Gifslangen Heeft een schrijver macht? Een schrijver heeft een lezer nodig, of is het andersom? Een lezer is geen lezer zonder schrijver. Als een schrijver niet gelezen wordt is hij machteloos. Wie is er machtig? Ik ben Gerard, jij bent Simon. Je kunt nu nog terug. Gerard stond in een tuin, zijn tuin. Eigenlijk doet het woord "tuin" onrecht aan deze plek, het was meer dan dat. Er stonden bomen vol bloesem, struiken die doorbogen tot op de grond onder het gewicht van de grote trossen rode bessen die eraan hingen. Het licht van de zomerzon viel door de bladeren en kleurde de open plek waar Gerard stond. Gerard spreidde zijn lange, grijze jas uit over het gras en ging zitten, daarbij zijn gezicht richting de zon draaiend. Op dat moment zag hij Simon, die al enige tijd had staan kijken, zich toegang had verschaft tot het domein van Gerard. "Wat doe jij hier? Dit alles is van mij. Ga weg.", zei Gerard. "Je liet de poort open. Je wist dat ik nieuwsgierig zou worden. Je wilde dat ik hier kwam. Daarom zette je ook het waarschuwingsbordje neer. "Pas op: Gifslangen." Je wist dat ik zou komen." Gerard keek glimlachend voor zich uit. De zon en de bladeren speelden een schimmenspel op zijn gezicht. Even leek hij een duivel, dan een engel, zijn gezicht nam duizenden vormen aan. Alleen zijn ware gezicht had geen rol in deze voorstelling. "Wat ben je aan het doen?", vroeg Simon. "Ik lig, ik geniet van mijn omgeving. Is dat niet genoeg? Bevredigd dat jouw nieuwsgierigheid niet? Goed, laten we een spelletje spelen." Gerard stond op en liep een rondje langs de kant van de open plek tot hij aan de kant waar Simon stond kwam en draaide zich naar hem toe. "Laten we doen of ik Simon ben, en jij Gerard. Jij bezit een groot kasteel, op een berg in een verlaten streek. En ik, ik bezit niks, geen huis, geen os, niks. Behalve een vogeltje, een klein paradijsvogeltje dat kan praten. Maar het kan niet alleen praten, het kan ook in de toekomst kijken. Die toekomst verteld hij mij, verder niemand. Wij , jij en ik, hebben ruzie, nee, laten we zeggen oorlog met elkaar. Wat denk je daarvan?" "Je bent kansloos. Ik kan in mijn veilige kasteel blijven zolang ik wil. Jij zal moeten aanvallen, en als je dan op je zwakste bent, zal ik je vermorzelen." "Goed. Daar ga jij vanuit. Jij denkt dus dat je de afloop al weet. Maar je weet ook dat ik de afloop weet, dankzij mijn vogeltje. Als ik inderdaad ga verliezen, zoals jij denkt, was ik dus nooit verder gegaan met deze strijd. Ik had me dan voor jou knieën geworpen en om vergiffenis gesmeekt. Ik had me zo zielig mogelijk voorgedaan, in de hoop m'n leven te redden. Maar ik ga door. Ik geef niet op." "Ach, ik heb je altijd al een raar mannetje gevonden. Of misschien vertelde je vogeltje wel dat je geen vergiffenis zou krijgen." "Zou je dat doen? Zou je mij doden terwijl ik op mijn knieën voor je lag?", vroeg Gerard, Simon diep in zijn ogen kijkend, met de glimlach van iemand die zeker is van zichzelf, te zeker soms. Simon liet een zenuwachtig lachje ontsnappen. Hij was hier niet tegen bestand. "Nee, zoiets laags zou ik niet doen, jij misschien, maar ik niet. Ik zou je opsluiten, en dan nog eens rustig over je straf nadenken." " dan was er nog hoop, dus. In ieder geval zou je me niet doden. Dus je begrijpt niet waarom ik niet opgeef... Tenzij ik toch win. Dat is de enige mogelijkheid. Je wordt wanhopig, bang dat je iets over het hoofd ziet. Op een nacht wordt je zo bang dat je vlucht. Je ziet dat de strijd hier verloren is, je hoopt te kunnen ontkomen om ergens anders een nieuw kasteel te bouwen. Je gaat in het donker naar een klein deurtje in je kasteel, een deurtje dat jij alleen kent. Je opent het deurtje en gaat naar buiten, opzoek naar een nieuw onderkomen. Maar buiten, naast dat deurtje sta