ISAÄC DA COSTA (1798-1860) PROMETHEUS DRAMATISCH DICHTSTUK NAAR ESCHYLUS Nec fulminantis magna Jovis manus! ------------------------------------------------------------------------ PERSONAADJEN. PROMETHEUS, VULCAAN, DE WRAAKGODIN, OCEAAN, IÖ, MERCURIUS, REI VAN ZEENIMFEN ------------------------------------------------------------------------ INHOUD EERSTE TOONEEL TWEEDE TOONEEL DERDE TOONEEL VIERDE TOONEEL VIJFDE TOONEEL ZESDE TOONEEL ZEVENDE EN LAATSTE TOONEEL ------------------------------------------------------------------------ AANTEKENINGEN: Prometheus (Grieks) een Titan, zoon van Japetus, de naam betekent 'die vooruitdenkt', Hij een tegenstander van Zeus, door hem uit het slijk der aarde geschapen.Prometheus roofde het vuur voor de mensen, dat Zeus hun onthield, in een vlierstok uit de hemel. Zeus zond daarop tot straf van de mensheid Pandora en liet Prometheus door Hephaestus aan een rots ketenen, waar een adelaar overdag zijn lever, die 's nachts weer aangroeide, kwam uitpikken, tot Heracles de adelaar doodde, Prometheus bevrijdde en hem met Zeus verzoende. Vulcaan (Vulcanus, Volcanus), de Romeinse god van het vuur en van de bewerking der metalen , echter ook beschermer tegen brand. Oceaan (Oceanus), oudste zoon van Uranus en Gaea, oudste der Titanen, god van de wereldzee die de aarde omspoelt; volgens Hesiodus bij Tethys de vader van alle wateren, riviergoden en stroomnimfen. Iö, dochter van Inachus van Argos, priesteres,geliefde van Zeus, uit wraak door Hera in een koe herschapen en onder bewaking gesteld van Argus, die echter door Hermes gedood werd. Toen kwelde Hera haar door een horzel, en om aan die pijniging te ontkomen zwierf Io lang over de aarde rond, totdat zij in Egypte haar vroegere gedaante terugkreeg en de moeder werd van Zeus' zoon Epaphus, die Memphis stichtte. Mercurius, bij de Romeinen god van de handel en winst, vriend der reizenden, vooral der kooplieden; overigens geheel met de Griekse Hermes geïdentificeerd. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) PROMETHEUS (1819) EERSTE TOONEEL DE WRAAKGODIN, VULCAAN, PROMETHEUS. ------------------------------------------------------------------------ DE WRAAKGODIN. Ziedaar dan 't oord bestemd Promatheus straf te tuigen! Hier leer' de oproerige voor hooger machten buigen! Viulcaan, ge ontfingt den last van d' oppersten der goôn1, uw vader. 't Is uw plicht hier Themis2 stouten zoon te kluistren aan de rots met diamanten boeien, om in deze eenzaamheid zijn misdrijf te verfoeien. Hy waargde 't, aan den mensch een godenheilgenot te schenken: zoek' hy thands verlichting van zijn lot in menschendankbaarheid! De elendeling verzaakte aan godenplicht en rang, u zelf die 't vuur bewaakte, der heemlen schat en roem, ten onvergeetbren hoon: ontfang' hy van uw hand het lang verdiende loon! VULCAAN. Godesse, 'k ken den last my door Jupyn3 gegeven: vermetel waar' 't en dwaas dien wil te wederstreven. y hebt uw plicht volbracht; laat, laat de zorg aan my den mijnen te voldoen. Het treuren staat my vrij, wanneer 'k veroordeeld ben eens dierbren broeders handen, de handen van een god te knellen in dees banden. O al te fiere zoon van Themis! de eigen smart. die uwen boezem knaagt, vervult ook my het hart op dit noodlottig uur. Helaas! ik ben gezonden om u in naam der goôn uw vonnis te verkonden. Gy zijt verbannen tot dees aaklige woestijn. Dit rotsgebergte moet voortaan uw woonplaats zijn, waar zelfs de nagalm niet van menschentaal mag naadren, Hier moet u ieder dag een gloeiend vuur in de aadren, ontsteken; hier de nacht, waarnaar gy dor geroost zult smachten, 't matte lijf voor lafenis en troost doen siddren van zijn kou en schadelijke dampen; verwisslen telken reis van steeds vergroote rampen, waar aan 'k geen eind voorzie. Wie waagt, of wie vermag uw redding uit een boei, bestemd reeds sints den dag, dat gy voor 't menschelijk heil der goden gunst verzaaktet? Waar was uw wijsheid, toen ge u hem ten vijand maaktet, wiens hand nog ongewoon aan 't klemmen van den staf gevoelig tuchtigt, en geen dernis kent by straf? DE WRAAKGODIN. Wat mart gy? Is 't geen tijd den snoodaard te kastijden, zoo haatlijk aan de goôn ? Waartoe det medelijden met hem, die u, u-zelv zoo fel beleedigd heeft? VULCAAN. Beleedigd? 't zij zoo! maar hoe nauw het harte kleeft aan maagschap4, weet gy niet! DE WRAAKGODIN. En 't vonnis van uw vader? Is niet zijn hooge wil, Vulcaan, u eindloos nader? VULCAAN. Uw woorden zijn altoos van bitterheid vervuld. DE WRAAKGODIN. Bezielt u nog de hoop dat gy hem redden zult? Zoo niet, wat baat het u den tijd in nutloos treuren te slijten? VULCAAN. Dat ik me aan dit schrikoord mocht ontscheuren! Helaas! moest mijne hand Jupyn ten dienste staan? DE WRAAKGODIN. Wat zwakheid! hebt gy ooit iets tot zijn val gedaan? VULCAAN. O! had my Jupiter van dezen last ontslagen! DE WRAAKGODIN. neen! machtig zijn de goôn, maar steeds hun welbehagen te volgen, staat aan hen, zoo min als 't menschdom, vrij! Het is die godheid slechts, die de opperheerschappij der heemlen voert, wier wil zich waarlijk vrij kan achten! VULCAAN. Hoe ondervinde ik dit! DE WRAAKGODIN. Welaan, besteed uw krachten aan 't u vertrouwde werk, zoo gy in de ongenâ des heiligschenners niet verkiest te deelen. Sla de diamanten boei hem om de forsche leden, en knel hem aan de rots! Maar kost gy schakels smeden van keetnen, waar zijn list niet uit te breken weet? VULCAAN. 'k Volbreng mijn last met smart; maar wat ik hier ook deed, deed 'k naauwgezet en trouw; dees ketens mogen 't tuigen! DE WRAAKGODIN. Hier leer' dan de onverlaat voor 's hemels vorst te buigen! Wegkrimpende in de pijn, wijt hy zich-zelv' het al! VULCAAN. O Themis eedle zoon, wie ooit mij haten zal, gy, gy-alleen hebt recht!...... Hoe deele ik in uw lijden! DE WRAAKGODIN. Hoe? met d'oproerling, die ons allen dorst bestrijden, te treuren, schaamt ge u niet? Gij stort u-zelv' in 't leed, verblinde! VULCAAN. Neen! zijn lot, zoo hartverscheurend wreed, ontzeg 'k mijn deernis niet, schoon 'k even veel mocht wagen? DE WRAAKGODIN. Een muiter is zijn straf! Geeft u dit stof van klagen? Klem eer des booswichts voet wat naauwer in zijn ring, dat hy zich niet op eens uit onze handen wring' en wy onze achtloosheid niet boeten met de woede van Jupiter, wien niets Prometheus straf vergoedde! VULCAAN. Zwijg, wreede, zwijg in 't eind! Uw vreesselijk gelaat verraadt genoeg dat hart, niet slaande dan voor haat. DE WRAAKGODIN. Lust het u laf te zijn, ik gun u dit genoegen! 'k Verkies niet by zijn straf die van my-zelf te voegen. VULCAAN. Neen! langer wedersta 'k dit aaklig schouwspel niet. (Hy vertrekt.) DE WRAAKGODIN, tot Prometheus. Waar is uw trotschheid thands, vermetele? Gy ziet wat heerlijk lot hem wacht, die 't hemelrijk ontwijden. en voor des aardrijks heil Jupyn zelf durft bestrijden. Hoog klonk in vroeger tijd de roem van uw verstand: aan kloeken raad was zelfs de klank uws naams verwant. En kost ge niet voorzien dat dit uw lot zou wezen? Of had uw stout ontwerp geen tegenstand te vreezen? Gy hebt uw faam verbeurd, zoo gy geen middel weet, de boei te ontkomen, die ge-uzelven hebt gesmeed. ------------------------------------------------------------------------ AANTEKENINGEN: 1 goôn = samentrekking van goden 2 Themis = de godin van de zedelijke rechtsorde, later in het recht in het algemeen. Voorgesteld met blinddoek, weegschaal en zwaard. 