Wijde Wereld, Wijde Wormer De gemaaide graslucht, met dauw en damp toegedekt Het oude asfalt, craquellégebroken door de rijzige iepen, aan weerskanten het platteland doorpriemend De polderdijk bedekt met geplette, door mussen beroofde, paardenkeutels, een weëe wasem De prutsloot weggevaagd door samenwerking van de nietigen: het kroos; de boerderij; anno achttientien bevestigen de gebroken pannen Een eenzame veeboer boomt al voor vijven naar het verste vaarland, nog met de hand melkt hij, zoals vroeger, en ik leer dat het vroeg soms vroeger is De enige echte Eigenlijk net zo mooi als die andere Dezelfde geur en kleur. Maar dat merkje, Dat merk je. De Weeuw in het Wit Het balkon, opengeslagen deuren, daartussen door wind gewaaide vitrage, daarachter de ongrijpbare duisternis, de weeuw Alleen en afgezonderd, maar leeft toch op de tongen van de mensen, juist daarom Het lot na een vergeten zondagsdienst Niet zwart omkleedt haar, maar wit als haar haar, even lang gekleed, met draperiën omwoven sluipt zij door haar zwarte levensnacht, zoekend naar een ader vol leven, hoop geven voor verder op dees wereld De weeuw is dood, zei daar een jongen, bij de slager en iedereen wist het allengs, bij de bakker op de hoek De deurwaarder constateerde, ze was zeer mager, en weten deden zij, een week nadat de weeuw Poes doet plas Grond-, weg- en waterwerken grondwerken waterwerken wegwerken De snijdende stilte van verzwijging Een dode vriend, kapot behang, een maitresse, een eeuwige treurzang alvorens de dageraad Dauwend ontwaken onder resten van de wereld, het leven omringt de doden met liefde en angst en haat, voor het gemis. Anno 1920 Ik zeg het is mooi weer en jij vroeger nog mooier en ik erger mij en jij zegt vroeger erger Roodroze trekt de warmte mee met de kimtrekker, duisterdansen De zee blijft, ik, de duinen, geëtst tegen blauw tot zwart; het zwarte avondgat sleurt slinks alles Straaltje dag sleept over het water, nog nacht Alleen, raakt de stilte waar het hoort Fatsoenzoen Ze was jarig, hij feliciteerde waarmee hij mij veel leerde want al gaf hij een geranium hij bewenste haar het mortuarium met door haar nek een half aquarium en een mes in haar ovarium derdegraads door een solarium verteerd in een terrarium Maar het bleef weer bij het nette door die verdomde etiquette Opinie Met een dooie in je bed is het uit met sex en pret En geef mij nu eens ongelijk Ik doe het met een levend lijk! Helmbegroeid minzaam toewuivend, fluisterend, onhoorbaar door de losse ondergrond, ondanks Of de zee, brult briesend maar in woede onverstaanbaar Sprekend peinzen intussen, ongehoord goed. Kinderen, wees kinderen, zei vader, en ging heen met opgeheven vinger. Kinderen, weeskinderen. In de regen van de duisternis, windschuilend in een lage kraag, slenterend in spiegelplassen beseffend dat Mozes mij niet is De paraplu verkracht, het haar willekeurig gewaaid De wuivende iepen, bladergeruis overwint even de tamtam van de druppels op hun lage broeders Tussen de bomen een andermans thuis Warm verlichte vertrekken, een kleurig scherm en een gefantaseerde haard, heel even het mijne Vriendinnetje Nee. Waarom, toe nou. Nee! Nu België, kneuterhuisjes in groen bedonsd landschap, boompjes fijn craquelévertakt, paarden en vervallen hekjes Fabrieken, sinistere schoorstenen, halve stenen door de ruit, beroet, vroeger verroest staal in bergen puin, welvaart van weleer Mensen, welvaartsmensen, zachte uitdrukking op het gelaat, pauselijk