Fragment uit: Mario Vargas Llosa, 'De oorlog van het einde van de wereld' (blz 588-592). Voorgedragen te Schiermonnikoog, 1 december 1995. De oorlog van het einde van de wereld 'U bent de kindermoordenares van Salvador,' zei hij. Hij had geen tijd om ervan te schrikken dat hij het had gezegd, want er kwamen twee explosies vlak achter elkaar en de winkel kraakte woest, alsof hij in zou storten. Er vloog een stofwolk naar binnen die zich volledig op zijn neus leek te concentreren. Hij begon te niesen, met toenemende, krachtige, steeds snellere, wanhopige aanvallen zodat hij over de grond rolde. Zijn borst knapte bijna door gebrek aan lucht en hij sloeg er met beide handen op terwijl hij doornieste, en tegelijk zag hij half, als in een droom, door de blauwe kieren, dat het inderdaad dag was geworden. Terwijl zijn slapen zo werden uitgerekt dat ze bijna scheurden, dacht hij dat dit dan inderdaad het einde was, hij zou de verstikkingsdood sterven, niesend, een stompzinnige manier van doodgaan, maar beter dan door de bajonetten van de soldaten. Hij viel achterover op de grond, nog steeds niesend. Een seconde later lag zijn hoofd op een warme vrouwenschoot, liefkozend, beschermend. De vrouw liet hem lekker tegen haar knieën leunen, veegde zijn voorhoofd af, wiegde hem zoals moeders hun kinderen in slaap wiegen, Verdwaasd, dankbaar, mompelde hij: 'Moeder der Mensen.' Het niesen, het zieke gevoel, het bijna stikken, de zwakheid hadden het voordeel dat ze hem van zijn angst afhielpen. Hij beleefde het kanongebulder als iets vreemds en hij voelde zich bijzonder onverschillig tegenover het idee te sterven. De handen, het gefluister, de adem van de vrouw, haar vingers die over zijn schedel, voorhoofd en ogen gleden vervulden hem met vrede, brachten hem terug in een schimmige kindertijd. Hij was opgehouden met niesen, maar de kriebel in zijn neusgaten -twee open wonden- zeiden hem dat de aanval zich van het ene moment op het andere kon herhalen. Tijdens die vage roes dacht hij terug aan andere aanvallen, waarin hij ook van zijn einde overtuigd was, die nachten in zijn Bahiaanse bohemien-leven die bruut gestoord werden door zijn niesbuien, als een censurerend geweten, tot grote hilariteit van zijn vrienden, die dichters, musici, schilders, journalisten, vagebonden, acteurs en nachtvlinders van Salvador samen met wie hij zijn leven had verspild. Hij herinnerde zich hoe hij was begonnen met ether te snuiven, omdat ether hem rust gaf na die aanvallen waarvan hij uitgeput was, vernederd, zijn zenuwen tot het uiterste gespannen, en hoe later de opium hem van het niesen redde met een tijdelijke, lucide dood. De liefkozingen, het zachte zingen, de troost, de geur van die vrouw die haar zoon had gedood, toen hij als adolescent net bij een krant begon te werken, en die nu priesteres was in Canudos, leken op de opium en de ether, ze waren iets zachts en lethargisch, een aangename afwezigheid, en hij vroeg zich af of die moeder die hij niet had gekend hem toen hij klein was ook zo had geliefkoosd en hem dat gevoel van onkwetsbaarheid en onverschilligheid voor de gevaren en de wereld had gegeven. In zijn geest trokken de lokalen en de speelplaatsen van de school van de paters salesianen voorbij waar hij door zijn niesbuien, zoals ongetwijfeld de Dwerg, zoals ongetwijfeld het lezende monster dat hier was, de risee, het slachtoffer, het doelwit van grappen was geweest. Door zijn niesaanvallen en zijn slechte gezichtsvermogen was hij verre gehouden van sport, moeilijke spelletjes, was hij als een invalide behandeld. Daardoor was hij verlegen geworden, door die verdomde, onbeheersbare neus was hij gedwongen zakdoeken te gebruiken zo groot als lakens, en door die neus en zijn slechte ogen had hij nooit een vriendinnetje, verloofde of echtgenote gehad en altijd geleefd met dat eeuwige gevoel belachelijk te zijn, waardoor hij zijn liefde niet durfde te verklaren aan meisjes op wie hij verliefd was, hun de gedichten niet durfde te sturen die hij voor hen schreef en later lafhartig verscheurde. Door die neus en die bijziendheid had hij