3 Jupyn = Jupiter 4 maagschap = bloedverwandschap ISAÄC DA COSTA (1798-1860) PROMETHEUS (1819) TWEEDE TOONEEL PROMETHEUS. ------------------------------------------------------------------------ PROMETHEUS, alleen. Alziende godheid, die mijn geest ontwaart in 't ruischen der winden, in 't geklots der golven, in het bruischen, ontzachlijke oceaan, van uw onmeetbren vloed! O aardgodes, wier schoot steeds voortbrengt, laaft en voedt! gy, Zon, wier hemelsch oog zijn glans leent aan de dagen! Gy kent mijn onschuld; kent mijn schrikbaar noodlot mêe? Ja, duizenden van eeuwen zullen haar onafzienbren kring vervullen, eer ik den hemelgrond, mijn oorsprong, weêr betreê! En by die boeien, die geweld en onrecht smeedden, moet, goden, de genade uws Konings aangebeden? - Mijn foltring groeit met ieder oogenblik! De toekomst opent zich en spelt nog wreeder plagen. Groeit, folteringen, groeit! 'k Verwachtte u zonder schrik. en 'k zal u de eeuwen door steeds onvernederd dragen! Want, zoo 'k u thands gevoel, reeds lang waart gy voorzien, toen 't teêrst gevoel my drong om 't menschen hulp te biên, en immer was mijn moed, als 't noodlot, ons beschoren, niet om te zetten! Neen, 'k doe hier geen klachten hooren; geen weekheid past een god, en 't allerminst aan my. Maar 't is me een wellust in de doodsmart die ik lij' my-zelf te erinneren aan wat ik heb misdreven. Rampzalig menschdom, ach! een leven zonder leven ontfingt gy van de goôn! Mijn hand heeft u bezield, toen zy het hemelvuur, dat u hun trots onthield, u meêdeelde, uwe aard den hemel deed gelijken! Geen vloek van 't algeweld deed me in dit uur bezwijken. Ik boet die zege thands, en gruwzaam; maar mijn hart ziet juichend op u neêr, en zegent zelfs zijn smart! ISAÄC DA COSTA (1798-1860) PROMETHEUS (1819) DERDE TOONEEL PROMETHEUS, DE REI DER ZEENIMFEN vertoont zich in een wagen boven de rots. ------------------------------------------------------------------------ PROMETHEUS. Maar wat gerucht dringt tot mijn ooren? Wat nieuwe plaag is my beschoren? - Of nadert iemand mij? Wie zijt ge, mensch of god, die 't schouwspel tuigen wilt van mijn verschriklijk lot? De vijand van den Vorst der goden, van hen allen, die zelfverloochenend hem voor de voeten vallen, staat voor u, boetende voor wat hij 't menschen gaf. - Wie nadert? Rondom heen voel ik den luchtstroom trillen en wieken kleppren...... Ach! wat kan 't my verschillen? Ik wacht alleen verzwaring van mijn straf! DE REI. Vrees niets, wy brengen u geen plagen, maar troost, indien 't kan zijn. De hemelen gewagen met aarde en zee en hel, Prometheus, van 't geweld, dat u aan deze rots zoo wreed heeft vastgekneld. - door zulk een rampspoed diep bewogen, heb 'k, voor de schaamte doof, die 't maagdlijk hart bestiert, door voor mijns vaders raad, mijn deernis bot gevierd, en ben der waatren rijk ontvlogen, om u mijn zwakken troost te biên. PROMETHUS. O! dat ge in zulk een staat een hemeling moet zien! Gy, teedre nimfenstoet, gesproten uit hem die heel deze aar houdt vin zijn arm gelsoten. kroost van den grijzen Oceaan! O kunt gy, kunt gy 't nog bestaan, den droeven balling, en de rots, Waarop hy, by den klank van 't brommend zeegeklots, gedoemd is eeuwen door te waken? DE REI. Prometheus, ach! mijn ziel ontzet! Zou ons geen traan het oog ontvloeien, dat u un deze onbreekbre boeien geprangd moet zien? - Een nieuwe wet regeert d' Olympus1 en de goden, vol schrik voor Jupiters geboden, vernietigen met hem wat éénmaal heilig was. PROMETHEUS. Beneden 's aardrijks schoot, beneden des Tarters giftige moeras, waar' nog de keten, die mijn leden omstrengelt, machtloos op mijn ziel. Zoo iets mijn zuchten op kan wekken, zoo is het, dat ik hun ten schouwspel moet verstrekken, die uit den hemelhof, waar van ik nederviel, ter neêr zien op een leed, niet aan hun smaad te onttrekken. DE REI. Wie, wie der goden zou in 't hart geen deernis voeden met uw smart? Wie in de ontembre gramschap deelen van Jupiter, die daar by 't Al regeert, een heemling straffeloos verneêrt, en straffeloos zijn ziel met wraak vermag te streelen, waaraan 'k geen ander einde wacht, dan 't einde van zijn oppermacht. PROMETHEUS. En echter zal dees rots nog eens het uur getuigen dat Jupiter den trotschen kop zal buigen, op dat des doemlings veege mond de duistre Godspraak, die zijn kroon bedreigt, verkoud'! Wanneer 'k, noch voor het woedendste geweld, in 't heiligste besluit zal wanken, voor dat 'k, in d'ouden rang hersteld, van hem voldoening zal erlangen, van wien mijn godenhand dees kluisters heeft ontfangen. DE REI. uw stoutheid baart me een killen schrik. Hoe! schier verzonken in steeds aangegroeide rampen, bestaat gy 't met den dond'raar nog te kampen? Uw roekelooze taal, uw onverzette blik vernielt de hoop die ik nog voedde. Neen! Jupiters verschrikbre woede zwicht voor geen woesten wanhoopkreet. Uw stalen moed verdubbelt slechts het leed. PROMETHEUS. Ja, machtig en niet om te zetten schijnt hy, voor wiens onzaalge wetten de Olympus thands de kruin verneêrt: En echter kan de dag ontluiken, die zijn ontzachtbren toorn zal fnuiken., en onzen haat in eendracht keert. DE REI. Indien de erinnering aan d' oorsprong uwer kwalen niet machtig was de wond nog dieper op te halen, die u de borst verscheurt, zoo wenschten we uit uw mond te hooren uit wat bron zoo fel een straf ontstond! PROMETHEUS. Verscheurend is 't verhaal, verscheurender 't versmooren der ramp, waar 'k onder zwoeg, wier oorzaak gy zult hooren. Ach! aan mijn rang ontscheurd, wat had ik sints dien val te wachten rondom heen, dan plagen zonder tal? - De twist is u bekend, die 't godendom beroerde, voor dat nog Jupiter den hemelschepter voerde. Een deel wou Cronus2 hoofd ontblooten van de kroon, en schenken de oppermacht aan zijn ondankbren zoon. Een ander koos de zij der aangerande grijsheid: het zijn zijn broeders, 't kroost van Uranus, dat wijsheid noch krijgsbeleid ontziet, op enkel krachten stout. Ik toonde hun vergeefs den weg aan van behoud. 