ik. Ik wist dat je zou vluchten, dankzij mijn vogeltje. Als je buiten komt sla ik je hoofd eraf. Je hebt verloren." Lachend ging Gerard weer naar de plek waar zijn jas lag en ging zitten. Simon keek hem verslagen na. "Jij speelde vals. Ik heb nooit gezegt dat ik zou vluchten. Dat zei jij." "Je kon niet anders! Overigens, het maakt niet uit of ik het zei of jij. Ik wist tenslotte hoe het af zou lopen! Ik wist wat jij zou doen. Als ik niet zou winnen was ik nooit aan het spelletje begonnen. Je was bij voorbaat kansloos." Chagrijnig keek Simon voor zich uit. Maar plotseling zag hij een uitweg. Met een vleug van overwinning in zijn stem zei hij: "Je zei aan het begin: "Jij bent Gerard, ik ben Simon." Gerard heeft verloren. Dus heb ik eigenlijk toch nog gewonnen." "Het was maar een spelletje", zei Gerard onverstoord. "Ga toch zitten en geniet van al dat moois om je heen." Simon liep naar Gerard en ging naast hem zitten. "Het is inderdaad heel mooi hier.", zei Simon bewonderend. "Dank je. Alles wat je hier ziet heb ik gemaakt. De bomen, de struiken, de bloemen." Gerard zwaaide met zijn hand in een wijde boog langs al deze dingen, en wees toen op de grond. "En... de gifslangen." Op dat moment kroop een slang langs de arm waarop Simon in het gras steunde omhoog en beet hem in de nek. Langzaam stond Gerard op. Met de zelfde zekere glimlach keek hij neer op Simon, die bevend op de grond zat. "Jij dacht dat ik de toekomst wist. Daardoor kon ik hem beïnvloeden. Maar wie gelooft er nou in pratende vogeltjes die de toekomst weten?" Gerard draaide zich om en slofte weg... Je hebt verloren. Ik heb je nog gewaarschuwd, je was bij voorbaat kansloos. Het enige wat jij kon was je ogen dichtdoen. Als je dat gedaan had, had je gewonnen. Maar je had dan nooit geweten dat je gewonnen had. Je was te nieuwsgierig, en dat kostte je je kop. Ik schreef, jij las. De schrijver is machtig, omdat de lezer denkt dat de schrijver de toekomst kent. NitWit De mens weet niks. Dat wat hij weet is van zo'n marginale betekenis dat dat te verwaarlozen is. Wat is wijsheid? Ik liep door de zuilengallerij van het Telestèrion, een oud grieks gebouw, en gebruikte één van de zes opening die toegang gaven tot de binnenplaats, waar in de griekse oudheid het hoogtepunt van de feesten van Eleusis plaatsvonden.Een hoogtepunt dat alleen toegankelijk was voor ingewijden, die volstrekte geheimhouding waren opgelegd, waardoor de inhoud hiervan nooit aan de buitenwereld blootgesteld is. Binnen liep ik rechtstreeks naar de kleine ruimte, het Anaktoron, een soort kastje in het midden van het gebouw en ging vlak voor deze ruimte zitten, waarin de heilige voorwerpen zorgvuldig bewaard werden. Simon stapte uit het vliegtuig dat zojuist was geland in Athene. Het was juni en dus heet, en daar was Simon wel aan toe. Jaren was hij niet op vakantie geweest, werkte hard, sliep de laatste tijd slecht en had genoeg van het gure weer in Nederland, dus besloot hij zichzelf te verwennen. Hij was naar Griekenland gegaan, niet voor de kultuur, nee, daar had hij geen kaas van gegeten. Hetgeen dat hem zo aantrok was de dorheid en droogte van het land, althans zo stelde hij zich dat voor. Op het vliegveld in Athene huurde Simon een auto, waarmee hij van plan was de reis richting Korinthe te vervolgen, waar hij een hotel had geboekt. De auto zou ook goed van pas komen bij zijn trektochten door het binnenland, die hij zichzelf beloofd had. Het was nog vroeg toen hij in het oude, roestige autootje stapte. De motor sputterde een beetje tegen, maar bracht tenslotte het autootje toch op gang. Simon ontweek de stadse drukte, rust was wat hij zocht, en reed direct richting Korinthe. Langzaam trok het prachtig dorre landschap, spaarzaam begroeid met hoge, stugge grassen aan Simon voorbij.In