alleen hoeren van Bahia in zijn armen gehouden, alleen die zakelijke, snelle, smerige liefde gekend die hij tweemaal had betaald met purgaties en sondebehandelingen, die hem hadden doen janken van de pijn. Hij was ook een monster, een lamme, een invalide, een abnormale. Het was geen toeval dat hij nu op de plaats was waar alle lammen, ongelukkigen, abnormalen en lijdenden van de wereld samen waren gekomen. Het was onvermijdelijk, want hij was een van hen. Hij huilde gierend, in elkaar gedoken, zich met beide handen aan de Moeder der Mensen vasthoudend, stotterend, jammerend over zijn ongeluk en ellende, alles eruit gooiend, gejaagd, kwijlend en snikkend, zijn verbittering en zijn wanhoop van nu en van vroeger, in zijn verdwenen jeugd, zijn frustraties over zijn leven en zijn carrière, tegen haar sprekend met een oprechtheid die hij daarvoor zelfs niet tegenover zichzelf had gehad, haar vertellend hoe akelig en ongelukkig hij zich voelde omdat hij nooit een grote liefde had gedeeld, omdat hij nooit een succesvolle dramaturg, de bevlogen dichter was geworden die hij had willen zijn, en omdat hij wist dat hij nog stompzinniger zou sterven dan hij al had geleefd. Hij hoorde zichzelf hijgend zeggen: 'Het is onrechtvaardig, het is onrechtvaardig, het is onrechtvaardig.' Hij voelde dat zij hem op het voorhoofd, de wangen, de oogleden kuste, hem tegelijkertijd tedere, zoete, onsamenhangende woordjes toefluisterde, zoals je tegen pasgeborene doet om hen met dat geluid te betoveren en gelukkig te maken. Hij voelde inderdaad een grote opluchting, een fantastische dankbaarheid voor die magische woorden: 'Kindje, kindje, jongetje, duifje, lammetje...' Maar plotseling werd hij teruggebracht in de werkelijkheid, de rauwheid, de oorlog. Door de donderende explosie die het dak wegrukte, was opeens de hemel boven hen, de fonkelende zon, de stralende ochtend. Er vlogen splinters, stenen, kapotte dakpannen, verbogen draden door de lucht en de bijziende journalist voelde de schok van kiezels, zandkorrels, grote stenen op duizend-en-een plekken van zijn lichaam, gezicht en handen. Maar hijzelf noch de vrouw, noch de Leeuw van Natuba werden omvergegooid door de lawine. Ze stonden, dicht tegen elkaar aangedrukt, de armen om elkaar heen geslagen, en hij zocht wanhopig in zijn zakken naar zijn kapotte bril, denkend dat hij nu helemaal kapot was, dat hij in het vervolg zelfs niet meer op deze hulp kon rekenen. Maar daar was hij, intact, en terwijl hij zich nog steeds vastklemde aan de moederoverste van het heilige koor en de Leeuw van Natuba, nam hij in vervormde beelden de schade in ogenschouw die de explosie had aangericht. Behalve het dak was de voormuur ingestort, en met uitzondering van de hoek waar zij stonden, was de winkel een hoop puin. Door de omgevallen muur zag hij nog meer puin, rook, hardlopende schimmen. En op dat ogenblik stroomde de ruimte opeens vol gewapende mannen met blauwe armbanden om hun mouwen en blauwe halsdoeken; onder hen zag hij de stevige, halfnaakte gestalte van Joao de Grote. Terwijl hij hen Maria Quadrado en de Leeuw van Natuba zag omhelzen, begon de bijziende journalist, die zijn pupil tegen zijn bril drukte, te beven: ze zouden hen meenemen, hij zou alleen achterblijven in deze ruïne. Hij greep zich weer vast aan de vrouw en de schrijver en terwijl al zijn schaamtegevoel, iedere scrupule verdween, begon hij te jammeren dat ze hem niet in de steek mochten laten, hij smeekte het hun, maar de Moeder der Mensen trok hem aan zijn hand mee, achter hen aan, toen de grote neger beval hier weg te gaan. En toen liep hij in een door chaos, rookwolken, lawaai en puinhopen op zijn kop staande wereld. Hij was opgehouden met huilen, zijn zintuigen spitsten zich op de zeer riskante taak obstakels te vermijden, niet te struikelen, uit te glijden, te vallen of de vrouw los te laten. Hij was tientallen malen door de Campo Grande naar de plaza de las Iglesias gegaan, maar toch herkende hij niets: ingestorte muren, gaten, rotsblokken, rondslingerende voorwerpen, mensen die heen en weer liepen, die leken te