'k Voorzei dat krijgsgeweld voor krijgslist hier zou wijken Hun trots verwierp mijn raad; de vijand moest bezwijken voor wapens, moed alleen de hemelsche oppermacht beslissen, en het recht afhangen van de kracht. Doch ik, ik had te vaak van Themis zelf vernomen, dat niemand in 't bezit van Cronus rijk zou komen, dan die 't veroovren miocht door bloed niet, maar door list. Het was mijn plicht den wil van 't noodlot, dien ik wist, te volgen; 't was mijn plicht die trotschaarts te verlaten, en 'k bracht den wijzen raad, die nimmer hun kon baten, (mijn moeder stemde 't meê) aan Cronus trotscher zoon. En zoo de Titans nu in d' afgrond van de doôn hun weêrstand boeten met onafgebroken slagen, zoo Jupiter de kroon des hemels weg mocht dragen, en d' ijzren schepter klemt der wreedste dwinglandij, mijn vijand triumfeert door my! Hy dankt het my, dat hy my foltren kan! Ja, 'k moest het ondervinden, de dwingland haat het al, en allermeest zijn vrienden! Hoort nu van welk een schuld ik hier de straf ontfang. Naauw meester van d' Olymp, bestemde hy den rang der goôn en nam op zich 't bestier der hemelzaken; maar voor het droevig lot der menschlijkheid te waken was Jupiter onwaard; het reeds bestaand geslacht der menschen moest verdelgd, een nieuw hervoortgebracht! Geen andre godheid dorst dit wreed ontwerp weêrspreken Ik dorst hen voorstaan, en ik deed het onbezweken! Het menschdom werd nog niet vernietigd over de aard. Mijn deernis was me een straf, zoo gruwzaam knellend, waard. En ik, by wien vinde ik die deernis met mijn plagen, als smart, en spijt, en smaad mijn ingewand verknagen3, wanneer my de aartstiran van uit den hemel bant, ten schouwspel van 't heelal, maar tevens hem tot stand? DE REI. Van ijzer is het hart, van deernis niet doordrongen, wanneer 't, Prometheus, u in boeien ziet gewrongen. Geen droeve mare kom my treffen, dan uw straf, en 't oog, dat haar getuigt, wendt zich in tranen af. PROMETHEUS. Gij-zelf, mijn vijanden, gy zoudt hier tranen plengen, oo goden! Deernis zou zich by uw woede mengen, ware alle deernis niet gebannen uit uw ziel. DE REI. Maar heeft geen andre schuld de straf die op u viel verlokt? PROMETHEUS. Één weldaad nog! 'k Onttrok aan 's menschen oogen de toekomst, hem bestemd. Het lot werd overtogen door 't schemerlicht der hoop, en 't menschdom werd bevrijd van angsten zonder tal. My zag dezelfde tijd het vuur der heemlen aan den stervling mededeelen, dat de aard verkwikken moest, en niet dan weldaân teelen. Ziedaar 't geen ik misdeed. DE REI. En 't geen Jupyn verwoed u met een eindloosheid van plagen boeten doet! of hoopt gy tegen hem door moed iet uit te richten? PROMETHEUS. Ik hoop niet, maar ik wacht dat een zijn toorn zal zwichten. DE REI. Gy wacht? En op wat grond? Waar voert de drift u heen? Miskent gy dat gy dwaalde! Ach! u met scherpe reên te tergen in den nood, is ons gevoel onwaardig, maar vinden we u voor 't minst tot eigen redding vaardig? PROMETHEUS. 't Is licht, wanneer het lot eens anders kruin verplet, met wijzen raad gepraald! Ik word niet omgezet door 't schijnschoon van belang, dat recht er eer weêrspreken. Ik wist het, det Jupyn zich op mijn deugd zou wreken: ik wist het, en mijn wil bleef onveranderd. - Maar dat my die ijslijkheid van straf beschoren waar, tot de eenzaamheid gedoemd van deze afschuwbre streken!...... wie had my 't oot voorzegd? - Doch blijven we onbezweken! En gy, o Nymfen, spaart me uw moedelooze klacht! Op 't geen eens wezen moet, heeft smart noch wanhoop kracht. Stijgt voor een oogenblik eer van uw hemelwagen op deze rotsen af. Getuigen van mijn plagen, onttrekt my niet de troost, die mu uw bijzijn geeft, Als ik u 't lot vertrouw, dat me overrompeld heeft. Wie kan zich voor den keer van 't noodlot veilig achten? Wie wiegert zich 't genot een onheil te verzachten, dat al wat ademt treffen kan? DE REI, van den wagen afstappende. Gewillig late ik dezen wagen, op raderen van goud den luchtstroom doorgedragen, voor 't rotsig strafoord van den man, die zich voorlang zijn jammren zag ontscheuren, indien ik iets vermocht met ongeveinsd te treuren. ------------------------------------------------------------------------ AANTEKENINGEN: 1 Olympus = hoogste berg van Griekenland (2918 m). De zetel der Griekse goden. 2 Cronus = jongste der Titanen. Zoon van Uranus en Gaea. Bij de Romeinen heette hij Saturnus 3 verknagen = verontrusten (zich), kwellen (zich) ISAÄC DA COSTA (1798-1860) PROMETHEUS (1819) VIERDE TOONEEL PROMETHEUS, OCEAAN, DE REI. ------------------------------------------------------------------------ OCEAAN. Ontfang den gullen groet van d' ouden Oceaan, Prometheus! 'k Heb den ramp die u weêrvoer vertstaan, en haastte me om het oord dat u ontfing te naderen, 't Is niet het godenbloed alleen, dat beider aderen doorstroomt, wiens naauwe band my dus aan u verbindt: om wijsheid en om deugd heb ik u meer bemind. Maak op de vriendschap staat, die ik u mijn mond doet hooren. Spreek, eisch van my een dienst, wat die my kosten mag! Hangt het van vriendschap af, ik redde u nog dees dag! PROMETHEUS. Hoe! gy ook in dit oord van ballingschap en plagen? Hoe dorst gy zulk een reis, mijn gryze vader, wagen? Hoe hebt ge uw zeepaleis verlaten voor dit strand, van ijzer slechts bevrucht, met enkel rots beplant? Komt ge ook den godentelg, die Jupiter1 de kroon beplant? beschouwen in den boei, die hem zijn haat ten loon gaf? Ja, 't is wel de eigen hand, die 't hemelsche gebied besliste, die gy hier in ketens knellen ziet! OCEAAN. 'k Aanschouw 't met diepe smart! Doch duld den raad der grijsheid, hoe hoog de glorie reikt van uw verstand en wijsheid Keer in u zelven weêr, en ban van uit uw ziel die onbetoomde drift! De godenstaf verviel van Cronus op zijn zoon, de Olymp eert nieuwe wetten; 't is niet in onze macht 't voorleden om te zetten. Zoo buig gedwee het hoofd met heel het godendom! Wat baat het of uw toorn tot zulk een hoogte klom, dat gy u niet ontziet door onbedwongen smalen de dubble wraak van hem u op den hals te halen, wiens strafroê, reeds zoo streng, licht nog verschrikbrer wordt? - Wellicht mishaagt de taal, die hier mijn boezem stort; uw borst, verhard in 't leed, verfoeit genâ te vragen! Het zij zoo! maar u steeds aan 't ijslijkste te wagen, en tegen smart en nood te wapenen met haat, is dwaasheid, Geef gehoor, Prometheus, aan mijn raad! Geen machtig koning zwicht voor morrende onderdanen, en wat hier baten kan is needrigheid en tranen. Welaan! ik werpe my den donderaar te voet; 'k bedaar door zachte taal zijn fel verhit gemoed, indoien 't nog mooglijk is; maar wil die kreten staken van oproer, die uw lot nog vreeselijker maken! Den druk te ontlasten van 't verkropte hart is zoet; maar vluchtig is 't genot, en lang de straf, die 't boet. PROMETHEUS. O ondoordringbaar lot! gy bleeft voor straf beveiligd, ofschoon ge aan ééne zaak met my waart toegeheiligd, 't zij verre dat 'k de rust die gy geniet benij! maar werd ik 't offer van gevloekte dwinglandij, verg gy niet dat 'k mijn lot verdiene ddor te buigen! Spil hier geen kostbren tijd, noch tracht my te overtuigen; zorg eerder dat ge u-zelf niet meê stort in het leed! OCEAAN. Tot heil van andren hebt ge uw wijsheid steeds besteed, en nimmer voor u-zelf! Waartoe my thands weêrhouen? Zoo 'k snelle naar Jupyn, 't is in het vast vertrouwen, dat gy op mijne beê uw ketens vallen ziet. PROMETHEUS. De deernis, die uw hart den droeven balling biedt, de hulp, die gy voor hem met eigenen gevaren beraamt, vergeet ik nooit! Maar wil die poging sparen! Ze is vruchteloos voor my, en stelt u-zelvern bloot! Of zou het voor dit hart een troost zijn in den nood, dat vrienden de ijslijkheid mijns noodlots ondervonden? OCEAAN. Neen! niet u-alleen heb ik my onderwonden Jupyn te naderen. Mijn broeder Atlas draagt zijn ongenâ, als gy. Zijn forsche schouder schraagt en aard en hemelen, tot straf van vroeger pogen. Ook Typhoos2 lot was hard, en heeft my diep bewogen. Wy zagen hem, den reus, het honderdvoudig hoofd (thands kwijnend en verneêrd, van d' ouden moed beroofd) ten hemel heffen met een blik die 't al deed beven. Wy zagen hem verwoed de goôn in 't aanzicht streven, die hy alleenig stond. Zijn longen aâmden vuur: zijn oog schoot vlam op vlam. Wy tuigden haast het uur, dat hy op Jupiter de zege ging behalen...... maar 't bliksemvuur daalt neêr en zet zijn woede palen! De slingerende schicht treft hem het kokend hart, en kracht en strijdlust zijn verzwolgen in de smart. Daar lag hy uitgestrekt, als waar' hy zonder leven, maar de onbezielde klomp deed wie hem zag nog beven. Heel de Etna dekte nu den reeds verslagen kop, en 't aanbeeld van Vulcaan dreunt op haar hoogen top, nog veilig. Want de dag zal aan den hemel klimmen dat Etnaas kruin van één zal scheuren, en de kimmen bespatten met een vuur, dat op Sicieljes grond by stroomen vloeien moet. 