de verte zag hij boeren ploegen, de braakliggende velden konden weer gereed gemaakt worden voor het verbouwen van koren. Na zo'n twintig kilometer zag hij een bordje Eleusis en bedacht dat hij voldoende tijd had om even een tussenstop te maken en wat rond te kijken, voordat hij naar zijn hotel zou gaan. Dus sloeg hij af en parkeerde even later de auto, na deze tegen zijn zin over hobbelende landweggetjes gestuurd te hebben, bij het eerste gebouw dat hij tegenkwam. Het was een oud, grieks gebouw. Simon liep het gebouw binnen, dat bestond uit een veertiental pilaren aan de voorkant, met daarachter een vierkante ruimte, gevormd door vier muren, met daarin zes openingen, twee aan de voorzijde, en twee aan de beide zijkanten. In de binnenplaats zag hij iemand zitten. Zachtjes liep hij naar hem toe, in de hoop hem te kunnen vragen of Eleusis alleen dit gebouw bestond, of dat er nog een dorpje van die naam verderop was. Maar hij durfde hem niet goed te storen. Gerard hoorde de voetstappen achter zich, draaide zich om en keek in het gezicht van een oude bekende, Simon. "Nee, maar, Simon, wat brengt jou zo ver van huis?" Het was geen vraag voortkomend uit verbazing, maar meer uit formele beleefdheid, zoals je iemand vraagt:"Hoe gaat het ?" Simon vertelde, ietwat hakkelend, want bij hem was de verbazing wel oprecht, dat hij op vakantie was en hier even een tussenstop had gemaakt op weg naar zijn verblijfplaats, Korinthe. "En jij, ook aan het uitrustten," retourneerde hij de vraag. "Nee, nee, ik ben hier voor de feesten van Eleusis. Heb je daar wel eens van gehoord?" Simon schudde voorzichtig nee, in de hoop dat dit niet een zou leiden tot een les mythologie, iets wat hij maar sprookjes uit een ver verleden vond. Helaas. "Dan moet ik je daar zeker iets over vertellen. Ga zitten, man, je hebt toch niks te doen." Inderdaad is het moeilijker een goed excuus te vinden om een bekende af te schudden als je op vakantie bent, dan wanneer je hem ,bijvoorbeeld bij de slager tegenkomt. Dus ging Simon maar zitten. "Laten we beginnen bij Hades, de sombere god van de onderwereld. Hij was verliefd op Kore, de dochter van Demeter (Moeder Aarde), godin van de oogst en degene die de landbouw onder de mensen bracht, waarmee volgens de grieken alle beschaving mee begon. Hades' probleem was dat de mooie Kore nooit met een chagrijn als hem zou willen trouwen, en ook haar moeder zou dit nooit goedkeuren. Dus ging Hades naar Zeus, zijn broer en de vader van Kore (Ja, inderdaad, een en al inteelt, bij die griekse goden!) en smeedde samen met hem een plan om Kore te schaken. Toen Kore op een dag bloemen aan het plukken was, scheurde de aarde open, en kwam de god van de onderwereld naar boven, greep de van schrik stijfstaande Kore en verdween weer naar de onderwereld. Niemand wist waar Kore gebleven was. Radeloos zocht Demeter haar dochter, negen dagen lang. Totdat zij op een gegeven moment Helios tegenkwam. Hij wist haar te vertellen, niets ontgaat immers zijn alziend oog, door wie Kore geroofd was. Demeter ging van af toen haar werk verwaarlozen, en zwierf als oud vrouwtje over de aardbodem. Dit had tot gevolg dat de hele aarde verdorde en verdroogde, iedereen leed honger. Volkomen uitgeput kwam Demeter tenslotte aan in Eleusis, waar zij weer werd opgelapt door de koningin ter plaatse. In ruil daarvoor verzorgde Demeter het zoontje van de koningin en besloot, nadat zij erg aan het kind gehecht was geraakt, hem onsterfelijk te maken. Hiervoor moest het zoontje in het vuur gelegd worden, om zijn sterfelijkheid weg te branden, een vuurdoop, zullen we maar zeggen. Toen Demeter het jongetje in het vuur legde kwam de koningin binnen, die het natuurlijk allemaal verkeerd begreep, en haar zoontje probeerde te redden. Demeter werd hierdoor