Liefdewraak Piet Paaltjens "Ha! weet ge 't niet, wat kanker woedt In 't lang miskende hart, Als liefde 't vuur der wraak ontsteekt, En misdaad groet uit smart?" Zoo zong weleer de droeve luit Van wijlen Van der Vliet. - Wie, die wat doet aan belletrie, Kent zijn gedichten niet? - En, o, zijn luit had wel gelijk, Er is geen twijfel aan: Als 's jonglings liefde wordt gehoond, Dan steekt zij 't wraakvuur aan. Dan slijpt ze in 't nachtlijk uur den dolk En plompt hem in de borst Van die haar trapte in 't aangezicht En haar miskennen dorst. Dan mengt zij heimlijk haar vergift En giet het in den strot Van die haar beê om wedermin Ontving met schimp en spot. Dan laadt ze in 't eenzaam haar geweer En schiet het op háár af, Die voor haar hitte en haar vuur Slechts koelheid wedergaf. Want 's jonglings hart is als van staal; Wel kan de hand der maagd Het buigen, maar die proeve zij Niet al te ver gewaagd. Als zij lichtzinning 't spel vervolgt, Vermetel d' uitslag tart, Dan springt het staal en graaft een wond In 't maagdelijke hart. Een dikke sneeuwlaag dekt den grond; Een wolkenlaag 't azuur; 't Vriest dertig graad; de wind blaast fel; 't Is 's nachts om twalef uur. Maar trots de koude en trots den nacht Staat op de Hoogewoerd Een jongling, vrij van oogopslag, Het hart door min beroerd. Hij speelt op zijn gitaar en zingt, 't Oog op een raam gericht, Met een vrij goeden bariton Een teeder minnedicht. Hij zingt er eerst een in het Fransch, Genaamd: "le troubadour", In acht coupletten, en 't refrein Luidt telkens: "Ah! l'amour!" Vervolgens zingt hij een in 't Duitsch. Dat klinkt wel een zo schoon. 't Zijn nu geen luchte trillers meer; 't Is nu een sombre toon. Hij zingt van Thränen, Höllenschmerz, Van Sehnsucht, Grab en Tod, En weent zijn beide wangen nat En beî zijn oogen rood. In 't Hollandsch zingt de jongling niet; Die taal is ongeschikt; Zij klinkt in de ooren van de min Zoo ruw en ongelikt. Maar, of hij Fransch trillers sla, Dan of hij weene en zucht' In 't Duitsch, hij merkt aan liefjes raam Geen licht op of gerucht. En of hij voor den tienden keer Zijn minnelied herhaal', Hij krijgt voor al zijn schoon gezang Geen teeken weer of taal. Dat wekt in 't eind des jonglings toorn. Zijn oogen schieten vuur; En aan zijn mond ontstijgt de kreet: "Ha! dat betaalt ge duur!" En vol van wraak buigt hij zich neer, Pakt fluks een sneeuwbal saâm En werpt hem, paars van nijdigheid, Bij 't liefje door het raam; En keert met gitaar in d' arm, En neuriet droef het lied: "Ha! weet ge 't niet, wat kanker woedt - " Gemaakt door Van der Vliet. 1850 Des zangers min Piet Paaltjens De morgendamp hangt over 't veld, En kleurt den herfstdraad wit. Voor 't venster op de Hoogewoerd Een minnedichter zit. Een dichter, die gewoon is, om Na d' afloop van 't ontbijt, Een lied te tokklen op de harp, Zijn liefje toegewijd. Niet, dat hij echt een liefje heeft; Hij stelt het zich maar voor. Dat doen minnedichters meer; Daar zijn ze dichters voor. Ook nu weer is hij aan den gang; Ook nu weer zingt de snaar Zijn instruments een minnelied, Zoo zoet, zoo wonderbaar: "Als ik u staar in 't blauwend oog, O Mina, Mina mijn! Dan krimpt mijn jong studentenhart Ineen van minnepijn! En drinkt mijn oor uw zilvren stem, O Mina, Mina mijn! Dan zet zich dat studentenhart Uiteen van minnepijn! En proeft mijn mond uw liefdekus, O Mina, Mina mijn! Dan berst datzelfde jonge hart Vaneen door minnepijn!" Nauw sterft de laatste harptoon weg Dier englenmelodij, Of raatlend rijdt de diligence Naar Woerden 't huis voorbij. De jongling werpt zijn dichtersblik 't Raam uit en 't rijtuig in, En, hemel, hoe toevallig! - juist In 't oog van een Friezin; Van een der liefste meisjes uit Die landstreek, "in wier lijn" Reeds Starter heeft gezongen, dat "De schoonste vrouwen zijn." 