't Is de eigen Typhoos mond, die d'onderaardschen gloed tot vlammen aan zal blazen, die vlammen over de aard, die op weegt, doen razen, en toonen dat hy nog, door 't lot onomgezet, zijn haat den teugel viert, schoon door Jupyn verplet! PROMETHEUS. Welnu? Begeert gy meê die ijsselijke plagen ten deel? Laat af, laat af zoo stout een kans te wagen! Voor my, laat my een leed, dat 'k zonder zwakheid lij; 'k wacht met standvast geduld het eind der dwinglandij. OCEAAN. Gepaste reden kan dat einde licht bespoeden. PROMETHEUS. Neen! 't Is niet in het felst van 't vijandelijke woeden, dat zich de ontroerde geest door zachtheid paaien laat. OCEAAN. De poging voor het minst...... PROMETHEUS. vernedert zonder haat. OCEAAN. Is 't dwaasheid, laat m' in my dien trek van dwaasheid wraken! 't Is wijsheid, soms den schijn van wijsheid te verzaken. PROMETHEUS. Helaas! dit is te waar. OCEAAN. En gy, gy aarzelt niet, en stoot de hulp te rug, die u vriendschap biedt? PROMETHEUS. Ik moet. Licht vielt gy reeds dit uur in ongnade. OCEAAN. Van Jupiter? PROMETHEUS. Van hem? OCEAAN. Ik sloeg den afloop gade van uw vermetelheid, en 'k wete wat ik waag. PROMETHEUS. Zoo ga, en wacht u steeds voor 't geen Jupyn mishaag'. OCEAAN. Ik zie het al te wel, uw haat is niet te teugelen! - Mijn zeepaard trapt sints lang, en geesselt met zijn vleugelen de lucht rondom hem heen. Ik voere hem ter rust, en my uit de aakligheid van dees rampzaalge kust. (Hij vertrekt.) ------------------------------------------------------------------------ AANTEKENINGEN: 1 Jupiter = hoogste god van de Romeinen. Zoon van Saturnus. Veroorzaker van donder, bliksem, regen en zonneschijn. Zijnattributen zijn bliksem, scepter en arend. 2 Typhoos = honderdkoppig monster, die de heerschappij van de goden trachtte over de wereld te ontnemen, maar werd uiteindelijk door Zeus gedood met een bliksem. Zou onder de Etna op Sicilië onder de aarde zijn bedolven. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) PROMETHEUS (1819) VIJFDE TOONEEL PROMETHEUS, OCEAAN, DE REI. ------------------------------------------------------------------------ DE REI. - KEER. Doorluchtig godenkroost, uw lijden is voor ons meê een bittre smart: de traan, die wy uw jammren wijden, welt uit een fel beknepen hart! Streng is uw straf, o Vorst der goden! maar allerhevigst drukt uw macht op hen die zelven eens geboden, en op hun diep verneêrd geslacht! TEGENKEER. In de oorden, die uw grootheid zagen, Prometheus! galmt een kreet van rouw! Wie dacht het, dat dit heir van plagen op 't hoofd van goden storten zou? Om 't lot der heemlen treurt nu de aarde! De sterveling beklaagt zijn goôn! het lot vooral, dat u weêrvaarde, uw vaderzorg voor hem ten loon! TWEEDE KEER. Die Colchis1 rijken grond bewonen, en 't heir der manlijken Amazoonen betreuren 't onheil dat u trof! In 't woeste Scythië2 weêrgalmen jammertoonen, en paren zich aan uwen lof! TWEEDE TEGENKEER. Zelfs in deze afgelegen streken, die enkel moordend ijzer kweken, en waar de strijdbre borst vehard voor deernis schijnt, voelt zich het mannenharte breken, dat gy in zulk een leed verkwijnt! DERDE KEER. 'k Zag slechts één held, als gy, die goden had tot ouderen, en onder 't juk zwoegt van hun straf! 'k Zag Atlas vast gespierde schouderen, wien Jupiter geheel zijn rijk te dragen gaf, den nooit verpoosden last verrichten, waardoor de kracht van goôn zelf scheen te zwichten. DERDE TEGENKEER. 't Gebied der zeeën gromt met ongestuime golven zijn klachten tegen 't noodlot uit! Ook de onderwereld is verbolgen: des aardrijks bodem dreunt met naar en dof geluid! 'k Bezeilt zich al van 't medelijden, dat we aan uw lot, vervallen heemling, wijden! PROMETHEUS. Misduid mijn zwijgen niet, o Nimfen! 't Is geen trots noch achterhoudendheid. De vreemde keer mijns lots houdt op dit tijdstip nog mijn geesten ingespannen? Hoe! ik, ik door de goôn van uit mijn rang gebannen, wier macht, mijn ondergang, ik-zelf heb doen ontstaan! Gij weet het! zegge ik eer wat 'k verder heb misdaan uit deernis voor 't geslacht der menschen, door de goden vernederd en gehaat, maar die ik hulp geboden en schier tot goôn hersteld heb! Hun bestaan was nietig. 't Voorwerp deed alleen het zintuig aan, niet meer verbonden aan een werkkring, meer verheven. De zielskracht sliep. De zelfbewustheid van het leven ontbrak als in een droom. Zy stichtten nog op de aard geen schuilplaats, voor de kracht van zon en lucht bewaard. Een duistre boschspelonk was mensch en dier tot woning, en niets bestond er dat 't gedierte van hun koning nog onderkennen deed; want woest en onbeschaafd was heel de kracht des geests aan 't grove lijf verslaafd, een hooger vlucht ontwend. - Wie mocht de hemelteekenen met de oogen nagaan, en den weg der zon berekenen? Wie perkte nog 't gebied der jaargetijden af, of leerde wat gesternt' het bloeiend voorjaar gaf, wat andren 't feestgetij der herfstgodes voorspellen of 't stroomnat met geweld zijn oevers uit doen zwellen? Door my is 't, zoo zy thands het op- en ondergaan der sterren en den stand der heemlen gadeslaan. Het denkbeeld van getal in vast bepaalde klanken en beelden uitgedrukt, heeft de aarde my te danken! Aan my meê, dat de taal, die uit den boezem breekt, tot 's werelds uiterste eind en tot de toekomst spreekt, in teekens afgemaald, naar 't buigen onderscheiden, van 't spraakdeel, in wiens vorm de toonen zich verspreiden! 'k Deed d' arbeid van den mensch door 't redelooze dier verpozen. 't Moedig paard, eens op zijn vrijheid fier, leerde ik zich in den toom, die hem bedwingt, verblijden 'k Deed d' uitgeholden boom op de oppervlakte glijden den waatren, toegerust met vleuglen van doek. Dit waagde ik en nog meer, die ondanks 's hemels vloek den diep vervallen mensch gelukkig wist te maken, maar ach! geen middel weet om dezen boei te slaken. DE REI. Gy lijdt, het is te waar, maar verre dwaaldet gy! Wat ziekte krenkte u dus? Wat wondre razernij dreef u in 't dreigend leed? Gy hadt uw lot voor oogen, en thands zijt ge onbekwaam tot reddint iets te pogen! PROMETHEUS. Ach! tot der menschen heil ontbrak my mooit de macht! Heb ik niet tegen 't heir der ziekten hulp gebracht? Wat wisten zy vóór my van heeling voor hun wonden? Geen balsem kenden zy, maar lagen onverbonden. en stierven zonder hulp of laafnis. 