MARCO I A.C.W. Staring Jong, welgemaakt, van edel bloed, schatrijk, Vond Marco niemand zijns gelijk Bij Napels Jeugd. Hij kon' het puikje vragen Uit heel de maagdenrij, Die koning Manfreds heerschappij Ten sieraad bloeide, en wierd niet afgeslagen: Hij zelf, aan de eerste plaats, was daar verzekerd van, En scheen toch ongezind om Humens juk te dragen. Te veel voorkomendheid, zoo 't gaat! bedierf den Man. Dat HIJ! - het eenig doel, op 't welk zich honder schichten Uit honder oogen vlammend rigten, Als Parthenopes Dogtrenschaar Bij hoffeest of tornooi elkaar Den voet wedijvrig poogt te ligten; - Dat HIJ zijn jonge hersens daar Voor duizelen zou' behoen, was naauwlijks te verwachten. Ook deed hij 't niet! De ridder werd alras Verliefd op zijn persoon, nog meer dan 't iemand was. Gelijk het rad draait om den as, Zoo draaijen rustloos zijn gedachten Om 't _centrum_ van zijn dierbaar IK: Waar Marco gaat of staat, hij heeft, elk oogenblik, Met Marco iets te doen. Een spiegel moge ontbreken, Waarin hij gluur', geen nood! de baar wordt gladgestreken; Het net beloop van kuit en voet bekeken; Het mantelsnoer verknoopt! een scheefgevallen plooi - Een 'k weet niet wat verholpen aan zijn tooi. Korton Narcissus Geest; die als een spook bleef waren, Nadat zijn lijf, in 't stille nat, Aan eigen mooi zich doodgekeken had; Narcis, met spot geweerd uit de elizeesche scharen, Was in 't Bedorven-Kind der Meisjes komen varen: De schaapjes braken nu te laat Het hangend hoofd met meerbezonnen raad! Haar Sekse nogtans werd, ten zoen van 't Regt, gewroken, Door Julia, een bloem op 't eenzaam veld ontloken. Als gast genood bij 't winter-stadsvermaak, Landt zij in Napels aan. Wat oogen heeft roept wonder! Geen harten, of zij brengt ze, als door betoovring, te onder; En dat men, voor haar schoon, naar ridderwijze, blaak' Verklaart de Jonglingschap een staatswet, niet te schenden, Doeer wie voortaan nog man van smaak Wil heeten, in den kring van zijn bekenden. Vriend Marco neemt dus mee de leus aan van Galant. Maar, als hij merkt, dat zijn vereerende offerand Het Kind niet meer tot wedergunst doet nijgen, Dan zulks een mindre doet; en, steeds in vaste hand, Heur waagschaal tusschen dalen blijft en stijgen; - Als hij, bekwikt, bestrikt, ontdekt, Dat zich een glimlach om haar aardig mondje trekt, Die eer kritiek dan approbatie teekent, Wordt zulks het Nufje string in _debet_ aangerekend! Zij zal er aan! "Geen man, van mijn figuur, Van mijn rang, van mijn geld, wanneer hij 't schijnt te meenen, En op den trouwring wijst, valt de overwinning zuur. Sint Januarius heeft hier geen hulp te leenen; Het loopt van zelf los! - - En! Wanneer het wespje nu omsponnen Hangt in mijn web, als IK nu koning ben, En ZIJ slavin is; als, in 't heimelijk' begonnen, De toestel tot haar bruidgewaad Bij dag, bij nacht, voor haar verbeelding staat, Dan laat zich misverstand uit de eerste stroowisch draaijen, En 'k tree gebelgd terug, met tranen niet te paaijen." De Ridder, na dit zelfgesprek, Tijt fluks aan 't werk, Hoe? blijv' hier niet onbeschreven. Genoeg: geen enkle wezenstrek Van Julia verraadt, dat zij hem voet wil geven. Hoe welbedacht