintel-ver dat blond gewemel - Een veertje, dat er nederdwerelt ------------------------------------------------------------------------ Er is iets heel liefs in de wereld! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Van zon en zomer, 1902 Verlangen C.S. Adama van Scheltema De avond ruischt door de akkerlanden En draagt met eenen zoeten zucht Uit mijne warme stille handen De geuren naar de verre lucht, Naar - naar ik weet niet wat De avondwind begint te waaien, Ik voel hem aan mijn lijf, mijn haar, De fluisterende boomen zwaaien En buigen al maar samen naar - Naar ik - ik weet niet wat. De avond waait aan mijne wangen - Ik bijt de kleine bloemen stuk, En voel een nameloos verlangen Naar 'n vrucht - een vrouw - naar 'n groot geluk, Naar - God ik weet niet wat! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Eenzame Liedjes, 1906 Vergeten C. S. Adama van Scheltema Het was 't einde van den dag, Die was aan het bezwijken - Ik was alleen en lag Er stil naar te kijken. Ik voelde mij moe En krom van 't loopen, En droomerig keek ik hoe De miertjes wegkropen. Ik voelde mij niet arm, niet rijk, Maar een kind van de aarde, En aan haar bloemen gelijk, Waarover ik heenstaarde. En zoo, zonder vreugde of zucht, Lag 'k met niets te bemoeien, Ik keek maar naar de lucht, Die overal ging bloeien. - Door die diepe avondkleur Kwam toen een wagglende wagen, Hoog met hooi, en vol geur, En vol zoete vlagen. En achter dat hooi Kwam een meisje - zoo'n lief wezen, - Zij was zoo mooi - zoo mooi Als een mensch maar kan wezen! Wij zagen naar elkaar, Verguld van het lichten - Wij zagen verwonderd naar Elkanders gezichten. - Ik bleef nog een wijl, En zag vóór mij uit, zonder Te zien - en onderwijl Ging de zon onder. Toen rees ik, en ging ik heen Naar mijn ledige woning, Ik voelde mij alleen Zooals een treurige koning. ------------------------------------------------------------------------ Toen ik in 't lamplicht Mijn brood zat te eten, Dacht ik aan dat gezicht - Ik was het vergeten! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Eenzame Liedjes, 1906 Oude verven C. S. Adama van Scheltema De wei ligt als een oud palet: Oud geel - oud groen - roest rood - En de avond zinkt En mengelt zacht de kleuren door elkaar. En de oude hemel mengelt zacht De kleuren aan de avondwei In zijnen ouden spiegel door elkaar - Oud goud - oud groen - oud rood. En in mijn geest vergaat de kleur En dampt mijn ziel haar verven uit, En mengelt zacht haar kleuren door de wei- Al de' ouden haat - en de oude hoop - en de oude liefde -. En ééns vergaat die veege bloei, En ééns bloeit weerom à de wei - Bloeit over een mislukt geslacht - Mislukten tijd - mislukte menschen. En ééns bloeit weerom àl de wei, En ééns danst daar een nieuwe mensch - Danst - danst over ons doode stof - - Dat is de smart, dat is de woede, dat is de wanhoop van mijn hart! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Zingende stemmen Bezorgd door Joachim Verhagen (jcdverha@xs4all.nl). De vagebond C. S. Adama van Scheltema Van morgen woei de wind uit 't Zuiden, Van middag woei het uit de hel! Ach! dat heeft niet veel te beduiden, Wij leven ons leventje wel! Van middag was het wel wat treurig, Maar nou komt mijn hart uit de plooi! - Ach! leven we niet te kieskeurig, Wat duivel! het leven is mooi! En van avond melk ik mijn koetjes, Die geven geen melk en geen room! - Ach mijn hart! mijn hart! maak dat 'k zoetjes Van nacht van iets gelukkigs droom! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Van zon en zomer, 1902 De uitdragers C. S. Adama van Scheltema Vanuit den kalmen zomernacht Naadren de winden, Zij dwale' en dwarrelen - een tracht Mijn venster te vinden. Een blaast aan mijn open raam, Hij beweegt de gordijnen - Nu fluistren zij te zaam, En verdwijnen Doch daar keeren zij weer, Of zij zich plots bezinnen- Nu buigen zij zich neer En schuiven sluipend naar binnen. Zij schuiven langs het holle behang, Zij bewegen de gordijnen, Zachtjes waaien zij aan mijn wang - En verdwijnen. En weer - weer hun schuivend geluid, En weer zijn zij zachtjes verdwenen,- Zij dragen iets uit - iets uit! Zij dragen iets henen! Hoor door het kalme zwart Hun onzichtbre gelaten - Zachtjes waaien zij door mijn hart, Dat is opengelaten. Zachtjes halen zij hun buit Door de bewegende gordijnen,- Zij dragen iets uit - iets uit! En verdwijnen. Zij dragen iets van mijn geest - van mijn ziel, Iets van mijn wijde gedachten, Alsof iets wegviel Uit de dagen, die wachten. Zij dragen iets van mij vandaan, Iets van mijn hoop - iets van mijn zorgen, - Starend hoor ik hen gaan - En wacht den morgen. . . . Zij droegen iets, dat ik had In de donkerte henen, Iets dat ik bezat Is verdwenen. En tusschen den valen schijn Van den dag en den verdorden Nacht, voel ik de weeë pijn Van het ouder worden. ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Zingende stemmen Bezorgd door Joachim Verhagen (jcdverha@xs4all.nl). Het tuintje C. S. Adama van Scheltema Het droppelt nog wat na, maar even Komt toch de lieve zonneschijn, En doet dat kleine groene tuintje Weer bloeiend en weer blijde zijn. Dat rieten dak - dat witte muurtje, En die paar bloemen in het bed - Dat gladde blonde beukenhaagje - Dat lijkt zoo same' een klein gebed! Doch de heele lucht is weer betrokken, Het kleine tuintje is er niet meer: - Daar is alleen de donkre hemel, En 't droppelt - en het regent weer. Dat rieten dak - en die paar bloemen - O! ergens ligt dat beeld in mij, En, als 't gebed dat 'k ben vergeten, Weifelt dat soms mijn ziel voorbij; - Dan komt de schaduw van dit leven En vraagt die bede en blijden schijn, En 't waait langs eenen wijden hemel - Dat is alles te klein - te klein -! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Eenzame Liedjes, 1906 Trias harmonica C. S. Adama van Scheltema Een scheepje voer over de Zuiderzee, Dat had een wit zeiltje op,- De zee en de hemel waren groot, Het land was groen, het stadje rood - Het scheepje koos het ruime sop, De wind die nam het mee! Een vlindertje vloog aan de Zuiderzee, Dat was verdwaald van de hei, - Het land en de hemel waren groot, De wei was groen, de klaver rood - Het witje koos de malsche wei, De wind die nam het mee! Een dichtertje liep langs de Zuiderzee, Die keek in het water zoo zwart, - Zijn hart en de hemel waren groot, De golven groen, zijn oogen rood - De Schoonheid blies diep in zijn hart En nam zijn zieltje mee! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Van zon en zomer, 1902 Het toevallig geluk C. S. Adama van Scheltema Door de nachtelijke stad, Langs verlaten wegen, Vult mijn geest zich met den schat Van een stillen zegen. Nog gebogen door den druk Van het menschenleven, Vind ik menschelijk geluk, Waar geen menschen streven. Uit het troostelooze zwart En uit donkre hoeken Daalt de vrede in mijn hart, Dat moe is van zoeken. ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Zingende stemmen Bezorgd door Joachim Verhagen (jcdverha@xs4all.nl). ------------------------------------------------------------------------ C.S. Adama van Scheltema [C .S. Adama van Scheltema] ------------------------------------------------------------------------ Eenzame liedjes (1906) Angst Moed De Stilte Verlangen Herinnering De Populieren Het edele leven Avond na regen Voor jou en mij Peinzerij bij een bloemetje Voorbij De lindebladen De tak Het tuintje In de zon De dijk Op de avondhei Ach waar ik ga Verloren paradijs De glimlach Dat bloemetje De stem Boven het koren De nachtegaal De Schoonheid Holland Vergeten Zomer Kindergedachten De wilgen Avond Herfstavond Leven In de waaiende helmen Misschien De nacht ------------------------------------------------------------------------ Van zon en zomer 1902 Ich komme wieder und wieder, Unde meine steigenden Lieder Wachsen begrabend euch über die Köpfe! LENAU Mei Voorjaarsmiddag De hei Geboorte Avond De zingende dagdief De stal De moedelooze en zijn schaduw De wijde wereld Zomer Melancholische monoloog De krekels en de wandelaar Mijn hart Zondagmorgen Klacht bij den dood van C.F.L. Avondrust Van Hollands kleur Kleinood De verovering der Gouden Vloot In de avondzon Midzomermorgen De molen Bij de kerk Dat is die minne die ewelic minnet Trias harmonica Avond aan zee 's Dichters morgenlied De boekweit De vagebond Bede Avondgebed Afsterven Door den blooden herfst De sterren September blaas Resurrectio Afscheid Aan mijn partijgenoten ------------------------------------------------------------------------ Uit Stilte en strijd 1909 De stilte Weemoed Het kinderlied De vogeltjes Muziek Wij zoeken 't ver Mijmering Droomen De dralers 1 Mei In 't zomerpension Het geluk Stervend meisje De beukenhaag Het kwartier Vuurtoren, Schets van ontwaken Beschouwingen over de natuur en den mensch De avondwolken Waakt op proletaren Inkeer Antwoord De daad Het orgel Rumoer Bekentenis De sprakelooze rust Bede De hemelspiegel Cupidootje Paarlende webben De stem van den Arbeid De man met de schoffel ------------------------------------------------------------------------ Zingende stemmen (1916) Zingende stemmen Ontwaken bij regen De vrouwen Bij het vliedende levensbeeld Ode aan de jeugd Moe Na den regen Aan die komen Te wapen Vrede Het eeuwig lied Meiregen Oude verven Golven Langs het getijde Picturale sotternije Buxusgeur Tusschen de jaloezieën door Het toevallig geluk De uitdragers Na een jaar Vluchtende ontroering Nazomer Oorlogsgedachten I II III Liedje voor den geestelijken middenstand Herfsttinten Herfstbosch Bede Le retour des hirondelles Onder den boom des levens ------------------------------------------------------------------------ overige werk Le retour des hirondelles Bede om slaap Heimwee Lichte nacht ------------------------------------------------------------------------ noframe versie van deze pagina Gezipte versie van deze pagina om te downloaden. Over de auteur Te wapen C. S. Adama van Scheltema Te wapen! 't roept: "te wapen!" - De kreet gaat als eene geesel los - Daar springt het als een spokend ros, Daar holt het al door beemd en bosch, Daar davert het: "te wapen!" - Zij ijlen op dien luiden last, Zij grijpen lood en ijzer vast, En allerwegen roept en wast Dat wilde woord: "te wapen!" Te wapen! 't roept:"te wapen!" En bonzend port het - klop!klop!klop! Aan ieder hart, aan ieder kop: Trek tege' uw menschenbroeder op En slacht hem met uw wapen! -- Zij rennen op een blinden hoop, En 't blinde noodlot neemt zijn loop - Zij vallen bij den eersten doop En blijven eeuwig slapen. Te wapen! en 't roept: "te wapen!" En nieuwe scharen zijn gehaald, Getooid, getuigd, gespoord, gezaâld - En uit hun starre oogen straalt De glans van 't valsche wapen; Zij zijn uit huis en hof vergaard, Zij stijgen op hun stampend paard - En uit hun harde oogen staart De doodswil van het wapen. En overnieuw! - en nieuwen weer:"te wapen!" Ligt de eerste vijand neergeveld, Dan gaat het gauw om goed en geld, Dan groeit de waanzin van 't geweld Te rooven en te kapen, - Dan gaat het om een mensch zijn dood, Een mensch zijn goed en bloed en nood - Zoo verven zij de wereld rood Met hun betooverd wapen! -- Te wapen! - hoor:"te wapen!" Waar hijgend heel een menschheid streed, Waar heel de wereld druipt van leed, Rijst uit de aard een nieuwe kreet: "Te wapen! - óns het wapen!" En 't roept - het groeit, het nieuwe woord - O makkers! roept het verder voort, Dat ieder menschenkind het hoort: - "Ontwapen hen! ontwapen!" "Ontwapen hen! ontwapen!" Vecht tegen miss'lijk onverstand, Vecht tegen al wat samenspant Met lood en dood en moord en brand - Te wapen! taaie knapen! Komt kerels! kerels houdt u kloek! Vecht tegen dien verdoemden vloek! Vecht! vecht gij voor ons roode doek! Te wapen! - om het wapen! Sta op! - op! op! te wapen! 't Gaat tegen al wat ons verblindt, Het gaat om al wat samenbindt - 't Gaat om de toekomst van uw kind: Kind tot geluk geschapen! - Help, help te strijden voor 't geslacht, Dat staamlend in zijn wiege lacht, Dat op úw durf en daden wacht -- Te wapen! - om het wapen! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Zingende stemmen Bezorgd door Joachim Verhagen (jcdverha@xs4all.nl). De tak C. S. Adama van Scheltema Als 't stil is in den avond En 't dorp prevelt niet meer, Gaat aan den koelen hemel Een tak nog zachtjes heen en weer. Als alles slaapt in het dorp En de donkere daken staan strak, Beweegt voor den sterrenhemel Zachtjes die zwarte tak. En als alles zwijgt in mij, En alle leven is weggeveegd - Is 't of diep in mijn ziel Zoo een zwarte tak zachtje beweegt! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Eenzame Liedjes, 1906 De stilte C. S. Adama van Scheltema Min de stilte in uw wezen, Zoek de stilte die bezielt, Zij die alle stilte vreezen Hebben nooit hun hart gelezen, Hebben nooit geknield. Draag uw kleinen levenszegen Naar het droomenlooze land, Lijk de golve' heur oogst bewegen - Tot zij zachtjes breken tegen Het doodstille strand. Zie den boom de paden tooien Rondom zijnen stillen voet, Laat uw ziel zich zoo ontplooien En haar bloemen om zich strooien Uit een vroom gemoed. Leer u aan de stilte laven: Waar het leven u geleidt - Zij is uwe veil'ge haven, Want zij is de groote gave Van de Eeuwigheid. Sluit de stilte in uw gaarde, Wees in haar gelukkig kind: Al wie ze aan haar schoot vergaarde - Alle zaligen op aarde Hebben haar bemind. ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Uit stilte en strijd, 1909 De Stilte C.S. Adama van Scheltema Daar komt een stilte aan mijn lijf En wezenloos gelaat - 't Is of het leven verder gaat En 'k ergens achterblijf. Nu drijf ik van het leven af Naar eene waterkom, Als eene witte waterblom Naar haar verholen graf. En 't leven gaat voorbij - voorbij, Ik zie het zwijgend aan, En ik - ik kan niet medegaan, Want het is stil in mij. ------------------------------------------------------------------------ En 't leven haalt mij wederom En drijft mij weder mee, En blaast mij als een waterblom Door zijne wijde zee. De stilte is van mijn gelaat En van mijn lijf gewischt - - Dat is de dood, die zich vergist' En naar een ander gaat! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Eenzame Liedjes, 1906 Stervend meisje C. S. Adama van Scheltema Kind van wonden, Dat één stonde Nog als bleeke sterre beeft, Voor wier luister 's Werelds duister Geenen nacht meer olie heeft; Kind van vreezen, Teeder wezen, Kind van louter liefde en leed, Wier geflonker Uit den donker In dit droeve dagen gleed; Kind van zorgen, Met den morgen Van uw leven 't leven moe, Gaan uw oogen Als de hooge Bleek-geworden sterren toe. ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Uit stilte en strijd, 1909 De sterren C. S. Adama van Scheltema Daarboven staat de groote nacht, Daarboven staan de sterren - Wat lijkt het daar licht, wat lijkt dat zacht, Wat lijkt die hemel verre! Wat ver van de kleine wereld vandaan! Zoo om de wereld maar over te slaan - Ai de sterretjes zijn zoo mooi, zoo fijn, Ik wou zoo graag op de sterren zijn En wachten tot later - tot later! Zij pinklen allemaal van pleizier, - Je zoudt toch gaan gelooven: Het is er veel vroolijker dan hier, En mooier ook daarboven! O! ik wou wel van de wereld vandaan En daarboven naar de sterren toe gaan - Ai de sterretjes zijn zoo mooi, zoo fijn, Ik wou zoo graag op de sterren zijn En wachten tot later - tot later! Ach moeder het was nog veel te vroeg! Je had nog moeten wachten, Daarboven was toch plaats genoeg Voorloopig te overnachten! Tot het hier een beetje beter zou gaan, Tot er nog 'n klein tijdje zou zijn vergaan - Ai de sterretjes zijn zoo mooi, zoo fijn, Ik wou zoo graag op de sterren zijn En wachten tot later - tot later! En als ik dan op de sterren zat - Dan zou ik dit hier vergeten, - Dan zou ik vragen: - wat wereld is dat? Maar 'k zou 't niet willen weten! Dan schopte ik de wereld naar de maan, Maar de sterren liet ik stilletjes staan - Ai de sterretjes zijn zoo mooi, zoo fijn, Ik wou zoo graag op de sterren zijn En wachten tot later - tot later! En als 'k de wereld gelukkig dacht En vroolijk en tevreden - Dan klom ik weer op een mooien nacht Van boven naar beneden! En als 'k dan weer op de wereld zou staan - O! dan begon ik van voren af aan! - Ai de sterretjes zijn zoo mooi, zoo fijn, Ik wou zoo graag op de sterren zijn En wachten tot later - tot later! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Van zon en zomer, 1902 De stem C. S. Adama van Scheltema Over het late wegje viel De warme avondgloed, Die glans, die ook een arme ziel Iets schoons gevoelen doet. De laatste kleine leeuwrik droeg Zijn liedje van de min Boven een stil gelaten ploeg Den stillen hemel in. Toen zweeg de wereld om ons heen, Geen vogel zong er meer, Wij voelde' ons met elkaar alleen - En sprake' - en zwegen weer. Doch de avond bleef in 't bloeiend hout, En wachtte om onzentwil, En onze handen werden goud - En onze ziel zoo stil. Toen hoorden wij die stem, die steeg, En toch al hooger hief - - En van de diepe sterren zeeg Een stem: - heb lief! - heb lief! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Eenzame Liedjes, 1906 De stal C. S. Adama van Scheltema Tegen het donker van een schuur Danste op de deel een gouden vlieg, Vlak voor den schemer van een wieg Straalde op den grond het zonnevuur; Een wijnrank en een rozelaar Vlochten hun takken door mekaar - En midden uit die zwarte poort Bekeek een kleine rose droomer Verbaasd dien grooten groenen Zomer, En murmelde een verwonderd woord, - En vóór de poorte van den stal Bloeide het blauw, heerlijk heelal! Zoo was het meer: - er was eenmaal Een kind, dat in een kribbe lag En naar de groote wereld zag, - Het is een oud prachtig verhaal - Een wijnrank en een rozelaar Vlochten hun takken door mekaar - Daar was alleen wat stroo in huis, Daar was een moeder en een herder, Een ezel en een duif - - en verder Brachten de menschen hem een kruis, - En vóór de poorte van den stal Bloeide het blauw, heerlijk heelal! Buiten wiegelt het jonge graan En viert de Mei een gloeiend feest - Diep uit den donker is een geest, Een nieuwe wereld opgestaan! Een wijnrank en een rozelaar Vlechten hun takken door mekaar - Vrienden! geprezen en geloofd Zij onze aarde als nooit te voren: Ons wordt de nieuwe mensch geboren! Zegent zijn gelukzalig hoofd -! ------------------------------------------------------------------------ En vóór de poorte van den stal Bloeide het blauw, heerlijk heelal! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Van zon en zomer, 1902 Carel Steven Adama van Scheltema (1877-1924) Bede om slaap O goede slaap Kom aan mijn oogen! Wieg mijn bewogen Hart te rust Spoel me in uw schaduw Blaas gij mij aan uw Blinde kust! ------------------------------------------------------------------------ Bron: Spiegel van de Nederlandsche poezie door alle eeuwen. (1939) N.V. De Spiegel, Amsterdam ------------------------------------------------------------------------ E-Mail: 0vwijk02@lelystad.flnet.nl Laatste wijziging: 11 september 1996 ------------------------------------------------------------------------ Coster-pagina ------------------------------------------------------------------------ September blaas C. S. Adama van Scheltema September blaas uw gouden vlammen Door al de wijde wereld heen! Blaas van nog boordevolle stammen Het kwijnend afval naar beneên! Begraaf ons in uw gulle goud, Tot ons onstuimig verlangen Barst boven al uw wilde zangen En feest in al uw vruchten houdt! September blaas uw witte buien Als blaren van een rozenstok! Blaas aan ons hart, tot het gaat luien Als de uit uw goud gegoten klok! Totdat ons hoofd zijn lichten draagt Als de aan uw goud ontstoken lampen, Tot straalt door al uw blinde dampen De dag, die uit uw donker daagt! September blaas den hemel open! Blaas door de wolken wagenwijd! Tot onze harten overloopen Van 't goud dat uit den hemel glijdt! Tot onze schoot uw licht bewaart, Tot wij de lichte wereld loven - Tot onze oogen gaan gelooven Aan alle heerlijkheid op aard! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Van zon en zomer, 1902 De schoonheid C. S. Adama van Scheltema Toe ik heden opzag van mijn leven, Uit de schaduw van mijn stille zorgen, Zag ik, tot de witte diepe verte, Weer de Schoonheid om mij henen slaan, - Tot haar immer onverwachte gaven, Tot haar wijde zegenende handen, Tot de kalme stammen van haar vruchten Ben ik weer gelukkig heengegaan. Uit de schaduw van mijn stille leven, Over de onrust van mijn blinde zorgen, Heb ik mij naar de eindelooze verte Met een glimlach weder heengebukt, - En tevreden bij haar heldre gaven, Heb ik met mijn beide dankbre handen Weer een groen lak vol zoete vruchten Van den boom des levens afgeplukt. Wij gaan allen door het wijde leven, Allen dragen wij zoovele zorgen, Allen gaan wij naar de witte verte, Samen gaan we als blinden hand in hand, - En wij toeven bij haar lichte gaven, Tasten zwijgend met gewonde handen Naar die al te schaarsche vruchten Aan de wegen naar 't beloofde land. ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Eenzame Liedjes, 1906 De man met de schoffel Uit het Amerikaansch: The man with the Hoe van Edwin Markham Geschreven na het zien van Millet's bekende schilderij C. S. Adama van Scheltema "En God schiep den mensch naar zijn beeld, Naar het beeld van God schiep hij hem." - Genesis Gebogen door der eeuwen wicht leunt hij Op zijne schoffel, starend naar den grond, De leegheid van geslachten in 't gelaat, En op zijn rug de lading van de weerld. Wie maakte hem dood voor wanhoop en geluk, Een ding dat nimmer lijdt en nimmer hoopt, Dom en verdoofd, een broeder van den os? Wie trok en dreef deez' wilde kaak omlaag? Wiens hand douwde dit voorhoofd zoo terug? Wiens adem blies het licht uit in dit brein? Is dit het ding dat God het leven schonk Om te regeeren over zee en land; Om starre' en heemlen voor zijn macht te meten; De drift te voelen tot onsterflijkheid? Is dit de droom van Hem die zonnen schiep En 't blauw heelal bestraalde met zijn licht? In heel de hel, tot in haar laatste kolk, Is er geen wezen vreeslijker dat dit - Geen grooter schreeuw om 's werelds blind begeer - Geen dieper merk en teeken voor de ziel - Geen zwaarder dreiging tegen het heelal. Wat afgrond tusschen hem en de engelen! Slaaf aan het rad van de' arbeid wat zijn hem Een Plato en de vlucht der dichteren? Wat de eindelooze toppen van dit lied, De morgenstond, het blozen van de roos? Uit deze gruwbren kop zien eeuwen leed; Haar treurspel hangt op dien gebogen rug; Uit dezen gruwbren kop roept menschlijkheid, Misleid, beroofd, ontheiligd en onterfd, Haar aanklacht voor de rechters van de weerld, Een aanklacht die ook een voorspelling is. O macht'gen, meesters, heerschers in elk land! Is dit het maaksel dat gij Gode geeft, Dit leelijk ding ontwricht en uitgebluscht? Hoe richt gij ooit deez' gruwel weder op; Hoe wekt ge hem weder tot onsterflijkheid; Hoe laat gij hem weer opzien tot het licht; Hoe zaait ge in deze ziel muziek en droom En maakt de onheuglijke schande goed, Al 't trouwloos onrcht, al 't onheelbaar leed? O macht'gen meesters, heerschers in elk land! Hoe maakt de toekomst eens deez' reekning op? Wat antwoordt ze op zijn wilde vraag in 't uur Dat oproers stormen schudden aan de weerld? Hoe zal het koninkrijke' en koon'gen gaan - En allen die hem maakten wat hij is - Als deze stomme schrik 't woord vraagt voor God, Aan 't einde van der eeuwen spraakloosheid? ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Uit stilte en strijd, 1909 De moedelooze en zijn schaduw C. S. Adama van Scheltema Wij zaten samen aan den avondzoom; Een weeke geur gleê van de matte takken Langs het verlaten pad En moede landen, - Als een tevreden en doodstille droom Barstte het avondlicht uit de' ouden wrakken Hemel en lei een schat In onze handen. "Gezel! ik heb geleefd en liefgehad, Soms heb ik vreugde en verdriet vergeten, Iets moois - iets liefs gevoeld - - Is 't nog te vroeg? Ik heb gearbeid en gezocht naar wat Een groot heerlijk geslacht eenmaal zal weten, Iets moois - iets goeds bedoeld - Is dit genoeg - ?" ""Genoot! ik ben de schaduw van uw hart, Ik heb geleden en vergeefs geroepen - Nimmer heb ik een lief Gelaat gekust! Het is genoeg tot loon van bittre smart Voor éénen keer de Schoonheid aan te roepen,- Kom leg u als een dief Naast mij te rust!"" Wij hielde' een bleeken schat in onzen schoot; Een huivering gleê van de stille blaren, De maan peinsde in 't spinrag, Staarde ons aan - - "Kom gij die met mij zijt, moede genoot, Gedenk te leven! en aanvaard de jaren Met 'n vriendelijken lach - Laten wij gaan!" ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Van zon en zomer, 1902 De sprakelooze rust C. S. Adama van Scheltema Gelukkig, die de stilte kent, Die, als de avond zinkt, Den beker van vergeten drinkt En zich van 't leven wendt; Die mede met het licht bezwijkt In 't kleureloos verschiet, En kleurelooze dingen ziet Waarin de wereld wijkt. Gelukkig, die geen luid gebed Meer op de lippen heeft, Die niet meer mee dit leven leeft, Doch, als een beeld op bed, Zijn vingers om zijn vingers vouwt En zich het harte bluscht, Waarop de eindelooze rust Haar pyramide bouwt. Gelukkig, die geen licht of lied Of leven meer verbeidt, Die luistert naar de Eeuwigheid En in den hemel ziet! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Uit stilte en strijd, 1909 Rumoer C. S. Adama van Scheltema Het leven is te hard van geluiden, De menschen doen te druk: - Om een ander wat doms te beduiden Verpraten ze hun eigen geluk! In plaats van de vruchten te smaken, Gooien ze elkaar met de schil, Ze praten om maar leven te maken - En de wereld is zelf toch zoo stil! Ze konden het eindlijk wel weten Dat geeneen het in woorden vindt, En dat, waar ze hun woorden vergeten, Het leven pas waarlijk begint! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Uit stilte en strijd, 1909 Resurrectio C. S. Adama van Scheltema Vouw in de bleeke avonden Uw matte stille handen Over al de warme wonden Van den dag - en zijn schande. Over het leven gebogen En zijn eindeloosheden - Open uw schoone oogen, Twee teedere gebeden. Rijs! rijs door de naakte nachten! Tot de onsterflijke rijen Van stralende starrenvrachten Over uw voorhoofd glijen! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Van zon en zomer, 1902 Ontwaken bij regen C. S. Adama van Scheltema 't Is regen, - 't regent aan mijn ruit - De regen wischt mijn droomen uit En draagt mij in den droom van 't leven; Een beeld gaat om - een beeld beklijft, Beeld van een lied - dat blijft, dat blijft: Het zacht en zegenend geluid Van droppelende regen. 't Is regen, - 't regent aan mijn huis - Ik luister, sprakeloos en kuisch, Naar 't lied van 't ledig leven, Dat droomend van den hemel leekt En droomend weder leven kweekt - Dat mild en murmelend geruisch Van droppelende regen. 't Is regen, - 't regent aan mijn geest - De regen wischt wat is geweest En laat maar een gerucht van leven: Een zucht, een zweem van wat muziek, De donzen vlucht van eene wiek Voorbij, voorbij mijn stillen geest - O - zoo te mogen sterven! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Zingende stemmen, 1916 Bezorgd door Joachim Verhagen (jcdverha@xs4all.nl). De Populieren C. S. Adama van Scheltema Het ruischt in de' avondstond, Het ruischt in 't zingende verbond Van mijne lieve donkre populieren - Ik hoor hun koelen geest Het winderige avondfeest Met eene diepe sombre vreugde vieren. Als in den morgen nauw Hun stammen rijzen uit den dauw, Zingen mijn hooge tooverige boomen - Ik hoor hun kalme klacht Tot in den stillen sterrennacht Van al hun zangerige takken stroomen. Als ik het leven vlied Met in mijn hart zijn jammerlied, Luister ik naar hun ritselende blaren - Tot leed en wrevel vlucht, En ik met een gelaten zucht Mij onder hunnen balsem voel bedaren. Zoo 'k aan hun wortels kniel, Als 't waait en wankelt door mijn ziel, Hoor 'k over mij hun rustig vrome koren - Dan gaat mijn weenend hart En heel mijn menschelijke smart Onder hun zingend gebed verloren. Als in het morgenlicht Ik, blijde om een droomgezicht, Verdwaal onder hun sombere gezangen - Dan zwijgt mijn zwakke lach, En blijft dien ganschen wijden dag Een vreemde stilte in mijn boezem hangen. Ik weet wat mij verstomt, Wat van hun loovers nederkomt, Wat daalt uit hunne wankelende kronen: - Dat is vergetelheid - De adem van de eeuwigheid, Die in die duizend blare' is blijven wonen. ------------------------------------------------------------------------ Ik zit in de' avondwind, Een stil geworden menschenkind, Onder mijn lieve donkre populieren - Ik doe mijn oogen toe, En luister eenzaam zwijgend hoe Zij fluisterend hun sombre vreugden vieren. ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Eenzame Liedjes, 1906 Picturale sotternije C. S. Adama van Scheltema Ik droomde van een stuk strand Met zon en heel veel zand - Geel, geel was het van 't zand, En op het strand wat tentjes: Tentjes van geel- en rood- Gestreept, en ook van groen: En in de tentjes veel gekleeds - En ook wat bloots - Maar dat was niet te zien - Veel, veel fatsoen, En ook wat onfatsoen - Misschien, En toen:- Kwam uit een tentje Een meisje, Een meisje in een kostuum, Alleen met rose bloote teentjes En met een mutsje op; 't Kostuum dat was van zijde, Ja zachte zwarte zijde, Ja zij met roode stippen En met een groenen papegaai Op allebei de bippen, - En 't meisje dat was zoo gekleed, Alleen met rose bloote teentjes, En toen:- Ging 't meisje in de zee, De heele groote grijze zee; De zee die joeg een klutsje Tegen het meisje haar mutsje En tegen het meisje haar badkostuum - Zo zwom het meisje in de zee, Zooals een wallevischje, - En de hupsche papegaaien Die bolleboosden mee, ha, ha! Die zwollen en zwiebelzwommen, Die bolde, en bibbelbobbelden Met het lieve meisje mee, En toen:- Was 't strand opeens exotisch: Daar stonden een paar palmen Aan mijne rechterhand, En links daar zat een aapje - En toen ik naar het aapje zag Werden op eens in zee De beide papegaaien Een allerliefste mooie Heel groote kaketoe Van geel en rood en blauw en groen - En die vloog naar den palmboom toe, Mon Dieu! mon Dieu! En toen:- Zat de heele groene palmboom Op eens vol veeren veeren veeren, Van geel en rood en blauw en groen,- Ik stapte om den palmboom heen, Ik danste om den palmboom heen, En 'k schudde, schudde, schudde er aan - Toen vielen de veeren op mijn hoofd En was 'k een Indiaan! Maar één klein rose veertje Dat viel net op mijn hart, tra la! - Ja 't was wel 'n gekke palmboom, Maar 't was ook maar een droom; En toen:- -- was 't uit! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Zingende stemmen Bezorgd door Joachim Verhagen (jcdverha@xs4all.nl). Peinzerij bij een bloemetje C. S. Adama van Scheltema Daar heb je weer dat bloempje staan - Ik weet niet hoe ze 't noemen - Dat trok me als kind nou 't meeste aan Van alle rare bloemen. Dat zette ik op mijn kinderhoed, Dat moest ik altijd plukken - O! ik herinner me nog goed Hoe vreemd dat kon verrukken! En nou ik 't zoo bekijk, en weer Bedenk hoe 'k dat bedoelde - Nou weet 'k toch absoluut niet meer Waarom ik dat zoo voelde! - Niewaar-? we vonden 't allemaal Als kindren heel wat wonders:- Voor een klein kind is nou eenmaal Een bloem iets heel bijzonders! Toen hadde' we - weet 'k nog wel - pleizier Om boone' in sponzedoozen - En later zochte' we klaver-vier - Nog later droogde' we rozen! Dat leer je dan zoo zoetjes aan Wel allemaal vergeten:- Het wonder is er afgegaan, En je ouwe ziel versleten. En hoogstens, als je een boek doorblaart, Vind je nog pro memorie Zoo'n platgedrukte bloem bewaard: - Dat was dan "de historie"! - Toch: - ik voor mij - mij zijn altijd In me' ouwe-mensche-leven, Uit me' hééle-kleine-kindertijd, Twee wondren bijgebleven; En 'k draag ze zuinig aan mijn hart:- Een boterham met muisjes, En 't mooiste bloempje van de mart - Een maandroosje met luisjes! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Eenzame Liedjes, 1906 Carel Steven Adama van Scheltema (1877-1924) Aan mijn partijgenoten Het leven schatert in de rondte Zijn wilden waan, Het stort van alle horizonten Tegen ons aan! Wij zien de barre tijden klimmen, Wier onweer wast, Slechts onze hand houdt aan haar klimmen De wereld vast! Door nevelige sferen gaan wij, Waar niets meer schijnt, Aan 't stuurrad van de wereld staan wij, Recht overeind! Vóór ons zien wij de diepten deizen Den dag gedoofd -- In nacht en storm twee starren rijzen:-- Ons hart-- ons hoofd! Hun licht hangt over blinde zeeën Gerust gericht, Hun stillen schijn houden zij tweeën In evenwicht. De boorden en de naven stampen, Haar bodem kraakt -- De aarde barst uit alle rampen, Haar koers bewaakt! Ons wordt de schemer der gevaren Eén harmonie, Ons wordt het lied der witte baren Eén melodie! Ons rijst achter de verre zwerken Een bleeke schijn, Ons kan dit leven lief en werken Gelukkig zijn! Als eens ons hoofd, teruggebogen, Ten onder gaat, Glimlacht in onze doode oogen De dageraad! Wij voelen de aarde onder ons beven, Wij richten haar! -- Broeders! het is zoo mooi dit leven! Broeders -- zoo zwaar! ------------------------------------------------------------------------ Bron: Spiegel van de Nederlandsche poezie door alle eeuwen. (1939) N.V. De Spiegel, Amsterdam ------------------------------------------------------------------------ E-Mail: 0vwijk02@lelystad.flnet.nl Laatste wijziging: 11 september 1996 ------------------------------------------------------------------------ Coster-pagina ------------------------------------------------------------------------ Verloren paradijs C. S. Adama van Scheltema De avond komt naar beneden En verguldt al dat wuivende loof, - Nu waaien door mijn hart de gebeden Van een lang verloren geloof. Daar gaan al die kronen aan 't zingen - En mijn lijf is met hen vervuld Van den galm van vergane dingen, En van oude menschlijke schuld. En rondom mij rijst dat Eden, Die tuin van geluk zonder leed - Die droom van zóólang geleden, Dat geen ziel er meer iets van weet! Zij hebbe' eeuwig geweend van verlangen Om dat verloren heiligdom, Zij hebbe' er elkaar om gehangen - En zij hebben het nóg niet weerom! Ach! wij zijn te vroeg geboren, En daarom doet het leven zoo'n pijn: - Omdat wij God hebben verloren En nóg niet zijne engelen zijn! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Eenzame Liedjes, 1906 Het orgel C. S. Adama van Scheltema Een orgel! - hoor! Dat klotst in je oor En door je bloed - Dat doet je goed Zoo'n oude dreun! - Dat's nog die deun Van - wacht - nee - och Waarachtig toch: Dat is zooals Die ouwe wals Van eens - van - ah! Van jonge ja - Van toen - van toen - van toen -! Wat klinkt dat kwiek Die dansmuziek, Die pas van drie, - Nou sapristi Vooruit: probeer Nog 's ouwe heer! Hoe lang is 't nou -? Wat gaat dat gauw Naar de ouwe dag -! Wat zag ze - - ach Dat 's flauwigheid! Zoo is 't altijd - Honneur aux dames - aux dames - aux dames -! Nou opgepast:- Hoe was 't -? zoo was 't -! Zoo: - voet bij voet - Dan die - dat 's goed - Draai door - draai door! - - Verduveld hoor Dat ouwe lied -! Dat gaat je niet Meer uit je kop - Dat vreet je op En overal - - Ach ben je mal! - Wat fiedelt - fiedelt - fiedelt dat! Wat hard geluid! Wat klinkt dat uit Zoo'n orgel plat - Zoo'n draaiend rad, Zoo'n rammelkast, - En toch: - zoo was 't - - Zoo langzaam aan - Dat lichte gaan - De leuke zwier - Dat zoet pleizier - Dat zacht genot - Dat - God! ach God! Stakkert - stakkert - stakkert -! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Uit stilte en strijd, 1909 Oorlogsgedachten III C. S. Adama van Scheltema Wij ook, die verbijsterd stonden Te luistren naar dit oordeelsuur, Wij ook werden de gewonden, De geteekenden door dit vuur! Wij ook, die niet medestreden, Verloren iets in den strijd:- Wij verloren ons verleden Als een dorre nutteloosheid. Achter ons liggen de jaren- Zoo ver - zoo vruchteloos lang, En wat de toekomst nog baren Zal, lijkt nu zoo bitter - zoo bang! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Zingende stemmen Bezorgd door Joachim Verhagen (jcdverha@xs4all.nl). Oorlogsgedachten II C. S. Adama van Scheltema Het oude valt - de toch der tijden Blaast gaten in mijn horizon,- Gedachten van het leven glijden Terug naar waar 't leven begon. Het oude valt - de levensbeelden, Die 'k bouwde, zinken om mij heen En, arm, voel ik de arme weelde Weer deel te zijn van het gemeen. Het oude valt - wat wordt geboren Wijkt naar al verder horizon, Mijn eigen wereld gaat verloren - Is zooveel schooner wat ik won? ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Zingende stemmen Bezorgd door Joachim Verhagen (jcdverha@xs4all.nl). Oorlogsgedachten I C. S. Adama van Scheltema Als kind dacht ik van 't leven, Dat achter alles wat 't Me als speelgoed had gegeven Nog 'n wonder zat. Toen 'k, grooter, de eerste vragen In 't boek des levens las, Dacht ik, dat 't op zou dagen Als 'k grooter was. En grooter: - wat me ook daagde, Leek mij van binnen voos, Het wonder, dat 'k bejaagde, Week, week altoos! -- Het wonder van mijn droomen Beleef ik van nabij: Het is eindlijk gekomen - Maar niet voor mij. 't Proeft wee van bloed en tranen, 't Is groot - en vaag - en veeg, Het vult een weerld vol wanen - Maar laat mij leeg! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Zingende stemmen Bezorgd door Joachim Verhagen (jcdverha@xs4all.nl). Vluchtende ontroering C. S. Adama van Scheltema Verloren in de' avond Weg van mij, Vlucht een ontroering, Voorbij - voorbij. Was het 't lieflijke Van een gezicht? Alleen de weerschijn Van 't avondlicht? Was 't de gedachte aan Iets liefs van weleer? Of een verwachting -? Ik weet niet meer. Een vogel nam het Mede op zijn vlucht En droeg het ver heen In de avondlucht. Een dood blad nam het Op zijn stille vaart En droeg het neder In 't stof der aard. Als vogels en blâren Gaat alle lieflijks heen - Zij laten ons peinzend Leeg en alleen. ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Zingende stemmen Bezorgd door Joachim Verhagen (jcdverha@xs4all.nl). Nazomer C. S. Adama van Scheltema Vaag drijft door de open deur De bleeke avondwind Een bitter killen geur - Alsof de herfst begint. Vaag, als een vallend blad, Daalt door mijn leegen geest Herinnering aan wat Wel eenmaal is geweest. 't Is of mijn hart verstomt En of ik stil verga, 't Is of de herfst al komt - Hij komt weldra - weldra! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Zingende stemmen Bezorgd door Joachim Verhagen Na den regen C. S. Adama van Scheltema Na den regen straalde de avond En breidde zijn blauwe armen wijduit En hief het lachend gelaat van de aarde Door den dunnen nevel van tranen Voor hare fonklende wimpers Weder blozend omhoog; Laat mij zoo lachen hemel, En hef mijn ziel tot uw borst, En laat de dampen van mijn leed En van mijn kleinheid en van mijn duffe gedachten En van mijn dierlijke lijf - En alle mist der blinde wezens Van deze wereld Wegtrekken van mijn ziel! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Zingende stemmen Bezorgd door Joachim Verhagen (jcdverha@xs4all.nl). Avond na regen C. S. Adama van Scheltema Er waren nog vegen van vuur in den avond, Die verdween in den walmigen dauw Na den druipende regen. Uit de rookende weiden, vol bange geheimen, Rezen benevelde boomen Als stille giganten. En nog een late koe loeide van verre - En nog de roep van een koekoek - En toen niet meer. Alleen nog droppelde 't slapende loover - En de booze beek vluchtte Naar een donker oord. En toen verdwene' alle levende dingen In het angstige doofstomme duister - En om mij groeide de nacht. ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Eenzame Liedjes, 1906 Carel Steven Adama van Scheltema (1877-1924) Lichte nacht Ik ben voor den nacht gaan staan Met mijn lijf vol zonden -- Mijn roode hoofd hing gebonden In de stralen der maan. De oneindige hemel geleek In zijn diepe beminde Stilte een spiegel -- waarin de Eeuwigheid keek. Als een kille zee van wijn Draaf de hemel met stille Golven -- ik wilde mijn lippen optillen Om te drinken en rein te zijn. Als een dankbaar dier, zoo vroom, Heb ik van den nacht gedronken Toen ben ik nedergezonken Als een blad van een boom. Over mijn volgezuchte bed Heeft de maan geschenen Haar glimlach ging over mij henen Als een gebed -- als een gebed! ------------------------------------------------------------------------ Bron: Spiegel van de Nederlandsche poezie door alle eeuwen. (1939) N.V. De Spiegel, Amsterdam ------------------------------------------------------------------------ E-Mail: 0vwijk02@lelystad.flnet.nl Laatste wijziging: 11 september 1996 ------------------------------------------------------------------------ Coster-pagina ------------------------------------------------------------------------ Muziek C. S. Adama van Scheltema Als 't avond is, avond aan 't strand en de zee, En de hemel aan flarden van goud en van zwart, En de dreunende golven beschuimen het strand, En de vlokken die beven en rollen en rillen, En het duin is verlaten en eindloos alleen, En ik luister verrukt naar de ruischende zee - Dan waait soms uit de golven Een diepe muziek. Als 't avond is, avond aan 't strand en de zee, En de duistere hemel bewoekert het Oosten, En daaronder bukt zich de donkere wereld, En daarin verdijnen de toppe' en de torens, En daarachter leven de leelijke steden, En de mensche' en hun witte gezichten - Dan rijst vaak uit die verten Een vlucht van muziek. Als 't avond is, avond aan 't strand en de zee, En de nacht weekt mij af van de schamele aarde, En bevleugelt mijn ziel als een donkeren vogel, Dan wil ik grijpe' al de sterre' en de stede' en de golven, En dan luidt mijn lijf als een klok op de duinen, En dan wil ik leven en kussen en zingen - En dan gilt door mijn hart Een wilde muziek! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Uit stilte en strijd, 1909 's Dichters morgenlied C. S. Adama van Scheltema Witte wolken die daar zwerven, Groen wei van 't waterland! Blauwe hemel - vette verven, Doet mij kwasten aan de hand! Tuintje met jouw abrikozen, Welig van de nattigheid! Met jouw fruit, met jouw frambozen, Geef mij van jouw sappigheid! Bloemen, fleurig in de kleuren, En jij linde en jasmijn! Laat mijn liedje van jouw geuren 's Morgens vroeg niet dronken zijn! Nuchtre winde! blaas 't aan mijn ooren, Klaterende waterval! Vogels zegt mij van te voren Hoe ik 't liedje zetten zal! Meiske 't is in jouw vermogen: - Geef mijn liedje goeden moed! Dat ik niet met schreiende oogen Naar die schatten zoeken moet! Maak ze rijk en houd ze simpel, Stuur mijn liedje in de zee! Bij jouw vlag en vluggen wimpel Neempt het Holland's gaven mee! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Van zon en zomer, 1902 De molen C. S. Adama van Scheltema En beneden waren de menschen - Die maaiden het gele heete graan, Die hadden geen ploeg en geen paarden, Die groeven de gierige aarde En die konden niet recht meer staan; Zij maalden hun hart, Zij maalden hun zweet, Zij maalden hun bitter, bitter leed - En op aarde groeide een bleek geslacht Van heel arme kleine menschen! En daarboven stond de molen - Die maalde het schamele graan, Zijn schaduwen zwaaide' in de landen - Elk nam uit hun magere handen Als een donkere dief iets vandaan; Die maalde hun hart Die maalde hun zweet, Die maalde hun bitter, bitter leed - En op aarde vloeide het witte meel Van den grooten mooien molen! En daarboven stond de hemel - Die liet groeien het dunne graan, Die blies immer den molen aan 't malen, Die draaide om de dagen zijn stralen En zag de menschen bidden gaan; Die maalde hun hart, Die maalde hun zweet, Die maalde hun bitter, bitter, leed - En op aarde stortte het vlammend vuur Van den grooten hoogen hemel! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Van zon en zomer, 1902 Moed C.S. Adama van Scheltema O zon gij komt mij weer genezen! O geurenvolle zomerwind Ik wil in u gelukkig wezen - Een diep-gelukkig menschenkind! Ik worstel in uw licht naar boven, Ik stijg weer uit uw schaduwen, Ik wil weer in mijzelf gelooven, Dat ik gezond - gezegend ben! Zie 'k heb mijn hoofd weer opgeheven, Ik wil een dappre kerel zijn, Ik wil weer vechten met het leven En lachen in den zonneschijn! Zie, 'k heb den moed om niet te klagen, Om iedre vreugd en iedre pijn Glimlachend aan mijn hart te dragen: - Den moed om een blij mensch te zijn! Den moed om zelf mijn lot te lezen, Tot het mij dood van 't vechten vindt - O zon! ik wil gelukkig wezen - Een diep-gelukkig menschenkind! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Eenzame Liedjes, 1906 Moe C. S. Adama van Scheltema Moe van leven, Moe van weten, Moe van willen, Moe van mij - Wil ik weggaan naar de verte Wil ik weg van deze wereld - Wil ik niets meer - Wil ik dood! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Zingende stemmen Bezorgd door Joachim Verhagen (jcdverha@xs4all.nl). Misschien C. S. Adama van Scheltema Soms kijk ik uit mijn leven op, Of iets voorbij mij gaat - Of ook mijn harde boerenkop Iets heerlijks overslaat. 't Kon zijn! - een mensch, een vrouw, een vriend - Een parel, of zoo iets, - Iets dat ik eig'lijk had verdiend - En toch - ik weet toch niets. Nee, gaat mijn leven iets voorbij, Dat 'k zelf niet goed kan zien - Dan is 't voor andre', en niet voor mij, - En toch - misschien - misschien! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Eenzame Liedjes, 1906 Dat is die minne die ewelic minnet C. S. Adama van Scheltema Wat dauwt daar zoo waar de Zon ondergaat -? Kind, de zon doet de aarde In nachtgewaad. Wat zijn dat voor dingen In wei en riet -? Kind, de krekels zingen Een minnelied. Wat dragen de winden Voor geur zoo laat -? Kind, de bloesem van linden Die opengaat. Wat schijnen jouw oogen Zoo groot, zoo goud -? Kind, dat doet dat hooge Vergulde woud. Wat is - zeg - dat verre Zoete verdriet -? Kind, vraag dat den sterren, Vraag het mij niet! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Van zon en zomer, 1902 Mijmering C. S. Adama van Scheltema 't Wordt stil - en als een stille droom Komt de avond om mij heen, - En zachtjes ga ik droomend aan Den weefstoel van 't verleên. En zachtjes tel 'k de dagen weer, Die door mijn vingers gleên - En droomend zie 'k het dampend dal Door de' avondschemering heen: - Daar is dezelfde heuvel waar De zon vroeger verdween - Daar zijn dezelfde dingen nog Waarop zij vroeger scheen. Dezelfde boome' en pade', - iets is Toch anders dan voorheen - Zij waren stiller - vreemder - of Veranderde ik alleen? Daar liep ik - en daar lag ik toen - Daar klom ik overheen, - Het lijkt zoolang - zoolang al - en 't Is toch niet lang geleên. En langzaam om mijn droomend hoofd, Komen twee armen heen - En 'k droom - en waak - en ach, ik weet Niet of ik lach of ween. En peinzend zie ik haar gelaat, Dat buigt over mij heen - En 'k zie haar aan, en weifel nog - Ben ik niet meer alleen -? ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Uit stilte en strijd, 1909 Midzomermorgen C. S. Adama van Scheltema Het raam is opgeschoven, Ik zit stil voor mijn ontbijt, Buiten staan de eerste schooven En ginder bloeit de boekweit. 't Is anders drukker 's morgens, Nu is het tuintje heel stil - Het lijkt of 't iets verborgens, Iets bijzonders zeggen wil. Kijk: bij de rozenstokken Ligt 't bloeisel al op den grond, Tusschen de zonnevlokken Van den blonden morgenstond. Ik hoor het windje loopen Door den donkren noteboom, - De dag - de dag staat open! - Ik geloof dat ik nog droom. Ik wilde wel iets grijpen, Maar ik - ik weet niet wat - en - Ik kan maar niet begrijpen Hoe ik zoo gelukkig ben -! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Van zon en zomer, 1902 Liedje voor den geestelijken middenstand C. S. Adama van Scheltema Neem gij het leven Zooals het is- Een beetje onrechtvaardig, Een beetje boosaardig, Maar ook wel eens aardig En soms lang niet mis! Leef gij het leven Zooals het gaat - Niet al te opzichtig, Niet al te gewichtig, Een beetje voorzichtig Dan is 't niet zoo kwaad! Houd gij het leven Bedaard in het oog - Toon gij u krachtig, Uw doel steeds gedachtig, Nooit onwaarachtig, En dan: kop omhoog! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Zingende stemmen Bezorgd door Joachim Verhagen (jcdverha@xs4all.nl). Melancholische monoloog C. S. Adama van Scheltema 't Is triestig in den leegen morgen, Ik heb het, geloof ik, verbruid, Alleen de Zon is zonder zorgen - Lacht goedig de wereld wat uit. Ai jij daar! rijke mooie moeder! Die je nooit aan 'n sterveling stoort, Ik ben hier maar een arme loeder En moet door de wereld nog voort! 't Is maklijk om zoo'n Aard te maken, Je bent er licht binnen gerold, - De vraag is hoe ze verder raken, Hoe 'n drommel de wereld doortolt! Zie jij den boel beneê maar draaien, De kiekens maar al in de weer! - Niewaar? jij denkt: - laat ze maar waaien, 't Komt toch altijd op 't zelfde neer! 't Is triestig in den leegen morgen - - Jij daarboven! lach ze maar uit! Met al er jammerlijke zorgen Gaat de wereld toch langzaam vooruit! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Van zon en zomer, 1902 Meiregen C. S. Adama van Scheltema Meiregen maakt dat ik grooter word - grooter word, Stroom aan mijn lijf, aan mijn hoofd! Dat 'k als een boom uit de bosschen groei en Niet als het gras aan den grond - Dat 'k als een boom uit de bosschen groei en De wereld kan zien in het rond! Meiregen maak dat ik sterker word - sterker word, Stroom aan mijn lijf, aan mijn hart! Dat 'k als een boom in het leven sta en Niet als een twijg op het veld - Dat 'k als een boom in het leven sta en Vast bij der wereld geweld! Meiregen maak dat ik wijzer word - wijzer word, Stroom aan mijn lijf, aan mijn ziel! Dat 'k als een boom in den hemel groei en Niet als een bloem in de wei - Dat 'k als een boom in den hemel groei en - Boven des levens getij! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Zingende stemmen Bezorgd door Joachim Verhagen (jcdverha@xs4all.nl). Mei C. S. Adama van Scheltema Verliefde Mei, verliefde wei, Verliefde feestenooten! Mijn groene spruit, Gebloemde bruid, Mijn gladde jonge loten! Gegroet, volk van den zomertijd! Uw troebadoer, Uw feesttamboer Mint nooit een andre meid! Mijn madelief, mijn hartedief, Prinsesje van de weien! Mijn boterblom, Mijn mellekkom, Mijn roode arebeien! Gegroet, volk van den zonneschijn! Uw troebadoer Komt op den vloer, Een liedje aan de lijn! Een bloesemboom, Geschepte room, In 't groen een rose zwijntje! Een witte geit, Een boerenmeid, In 't vat een zomerwijntje! Gegroet, volk van den zonnenoen! Uw troebadoer Ligt op de loer Naar de' eerste zomerzoen! De zon versiert, De zon bestiert Die kostlijke vrijage! Wat doet ze daar? Wat maakt ze klaar? Zij stapelt de fourage! Gegroet, moeder van alle bloesem! Uw troebadoer O bestemoer Kust heel bescheide' uw boezem! Een groene kuif, Een eierstruif Van paardebloeme' en grassen! Een schuimpastei Van melk en ei En wolke' en waterplassen! Gegroet! het vette maal vangt aan! Uw troebadoer Uw drinkbroer, Uw muzikant zit aan! ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Van zon en zomer, 1902 De lindebladen C. S. Adama van Scheltema Zie, de bladen beven van de linden, En zij zwaatlen even heen en weder - En zij zwijgen in den wijden middag En hun groene harten hangen neder. Zie, de late zomerschaduws dalen, En een glimlach, een geruste spade, Spreidt zich over al hun oude loover, Bloeit om alle stille lindebladen. Zooals al die groote groene harten Heeft mijn hart bewogen in dit leven - Alles van dit leven ben 'k vergeten, En een glimlach is me alleen gebleven. ------------------------------------------------------------------------ ------------------------------------------------------------------------ Eenzame Liedjes, 1906 Leven C. S. Adama van Scheltema O, als een dier te zijn! - Een dier in den zonneschijn - Te koekeloeren, Zoo eene bloem zien staan, En een beestje voorbij zien gaan, Zoo lekker te loeren! En als een kind te zijn! - Een kind in den zonneschijn - Iets liefs te zingen, Zoo vol van kindervreugd, En van dartele jeugd, En simpele dingen! En een wijs mensch te zijn! - Een mensch in den zonneschijn - Te wete' en te streven,