's Aardrijks schoot gaf vruchtloos heilzaam kruid, en de onverbidbre dood verraste steedds een prooi, wier zwakheid zich niet weerde, voor dat hun hoogerhulp de tooverkrachten leerde der godlijke artsenij. Geheimen van het lot, zoo diep verborgen voor het oog van zelfs een god! 'k Vermocht u wederom aan 't menschdom te openbaren. Haast spelde hem de kunst, wat heil af wat gevaren hem wachtten; alles sprak tot d' eens verlichten geest. Den zin des duistren drooms ontwikkelt hy, hy leest zijn toekomst in de vlucht der vooglen, gaat te rade bij bosch- en stroomgedruisch, en slaat elk teeken gade met naauwgezet vernuft. De heilige offerand ter eer van 't godendom is 't eerst door mijne hand ontstoken, en de vlam, die opgolft tot de wolken, en 't rookend ingewand tot nieuwe orakeltolken verheven. Uit het diepst des aardrijks rees de gloed van goud en zilver, die het menschdom met den voet tertrapte, onwetend nog wat schatten de aard hem baarde van vierderlei metaal, waarvan 'k gebruik en waarde hem leerde, voor zijn heil zorgvuldig zonder maat. Ja, deze is de een'ge troost, dien my het noodlot laat. dat wat de sterveling ooit voor weldaân heeft genoten, hem uit Prometheus borst alléén zijn toegevloten! DE REI. Ja, zorgloos voor u-zelf, aan andrer heil gewijd, zoo waart gy! Maar het leed waar ge in gedompeld zijt in nog door buigzaamheid te ontkomen. O! verneder uw hoogmoed, en welhaast groet u de hemel weder zijn burger, die Jupyn in wijsheid evenaart! PROMETHEUS. Neen! Niet langs dezen weg is my het eind bespaard van deze ballingschap. Met onoptelbre rampen heeft my de wil van 't lot nog opgelegd te kampen; en ik, ik onderwerp me. O! deze borst heeft kracht en moed, die met de smert van ijdle kwalen lacht. Maar om den loop dien zich het noodlot koos te keeren, is 't vruchtloos iets getracht. Haar vonnissen vereeren de goôn; zelfs Jupiter wijkt van haar wet niet af. Van haar ontstond zijn macht, van haar ontstond mijn straf; en wat de ziel vermag, is dulden en verwachten. DE REI. Maar hoe! verwacht gy dan dat weêr de hemelmachten verwisslen zullen, en de zetel van Jupyn! PROMETHEUS. Neen! Blijve dit geheim, en wilt gedachtig zijn dat ik van zwijgen slechts mijn redding heb te hopen! De dwinland moet 't geheim met mijn ontslag bekoopen! DE REI. - KEER. Bewaar, bewaar, o machtig lot, mijn zwakke ziel van met den god die op d' Olymp regeert in zulk een strijd te treden! O! winne ik zijn genâ door offers en gebeden! Ik zal, ik zal hem steeds ontzien, hem innig needrig hulde biên! Want wat, wat baat het hem te tergen, voor wiens geweld zich niets vermag te bergen? TEGENKEER. Waartoe steeds angst en zorg gezocht? Waartoe een oogwenk heils gekocht voor rampen, waar 't verstand geen eind aan kan bepalen? Zijn dan ook wy bestemd van ramp in ramp te dwalen, en is der aardbewoonren lot gemeen aan 't leven van een god? Prometheus! schrikbaar is uw voorbeeld! Een godheid, tot de straf eens stervelings veroordeeld! TWEEDE KEER. Ga, roep hen thands ter hulp, die gy gelukkig maaktet, voor wie gy 't hemelsch heil verzaaktet! Wat is het sterfelijk geslacht? Wat is zijn aanzijn? Wat zijn macht? Een schim, een schaduw, die een oogwenk doet verschijnen, een oogwenk wederom verdwijnen, blind voor 't gevaar, dat hem omgeeft aan alle kanten! Zal u hun dankbaarheid bevrijden van uw band? TWEEDE TEGENKEER. O! moet ik mijn groet in rouwgezangen brengen? Moet ik hier tranen, zuchten plengen? ik, de eigen die in vroeger tijd, den dag aan uwen echt gewijd weêrgalmen deed van andre zangen, door 't heilgejuich der zeegoôn opgevangen, toen 'k zuster Hesioon uw liefde in de armen bracht? O ommekeer van 't lot, wie had u ooit verwacht! ------------------------------------------------------------------------ AANTEKENINGEN: 1 Colchis = kustland aan het oosten van de Zwarte Zee, bekend door de tocht van de Argonauten. 2 Scythië = land, dat in de oudheid, ten noorden van de Kaspische en Zwarte Zee lag. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) PROMETHEUS (1819) ZESDE TOONEEL PROMETHEUS, IÖ, DE REI. ------------------------------------------------------------------------ IÖ. Waar ben ik, wat geslacht van menschen voedt dees grond? Wat zie ik? aan den top van deze bergen een godheid vastgesnoerd? Wat schrikbaar vonnis bond hem aan dit foltertuig? (Tot Prometheus.) Mag 'k u een antwoord vergen, o! zeg my, waar my 't lot gebracht heeft op dees stond? Helaas! hoe wreed is 't nog op my verbolgen! Hoe rustloos voel ik, my vervolgen dioor 't duizendoogig spook, dat leefde voor mijn straf, en dat, vergeefs verzwolgen in het graf, my nog van killen schrik de wereld door doet zwerven! Laat my in 't eind, o goden, rust verwerven! Ik val van angst, 'k vanl van vermoeinis neêr! De poorten van de hel heroopnen zich, en geven de schim van Argus1 de aarde weêr! Ik zie het monster om my zweven, het volgt my waar ik std, 't bewaakt op nieuw mijn schreên...... nog ruischt de toon der rietpijp door mijn zinnen, die eens vermogend was den woestaart te overwinnen, maar machtloos thands! - Waar, waar voert gy my heen oo Jupiter? Van waar die reeks van plagen op my, die ach! uw deernis slechts verdien? Moet eerst de laatste van mijn dagen het einde dezer foltring zien? Of zoo ik misdaân heb te boeten, zoo splijte de aarde voor mijn voeten, of zij my de afgrond van de zeeën tot een graf! Uw bliksem moge mij verpletten! De doodwond zal alleen my van mijn leed ontzetten! 'k Ben afgefolterd, 'k zal.bezwijken in mijn straf! Bespoedig slechts het uur, bespoedig 't op mijn smeken! DE REI. Hoort ge uit het hart der maagd den kreet der wanhoop breken? PROMETHEUS. Ik hoor den kreet der maagd, vervolgd door Junoos2 haat, eens door Jupyn geliefd, thand door Jupyn versmaad. Het kroost van Inachus treedt tot ons, moê van 't zwerven, en 't hijgen naar een rust, die zy te lang moest derven. IÖ Wie noemt mijn vader in dit oord? - O! onderrichte my een woord, één woord slechts, wie gy zijt, en waar my 't noodlot voerde? Wie zijt ge, gy wiens stem mijn ziel zoo diep ontroerde? Die, ongelukkig zoo als ik, mijn naam, mijn afkomst toont te weten, en de oorzaak van dien helschen schrik, waar Iöos geest zoo wreed van is bezeten? - Wie is er, buiten my, die dus, die schuldloos lijdt? Gy ziet het offer van den dolsten minnennijd! O gy, dien alles my een hemeltelg doet denken! kunt ge Inacus wnahopig kroost een enkel oogenblik van troost, een enklen straal van licht omtrent haar toekomst schenken? PROMETHEUS. Vraagt gy my, wie ik ben? 'k verheel mijn naam u niet, verbonden als wy zijn door eenerlei verdriet! Gy ziet Prometheus hier, den vriend der stervelingen! IÖ. Prometheus? En wie dorst u in dees ketens wringen? PROMETHEUS. De handen van Vulcaan, het vonnis van Jupyn. IÖ. En welk een gruwelstuk kon hiervan de oorzaak zijn? PROMETHEUS. Ik meldde u de oorzaak reeds: mijn weldân aan de menschen. IÖ. Voldoen nog met een woord den billijksten der wenschen! Hoe lang nog zwerve ik rond ten prooi aan 't eigen leed? PROMETHEUS. Ach! zwijge ik hier van eer! Wat baat u dat ge 't weet? IÖ. Verberg, verberg my niets, wat lot me ook zij beschoren. PROMETHEUS. Wat ik u melden zou, zoudt gy met wanhoop hooren! IÖ. 't Is zulk een wijsheid niet, wier weldaad ik behoef. PROMETHEUS. Wel nu dan! 