't Oorijzer fonkelt bij het licht Eens lucifers, dien vlak Voor 's dichters huis een passagier, Die rooken wou, ontstak. Maar meer dan goud, meer dan 't juweel Op 't blanke voorhoofd, gloeit Haar oog, dat als met tooverkracht Des zangers blikslag boeit, Het hart hem zet in laaie vlam En, met een rauw "o jé!" Met harp en al hem neersmijt op Zijn dichterscanapë. Want, ja! het is dát zielvol oog, Dat in den laatsten tijd Hem voor den geest stond, als hij zong Na d'afloop van 't ontbijt 't Is de verwezenlijking van Het lieflijk droombeeld, dat Zijn ziel zich had geschapen, die Daar in dien wagen zat. o Zoete smart! o smartlijk zoet! Zoo leeft dan, die hij mint! Maar wie staat borg, dat hij haar ooit Op aarde wedervindt? Want, lacy, eer van d'ergsten schrik De jongling is hersteld, Is reeds de diligence met De schoone heengesneld. Wat zal hij doen? Naar Woerden gaan? Desnoods nog verderop, Tot weer zijn oog haar oog ontmoet, Zijn hart haar harteklop? En, moet het, dwars door sneeuw en ijs Naar Friesland's barren grond Haar volgen, tot zijn dichterswang Den kus voet van haar mond? Hij aarzelt, - neen, hij aarzelt niet, - Ten minste niet heel lang: - "'t Verloorne zoeken - dat 's geen werk Voor zonen van den zang! Maar treuren om't verlorene Met roeren-teer gekweel En hout- of tortelduifgekir, Dat is des zangers deel! De daad is proza, maar de klacht, De traan is poëzij. Zoo vaar dan heen, o Mina mijn! En gij, mijn hart, breek vrij!" En als de morgenzon weer gloort, Zit hij aan 't vensterglas, En wacht de diligence en schreit Een brakken tranenplas. En als de diligence passeert, Dan grijpt hij woest de snaar Der harp en heft een klaagzang aan, Zóó allerijslijkst naar, Dat niet slechts menig passagier In droef gepeins verzinkt, Maar dat de conducteur zich zelfs Een traan uit de oogen pinkt. "Kent gij het land," zoo zingt hij, "waar De kleiaardappel groeit? Waar trouw aan vorst en mannenwoord En waar de veeteelt bloeit? Kent gij het land, waar Mina toeft? Kent gij het wel? Daarheen! Daarheen richtte ik zoo eeuwig graag, Geliefde 't linkerbeen! Kent gij het huisje?" zingt hij weer, "Op palen rust zijn dak, En Friesche schoonen bieden u Een smakelijk gebak, En zien u aan, en vragen u Een glaasje pons. Daarheen! Daarheen richtte ik zoo eeuwig graag, Geliefde 't rechterbeen!" enz. 1851 De zelfmoordenaar Piet Paaltjens In het diepst van het woud - 't Was al herfst en erg koud - Liep een heer in zijn eentje te dwalen. Och, zijn oog zag zoo dof! En zijn goed zat zoo slof! En hij tandknerste, als was hij aan 't malen. "Harriot!" dus riep hij verwoed, "'k Heb een adder gebroed, Neen, erger, een draak aan mijn borst hier!" En hij sloeg op zijn jas, En hij trapte in een plas; 't Spattend slik had zijn boordjes bemorst schier. En meteen zocht zijn blik Naar een eiketak, dik Genoeg om zijn lichaam te torschen. Daarna haalde hij een strop Uit zijn zak, hing