schieten, te vluchten, te brullen. In plaats van kanonschoten hoorde hij geweerschoten en kindergehuil. Hij wist niet meer op welk moment hij de vrouw precies had losgelaten, maar opeens merkte hij dat hij niet meer haar vasthield maar een ongelijkmatige. lopende vorm wiens angstige gehijg zich mengde met het zijne. Hij had hem bij een bos dikke krullen vast. Ze raakten achter, men liet hen achter. Krachtiger hield hij de haardos van de Leeuw van Natuba in zijn greep, als hij die losliet zou hij alles kwijt zijn. En terwijl hij rende, sprong, opzij sprong, hoorde hij zichzelf smeken niet harder te lopen, medelijden te hebben met iemand die niet voor zichzelf kon zorgen. Hij knalde tegen iets aan waarvan hij dacht dat het een muur was, maar het waren mensen. Hij voelde hoe hij werd tegengehouden en teruggeduwd, toen hij de vrouw hoorde vragen of ze hem binnen wilde laten. De muur ging open, hij voelde tonnen en zakken en mannen die schoten en schreeuwden en hij ging naar binnen, tussen de Moeder der Mensen en de Leeuw van Natuba in, een donkere ruimte in via een deurtje van bamboestaken. De vrouw zei tegen hem, zijn gezicht aanrakend: 'Blijf jij maar hier. Wees niet bang. Bid.' Hij kon nog net zien dat zij en de Leeuw van Natuba door een tweede deurtje verdwenen. Hij liet zich op de grond vallen. Hij was uitgeput, hij had honger, dorst, slaap, dringende behoefte deze nachtmerrie te vergeten. Hij dacht: Ik ben in het heiligdom. Hij dacht: Daar is de Raadgever. Hij was verbaasd dat hij helemaal hier was gekomen, hij bedacht hoe bevoorrecht hij was, hij zou van dichtbij het middelpunt zien en horen van de storm die in Brazilië was opgestoken, de bekendste en meest gehate man van het land. Wat zou hij eraan hebben? Zou hij soms de kans krijgen het na te vertellen? Hij probeerde te horen wat er binnen in het heiligdom werd gezegd, maar door de herrie buiten kon hij niets opvangen. Het licht dat tussen de bamboestaken door sijpelde was wit en fel en de hitte was groot. De soldaten moesten al hier zijn, er moest al gevochten worden in de straten. Desondanks werd hij verlamd door een diepe rust in die eenzame, donkere vluchtschans. De bamboedeur kraakte en hij zag vaag de schaduw van een vrouw met een doek om haar hoofd. Ze gaf hem een kom eten in zijn handen en een blikje met een vloeistof waarvan hij, toen hij het dronk, ontdekte dat het melk was. 'Moeder Maria Quadrado is voor u aan het bidden,' hoorde hij. 'Geloofd zij Onze-Lieve-Heer de Raadgever.' Terug naar overzicht Fragment uit: Thomas Rosenboom, 'Gewassen Vlees' (blz 282-286). Voorgedragen te Utrecht, 17 oktober 1997. Gewassen vlees Hij moest de laatste deur voor de lijkdeur rechts hebben. Wijdbeens en zijn armen nog steeds uitgespreid als spielatten liet hij zich van voet op voet vallen, hij liep als een passer tot zijn linkerbeen in de zwaai gestopt werd en zijn knie hem trof als een kogel van gloeiend lood. De val duurde eindeloos, nergens nog zag hij de grond waarop hij zou neerkomen en steeds ijler klonk de suizende stilte, tot die ineens omsloeg in het oorverdovende geraas van metaal op metaal. Het geklater lichtte in talloze schitteringen op, hij was ondergedompeld in een leeg, metaals water en terwijl hij zwemmend over de grond spartelde bleef het tumult maar aanhouden. Eindelijk kon hij zich ergens aan vastklampen, het was de dunne rand van een melkmolde, het schuitje waarmee de duivel over de wateren gaat: hij had een stapel koperen aden van de boerin omgetrapt. Gek van angst hield hij zich vast aan de schrapende schaal op de tegels, toen begon hij zich kokhalzend en met maaiende bewegingen een weg terug te banen. Hij stootte tegen de deur, zijn tasten naar de klink werd een bonzen en met een kurkdroge keel viel hij tenslotte de stal binnen, uitgeworpen door de kou en het donker. Huilend stond hij aan het kalfhok, de tranen die hem uit de ogen dropen maakten zijn lippen nat maar toen hij de leemkorrels wilde doorslikken plakten zijn nog droge keelvliezen zo lang aan elkaar dat hij kuchend meende te stikken. Toen hij eindelijk tot bedaren kwam zag