't is uw wil; ik zal spreken. DE REI. O vertoef een wijl! 'k Voel Ioös klacht geheel mijn borst doordringen! Ach! mochten wy den loop dier lotsverwisselingen, wier storm haar voor ons voert, vernemen uit haar mond, voor dat uw godspraak hier des hemels wil verkond'. PROMETHEUS. Ontvouw ons, droeve Nimf! door wat gebeurtenissen gy 't vaderlijk gebied sints reeds zoo lang moet missen? Gy hebt de zusteren van Inachus gehoord! Verstoot haar bede niet, zy sproot uit deernis voort. Een deernistraan geeft lucht aan 't teêrgevoelig harte: 't verwekken van dien traan verlicht de zwaarste smarte! IÖ. 'k Gevoel in my geen kracht uw reednen te weerstaan; 't verhaal dat gy my vergt vang 'k zonder dralen aan. Maar ach! mijn voorhoofd wordt van droefheid overtogen en schaamte, dat ik dus my toone voor uw oogen; en 'k bloos, schoon schuldeloos, om 't geen my zoo ver bracht. De kindschheid pas ontgroeid, ontwaarde ik nacht op nacht een wondre, zachte stem, dus fluistrende in mijn ooren: „Gelukkige, waartoe het heillot u beschoren „ontweken? Jupiter verlangt u tot zijn bruid! „Hy brandt van min voor u; gy, Iö, vlied van uit „uws vaders watergrot naar Lernaas breede weiden! „De koning van d' Olymp zal daar uw komst verbeiden." 'k Bepeinsde heel den dag het wonder van den nacht, onzeekrer ieder stond, hoe meer ik 't overdacht. Was ik door de ijdelheid eens vluggen drooms bedrogen? of daalde wezenlijk een stem van uit den hoogen, den wil verkondigend van Jupiter? In 't end maakte ik mijn droeven staat aan Inachus bekend. De grijzaart hoorde en schrikte. Een menigte van boden verspreidde zich alom om 't antwoord van de goden uit Pythoos heiligdom en 't Dodoneesche bosch te lokken. Doch vergeefs. De taal des zonnegods bleek duister en verward, en de eikenboomen zwegen; - tot we eindelijk op eens 't verplettrend antwoord kregen, dat ons geslacht de bliksem van Jupyn verdelgen zou, zoo 'k nog mocht wederspannig zijn; en dat zijn hooge wil reeds voorlang had besloten, dat my mijn vader uit zijn armen moest verstoten en nimmer weêrzien mocht. Wanhopig schijden wy, rampzalige offers van de scherpste dwinglandij. Doch onderwerping zelfs mocht Iö niet meer baten! Ik had den grijzaart naauw en zijn verblijf verlaten, of 'k zag my dus misvormd! Mijn voorhoofd, eens zoo fier op d' eerbren maagdenblos, verlaagt my tot het dier. Maar weinig nog: gezweept door angsten zonder voorbeeld, zag 'k, Lerna in het eind genaderd, mij veroordeeld, eens herders wenk te ontzien, die 't honderdvoudig oog steeds wakende op my richtte, en last had van omhoog mijn schreden gâ te slaan, en me op 't wreedaardigst kwelde. 'k Weet niet wat keer van 't lot dat gruwzaam monster velde. Hy viel. Maar 't helsche beeld leeft in mijn zwak gemoed, en spreidt me een nieuwen schrik door 't fel verhitte bloed. Zoo vluchte ik voor my-zelf wanhopig over de aarde, en zoek vergeefs den dood. - welaan, ik openbaarde u de oorzaak en den loop van mijn hardnekkig leed; ontvouw my 't oovrig thands, zeg moedig 't geen gy weet. Ik smeek, verbloem my niets uit ijdel mededogen: ik vrees niets ergers thands, dan dat 'k dus werd bedrogen! DE REI. O dag van nooit beproefde smart! hoe wordt op ieder stond mijn hart door slag op slag van een gereten! 'k Zie goden uit hun rang in d' afgrond neêrgesmeten: ik zie de onnoozelheid verdrukt en onder jammeren gebukt. waar 'k nooit me een denkbeeld van kon maken! Hoe wenschte ik, ach! Prometheus boei te slaken! Hoe meng 'k mijn tranen aan uw klacht, O Iö! Dat voor 't minst mijn rouw uw smart verzacht'! PROMETHEUS. Gy treurt om haar verhaal. gy zult nog bittrer treuren, wanneer gy weten zult het geen nog moet gebeuren! DE REI. Zoo spreek! wy luistren. Deel haar een uitzicht meê op 't end, hoe ver nog af, van haar onlijdlijk wee! PROMETHEUS. Uw ongeduld heeft thands geen uitstel meer te wachten. Gy, Iö, geef gehoor, en wapen u met krachten! Gy zult van my verstaan hoe en tot welk een tijd gy 't offer nog moet zijn van min en minnenijd! Het Oosten roept u 't eerst. gy zult uw schreden wenden naar 't woeste Scythië, wier onbeschaafde benden geen vaste haardsteên, maar slechts tenten, met hen rond gedragen kennen, en verplaatst op ieder stond. Zoek geen gastvrijheid daar, maar schuw hen na te komen. Trek door dit aaklig oord in allerijl, de stroomen der zee langs, die 't bespeolt, tot aan Hybrites vloed. Treed daar den oever op, tot waar die stroom den voet des Causcasus ontspringt, die de aarde met de kimmen tot één te voegen schijnt. Gy moet dien overklimmen, en keeren u naar 't Zuid. Hier wordt door de Amazoon naby Thermodons vloed u teedre hulp geboôn, en de enge zee getoond, die gy moet overvaren, en die aan 't nageslacht de erinn'ring zal bewaren dat gy door dezen weg het andre werelddeel bereiktet! - Gy verschrikt, 't geen 'k spel schijnt u te veel! Onnoozle, kent Jupyn of deernis of genade? Om u versmaadde hy in dartle lust zijn gade; maar om dier liefde wil u hulp of troost te biên...... wacht dit van hem niet, die gewoon is niets te ontzien! IÖ. O goden! PROMETHEUS. Io, moed! en wil die wanhoop smoren! Gy eischtet dat ik sprak. Gy hebt nog meer te hooren. DE REI. Helaas! is nog de maat dier rampen niet vervuld? PROMETHEUS. Niet vóór het tijdstip, dat gy straks vernemen zult. Gy, goden, die my haat! ach! ware ik nooit geboren, of in de wieg gesmoord! Maar neen! 't was mij beschoren te leven tot een spel van uwe heerschappij! Doch, ik, ik-zelf, wat draal 'k? Waartoe niet zelve my ter neêr geslingerd van dees rotsen tegen de aarde, en 't lot te leur gesteld, dat my uw wreedheid spaarde? ........................ PROMETHEUS. Hoe dus vervreemd van geest? Wat zwakheid spoort u aan, het op u rustend leed door zulk een stap te ontgaan? Wat zoudt gy, die u dus door wanhoop laat vervoeren, indien ge u, zoo als ik, aan ketens vast zaagt snoeren, waarvan geen dood my redt, die eeuwig leven meot, ja, eeuwig lijden, zoo my 's dwinglands val niet hoedt? IÖ. Zijn val? Wie waagde 't ooit hem naar de kroon te steken? PROMETHEUS. 'k Voorspel, ik zie den tijd, die u en my zal wreken. IÖ. Wie rukt de koningstaf uit een zoo forsche hand? PROMETHEUS. Zijn eigen roekloosheid, een dwaze huwlijksband. IÖ. Heeft hy de gade dan, die hy zich koos, te vreezen? PROMETHEUS. Zijn eigen kroost zal eens de schrik zijns vaders wezen, zoo hy mijn boei niet slaakt, en dus zich-zelf behoedt. IÖ. Wie anders brak dien los? PROMETHEUS. Een held van uit uw bloed. IÖ. Is 't mooglijk? Van mijn kroost hebt gy uw heil te wachten. PROMETHEUS. Van 't kroost uit uwen schoot na dertien nageslachten. IÖ. 