zich op, En toen kon hij zich niet meer bemorsen. Het werd stil in het woud En wel tienmaal zo koud, Want de wintertijd kwam. En intusschen Hing maar steeds aan zijn tak, Op zijn doode gemak, Die mijnheer, tot verbazing der musschen. En de winter vlood heen, Want de lente verscheen, Om opnieuw voor den zomer te wijken. Toen dan zwierf - 't was erg warm - Er een paar arm in arm Door het woud. Maar wat stond dát te kijken! Want, terwijl het, zoo zacht Koozend, voortliep en dacht: Hier onder deez' eik is 't goed vrijen, Kwam een laars van den man, Die daar boven hing, van Zijn reeds lang verteerd linkerbeen glijen. "Al mijn leven! van waar Komt die laars?" riep het paar, En werktuigelijk keek het naar boven. En daar zag het met schrik Dien mijnheer, eens zo dik En nu tot een geraamte afgekloven. Op zijn grijzende kop Stond zijn hoed nog rechtop, Maar de rand was er af. Al zijn linnen Was gerafeld en grauw. Door een gat in zijn mouw Blikten mieren en wurmen en spinnen. Zijn horloge stond stil, En één glas van zijn bril Was kapot en het ander beslagen. Op den rand van een zak Van zijn vest zat een slak, Een erg slijmrige slak, stil te knagen. In een wip was de lust Om te vrijen gebluscht Bij het paar. Zelfs geen woord dorst het te spreken. 't Zag van schrik zóó spierwit Als een laken, wen dit Reeds een dag op het gras ligt te bleeken. 1852 Latijnse Vertaling De Friesche poëet Piet Paaltjens I De Harlinger stoomboot schommelt Over de Zuiderzee Van Stavoren naar Enkhuizen. Een dichter schommelt mee. Kwijnend rust op de verschansing De zangrige elleboog. Glazig staart naar Friesland Het bleekblauw poëtenoog. Soms is 't of een klaaglied De schampre lippen ontstijgt. De hofmeester denkt, dat mijnheer dan Een aanval van zeeziekte krijgt. Och, de hofmeester is niet onmooglijk Een mensch met een edel hart, Maar, al meent hij het goed, hij heeft geen Verstand van dichterssmart. En ik denk, dat is maar goed ook; Want kende de man die pijn, Hoe zou hij nog voor de betrekking Van hofmeester bruikbaar zijn? - "Vaarwel!" ruischt het van de verschansing Naar het langzaam wegblauwend strand, "Vaarwel! mijn diepverbasterd, En toch mijn vaderland! Wat al waatren rolden grimmig Uw vernederde terpen voorbij, Sinds in eigen taal uw kindren Konden zeggen ""wij, Friezen, zijn vrij!"" Naar ploeg en koestal vluchtte Uw taal, eenmaal Holland's schrik, Om uw steden te zien verzinken In allerlei vreemde kwik. Uw adel ligt op sterven; Dat prachtig, koppig ras, Dat, om voor een koning te buigen, Te stijf eens van knieën was. En begraven zijn ze op een paar na Uw dochters van edel bloed Met het oorijzer om den schedel En de schaatsen onder den voet. Friesche jonkers solliciteeren Om een postjen als ambtenaar En nemen zich tot vrouwen Friezinnen - met los haar!" Een ontzaglijk-hoonende tandknars Bezegelt het slotakkoord, En "help!" gilt de man aan het stuurrad, "Een passagier overboord!" Te laat! de poëet is verdwenen In de diepte van 't dansend meer. Slechts zijn pet vindt men acht dagen later Op de kust van Wieringen weer. II In overoude tijden, Toen men nog geen stoomboten had, Lag er halfweg tusschen Enkhuizen En Staavren een bloeiende stad. Haar koene schippers brachten Haar schatten van heinde en veer, En onder haar kooplui telde Zij meer dan één millionair. Maar - wat ziet men gebeuren - 't Geld