hij dat de koe was wakker geworden en opgestaan. Als een klepel ging de honger tekeer in zijn buik, als een kogel rolde hij heen en weer op zijn bekken: hij moest eten, en nog voor hij begreep wat zijn lichaam deed klom hij over het beschot. Als op een zacht donsbed lag hij naast het kalfje achter de koe in het stro. Het diertje keek wel naar hem maar was niet opgestaan, lag nog steeds in weerloos welkom en vertrouwen op zijn zij. Reeds had de zachte bodem een deel van zijn zwaarte overgenomen, het was of hij in het stro dreef en heel zacht schoof hij zich ruggelings tussen de achterpoten door onder de koe, om zijn jeukende rug zo te schurken op de strotjes. Hij glimlachte al toen hij het volgende moment een van de spenen vastpakte en in zijn mond stak. In golven rolde de druk van zijn knijpende vingers naar het uiteinde toe, hij zoog tegelijkertijd en toen de melk toeschoot liet hij de speen zich dadelijk weer vullen terwijl hij tegelijk met zijn andere hand een tweede speen spuiten liet en in zijn mond stak. Weer zoog hij, weer dronk hij, en zo verder tot heel zijn lichaam warm was als het zog, tot de kogel in zijn maag begon te drijven en zich uiteindelijk geheel oploste in de melk. Het heen en weer van de ene speen naar de andere, van het zuigen naar het trekken en van het spuiten naar het zwellen, allengs wiegde het hem zo dat hij er niet meer mee op kon houden, en ook toen hij zich al in volkomen verzadiging plat onder de koe had uitgestrekt, zonder nog te zuigen, trok hij nog door en liet de vette biest in bedwelmende tweekwartsmaat over zijn gezicht stromen. Pas wanneer die zwaar en vol in zijn open mond stond slikte hij nog, maar dan schoot er al weer een nieuwe stroom toe - hij zag de biest niet, voelde de witheid echter schijnen in zijn geest, ruimer en ruimer, het was de onmetelijke ruimte van een witte muur, met hoge koorts ooit gezien vanuit het ziekbed; de ruimte ook van Catharina's boezem, steeds wijder bij het kijken, uitvloeiend, opwelvend, wegglooiend tot het alles bedekkende hoofdkussen waarop hij dadelijk slapen zou, reeds vielen zijn ogen toe en hij kreeg het ook warm... Met zijn broek teruggestroopt tot aan zijn knieën, een hand om de speen in zijn mond en de andere steunend onder zijn hoofd verzonk hij zich afwisselend in Catharina's oksels en haar boezem, de borsten die zij hem eenmaal had laten vasthouden terwijl zij met haar handen in de zij voor hem stond. Regelmatig golfde een stuwende samentrekking van zijn anus op naar de kop van zijn gezwollen lid, krampen die hij aanvankelijk begeleidde met een gelijksoortige samentrekking van zijn vingers over de speen maar die hij van lieverlede ook begon te dirigeren: de opeenvolging van de eerste contractie voerde hij steeds meer op door het versnellen van de tweede. Door de neus ademen ging niet meer, hijgend nu moest hij de speen uit zijn mond laten maar hij bleef eraan trekken in het tempo van zijn eigen krampen en dezelfde biest die in pompende regelmaat tegen zijn gezicht omlaag spoot scheen zich in gelijke puls weer omhoog te persen door zijn kloppende geslacht: het was of hij samen met de koe een bloedsomloop had, een omloop van spierwit sap. Zondevrij wilde hij afgaan, althans met losse handen en zonder zichzelf te beroeren. Zijn penis zwiepte in steeds snellere kwarten op zijn buik, in radeloze achtsten, zestienden, vertwijfelde trilslagen, tremolo's en triolen ging hij voor aan de uier en ineens werd hij ook met lome, trage tong over zijn scrotum gelikt. Zijn lichaam begon zich al te krommen, de steunende hand onder zijn hand kwam vrij en terwijl het beeld van Catharina hem nog nader kwam krauwde hij zich ermee over zijn borst en zijn buik. Het hoofd dat hij toen voelde was echter niet van de vrouw zijner uitverkiezing maar van het kalfje, zacht en knokig tegelijk. 