hij 't spel hebbe aangeleid, Men laat het jegens hem bij heusche minzaamheid, Als jegens elk. Het onderscheid Misschien, ja, bij naauw toezien, op te merken Is dit: dat haar kritiek; somwijl onschampren jok Bij 't lachje voegend, dat weer schalks haar mond vertrok Alleen tot hem zich blijft beperken. Zoo was het; hij zag wèl; en let nu wat gebeurt! Stond Marco eens van gramschap rood gekleurd, Wanneer Miss Julia hem - d'Afgod van de schoonen! - Als was hij nog een kind, met kouden spot dorst honen, Thans kleurt genoegen zijn gelaat, Dat Julia hem blijkbaar gade slaat: Genoegen, dat uit zuivre bronaar vloeide! Geen booze treek, waarop zijn gramschap langer broeide! De boog, die sluiks op 't wild gespannen stond, Had, dwalend met haar pijl, den jager zelv, gewond. En van die pijl - van zorg, die al zijn rust verslond, Gefolterd, gaat nu Marco dolen; Of liever, rijdt hij in gepeinzen over 't veld. Het nijdig lot heeft hem zijn Dulcinee ontstolen! Een oude Moeder "door wat jicht, zoo 't heet, gekweld!" Heeft onverziens haar Julia bevolen, Dat ze uit het vrolijk stadsgedruisch Terugkeere, en bij haar opsluite in een kluis. Deez' eigen morgen is de flonkerster verdwenen, Die aan den trans van Napels heeft geschenen! - "Helaas!" Bij dit helaas voelt Marco's rosinant Den scherpen prikkel van zijn sporen Zich onverdiend aan iedren kant Een halven duim in 't weeke boren - WORDT dol, gelijk zijn Meester SCHIJNT - Vliegt over heg en hek - zet over groeve en grachten - En meet de ruimt' met onuitputbre krachten! De stad, het dorp, het akkerland verdwijnt; De wildernis vangt aan; geboomte en struiken naadren Elkaar al digter en al digter. 't Hollend Dier Houdt vol te runnen! tot in 't leste met een gier De Ruiter nederploft. Een bed van dorre blaadren Ontving hem, en hij rijst met ongekrengte leen. Maar 't paard vlood uit het oog! alleen Het paalloos hout bleef staan, in welks geheimenissen De honger, of een scheurziek wolvenbroed Van Marco's einde zal beslissen! Dit schriklijk denkbeeld jaagt hem 't bloed Al saam terug naar 't hart. Hij blijft nogtans bezonnen: De Hoop blaast lieverlee het vonkje van zijn moed Ten vlam, en 't pogen is begonnen, Om regtdoor 't onherbergzaam woud Te klieven: of ter andre zijde De grenzen ligtlijk aan een Wachter zijn vertrouwd, Wiens gastvrij huisdak hem verblijde. Twee uren zwoegt hij voort, en de uitgang bleef verspard: Daar treft hem een gevaart' van klippen, naakt en zwart, Met huivring! 't Geboomt' houdt, als teruggestooten, Den barren steenklomp op een afstand ingesloten. Een mengeling van kruid, ten spijt van 't jaargetij' Met bloei gesierd - met zaad of bes beladen - Vervult het open; maar 't gevogelte ijlt voorbij: 't Vond hier geen aas! Geen beet mag het ree verzaden. Al wat hier wascht is gif: 't bedrieglijk akoniet, Dat door den scheerling heen zijn blaauwe trossen schiet; De dorenappel, met de bilzenplant vereenigd Pest walmend door de lucht; het doodkruid, van de menigt' Der glimmervocht gekromd: aan DEZEN is 't gebied Uitsluitend ingeruimd. De wind sliep in; met ziet Hetgeen daar groent nogtans met vreemd geritsel beven: 't Zijn schorpioenen, 