maakte haar kooplieden grootsch. Toen streken de elementen Over haar het vonnis des doods. Op zeekren morgen kon men In de Leeuwarder krant zien staan, Hoe het trotsche Oud-Staavren eensklaps In de Zuiderzee was vergaan. Sinds verliepen er honderden jaren; En men hield het er algemeen voor, De bodem der zee droeg langer Van Oud-Staavren geen enkel spoor. Slechts vond men er nog op Schokland, Die zwoeren bij kris en bij kras, Dat er onder in de diepte Nog heel wat over was. Een oude visscher beweerde: Hij was dikwijls door klokgelui, Dat uit de zee opkwam, gewaarschuwd voor een naderende onweersbui. De torenklok van Oud-Staavren Die moest dat hebben gedaan. Had zijn vader niet eens het uurwerk In dien toren halfacht horen slaan? III De dichter is verdwenen In de diepte van 't dansende meer. Hij zinkt als een steen. En Eindlijk Komt hij in Oud-Stavoren neer. Want, ja, wat die goede Schokkers In hun eenvoud steeds hebben beweerd, Dat is waar: de verdronken koopstad Bestaat nog ongedeerd. Haar muren zijn nog stevig; Haar torens zijn nog hoog; Slechts is er alles drijfnat, Wat er eenmaal als kurk was zoo droog. En op haar pleinen en straten, Van menschengedruis een vol, Daar zwemmen nu stilzwijgend Tarbot en schelvisch en schol. In haar achterbuurten leeft het van krab en slak en garnaal, En kabeljauw vult met bruinvisch Op het raadhuis de groote zaal. - Tot allerlei bochten zich wringend En van benauwdheid loodblauw Zinkt de dichter-drenkeling neder Op de stoep van een deftig gebouw. Stuiptrekkend beweegt hij den klopper. O wonder! de poortdeur wijkt, En de zanger drijft den gang in. Maar is daar niet, of hij bezwijkt. IV Hoelang de gezonken poëet wel Bewustloos gelegen heeft, Dat zou ik niet kunnen zeggen. Genoeg, - de man herleeft. Hij heft de gevoelvolle blikken, Maar twijfelt schier aan hun trouw; Vlak toch tegenover zich ziet hij Een wonderschone vrouw. Haar gitzwarte lokken golven Langs een voorhoofd van elpenbeen Over leliewitte schouders En een sneeuwblanken boezem heen. Haar wenkbrauwen buigen zich prachtig Boven oogen van lazuur, Beschaduwd door zware wimpers En tintlend van prettig vuur. Een neusje, Venus waardig, Scheidt haar wangen, wier zachte gloed De rozen beschaamt, maar voor 't blosje Van haar lipjes nog tanen moet. Ivoren tandjes glinstren, Zoo vaak haar mondje lacht; En de mollige kin bergt een kuiltje, Dat stil naar een kusje smacht. V De dichter begrijpt er niets van; Maar eindelijk waagt hij het toch De vreemde schoone te vragen: "Waar ben ik?" en "leef ik nog?" En als kristal klinkt haar antwoord: ""Mijn lieve landgenoot, Gij zit hier in Oud-Staavren, En ge zijt volstrekt niet dood. Gelukkig voor u bewoon ik Hier een waterdicht lokaal, Waar ik versche lucht kan krijgen Door een onderzeesch kanaal. Nog even bijtijds ontdekte ik, Hoe gij spartelde op de stoep .... Doch al praatjes genoeg! Gij hebt honger, Eet dus eerst een dit bordje soep. Dat zal u goeddoen, mijn jongen! Ik zelf heb ze klaargemaakt. En drink er dit glas Pommies bij; Die weet ik dat lekker smaakt. Ga u daarna eens goed verdrogen, En - kom dan in mijn arm; Dan, voor den drommel, kus ik U nog eens ouderwets warm!"" VI "Vergeef mij," huivert de dichter, "'t Is onbescheiden misschien, Maar mag ik ook vragen, wat dame de eer heb vóór mij te zien?" - En de schoone glimlacht: ""Wel zeker! - maar