'Ik kan het zelf!' kreunde hij, de kalfskop opzij duwend. Als een boog spande hij zich opnieuw schietens gereed, maar het gezicht dat hem nu te voren kwam was niet van Catharina maar van het jagertje, die bleke, in het medaillon van zijn zwartgerande regenhoed gevatte jongen die vanmiddag, verkleumd op de Workumer kade liggend, precies hetzelfde had gezegd toen zijn vader de schipper hem overeind wilde helpen - hoe lang scheen dat nu al wel niet geleden? Dromerig pakte hij zijn penis vast, hij zette hem als een mast rechtop op zijn buik en terwijl hij zachtjes de voorhuid heen en weer begon te schuiven fluisterde hij weer, glimlachend: 'Ik kan het zelf...' Ieder ogenblik kon hij nu afgaan, hij dorst zijn hand niet meer bewegen, moest lijdelijk blijven; hij hield zijn ten uiterste gezwollen penis aan de wortel roerloos rechtop en had het gevoel of er een paddestoel uit zijn buik groeide. Het kalfje, aangetrokken door de kruidige lucht van zijn vervuilde onderlichaam, had zijn dikke, vochtige neus weer tussen zijn dijen gestoken en likte met trage halen door zijn bilnaad en over zijn gespannen balzak verder omhoog. 'Ze zijn bij hun zusters!' siste hij, radeloos met zijn hoofd over de grond rollend. 'Bij hun zusters!' Zonder nog te ademen duwde hij de kalfskop weg: zijn anus was gaan kloppen, de hoed van de paddestoel stond op springen en veel minder nog dan hijzelf mocht een dier hem het zaad afhalen. Met een allerlaatste handbeweging trok hij de voorhuid helemaal terug, het sap steeg nog verder omhoog, begon te koken in zijn eikel en volkomen roerloos, mond en ogen opengesperd als dolle bloemen, onderging hij het begin van zijn orgasme, het tintelende, schuimende, bottende begin dat echter niet overging in volle bloei... Terwijl de koe een wind begon te laten hield ook dat begin maar steeds aan, het werd een gekmakend begin: hij kon niet komen... Hij wist niet of de explosie binnen of buiten zijn lichaam plaatsvond; of de hete, kolkende werveling opwaarts ging of omlaag: verbijsterd van zin voelde hij alleen nog maar die hete stroming en het ondraaglijke jeuken van zijn ruggemerg tot boven in zijn kruin - hij had geen vorm of wezen meer, was water in een waterval, uitstorting en het uitgestorte ineen. De baaierd van ontlading duurde tot zijn lichaam er zijn zelfstandigheid op hernam, en tegelijk met deze scheiding onderscheidde hij in die stromende, ongedeelde hitte plotseling ook een inwendige, opwaartse stroming, de zwakker wordende stuwing van zijn zaad, en een lauwe, nog onverminderd op zijn blote dijen en buik neerkletterende stroom van buiten af, van boven. Drijvend nu, wegdobberend op een warme vloed, wreef hij duizelig van voldoening over zijn volle, bolle maag, hij voelde een klont tussen zijn vingers en begreep schaterlachend dat het geen pis, maar een straal koeiedrek was geweest die de bloem had doen stuiven... Zoals hij eerder samenviel met zijn orgasme, zo was hij nu slechts nog een glimlach, en glimlachend tot in het merg schoof hij zich langzaam onder de koe vandaan. 'Je hebt me wel verrast beest,' fluisterde hij terwijl hij het dier even op de bil klopte, 'ik dacht dat je tegen de morgen pas zou poepen... 's ochtends poepen is veel beter...!' Zijn eigen armen, ineengevlochten met de voorpoten van het kalfje, dienden hem tot hoofdkussen, een steeds groter wordende matras, eindeloos nog uitwaaierend toen hij er zalig op in slaap viel met de sensatie dat zijn lichaam heel die onmetelijke, wegheuvelende vlakte ging bedekken en bestuiven en zich daartoe, in doorgaande diffusie, in steeds kleinere deeltjes vermenigvuldigde, net zo lang tot hij uiteindelijk niets anders meer was dan een geur... Terug naar overzicht Verhaal uit Herman Hesse, getiteld 'Hannes' (blz 762-767). Hannes In een klein stadje woonde een welgestelde ambachtsman, die voor de tweede keer was getrouwd. Uit zijn eerste huwelijk had hij een zoon, die sterk en lomp was; zijn tweede zoon, Hannes, was echter een fijngevoelige jongen, die van jongs af aan voor ietwat onnozel werd versleten. Na de dood van zijn moeder brak er een hachelijke tijd voor Hannes aan; zijn broer verachtte en mishandelde hem, en zijn vader gaf altijd zijn broer gelijk, want hij geneerde zich dat hij zo'n domme zoon had. Hannes kreeg namelijk steeds meer de naam van een heel beperkt kind, omdat hij niet deelde