't zijn tarantlen, 't is een broed Van adders, wriemlend aan den voet Der stronken, of door 't loof onrustig omgedreven! En welke is nu de onkwetsbre hand, Die hun venijn braveert? die hier van plant bij plant, Geen uur geleen, als blijkt! een buit kwam plukken? Wie is 't, die, langs dit slingrend pad Zoo korts, ten klipwand heen, met naakte voetzool trad? De zwervling waagt, met schroom, het open spoor te drukken, Dat naar den steenklomp wijst. De deur, waaraan het stuit, Verbergt een Hol. Schoon haar geen grendel sluit, Heur Dorpel, door 't betreen, diep uitgeschuurd, zegt luik: Het klipgewelf heeft een bewoner. Zij laat de lucht voor hem door spleet bij spleten in; En boven haar bloeit, op de steile tin Der klip, een rozenstruik: geen meimaand teelde schooner. Hij bloeije daar, mijn Hoorders! Ik verlaat Een poos den keuvelstoel, want ik ben moegepraat. Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl) Opmerkingen aan: coster@dds.nl Naar de Coster-pagina Naar Marco, deel II. MARCO II A.C.W. Staring Eer aan den Ouden Tijd, en weg met de EEUW DER REDE! _Vivant_ de Dooden! roep ik mede! Zij DEDEN WONDEREN - WIJ DOEN 'T GEEN WONDER SCHIJNT! Ons VLIEGEN lijkt wat groots, maar, wel bezien, verdwijnt Het gansch mirakel! een ballon, van lucht gezwollen, Draagt ons omhoog! - Wanneer, in 't Stoomland, wagens hollen, Al loopt er een paard, noch paardsgelijke, voor: - De ketel met zijn toebehoer Vervangt het rennend span! - Of, gaat er een te water - Zinkt vijf, zes vaamen diep - en staat er Te metslen? - Die het doet huist in een Duikerklok! Armhartig kruimelwerk! Een ebbenhouten Stok Kon den der Wijzen hand, voorheen het zwerk regeeren, Een enkel Woord kon berg tot dal verneeren. Zòò vèr ging Wetenschap! Maar nu ging ze achter uit - Gelijk al 't Goede! en liet haar droesem tot een buit Aan snoodheid, om, misbruikt, een nageslacht te plagen, Onwaard het heilgenot der Zalige Oude Dagen! Wie ondervond zulks meer dan Marco, die bleef staan Voor een doorluchte Deur! Met handen niet te raken, Hing boven hem een Rozengloed te blaken: Hij schouwt dien met verbazing aan, En voelt zijn hart van nieuwe vrees bekruipen: "Neen 't is voorzigtigheid, geen blooheid, heen te sluipen!" Doch, zonder eerst door deze deur te gluipen, Den weg naar 't bosch weer in te slaan - Nieuwsgierig als hij is - hou zou' hij zulks vermogen! Hij staat des voor een reet, met strakgevestigde oogen; En 't geen ze ontwaren ... is de booze Tooverkol Urocha! zigtbaar bij het licht, dat in haar hol Door 't welfsel valt. Zij is 't! Terwijl, met innig beven, Die haar bespiedt op heur bedrijven staart, Ontsluit ze een zalfbus - èèn van zeven Gelijken, in een kring geschaard. Drie vingren, schraal en krom als kelderspinnebeenen, Doopt zij daarin; bestrijkt haar voorhoofd ... en verdwenen Is 't Wijf! Zij werd een Kraai, en vloog het open uit, Waardoor het spookhol van den middag wordt beschenen. Weg rent ook Marco, eer zijn aftogt wordt gestuit! Hij trouwt het heksen niet! - Doch, vòòr in 't bosch gekomen, Hoort hij een fladdren door de boomen, De Kraai, teruggesneld, schiet langs den rozelaar Onstuimig gierend, naar beneden, Met