eet ondertusschen voort, - Ik ben dat weeuwtje van Staavren, Daar ge mooglijk wel van hebt gehoord; Die een lading Dantziger tarwe Aan stuurboord in zee werpen liet .... Maar, man, waar wordt ge zoo bleek van? Dat hindert u, hoop ik, toch niet?"" "Dat geval met die Dantziger tarwe, Mevrouw, is te lang geleên, Om mij nu nog te kunnen hindren, Al was het dan ook - gemeen. Maar wat mij van lust om te eten En om u te kussen berooft, Is, dat gij, beboren Friezinne, Geen oorijzer draagt om uw hoofd. Maar wat mij zóó vreeslijk ergert, Dat de wang er mij van verbleekt Is, dat ook het weeuwtje van Staavren Gebroken-Hollandsch spreekt. Verbasterd is mijn Friesland Tot op de bodem der zee. Ik heb genoeg van het leven. Drink zelf uw flesch Pommies." Zoo galmt de rampzalige dichter En vliegt de voordeur uit. Nog een korte strijd, - en de haaien Verdelen hun zangrigen buit. 1852 Jan van Zutphens' Afscheidsmaal Piet Paaltjens 1257 I Droef neuriënd kust daarbuiten De nachtwind de torentinnen. Maar hoog boven den zang van den nachtwind Stijgt het feestgezang daarbinnen. Daarbinnen geeft Jan van Zutphen Voor de allerletste male Zijn wakkeren vrienden ten afscheid Festijn in de opperzale. Want, als het weer daagt in 't oosten, Tijgt Zutphen's dapper heere Met het roode kruis op den schouder Naar het land van Overmeere. En als het weer purpert in 't westen, Dan dragen hem reeds de golven Naar 't verre land, waar al menig Zich een heldengraf heeft gedolven. Maar hem jaagt niet als zoo menig Onleschbre gouddorst henen Tot den kamp in de lommer der palmen Met de woeste Sarcenen. De noodkreet der vele broedren, Die daarginds in ketenen zuchten, Die gespt hem het zwaard aan de heupe En drijft hem naar zuiderluchten. Want onder zijn maliejak klopt hem Een edel manneharte, Dat, staal voor eigen lijden, Krimpt van weedom bij anderer smarte. Doch nu dwaalt zijn oog zo somber Langs den feestdisch in de opperzale, Waar hij aanzit met zijn vrienden, Nog ééns, voor de leste male. Daar rusten zijn blauwe blikken. Op tal van baroenen en knapen, Die, al keert hij van 't Oosten eens weder, Dan toch lang in den grafkelder slapen. Daar tellen zijn blondruige lippen Zoovele hem dierbare namen, Die uit Holland en 't Sticht en uit Friesland Op zijn huis ten afscheidsmaal kwamen. Aan zijn rechte rolt de lach van Jacobus van Meerenbergen, Die zoete lach, die zelfs nonnekens Tot wereldsche grapkens kon tergen. Hij lacht met Janus van Steenbeek Om den zwarten slotvoogd van Bommel Die den rug van het slapend cocqjen Van Gorcum gebruikt als trommel. Aan 's gastheers slinke zetelt Zijn trouwe leidsman en rader, De astroloog, in het veld hem ten broeder, In het stil klozet hem ten vader. Verderop zit Karel de Kaper En drinkt minne met Peter den Langen. Daartusschen zingt de eedle van Mackum Zijn Friesche tafelzangen. Op hem volgen Jan van den Bossche, Fel op kloosters en papen gebeten, En Dorus de Mooie, druk bezig Op pauwbraadsel te eten. Ook Zutphen's grijze lijfarts, Met zijn broeder, en blonde Janje Van de Rotte laven de kelen Aan de druiven van 't lauwe Spanje. Aan het eind van den disch doet Eligius, Dat sieraad der clerezije Van 't Oversticht, zich te goede Aan de tintlende malvezije. En nog menig andere degen Zit aan in de opperzale, Nu Jan van Zutphen festijn geeft Voor de allerleste male. II Doch ziet, daar