in het jolijt en de liefhebberijen van andere jongens, erg weinig zei en zich alles liet welgevallen. Sinds hij de toevlucht tot zijn moeder moest missen, had hij de gewoonte aangenomen om voor de stadspoort door de weiden en tuinen te zwerven, zo vaak hij vrijelijk het vaderlijk huis kon verlaten. Daar buiten bleef hij soms halve dagen en vond vertier in het bekijken van gewassen en bloemen, in zijn poging de verschillen en soorten in stenen, vogels, kevers en andere dieren te leren kennen en in zijn vriendschappelijk omgang met al deze dingen en schepsels. Dan was hij dikwijls helemaal alleen, maar niet altijd. Niet zelden sloten kleine kinderen zich bij hem aan en het bleek dat Hannes, die met de jongens van zijn eigen leeftijd in het geheel niets gemeen kon hebben, heel kameraadschappelijk wist om te gaan met veel kleine kinderen. Hij wees hun de groeiplaatsen der bloemen, speelde met hen en vertelde hun verhalen; hij droeg ze als ze moe waren en bemiddelde wanneer ze onderling ruzie hadden. In het begin zag men met lede ogen dat de kleintjes met hem meegingen. Daarna raakte men eraan gewend, en menige moeder was blij dat zij haar kinderen af en toe aan de hoede van de jongen kon toevertrouwen. Na enkele jaren moest Hannes weliswaar ook van deze beschermelingen onaangenaamheden ondervinden. Zodra ze aan zijn toezicht ontgroeiden en van iedereen hoorden hoe onnozel Hannes wel was, ontliepen hem de meer opgevoeden en dreven de botteriken de spot met hem. Wanneer dat hem te zeer verdroot en kwelde, vluchtte hij alleen de tuinen of het bos in, lokte de geiten met kool en de vogels met broodkruimels en verheugde zich in het gezelschap der bomen en dieren, van wie hij ontrouw noch vijandigheid te duchten had. Hij zag op hoge onweerswolken God aan de aarde voorbijtrekken en zag op stille landwegen de Heiland lopen, en als hij hem zag, verborg hij zich in het struikgewas en wachtte met kloppend hart tot hij voorbij was. Toen de tijd aanbrak dat hij een sociale status en beroep moest kiezen, nam hij geen dienst in de werkplaats van zijn vader, zoals zijn broer had gedaan, maar ging de stad uit naar de boerderijen en was als herder werkzaam. Schapen en geiten, varkens en rundvee en zelfs ganzen dreef hij naar de wei. Zijn dieren bleven ongedeerd en al gauw kenden zij hem en hielden zij van hem, ze begrepen zijn lokroep en volgden hem liever dan andere hoeders. Dat viel de stedelingen en boeren weldra op en na enkele jaren werden de grootste en mooiste kudden aan de jonge herder toevertrouwd. Maar wanneer hij in de stad naar de markt moest, liep hij met een deemoedige en verlegen tred, de leerlingen hielden hem voor de gek, de schoolkinderen riepen hem spotnamen na en zijn broer keerde hem verachtelijk en zonder groet de rug toe. De laatste boorde hem, toen hun vader het slachtoffer van een epidemie was geworden, ook meer dan de helft van zijn erfdeel door de neus, zonder dat Hannes daar acht op geslagen of protest tegen aangetekend had. Wat hij van zijn herdersloon opspaarde, schonk hij zo af en toe weg aan kinderen en arme mensen, dikwijls ook kocht hij voor een koe of een geit, waar hij bijzonder op gesteld was, een halsband met een heldere klok eraan. Zo gingen ettelijke jaren voorbij, en Hannes was niet jong meer. Van het leven der mensen wist hij weinig af, maar hij was volledig op de hoogte met de wind en het weer, de groei van het gras en de oogst, het vee en de honden, hij kende al zijn vele dieren stuk voor stuk naar hun schoonheid en kracht, naar hun karakter en leeftijd, en behalve het vee kende hij allerlei vogels, hun gewoonten en soorten, verder hagedissen, slangen, kevers, bijen, vliegen, marters en eekhoorns. Ook wist hij alles van planten en kruiden, en had hij verstand van de grond en het water, de jaargetijden en de maangestalte. Hij beslechtte ruzie en jaloezie onder zijn dieren en genas ze wanneer ze ziek waren, bracht verweesde jongen met zorg groot en dacht niet dat hij in zijn leven ooit iets anders zou doen dan het werk van een schaap- en koeherder. Op zekere dag lag hij aan de