een geplukte bloem; zij scheurt die uit elkaar; Slikt ze op; en 't Wijf hernam haar menschelijke leden! Waartoe? - om met een vaart te keeren in haar grot, En kort daarop, uit d'eigen pot Bestreken, zich van nieuws in vogeldosch te kleeden. Daar vliegt de Kraai weer heen! maar, bij hervatte vlugt, Draagt zij een voorwerp, flus, zoo 't schijnt, in 't hol vergeten, Een talisman, als vracht mee door de lucht. Dat ziet hij die daar staat. Geen tijd hoeft meer gesleten Met raadslaan! kenlijk is 't wat ijlens moet gedaan: Hij worde òòk Vogel; plukke een Roos; vlieg westwaard aan, Naar 't strand; en heeft hij daar zich weer ten Mensch gegeten, Dan blijkt de Stad misschien eer 't nacht is te BEGAAN. Zoo dacht hij, en de moed deed al zijne aders zwellen. Hij draalt niet om naar 't hol te snellen; Hij grijpt de Zalfbus, die de heks greep, naar 't hem scheen; Besmeert zich mild; en krast met een Victorie ... mits hij slaag'! maar KRAST hij, Hoorders? - neen! Hij werd een EZEL, en hij BALKT! - Genomen Uit een verkeerden pot, is 't magiesch Liniment, Zoo 't spreekwoord zeit, den Patiënt Gelijk den hond de worst bekomen. En, ach, zijn kleinte reikt tot gindschen bloemstruik niet: Hij blijft hetgeen hij is, en vliedt. Hij vlood! en 't woud dat hem geen open wilde gunnen, Zoolang hij op twee voeten ging, Begint zich, voor den viervoet, straks te dunnen; Tot, aan de koningsbaan, olijf de beuk verving. Een avontuur stond Langoor hier te wachten. Geschreeuw van moord gaat op! waarbij een vrouwenstem: Terwijl ze erbarming smeekt, klinkt deze hem Als Julia's! Hij loopt ter hulp, uit alle krachten; Vergetend wat hij is, en Man in zijn gedachten. Daar ziet hij 't arme Kind! Het lastdier dat haar droeg Ligt, als haar leidsman, zonder leven. Het Rooverpaar, welks boosheid hen versloeg, Schijnt spottend aan de Jonkvrouw moed te geven. Versteend schouwt dit de onweerbre Marco aan, En een der guiten ziet hem staan - Springt toe! en heeft hem vast bij de ooren, Eer zijn bezinning keert. - Wat lot is hem beschoren? De zadel, van zij dooden stamgenoot Naar 't uiterlijk, wordt op zijn rug geladen, En Julia, die gaarne weerstand bood, 't bestijgen van het dier met blanken dolk geraden. De togt gaat nu, langs heimlijk spoor, De naaste heuvlen in. Eerst was hiet ijlens vlugten; Maar - een vallei met ruigt' bewassen dòòr - Schijnt eindelijk 't geboeft' geen volgers meer te duchten, En een gesprek vangt aan, terwijl zij 't vlietend zweet, Van 't aanzigt wisschen. "Onze Hoofdman staat gereed, Zoo 'k denk, om 't restjen van zijn goudbuil te besteden, Voor zulk een Vangst" zegt de een. "" De Hoofdman, dat ge 't weet, Roert aan dit Kluifje niet!"" zegt de andre. ""'t Hoort met reden Aan MIJ! Ik hield haar aan! - Ik stiet den Schreeuwer neer, Die naast haar draafde - en GIJ ... 