buigt Melchior, de page, Zich over Zutphen's zetel, Ietwat vrees in de donkerbruine oogjes, Zoo schelms anders en vermetel. "Daar buiten aan de slotpoort," Zoo lispt hij zijn heer in de ooren, "Daar staat weer de doode minstreel, En hij eischt, dat gij hem zult hooren, De minstreel, die, vier jaar geleden, Zoo spoorloos van 't huis is verdwenen, En sinds nog driemaal in 't nachtuur Aan den torenwacht is verschenen." ""Hij kome, de doode minstreel!"" roept Zutphen, van wijn bevangen, ""Hij kome en zing mij ter eere Zijn helsche minnezangen!"" De astroloog fronst zoo ernstig de wenkbrauw: "Heer Jan, wil u dan toch bezinnen! Met minstreels, als zij eens door zijn, Daar is niet mee te beginnen." ""En zingt mij de boef ook lijden, En krast mij de dief ook sterven, Ik wil, dat hij zinge! Geen liedjes Zullen Jan van Zutphen verderven!"" Het kersrood van Melchior's wangen Wordt witter dan pasgebleekt linnen, En knieknikkend spoedt hij zich henen En laat de doode binnen. Zóó rilt op den adem van 't koeltje Het donkere beukengebladert, Als de knapen en baanrotsen rillen, Nu het lijk van den minstreel nadert. Zóó klappren de castagnetten Van Biscaje's zwartoogige schoonen, Als de tanden der ridders, bij 't zien van Des minstreels marmeren koonen. Maar nooit nog ook, sinds voor het eerst hier Ellendige tranen schreiden, Lag in één oog zóó'n afgrond Van onpeilbaar zielelijden. Maar nooit nog ook, sinds de wanhoop Voor het eerst hier een hart vervulde, Zag men zóó'n grimlach, als die zich Om de lippen des minstreels krulde. Van grafbloemen is de kranse, Die zich wingert door zijn haren. Van doodkistenhout is der harpe, - Doch geen menschenoog ziet er de snaren. Slechts geestenblik merkte er de snaren, Waaruit zijn doode vingren Een woestschoonen stroom van accoorden Den ridders in de ooren slingren. En grijpen die lijkkoude vingren Die grafdampaâmende snaren, Dan golven de boezems der knapen Als door stormwind gebeukte baren. Dan rommelen de ingewanden Van al die ontembre baronnen, Als men de wind uit de verte Ons toewaait den zang van kanonnen. Nu ratelt de harp als de donder, Dan suist ze als de kus van een engel; Nu ploft zij als een lawine, Dan klokluidt ze als een kuddengebengel. Wee! Daar opent de minstreel zijn lippen; Daar ....... Het sieraad der clerezije, Eligius, schiet plots onder tafel - Dat komt van de malvezije! Saaie, prozaïsche feiten: In verspreide pëzie gedateerd: 19 oct 1853 In werkelijkheid geschreven en "met begeleiding van zang" voorgedragen op de promotiepartij van een van Haverschmidts clubgenoten op t oktober 1957. De partij werd bovendien niet in Zomerlust gehouden, maar in het hotel Müller. Werkelijke namen, zoals vermeld bij de verspreide poeëzie Jan van Zutphen - Mr. G.J.B. Henny, die kort daarop naar Indië vertrok, waar hij in 1866 stierf. Eligius is Dr. Eelco Verwijs, een groot drinker en kenner van Middelnederlands. De minstreel is haverschmidt zelf. malverzije is Griekse wijn. Drie Studentjes Piet Paaltjens Daar waren eens zeven kikkertjes Al in een groene sloot, Toen kwam er een boer op klompen aan - En die trapte ze allemaal dood. Daar waren eens drie studentjes Drie vrienden in lust en in nood; Ze sprongen zoo moedig de wereld in, En de wereld - trapte ze dood. Lief meisken met blonde lokken, Met een kolk van gevoel in den blik, Ai gun, dat