zoom van het bos in de schaduw en hield zijn vee in het oog; toen kwam er vanuit de stad een vrouw aangelopen,die zonder hem te zien in zijn nabijheid het bos binnendrong. Daar zij er opgewonden en verdrietig uitzag, keek hij haar na, en even later zag hij dat zij voornemens was een ongeluk te begaan, want zij bond een touw aan de tak van een beuk en maakte aanstalte de lus om haar hals te leggen. Hannes spoedde zich er behoedzaam heen, legde zijn hand op haar schouders en weerhield haar van haar voornemen. Geschrokken liet de vrouw het erbij en keek hem vijandig aan. Toen dwong hij haar te gaan zitten, en terwijl hij met haar praatte als met een ontroostbaar kind, bewoog hij haar ertoe hem haar verdriet en haar hele geschiedenis te vertellen. Ze zei dat zij niet langer met haar man kon leven, en toch beluisterde en merkte hij wel dat zij van haar man hield. Hij liet haar klagen en praten, tot zij wat gekalmeerd was. Toen probeerde hij haar te troosten, praatte over andere dingen, vertelde over zijn werk, over het bos en de kudden, en tenslotte vroeg hij haar huiswaarts te keren en nog eens met haar man te praten. Zachtjes huilend ging zij heen en geruime tijd zag en hoorde hij niets meer van haar. Maar tegen de herfst kwam deze vrouw een keer terug, in gezelschap van haar man en haar zwager. Zij was vrolijk en dankbaar, vertelde de herder het verhaal van hun verzoening, nodigde hem uit haar in de stad te bezoeken en verzocht Hannes, op haar zwager wijzend, ook hem zijn raad en troost niet te onthouden. Haar zwager klaagde zijn nood: zijn molen was afgebrand en daarbij was zijn zoon omgekomen; en in de wijze waarop de schaapherder naar hem luisterde, hem aankeek en hem vertroostte, lag een merkwaardige rust en kracht. Zonder zich daarvan bewust te zijn, verzachtte hij het leed van de ongelukkige en schonk hij hem nieuwe levensmoed. Dankbaar verlieten de stedelingen hun vertrooster. Het duurde niet lang of de zwager van die vrouw kwam weerom en bracht een vriend mee die raad nodig had, de vriend keerde later met een andere terug, en na enkele jaren sprak de hele stad erover dat de schaapherder Hannes in staat was geesteszieken te genezen, geschillen te beslechten, radelozen met raad en wanhopigen met bemoedigende woorden een hart onder de riem te steken. Nog altijd dreven velen de spot met hem, maar vrijwel iedere dag zocht de een of andere smekeling hem op. Een jonge verkwister en nietsnut bracht hij weer op het rechte pad, zwaar beproefden schonk hij lankmoedigheid en hoop, en het baarde groot opzien toen twee rijke met elkaar in onmin levende families zich door zijn bemiddeling verzoenden. Sommigen spraken van bijgeloof en tovenarij; maar aangezien de herder van niemand ten dank enigerlei beloning aanvaardde, raakten alle verwijten kant noch wal, en men ging naar de bescheiden man toe als naar een heilige kluizenaar. Verhalen en sagen over zijn persoon en zijn leven waren alom geliefd; men zei dat de dieren uit het bos hem volgden en dat hij de taal der vogels verstond, hij zou regen kunnen opwekken en de bliksem kunnen afwenden. Tot degenen die nog altijd met minachting en afgunst over Hannes spraken, behoorde vooral zijn oudere broer. Hij noemde hem een gek en een gekkenvanger, en op een avond bij een drinkgelag verstoutte hij zich zijn broer ter verantwoording te roepen om aan diens gedoe een eind te maken. Zich aan zijn woord houdend, begaf hij zich de volgende dag met twee metgezellen op weg, zocht de herder op en trof hem aan op een afgelegen hei. Hannes ontving hem vriendelijk, bood hem brood en melk aan, vroeg hoe het met hem zelf en zijn gezin ging en nog voordat de broer boze woorden had kunnen spreken, ontroerde en kalmeerde het wezen van de herder hem dermate dat hij hem om vergeving vroeg en berouwvol huiswaarts keerde. Dit laatste voorval snoerde alle kwaadwilligen de mond, men vertelde het met steeds nieuwe bijzonderheden en een jongeman schreef er een gedicht over. Toen Hannes vijfenvijftig jaar oud was geworden, brak er voor de stad een moeilijke tijd aan. Het begon met een burgertwist