proletariaat, een taal voor zich, Lodewyckx, Lodoin, voor zich. Uit de bundel 'Treinreizen' Reddingsbrigade De bleke weesjes mogen een dagje frisse neus halen op het warme strand Eerst spelen met de opblaasbal en dan met de vlag van 'kind zoekt ouders' Frankrijk Noord, een geordende lappendeken, uitruilverkaveld tot het saaie, zo nu en dan wegduikend achter een groenbegroeide wal. Heuvels en dalen, maar deze trein gaat recht door de groene, gele zee als een oceaanstomer in beschikte baren. Enface in het raam, ik bestaar liver jouw heuvels, dalen in je wangen die, ontspannen door een diepe droom, hangen naar een lipdonzen kus. Vrolijk verhalend neusje en lokken gekruld achter kleine oortjes met lelletjes, mmm... Uit de bundel 'Treinreizen' Waterdicht zei mijn horloge maar een duik naar de bodem van het bad doodde de tijd. Stranden Neerlands herfst is begonnen op de dag na warm en koud Berlijn Dromen opgepakt in dichte balonnen varen weg op de herfstwind Ik ren ze achterna, buiten adem maar vergat een touw waaraan het kind zijn knuistjes gebald vol bezitsgevoel zijn Godsgeschenk bemint Bij de landsgrens is mijn einder Dromen varen weg, hoog boven de golven die worden opgewaaid door de storm en begrijp, dat Jezus mij niet is De illusie vaart weg met de noorderwind naar verre oorden, gepeinzen verwoorden geeft woordelings een traan als de droom geworden is als lucht in lucht Duitse Degelijkheid Jij bent vast ontwikkeld in de oorlog. Zulke wapens maken ze niet in deze tijd. Zo volmaakt, en toch zonder het levensgrote opschrift van Geprüfte Sicherheit Gelijk een surfer stuurt de bus, glijdend tussen golvende gesteenten -behalve een enkele boom- door de brandende binnenlanden Stof stuift op langs sterfplaatsen van Jezus' volgelingen, een tandeloze vrouw slaat zwijgzaam een kruis, bevochtigd voorhoofd, door diesel geschud De dienstdoende doet de deur toe na iedere hobbeling, voor iedere kronkeling Ondanks de verboden, voortdurend een sigaret Amerikaans, dat brengt welvaart Identiteitscrisis Drugs, sex, geweld Pillenflippend op mellow house Maar ook nog wat verslaafd aan Mickey Mouse Dam Vertegeld gespreid neergestreken op duivenland, voor winter proviand gelegd naast legging Stralend speurend in de hemel naar een sprankje zon of passerend glimlachje bel bel hare krishna klik klik stel Japanners bom bom protest, stilte om monument een poppenkast Atlas torst alles Ik zetel dicht aangrenzend lonkend naar ons hemels licht Hondenmensen Flink los laten lopen, riemslingerend Des te groter, des te stoerder Laten snuffelen aan een ander Fikkie en zo hopen wat te babbelen over verharen, de mooie uitschuifriem of als het meezit nog wat meer Een man Wezen- en weduwenwet voor verlaten vrouw en kind Alimentatie zonder crematie voor verlaten vrouw en kind Wijsheid is rijkdom Rijkdom is wegwezen Mekka Markten Stinkend naar verse vis Verleiding trekkend naar een fijne dis Markten Handel Steel geen voedsel maar ontval ons zonder geld, zonder eten, met Geweten. Maar in wetenschap van al het voedsel op onze aarde, voor een ander, voor het geld Nu zoveel waarde Kinderleed Huwelijkscrisis noemen ze het. Moe pakte de koffers voor drie weken Mallorca en pa ging dagelijks vissen Altijd uit eten en tussen de middag patat Bij familie blijven slapen doorketen en pret maken Kassa, zei het bordje, en inderdaad was het dertienvijfenzeventigalsublief smak smak kauwgum wisselgeld Rinkel, oh sorrieeeh, en bukken voor een nietig dubbeltje