't Is duister voor mijn geest, wat wy uw mond voorspelt. PROMETHEUS. Welaan! u zij de keus, wat wenscht gy dat ik meld', of d' afloop van uw reis, of d' afloop van mijn plagen? DE REI. Ontzeg ons niet, kan 't zijn van beiden te gewagen! haar hebt ge 't beloofd, vergun aan onze beê het ander: één gevoel treft ons om beider wee! PROMETHEUS. Gy, wie uw deernis noopt den balling niet te laten, hoe wreed hem 't lot vervolgt, hoe fel de goôn hem haten, wat zoude ik ooit uw beê ontsproten uit een zucht van weldoen, afslaan? neen! En gy, schep eindlijk lucht, beklagenswaarde maagd! wy zijn aan 't eind gekomen der rampen, die uw jeugd, uw onschuld overstroomen. Ik meldde u langs wat weg gy uit dit werelddeel 't naburig Azië zult intreên, een tooneel van nieuwen schrik. Hier hebt ge Phorcys kroost te mijden, wien beide zon en maan 't weldadig licht benijden, het menschdom hatend, en van wederzij verfoeid door al wat sterflijk is. Een nest van slangen broeit op 't hoofd wiens aanschijn moordt. Wacht,wacht u haar te naderen! Vermijd de reuzen ook die 't oevergoud vergaderen der Arimaspias.. Met één oog uitgerust aâmt hun misvormd gelaat de moord- en plonderlust. Gy, waan geen vreemdlingrecht by deze monsters heilig! Nu opent zich voor u een landstreek meerder veilig. U buigt de Egyptenaar zijn schedel, zwart geblaakt door 't zonvuur, waar geen wolk een frisschen droppel slaakt. Heil, heil u, wen de Nyl zijn zegenende golven zal rollen voor uw oog! Het lot, zoo lang verbolgen bevredigt zich; de grond, waarop gy d' eersten troost erlangt, is uw gebied, is 't erfdeel van uw kroost! Ziedaar hetgeen me 't lot veroorlooft u te ontdekken: en moog' die godspraak u een nieuwen moed verwekken! Of twyfelt gy, en heeft mijn taal nog duisterheid? Spreek! waar ik helpen kan, vindt me Iö steeds bereid. DE REI. Heb dank, doch duld met een dat wy nog meer verwachten! PROMETHEUS. Van 't geen 'k heb toegezegd, kunt gy u zeker achten. O telg van Inachus3! ten teeken dat mijn mond hier 't echte vonnis van het strenge lot verkondt, zal u mijn kennis zijn van reeds vervlogen tijden, 'k Zal hier heel d' omvang niet van uw langdurig lijden herhalen! Dat ge slechts het uur herinn'ren mocht, toen gy Thesprotië en Dodones bosch4 bezocht! Gy zaagt, terwijl gy vloodt, de godgeheiligde eiken hun takken neigen naar den grond en tot u reiken, en murmelen u toe: heil gade van Jupyn! Maar ach! dit kon geen troost by zoo veel jammren zijn. Uw angst verdubbelde; de wanhoop gaf u krachten; gy vloodt langs 't strand der zee, die volgende geslachten benoemen zullen naar den naam die gy nog draagt, en ijldet naar dit oord! - Gy ziet, bedroefde maagd, dat ik uw noodlot ken! - 'k Weet wat gy hadt te lijden, en nog te lijden hebt; maar 'k spel u beter tijden. Daar waar de Nyl zijn vocht aan 't zilte zeenat mengt daar snelt der goden Vorst u in 't gemoet. Hy wenkt: nu gaan uw smerten zich in louter vreugde keeren Zoo ver de Nyl zich strekt, zal uw geslacht regeeren. Een fiere heldenstam zal spruiten uit uw schoot, en bloeien de eeuwen door. Een' hunner zal de nood met vijftig dochteren naar Argos wederbrengen, om aan zijn broeders bloed niet zijne niet te mengen. Vergeefs! In Argos zelf vervolgt een vijftigtal van minnaars 't huwelijk, dat hen verdelgen zal. Want hier, hier moet de nacht geen minvlam zien zien ontbranden, maar tuigen mannenmoord, gepleegd door vrouwenhanden. Slechts ééne, ééne enkle maagd ontziet haar echtgenoot, en toont zich vrouw, en waard haar afkomst uit uw schoot. Met haar geredden gâ zal ze Argos rijkskroon dragen, en hy, wiens heldendeugd heel 't aardrijk zal gewagen, dat hy verlossen moet van monsters zonder tal, die me uit een foltering van eeuwen redden zal, moet spruiten uit dit bloed. Ziedaar den wil der goden, en 't geen ik melden mag; en meer is my verboden! IÖ. Gezegend tijdstip, spoed aan!...... Maar wat bedriegelijke waan gelogenstraft door de angst, waarvan 'k my voel bespringen! Neen, zelfs in d' afgrond van het graf hoop ik geen eind aan dees mijn straf! Verheugt, verheugt u, hemelingen, in 't geen onschuldige Iö lijdt, en gy vooral, neem wraak, onzaalge minnenijd! 'k Bezwijk niet, neen! noch ben bestemd te sterven! Ik ben bestemd van smart tot smart, van foltering in foltering te zwerven, en enkel wanhoop is de toevlucht van mijn hart! (Zy vertrekt.) DE REI. - KEER. Met recht, o sterveling! met recht schuwt gy geen ongelijken echt! De leifde stort in onafzienbre rampen, als zy verbinden wil hetgeen het noodlot scheidt. Ge erkent u machteloos om tegen dit te kampen, en wien by u zijn gunst een troon heeft toegezeid, slaat op geen herdersmaagd een blik van tederheid! TEGENKEER. Rampzalige Iö, ach! uw lot sproot uit de liefde van een god! Wie dacht haar ooit gedoemd tot zulk een lijden, om wie der goden Vorst verliefde zuchten slaakt? En wie, wie zou haar thands die hooge gunst benijden daar Junoos minnenijd zoo vreeslijk om haar waakt, en voor de onnoozle maagd een hel van de aarde maakt! SLOTZANG. Slaat nooit op ons, o goden, de goden neêr! Zij ons gâ bestemd van uit het rijk der zeeën! Ons neêdrig hart verlangt niet meer, en siddert om de bron van Iöos weeën! PROMETHEUS. En echter zal die trots zich eenmall diep vernederen! Dat hart zal beven, dat geen liefde kan vertederen, geen wanhoopkreet doordringt. Gy werkt uw eigen vol, vrijmachtbre Jupiter! De vloek uws vader zal zich een vervullen! Ja, de grijze godenkoning, verstoten door zijn zoon van uit de hemelwoning, meot zich gewroken zien, wanneer die zelfde zoon door eigen overmoed zal tuimlen van den troon! Uw donder moge nog verschrillijk om ons grommen: eens zal zijn schrikgeluid in uwe hand verstommen! Uw bliksem moog nog de angst verspreiden over de aard: voor al dien praal van macht is 't Noodlot niet vervaard! De kroon wankt op uw kruin; gy zult uw gruwlen boeten! Onmijdbaar is uw val, of 'k zie u verpletten moet? Met vlammen, ijslijker dan heel uw bliksemgloed, bestormt hij uw Olymp. Zijn hoofd reikt tot de starren; hy trapt van krijgsdrift, en doet d'afgrond opensparren! De bergen daavren, en de zee ontspringt haar bed! En gy, gy stort ter neêr! Van zulk een slag ontzet, ziet Pluto5 u vol schrik 't gebied der hel betreden; terwijl het menschdom juicht, dat eindlijk zijn beden verhoord zijn door dat Lot, dat eenig 't Al regeert, en dat de goden zelf, als 't hem behaagt, verneêrt! DE REI. Wat waanzin, laat, laat af dus Jupiter te tergen! PROMETHEUS. Wat zou ik dees mijn wensch den dwingeland verbergen? 't Is waarheid, wat 'k verkond'! Daar leeft een hooger macht, uit wie de zijne daalt! DE REI. Maar nog, nog heeft hy kracht u om zoo stout een taal op 't ijslijkst te kastijden. PROMETHEUS. Mijn dood vermag hy niet, en 'k heb geleerd te lijden. Verneêre zich wie wil voor dwinglandentrots, Prometheus kent geen vrees; zijn boezem is van trots, wanneer het rechten geldt die hy niet mag verzaken! - Maar 'k zie Mercurius diet eenzaam oord genaken. Wat of zijn komst ons brengt? - De bode van Jupyn, den Oppervorst der goôn, zal hy niet lang meer zijn! ------------------------------------------------------------------------ Aantekeningen: 1 Argus = reus met honderd ogen over het hele lichaam. Door Hera als wachter bij Io geplaatst, welke door haar in een koe veranderd was. Hij werd door Hermes gedood. Hera plaatste al zijn ogen op de staart van de pauw, welke haar lievelingsvogel was. 2 Juno = vrouw van Jupiter, dochter van Saturnus en Rhea. Koningin der goden en beschermster van het Romeins gebied. De maand juni is haar geheiligd. 3 Inachus = zoon van Oceanus en Thetys, vader van Io. Mythisch stichter en eerste konig van Argos. 4 Dodonesch bosch = Hier in lag het orakel van Zeus. Het geruis van de bladeren en bekkens be paalde te toekomst. 