om 's keizers baard, waarbij bloed vloeide en grimmige vijandschappen ontstonden. Enkele onverhoedse sterfgevallen werden bij geruchten als gifmoorden gedoodverfd, en terwijl de gemeenschap nog bol stond van opwinding en partijtwist, brak er in het stadje een epidemie uit, die begon met een schrikwekkende kindersterfte, daarna ook volwassenen te lijf ging en binnen enkele weken een vierde van de bevolking uit het leven wegrukte. Juist in deze barre tijd stierf de oude burgemeester van de stad, en in de door burgervete en ziekte geteisterde gemeenschap kreeg moedeloosheid en vertwijfeling de overhand. Dievenbendes maakten alles onveilig, iedereen behalve de spitsboeven was de kluts kwijt, dreigbrieven joegen de rijken schrik aan en de armen hadden niets te eten. Toen kwam op zekere dag Hannes naar de stad om enkele van zijn beschermelingen op te zoeken. De een trof hij dood, de ander ziek, een derde verweesd en verarmd aan, huizen stonden leeg, en in de straten heerste schrik, angst en wantrouwen. Terwijl hij over het marktplein liep en hij zielepijn gevoelde om de grote ellende in zijn vaderstad,werd hij door velen uit de menigte herkend. Een zwerm hulpzoekenden zat hem op de hielen en liet hem niet ontsnappen. Voor het raadhuis werd hij, zonder te weten hoe dat in zijn werk ging, het bordes opgeduwd en zag hij zich plotseling oog in oog met een grote volksmenigte die naar troostrijke en hoopgevende woorden smachtte. Toen beving hem de drang om verlichting te brengen en wel te doen, hij strekte zijn armen uit en begon het verstommende volk toe te spreken. Hij sprak over ziekte en dood, zonde en verlossing en eindigde met een troostrijk verhaal. Gisteren, vertelde hij, had hij op de heuvel boven de stad Jezus zien staan, de wereldverlosser, die onderweg was om alle misère te verhelpen. En terwijl hij dat vertelde en zijn gezicht van medelijden en liefde straalde, wilde het menigeen voorkomen dat hij zelf de verlosser was en hun door God als redder was gezonden. 'Breng hem hierheen!' riep de menigte, 'breng ons de heiland om ons te helpen!' Pas nu werd Hannes met schrik gewaar welk een storm van ongeduldige hoop hij had ontketend. Zijn geest verduisterde en werd moe, voor de eerste keer voelde hij dat 's werelds misère machtiger en groter was dan zijn eigen vertrouwen. De ongelukkigen, die voor hem stonden, was het niet meer voldoende om over de heiland te horen, zij wilden hem zelf in hun midden zien, zijn handen beetpakken en zijn stem horen, om niet in wanhoop te vervallen. 'Ik zal voor jullie tot hem bidden,' zei hij met vermoeide stem, 'ik zal drie dagen en drie nachten naar hem zoeken en hem smeken met mij mee te komen en jullie te helpen.' Afgemat en in de war bereikte de profeet door de krioelende massa, over de brug en de poort door, het vrije veld waar de laatsten hem verlieten. Bedroefd kwam hij bij het bos en zocht met bezwaarde gedachten die plaatsen op waar hij op andere momenten bijwijlen de nabijheid van God had gevoeld. Biddend, maar zonder hoop doolde hij rond, terneergeslagen door de misère van het duizendtal. Buiten zijn wil om was hij van een herder en kindervriend een zielzorger voor velen geworden, velen had hij geholpen en velen gered, en nu was alles tevergeefs geweest, en hij moest zien dat het kwaad op aarde onuitroeibaar was en triomfeerde. Toen hij de vierde dag gebogen en langzaam de stad binnenging, was zijn gezicht oud en zijn haar wit geworden. Zwijgend stond het volk hem op te wachten en menigeen knielde neer waar hij voorbijkwam. Hij eindigde zijn leven echter met een leugen, die toch de waarheid was. 'Heb je God gezien? En wat heeft Hij tegen je gezegd?' vroeg het volk hem. En hij sloeg zijn ogen ten hemel en gaf ten antwoord: 'Aldus heeft Hij tegen mij gesproken: ''Ga heen en sterf voor je stad, zoals Ik voor de wereld ben gestorven.' Een ogenblik beving schrik en teleurstelling de grote menigte. Toen sprong een oude man vloekend op en spuwde de profeet in zijn gezicht. En toen kwam Hannes ten val en viel zonder een kik te geven ten prooi aan de woede van het volk