't ontsnappend Dier! Niets meer Was UW bedrijf! - De gouden keten, Daar aan heur hals, u toe te meten, Kan gaan, doch haar persoon, goe vriend, Is juist wat MIJ uitsluitend dient. De Hoofdman ... neem, voor zijn pistolen, Den Graauwen, zoo 't hem lust."" Een gloed van helsche kolen Blaakt uit het oog van hem tot wien hij 't zegt, En 't schelmenpaar begint een woedend tweegevecht. "O, red mij nu, goed beest!" zucht Julia. Haar handen Aanvaardden bij die zucht zijn vrijgelaten toom; Doch, eer dat stuur beveelt, is reeds de gast niet loom Met wenden! Als begon de grond vooruit te branden, Stort hij terug langs 't verschbetreden pad. De Roovers volgen! maar, ter dood toe afgemat, Verzaken zij 't weldra. 't Lukt Julia te landen, Waar thans de koningsweg meer veiligheid belooft. Zij vest een natten blik, op die van 't licht beroofd Daar achterblijven moet, en op het dier - verslagen Met hem. Eilaas geen menschenmagt Die hier meer helpen kan! en 't moordgespuis te ontjagen Dringt nog te sterker, daar de nacht Allengskens naakt. Zij spaart des nutloos klagen, Om onverwijld haar dier te nopen, werwaarts heen Haar reis ging. - Moederlijk werd ze aan dien oord ontvangen, Toen juist de dag van Somma's top verdween. Ik zwijg van 't wederzien; zwijg hoe Elvira's wangen Bestierven, bij 't verhaal van 't geen haar Dogter leed; En hoe Mama, door geen _da capo_ te verzaden, TWEE DAGEN aan 't erkaauwenswerk besteedt. Den DERDEN vinden wij Vriend Marco, voor zijn daden, Lijf-ezel van zijn Julia verklaard; Doch vrij, gelijk de hond die 't huis bewaart: "Martino" ('t werd zijn naam) "Martino, zoo bescheiden, Zoo wezenlijk! verdiende 't regt van weiden, Naar onbepaalden wil." En hij misbruikt het niet. Als zijn Meestres verschijnt, het blijkt dat hij haar ziet; Den ganschen dag; hoe vroeg, hoe spaa 't moog' wezen; Fluks hulde doende aan HAAR, wier trouwe knecht hij hiet. Heur zinsverandering betoont hij klaar te vreezen, Wanneer ze een woord slechts van een ridje vallen liet: Hij draaft zijn tuig te moet! Haar meening kan hij lezen, Zelfs uit een enklen blik; zoo goed als hem haar taal Verstaanbaar is. Men vindt hem telkenmaal Waar zij zich heen begaf. Hij volgt bedaard heur schreden; Toeft als zij toeft; strekt digt bij haar zijn leden, Als 't Meisje nederzit; en - welk een School doorloopt De Cicisbee, in twalef weken Dat hij zoo doet! Hoe duur hij ook de Lessen koopt, Die hij ontvangt, geen offer komt, geleken Bij haar waardij, Den prijs dier LESSEN bij. Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl) Opmerkingen aan: coster@dds.nl Naar de Coster-pagina Naar Marco, deel III. MARCO Aantekeningen A.C.W. Staring Van LESSEN sprak ik; doch (om misverstand te weren) Van VOORBEELDSLESSEN was 't. Door deze nog te leeren 't Geen vroeger werd verzuimd, viel onzen Held ten deel. Hij wordt van 't Lot gekweld, maar ook het schenkt hem veel! Hij mogt het labyrint waarin hij zwierf ontkomen, Gewenkt door Julia! Zij wijdt aan bezigheid Haar dag. Heur naam wordt op de tong vernomen Van heel 't gezin, terwijl ze alles leidt; Stil, nogtans, als de veer, in 't uurwerk, door haar drijven De wijzernaald heur cirkel doet beschrijven; Niet met luidruchtig onbescheid, Gelijk de beek op 't rad eens molens neer doet stooten. Hoe zedig wordt de schat van haar verstand ontsloten, Als eenvoud raad begeert! Hoe heimlijk wrocht haar hand Het goede, aan oud en arm bewezen! En wie toch zou' de Heilig, opgerezen Van voor het bed der smart, waaraan zij troostend zat, In 