kwaad, en verrees in haar werkelijke gedaante, die van de godin van de oogst. Zij gebood de Eleusiniërs voortaan ter ere van haar een rite, een godsdienstige plechtigheid te onderhouden. Hieruit zijn de Mysteriën van Eleusis ontstaan, die het hoogtepunt vormen van de Feesten van Eleusis." Enigszins verveeld had Simon het verhaal aangehoord. Zonder de indruk te wekken dat hij geïnteresseerd was vroeg hij wat er nu gebeurt was met Kore. Gretig ging Gerard hier op in: "Dat zal ik vertellen. Demeter had nog steeds haar werk niet hervat, en de hele beschaving dreigde er aan onderdoor te gaan. Zeus, de oppergod zag dit en begreep dat er wat aan gedaan moest worden. Dus ging hij onderhandelen met Hades, en trof met hem een regeling. Voor twee derde deel van het jaar mocht Demeter haar dochter, die inmiddels als koningin van de onderwereld Persephone heette, terug hebben, maar één derde van het jaar zou ze bij hem moeten zijn. En zo kwam het dus, dat als Kore weer bij haar moeder was, de landbouw als vanouds verder ging, maar gedurende de tijd dat Kore in de onderwereld zat, lagen alle akkers braak, en wachtte de mensen op het moment dat Kore weer boven zou komen." Simon stond op, en rekte zich uit. "Leuk verhaal, hoor, maar ik wil nu naar m'n hotel. Ik ben bek af van de reis." "Dat kan niet," zei Gerard rustig maar beslist. "Je moet nu hier blijven. Ik heb nog niet vertelt wat de Mysteriën inhouden. Dat is namelijk waarom ik hier ben, en jij ook, al weet je dat zelf niet.Vandaag vinden namelijk die riten plaats, en wij zijn uitgenodigd." "Hoe bedoel je ? Je wilt toch niet zeggen dat dit sprookje van duizenden jaren geleden nog steeds aan de gang is ?" "Zeker wel, de Feesten zijn inmiddels gestopt, vergeten, maar nog altijd worden de riten, die het mysterie vormen onderhouden. Ieder jaar komt een groep ingewijden hier bij elkaar om de riten bij te wonen." "Nou, ik weet niet hoe het met jou zit, maar ik ben voor zover ik het weet niet ingewijd." "Dat klopt. Behalve de ingewijden is er ook altijd een leek, iemand die niets weet, en dus de minst wijze van het stel, bij. Dat zit namelijk zo. Toen Zeus met Hades onderhandelde had Hades nog één voorwaarde gesteld. Iedere keer moest, als Kore weer naar haar moeder mocht, daarvoor een mens in de plaats worden gesteld. Zo kon Hades zijn rijk uitbreiden, je zou kunnen zeggen dat hij iemand van het type "Hoe meer zielen, hoe meer vreugd" was." Inmiddels waren er meer mensen het gebouw in gekomen. Simon keek angstig om zich heen. Zenuwachtig lachend zei hij:"Begrijp ik het goed dat ik hier ben om geofferd te worden ?" "Inderdaad." Zwetend keek Simon nogmaals rond. Er waren te veel mensen. Ze stonden verdeeld in groepjes, ieder groepje bij een uitgang. Hij dacht na. Hij wist dat het niet waar was, maar toch... Wat deden al die mensen hier ? Met trillende stem probeerde hij zich eruit te redden:" Dus iedereen hier is wijzer dan ik, zeg jij ?" "Inderdaad." "Maar ik ben geen leek meer. Je hebt me net het hele verhaal verteld, ik weet er nu alles van. Jullie kunnen mij niet offeren, ik ben geen leek meer." "Ach, Simon, zelf jij moet toch weten dat Pythia, de priesteres van Apollo zei:" Niemand is wijzer dan Sokrates," omdat Sokrates wist dat hij niets wist. Juist daardoor was hij de wijste, omdat niemand iets weet, alleen hij wist dat hij niks wist. Jij denkt dat je iets weet, maar eigenlijk weet je niks, je hebt alleen maar naar een verhaaltje uit de griekse mythologie geluisterd. Wij weten niks, en dat weten we. Daarom zijn wij wijzer dan jij, en zal jij straks naar de onderwereld verhuizen, of niet... Want of dat verhaaltje waar is, ach, ik weet het niet." Op dat moment scheurde de vloer van de ruimte waarbij Gerard al die tijd had gezeten. En Simon stond stijf van schrik.