ik van hun bitter lot Aan uw voetjes een liedeken snik! Een liedeken, dat is uw boezem Alleen in kleur van albast, Zijn glooiing met bangzoete dauwdroppeltjes Van medelijden beplast. Hun jonge harten klopten Voor wat goed is en welluidt zo fier; Voor waarheid en wijn, voor vrouwen, Voor vrijheid en Beiersch bier. Hun ijzeren vuisten beukten Zoo graag op een schurkenkop; Hun lippen vingen zoo gretig Een maagdelijk kusjen op. Donderend dreunden hun stemmen Den kruipenden huichlaar in 't oor; Leeuwerikzoet stegen ze opwaarts In 't jubelend vriendenkoor. Blij was ook hun lach, ferm hun handdruk, Breed hun borst en hun oogopslag kloek; Rood hun wang, zout hun scherts, krul hun haren, Geniaal en talentvol hun vloek. Idealen, sigaren, beurs, tafel, Ze hadden alles gemeen. Hun geloof en hun twijfel, hun liefde En hun haat en hun kelder was één. Alle morgens van tienen tot elven Henstten ze samen vol vlijt, En van elven tot vieren bezochten Ze eendrachtig de societeit. Op ze dronken, op Stegerhoek's kleppers, Met de vier van Van Hees of met Zuur, Op schaatsen of wandlend, de melk in Uit de borsten der vrije natuur. Maar meer dan die melkspijs woog hun 't Vaste brood der wetenschap zelf, En daarom hengsten ze eerst vlijtig Alle morgens van tien tot elf. Ja, nauw was nog de verdooving Van het bierrijk diner voor een sterk Kop koffie, etc. bezweken, Of zij togen weer samen aan 't werk; En blaârden in boeken en blokten En pompten, en dronken thee, - Of, als het te warm was, Rijnwijn, En, was het te koud, punc-brûlé. - Eerst om tien uur beloonde wat "stokouds En geurigs" van Weydung hun vlijt, En van elven tot vieren bezochten Ze eendrachtig de societeit. Daar spraken ze dan zoo diepzinnig Over Hegelsche philosophie, En dronken drieënig uit één flesch, En elk van de drie dronk voor drie. En al hun zoete geheimen, Al de smart, die hun boezem omsloot, Al hun feilen, hun deugden, hun beden, Die legden ze elkander dan bloot. Eén fluisterde dan zo teeder Van een schoon blauwoogig kind, Dat hij eens op een zomerconcert zag En sedert had bemind. Nooit, zei hij, daalde de zonne Zóó blozend van wellust in zee, Als toen hij voor 't eerst háár zag kijken Naar de goudvischjes van Couvée. Nooit speelde 't korps van Dunkler "Das Bild der Rose" zóó zoet, Als toen zijn blik den blikslag Dier bleeke roos had ontmoet. Daar lag in dien blik iets kwijnends, Iets smachtends naar hij wist niet wát; Iets, dat, dacht hem, ook in 't klagend Gefluit van den nachtegaal zat. En hooger gloeiden zijn wangen, Als hij sprak van dat klagend gefluit, En sneller dronk dan het drietal Ontroerd de glazen uit. Eén dacht dan aan 't naderend scheiden, En 't was, of ze trilden van pijn, Maar ook, en hun oog blonk weer zalig, Hoe het weldra reunie zou zijn! Hoe dan nog eens zooals vroeger Door de straten der Sleutelstad Hun leeuwerikstem zou weergalmen Van het godlijk Iö vivat! En noemde zijn lip dien feestpsalm, Dan grepen zij eerbiedvol 't glas En orgelden driestemmig 't heilig Nostrorum sanitas. Eén sprak dan zoo dof en zoo hoonend Van het lijder dezer eeuw, De gansche wereldhistorie, Zei hij, was hem één schreeuw, Eén rauwe schreeuw om wrake Over hen, wier vuig belang Het menschdom vertrapt en verknoeid had, Al zestig jaarhonderden lang! Maar de dag des gerichts was niet ver meer! Reeds kleurde 't morgenrood De toppen