Trut Duisterverduistering De avond valt traag donker met de golven die als makke wolven landje veroveren, glinsterogend grazen. Een krassende schelpenbank aan mijn voeten bevestigt de serene stilte voor de rest. Liggend de stille sterrenhemel bestaren, De Grote Beer, die kent ieder. Alweer meer speldepunten in het hemeldak, dat als pijnscheut wat licht laat schemeren Zwart op wit, of wit op zwart; Hoe hard Mijn ogen geknepen wantrouw ik, wit Een TeeVee Een lange driezitsbank. De radio, mijn krant valt altijd op de mat. Een koude kola Een kapotte wekker en een héél lang ligbad. Hoi, kamperen! Eindelijk, de zon zoekt, moe van inspanning, verkoeling in het water. Achter het eiland, de huizige silhouetten scherp afstekend, met centraal het pitoreske kerkje Hier, het plein, is het water de wal overwold Licht weerkaatsend, de zon, maakt alles oranjezwart, zes meter schaduw, wij tweeën op San Marco Duiven, verstoord door spatten vliegen fluisterwiekend hogerop, de gelijkgekleurde gallerij, of voor meerderen de gezwarte toren Klotsende gondels temidden van stilte, verbroken door jouw spinnend grimassen op mijn borst, mijn lach bij jouw knijpende hand Gouden Tijden Vroeger was alles beter, zei vader de betweter maar tiener sloeg het in de wind en waaide een andere mee, pakte een wasbord en waste in gewoon schoon water, genas met kruiden -en hoopte- ook het milieu Flippen Flippend onder tafel Tok Tok Hoofd en Tafel geen pijn, ja fijn! Vereenigd Veertig-Vijfenveertig Knallen, klappen, klaterbommen vallen neer op leven, liefde, cultuur. Geluk is met de dommen Het lot dat lukraak diefde Het plein van de ganse natie heeft zijn paleis nu overstroomd Trots gezonken, geen glimp van gratie Rangen, standen afgeroomd De mensen worden proletariërs Het volk wordt nu mensen Trots trekt terug, ageren Ariërs Men vecht voor Volks wensen Kinderen zijn broeders, zusters vechtend voor allen, voor één, hun levenstrog Kerken, klassen, koren slechtend Communisme. Leve de machtsoorlog... Frustratie Honderd gulden all-in was het wulpse wijf Ik kwam, niet verder dan twaalf centimeter Nachtgedachte De duisternis, die verwachtingsvol voortschrijdt Belofte van verstrooiing in wereldse wulpsheid verdwenen met de zon, van schemering tot avond gaat in nevel tot nacht, geen klaverjas maar patience De nacht dat ik denk over de morgen Mijn oogleden prikkend op mijn beeld, vervormde visie De vogels saamhorig snerpend door mijn kille schemering van een ontwakende wereld, mijn hoofd De nacht De zorgen tot morgen Soenna-bajes Coke-witte kerken van het Christendom, ramen, lood- en glas zwaar, daarin de mensen, de dieven dominant vooraan, huichelaars apatisch in d' achterhoek. Gij zult niet stelen, preekt pastoor vol overtuiging, pratend met genotskwijl bij de woorden Gods, de robuuste rots en leidraad, een vader die slaat, ontwijk je eeuwig. Gezellig buiten eten in de wilde natuur riep vader- hij was eens padvinder Zeur niet over mieren in de ouwe jam klaag niet over vliegen in de lauwe melk Later-ook voor mij- Jeugdsentiment. De machinist van de trein der levensleden zoekt de kim Wrijvingsloos verder als een leider, herder Voortgaand over een recht star spoor recht naar de einder wachtend op een wissel voor een zijspoor - ook van staal - in dezelfde richting Vooruitgang De wissel verroest het spoor blijft gelijk, eender, immer rechtdoor totdat een werkende wissel komt voordat we zijn vergaand door roest, kalmte saaiheid, rust en verleden.