't Meisje groeten, dat gastvriendlijk onder 't loover Gekeerd bij haar vriendin, een luit heeft opgevat. Zij stemt ze op nieuw, en speelt het lied weer over, Dat ze onvolspeeld gelaten had. Te diepbeschamend tuigt het leven Van Marco tègen hem, daar 't hare, zòò besteed, Zich aan zijn oog vertoont. Wat nuts heeft HIJ bedreven? Hij WENSCHTE vaak genoeg, dat hij iets loflijks deed'; Hij WENSCHTE stad of staat, naar burgerpligt, te schragen; Maar 't WILLEN rijpte nooit! Aamechtig van zijn jagen Naar schijngenot - met zich en elk te onvreen - Sloop, iedren spaden nacht, de Ledigganger heen - Verzwoer 't vervelingsjuk, en ving 't weer aan te dragen, Bij 't volgend licht! Dit zelfverwijt Liet nimmer af aan zijn hart te knagen. Het goede zaad, in zijn verdwazingstijd Aan Julia's doordringend oog gebleken Te schuilen in dat hart, en dat al vroeger teeken Van kiemen gaf! sproot nu geworteld op "Waarom gedraald, o Mei! schenk deze streken Uw VOLLE gunst! Laat ook de ROZENKNOP Van uw bevruchtend' adem zwellen: Laat eindelijk Martino zich herstellen - Ten Marco! - Ja! - maar die het beetre thans verkoor, En, na gedragen kruis, zich blij genot druft spellen!" Zoo zucht hij menigmaal, sinds heldre lentegloor Natuur verjongen deed; de vlieten zijn geslonken; En 't gras den beemd, het loof aan 't bosch is weergeschonken. Zoo zucht hij, tot in 't lest, de Roos bloeit! - Spits van oor Beloert hij ze in den hof, en eet ze al met zijne oogen! Het verdergaan wou' 't lathek niet gedoogen! - Daar trad de Maagd, van uit de woning, struikwaart heen: Zij zag de bloemen, plukte er een, Stak ze aan haar keursje vast, en trad door 't hek naar buiten; Doch om het ras weer voor den Gluiper toe te sluiten, Die, door haar komst, gelijk zij meent, verrast, Baarblijklijk voorhad, om zijn regt van overweiden Ook tot den hofgrond uit te breiden, En op de jonge groente vlast. Wat zal hij doen? Hij laat zijne ooren hangen, En volgt, verdiept in zwaar gepeins, haar gangen. 't Gaat weer ter boschkapel. hij heeft tot peinzen tijd. "Die Roos" peinst hij "haar met geweld te ontrukken? - Zou' IK zulks doen! - Maar ligt raakt zij ze wandlend kwijt!" Hij houdt ze dus in 't oog! - "of - (honderd zal ze er plukken, En meerder, eer 't sezoen verloop'!) - Een andren dag vervult een andre bloem zijn hoop! Dan maakt hij met zijn buit zich vliegens op de beenen - Het bosch in! en een hap, zoo is het vel verdwenen, Dat hem de foltring lijden deed Van Herkules, gedoscht in Nessus kleed.! Dit was zijn plan. Maar 't Lot, schoon 't hem zijn gunst wil toonen, Doet zulks op eigen wijs: een dagelijksch geval, Bij 't rustloos op en neer van 't sublunarisch dal, Waar de onverzaadbre wenschers wonen! De Maagd heeft nu het kleine Heiligdom, Als ze iedren ochtend doet, betreden, En stort daar knielend haar gebeden. Wat de afgoon heeft behoord, ruim duizend jaar geleden, Hoort nu Madonna toe. Oud muurwerk rijst alom Nabij de Bidplaats, en getuigt, dat hier voordezen, Eer Romes glans moest ondergaan, Een landpaleis de zetel plagt te wezen Van praal en overvloed. Nog ziet men zuilen STAAN: De Tijd sloeg, op haar schacht, reeds zeis bij zeis te