5 Pluto = ander naam voor Hades, god van de onderwereld. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) PROMETHEUS (1819) ZEVENDE TOONEEL PROMETHEUS, DE REI, MERCURIUS. ------------------------------------------------------------------------ MERCURIUS. Hardnekkig, wiens list het aan dorst randen, en goôn verachten; ie met doemenswaarde handen het vuur, tot hunnen dienst ontglommen1, aan 't geslacht der slijkbewoon'ren, als uw eigen weldaad, bracht! De Koning van de goôn gebiedt u my te melden, wat gruwzaam huwelijk uw woeste orakels spelden dat hem van 't wettig rijk een dag verstoten zou! 'k Verwacht, Prometheus, hier geen tegenstand. Ontvouw de waarheid zonder kunst en trouweloos verdichten! Of waant gy dat Jupyn voor uwen wil zal zwichten? PROMETHEUS. 'k Erken in deze taal een schaamtloos trotschen toon den zendling van een Vorst, zijn schepter ongewoon. Onnoozlen! want u vrij in uwe hemelwallen beveiligd tegen 't lot! 'k Zag reeds twee goden vallen en zinken van hun troon in d'afgrond. dieper schand verwacht by sneller val den derden dwingeland! En my, my zou 't geweld dier pas verheven goden doen siddren? Mijn gemoed zich krommen voor die snooden? Ga, Jongling, keer te rug naar die u herwaarts zond! Het antwoord dat gy vergt komt nimmer uit mijn mond. MERCURIUS. Die hoogmoed heeft sints lang u 't levenszoet verbitterd. PROMETHEUS. Voor al den hemelglans, waarvan uw slaafschheid schittert, ruilde ik de wreedheid niet van 't noodlot dat ik lij'. Geketend aan dees rots, mijn foltertuig, maar vrij, zie 'k met verachting neêr op u en uws gelijken, die voor dit nieuw gezag met kruipende eerbied wijken. MERCURIUS. Zoo is de droeve staat, waarin gy thands verkwijnt, nog zalig in uw oog, zoo 't uit uw reednen schijnt? PROMETHEUS. Treff' zulk een zaligheid mijn vijanden! 'k Benijde u 't laf genoegen dier bekentnis niet, ja, 'k lijde, en palgen, zoo als gij verdiend hadt te ondergaan! MERCURIUS. Hoe! ik? Wat heb ik toch tot uwe ramp misdaan? PROMETHEUS. Mijn fel getergde haat kan geen der goôn verschoonen, die met een ijzen hart mijn braafheid dus beloonen! MERCURIUS. Wat woeste ziekte heeft uw geestkracht dus onsteld? PROMETHEUS. De haat door laagheid en voor wetteloos geweld. MERCURIUS. O! zoo gy heerscher waart, wat lot werd ons beschoren! PROMETHEUS. Helaas! MERCURIUS. In 't hemelsch hof doet nooit zich weeklacht hooren! De tijd treedt langzaam voort, en voert mijn antwoord meê. MERCURIUS. Zoo weigert gij dan steeds voldoening aan mijn beê, en laat my zonder vrucht, gelijk een slaaf hier wachten! PROMETHEUS. Slaaf zijt ge, en als een slaaf zal ik u immer achten! Maar wat toch geeft uw hoop dat ik veandren zal, voor dat dees vuige boei van om mijn leden vall'? Geen straf, geen pijniging, geen loos bedachte vonden doen ooit mijn veege borst de orakelstem verkonden. Zoo plettre de schicht des Donderaars mijn kruin, en keer zijn dolle storm heel 't aardrijk tot een puin! Ik buig niet, en 't geheim dat hem zoo wreed doet zorgen, blijft voor zijn angstig oog, zoo lang hy heerscht, verborgen. MERCURIUS. Wat baat dit aan uw leed? PROMETHEUS. Ik heb het dus bepaald. MERCURIUS. Ontzie de stormen, die den weg waarop gy dwaalt bedreigen, en keer weêr! PROMETHEUS. O! staak dit ijdel pogen! Gy hadt dees strandrots eer dan mijn gemoed bewogen. Ik voer geen vrouwenbloed, om bevend voor een troon te knielen, of den glans van een geroofde kroon te aanbidden, recht en eer lafhartig te verlaten, en smeken om de gunst van wien'k het felst moet haten! In zulk een gruwelstuk vervalt Prometheus niet! MERCURIUS. Vergeefsch dan is de raad, dien u mijn vriendschap biedt, Geen rede kan het staal van uw gemoed doordringen. Maar vruchtloos worstelt gy om den nood te ontwringen, als 't jong en vurig ros, dat in zijn teugels woedt: als hy zult ge in het end bezwijken. De overmoed baat weinig, waar geen macht gereed staat haar te sterken Doch is geen bede in staat uw redding te bewerken, zoo hoor voor 't minst het lot verhonderdvoudigd wreed, dat langer tegenstand u zal berokk'nen. Weet de Jupiter dees rots van uit zijn wortel rukken, u-zelven, door de lucht geslingerd met zijn stukken, geen rustplaats gunnen zal, dan in het diepst der hel. Daar opent zich voor u een nieuwe jammrenwel; daar zult ge uw vrijheid nog in schrikbrer boei betreuren; daar zal u de adelaar het ingewand verscheuren, herlevend telekns tot vernieuwing van een pijn, uw godenleven lang bestemd uw straf te zijn; zoo niet een held verrijst, die in het rijk der plagen met onvertsaagden voet in het lang gemiste licht. Beraad u naar dit kort maar onvervalscht bericht der toekomst! 't Past geen god door Jupiter gezonden, verachtbre striktaal voor orakels te verkonden. En o! dat niet altoos onbuigbre hovaardij u meer dan wijsheid, meer dan heel uw aanzijn zij! DE REI. Uw rede, zendling van Jupyn, heeft ons bewogen. Ha overdreven trots, Prometheus! blindt u de oogen! Druf ze oopnen! 't Is den man, die wijsheid mint, geen schand zich te onderwerpen aan den invloed van 't verstand. PROMETHEUS. Om my mijn toekomst te openbaren had ik geen hemelboô van nooden. 'k Ken Jupyn: wat dan zijn felste haat kon my beschoren zijn? Het onweêr moog ik zich om mijn hoofd vergâren! Ontbrand' de bliksem van rondom, en laat zich 't woedende gegrom der stormen aan 't geknal des schorren donders paren! De bevende aarde splijte , en oopne zich de hel! En dat de zee tot aan de wolken zwell'! Laat my die zelfde schok in 't diepst des afgronds voeren, waar een onbreekbre band mijn leden klemmen zal! Geen kwelling zal mijn vrij gemoed ontroeren! Mijn leven en mijn wil zijn hooger dan 't geval! MERCURIUS. Zijn onbetermbre zinnen dwalen! De vrees der opgehoopte kwalen, die hem bedreigen, voert de rede hem niet weêr! Gy, schoone Nimfenrei, wier troost hem bijstaat, keer naar veilger oord, en dat een snelle vlucht u hoede voor 't enkele geraas van 's hemelskonings woede! DE REI. Wy volgen nimmer dezen raad; hy is ondraaglijk aan onze ooren! Ik heb den lafaart steeds gehaat, die d' ongelukkige overlaat aan 't onheil dat hem staat beschoren. Wy deelen in zijn jammerlijken staat, en kozen, kon het zijn, eer met den held te sneven, dan met den smet van snood verraad te leven. MERCURIUS. Zoo wijt u-zelve 't kwaad dat u bereiken moog', en waagt het nimmer op Jupyn de schuld te laden, als of 't u dreigend leed ontgaan was aan uw oog! Gewaarschuwd voor zijn toorn, zijt gy 't die onberaden u in gevaren storten gaat, waarin geen naberouw uw roekeloosheid baat! (Hy vertrekt.) PROMETHEUS. De godspraak wordt vervuld: de daavrende aarde scheurt weg: het bliksemvuur, dat zich aan 't zwerk vergaarde, is losgebroken, en geheel de trans ontgloeit. De donder gromt, de noodstorm loeit, het stof steigt op in reuzige kolommen, de zee, ontwassen aan haar perk, is opgeklommen tot aan de hemelen, die neigen tot hun val! 't Is alles saamgespannen in 't Heelal, om mijn gemoed tot slavernij te dwingen! Gy, godheid, waar 'k uit wierd, die over stervelingen en goden 't alziend oog, de tijden door, laat gaan! getuig gy wat ik lijde, en wat ik heb misdaan! (Hy verdwijnt.)