der bergen en spelde Den nacht der leugen den dood! Reeds hoorde hij 't lied van de valbijl, Die den kop der dwingelandij Van haar rotten romp zou scheiden: "De verjongde volkren zijn vrij!" En dan schoten er bliksemstralen Uit zijn zielvol donker oog, En dan hief hij de twee voorste vingers Van zijn rechterhand statig omhoog. En dan zwoer hij zoo vreselijk ernsig, Dat ook zijn zwaard in de eerste rij Op het slagveld des geestes zou kampen Tegen domheid en tirannij. En dan zwoeren ook de andren, en riepen Om Plooi, en alle drie Bezegelden zij hun gelofte Met een glas of vier Oeil de perdrix. Ja, het waren drie brave studentjes! Die vrienden in lust en in nood! Blij sprongen ze in de armen der wereld, En de wereld - kneep ze dood. Blondlokkige Johanna! Ai gun, dat droeve bard, Vóór hij verder zijn liedeken afsnikt, Eerst een uitschreie tegen uw hart. Want breken wil hem het zijne, Als hij denkt, hoe oneindig veel groots De klauw der wereld reeds smakte In den killen afgrond des doods. Nam ze ook niet zijn dichtersdroomen Wreedaardig bij een been En sloeg hun de hersens te pletter Tegen den werklijkheidssteen? Zijn gezang, dat de objectiveering Van de idee der wereldsmart was, Zette zij 't niet met de verzen Van - - in ééne klas? Johanna! blonklokkig meisken! Ai, gun uw miskenden Piet, Dat hij eerst uw boezemglooiing Met een tranenmeer overgiet! En nu, aanhoor, hoe treurig De geschiedenis endt van de drie, Die zoo'n duren eed eens zwoeren, Een eed bij de Oeil de perdrix. Eén voer er naar 't land der vampyrs En der kruipende slangen af; Hij kampte er trouw voor de waarheid, En vond er jong een graf. Want wel was zijn vuist van ijzer En goed voor een schurkenkop, Maar tegen slangen en vampyrs - Daar kon hij niet tegen op. Eén bleef er, waar 't oog op vampyrs, De voet op geen slangen stoot; Hij bestreed er vooroordeel en domheid, En vond er een langzamen dood. Want, al beet hem geen giftige slange, Al zoog geen vampyr zijn bloed, Daar waren padden en wespen - En die deden hem ook al geen goed. Maar het akeligst lot trof den jongste, De zwakste ziel van de drie, Die eenmaal dien duren eed zwoeren, Dien eed bij dien Oeil de perdrix. Zij hebben den armen strijder Zóólang gerold en gesold, Tot al, wat er frisch was en edel In zijn vrije borst, is gestold. Tot hij eindlijk, het worstelen moede, Zich de handen knevelen liet En om den lieve vrede De zaak der vrijheid verried. Ik geloof, hij kreeg een betrekking, En ook een echtgenoot; Zij blonk wel niet uit door schoonheid, Maar haar inkomen, zei men, was groot. Ook kocht hij een stel witte dassen, En de wereld riep er van, Hoe hij zich zondaar bekeerd had Tot een braaf en fatsoenlijk man. Toch scheen het, of hij den vrede Niet bij zijn bekeering hervond, Want - nimmer speelde de glimlach Van vroeger weer langs zijn mond. Slechts als hij een ouden makker Op het slagveld verbloeden zag, Dan weerlichtte er plots om zijn lippen Een vreemde, geheimvolle lach; Een lach, nog oneindig veel fletser Dan die lijkengrimlach, dien Jan Van Beers eens den mond zag plooien Van zeker zieklijk jongman; Een lach, die getuigde van lijden, Zóó gruwzaam, zóó peilloos dipe, Dat die hem loeg mocht bidden, Dat ook hij den heldendood sliep, Den schoonen dood der vrienden, Met wie hij de Sleutelstad Eens zo leeuwerikblij deed daavren Van 't heilig Iö vivat!