stukken; Haar ZUSTERS zijn vergruisd - ZIJ wisten van geen bukken; Maar 't rankend eiloof kleeft er aan, En aller kapiteel is van zijn vracht ontlaan. Vond Marco, als hij 't wederkeeren Van Julia, na 't vroom vereeren Der Heilige, hier toefde, op 't groene mos gestrekt, Zich menigwerf tot onderzoek gewekt: Wat heldenstam hier nogmaals mogt regeeren; En rees hij op, in ZOCHT naar 't geen hem 't puin kon' leeren; ' Was sprakeloos. THANS is 't geen ZOEKENS tijd: Pas had hij zich geduldig neergevlijd, Waar 't bosch aan bouwval stuitte, als voor zijn glurende oogen Iets raadselachtigs zich, in duistre welfselbogen, Van ver bewoog. Bij 't licht, dat door een muurbres schiet. Blijkt hem, ten langen lest, het voorwerp dat hij ziet, Een Paard te wezen. 't Staat gezadeld aangebonden. "Waar mag de Ruiter zijn?" - Zie ginds! hij is gevonden! Een Guit, bij ons bekend, die uit de Bidplaats stoof, Begaat aan Julia ten tweede maal een roof! - Zij worstelt gillend in zijne armen. Martino, dubbel, door jaloersheid en erbarmen Gespoord, heur schaker na! en eer hij 't welf gewint Bereikt hem met zijn gebit, en haalt hem rugglinks neder. Doch, snel, met blooten dolk, rijst de Overmande weder; De hand van Julia steeds meester - hoe het Kind Zich were! Alleen, van diersch instinct gedreven, Wendt zich Martino; doet geweld Met de achterhoeven; mikt op 't leven Der Roovers; en, schoon zelf niet zonder wond gebleven, Is hij verwinnaar, en de vijand ligt geveld. Zijn Julia, die eerst het wondenbloed zag stroomen; Die nu al de aakligheid des bangen doodkamps ziet, Van hem, wien ze, als bij wonder, is ontkomen; Bezwijmt. Dit oogenblik wordt ijlens waargenomen, Door onzen Held: De Roos verliet In 't moedig weerstandbien, de borst der Schoone niet: Hij vat ze met zijn ruige lippen; Hij slaat ze binnen; en met een Zwindt de ezelshuid! - Reeds knielt de Marco van voorheen Naast Julia, en waait haar koelte met de slippen Van zijnen mantel toe. Haar naam klinkt in haar oor, Met liefdes zoetsten toon, en dringt ten laatste door Tot daar 't bewustzijn schuilt, dat meer en meer zijn banden Verbreekt. Ze ontsluit haar oog. Zij trekt uit Marco's handen Bevreemd haar regte. En waar begon Waar eindigde ik, zoo ik U malen WILDE en KON', U, schoon tooneel van twijfling - van gelooven - Van duurbezworen gloed, dien tijd noch lot zou' dooven! - Van zedig-staamrend dankbetoon, Dat Marco's trouw erkent; al wordt de stond verschoven, Die blijken doe, of 't hoogste minneloon Hem zal gebeuren, wien het tweewerf mogt gelukken, Zijn Julia aan wis verderf te ontrukken. Dat Julia dit loon hem niet te lang betwist, Getuigen traan op traan, die ze uit hare oogen wischt, Terwijl nu Marco met haar sluijer wordt verbonden: "Voor HAAR behoud ontving hij, in 't gevecht, Die wond, waarop zij 't heelkruid heeft gelegd - Het heilig teeken maakt - en driemaal _ave_ zegt!" Kon' ooit een Minnaar zich op beetren titel gronden! - Moog' dan ons Paar alsnog geen Bruigom zijn en Bruid, Schatrijk aan hoop, spreek ik mijn _dixi_ uit. Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl). Opmerkingen aan: coster@dds.nl. Naar de Coster-pagina. Aantekeningen.