JAROMIR TE PRAAG A.C.W.Staring Een Oud-Student, dien 'k Jaromir zal noemen: Een Theoloog; befaand aan Karels School te Praag, Voor twee paar eeuwen; mogt zich roemen Van een gezonde MAAG Maar, ach zijn BEURS lag ziek! De Wissel veertien daag Ontbrekend, was 't crediet verdwenen, Bij Schagcher-Ephraë, zijn welbeklanten buur; Het, anders lokkend, etensuur Dreef Jaromir 't Boheemsche Athenen Als een verstootling uit; en bergwaarts sloop hij voort; Op 't eenzaam pad in de overlegging niet gestoord: Hoe met een platten buil een maaltijd te vereenen. De reiszak, dien hij wandlend droeg, Was ligt genoeg, En kon' hem weinig hinder baren: Een Plautus en 't Studenten-zangboek waren Het meest omslagtig deel van 't pak, Dat in 't herbergzaam juchtleer stak. Hij zweette niet te min! - de rommlende ingewanden, Schoon bol van enkel wind, Bezwaarden onzen vrind! ... In 't lest tot flaauwens toe! als, over de akkerlanden, Zich 't avondkoeltje, net van pas, vermeijen ging, En hij 't, met open borst, op dorre lippen ving. Dus nieuwgesterkt,, jaagt weer zijn blik den kring Rondom hem zoekend af. Een Dorp verheft zijn daken, Regts, tusschen ooftbeboomt'. Links, breidt zich, aan den weg Een perk uit, voor de leuze omsingeld met een heg: Die hier zijn handwerk drijft, vaart best, wanneer de zaken Der boeren slechter gaan, en droes of runderpest Haar zetel in hun stallen heeft gevest. Dan is hij daaglijks hier als anatoom te vinden, En pleegt de kraaijen aan zijn mildheid te verbinden. Hier valt thans Jaromir, nabij de heg, in 't oog Wat fluks het radertuig van zijnen geest bewoog, En zijn verbeelding spande: `O schat, waarmede een Heilig Mij redding biedt! Gespijsd, gelaafd voor niet! vor niet Gekoesterd als een prins, rust ik, den nacht door, veilig, In gindsche herberg!' riep hij uit. `Wat vond hij dan?' Iets wat, bij u of mij, de hebzucht niet zou' tergen! Twee Paardenvoeten en een Koestaart vond de Man. Hij spoedt ze bij zijn Plautus weg te bergen, En stapt nu, trotscher dan een haan, Op 't uithangbord der `Zeven Slapers' aan. `Heer waard, een goede schotel eten! Maar geen getalm! ik val wat haastig, moet ge weten. De wijn - van 't beste vat - begrijpt gij!' 'In dien toon Houdt Jaromir het vol; eet, drinkt, dat elk zich wondert; Schimpt, scheldt er tusschen, met een basstem of het dondert; En snaauwt nu:`Wijst me een bed.' Het LOON Van die, bij 't nachttoilet, zich naar zijn laarzen bukte, Voorkwam het DIENSTBEWIJS: een tree, Van klink! waarmee De ongure Gast, wiens zool zijn lenden drukte, Te kooi sprong. 't Magtwoord: `Grijp!' besloot hierop de klucht, Terwijl de laarzen, als twee zwaluwen, de lucht Doorscheerden ; en 't gordijn viel neder. Den andren morgen rees het weder, Met d'aangebroken dat. Een schrikkelijk rumoer Van trapplend klossen op den vloer; En `Laarzen! laarzen!' tot men aamloos komt geloopen. Gaan de ezelsooren hier te negen uur eerst open?' Die vraag gold d'eigen hals van gistren. Wit als krijt, Staat hij, en gaapt, met mond en oogen even wijd. De laarzen laat hij slippen: uit de deken Van 't veldbed, waar de bulderbas, na zijn gemaakt alarm, weer ingedoken was, Zag Jochem een ontzettend voorwerp steken! En keerde, in 't volle zweet dat hij van angst vergoot. `Help on Sint Nepomuk! wat is mij wedervaren!' Berst hij in 't einde los. `Ik kom.. daar kijkt een poot - Een paardenpoot, met lange zwarte haren, Kijkt uit het bed van onzen Gast!' ` `Loop naar de pomp, en drink u nuchtren, kwast! ' ' Voegt hem zijn Meester toe; maar naadrend, om de kamer Van Belzebub, op zijn beurt in te gaan, Vergeet hij niet, een kruis te slaan; En, bleef hij op den drempel roerloos staan; Begon hem òòk het hart te kloppen als een hamer; 't dubblen grond! Niet één - twéé hoeven staken 't bed Thans uit! - Hij komt terug, onmagtig dat hij stamer' Van 't geen hij zag, en zwijgt geheel verplet. Toch moest een Derde nog gaan kijken! Een invalied, naar 't land in rust verzet. Zijn knevels streek hij op; zijn kuif rees, zonder strijken, Vanzelve omhoog, zoodra hij binnenkwam, En, bij twee hoeven, nog een langen staart vernam, Die kwisplend heen en weder speelde. Weg liep ook nommer drie! en 't scheelde De Waard alleen, zoo liep het huis leeg. Voor 't ontbijt bezorgd, laat Jaromir aan hèm geen vlugtenstijd. Met huivrende angst gediend, roert deze nu zijn kaken Van nieuws; tot hij beveelt de reekning op te maken. De Waard, bij dit gebod, voelt zijn bevrozen bloed Straks weder tintlend slaan in de aaren: Daar 't blijkt, dat, zonder mem, de Vijand heen zal varen. Hij wil erkentlijk zijn; ook valt hem in: 't was goed Zich daar beneden, voor den nood, wat gunst te sparen.' Dus antwoord hij: `genadig Heer! Dat kost en drank alhier tot uw beschikking waren Is pligt geweest; en 't strekte mij tot eer, Bleef deze kleinigheid de vriendschap onderhou'en.' ` `Goed! ' ' spreekt de Gast ` ` het zij. -- Dit zal u ééns niet rouwen, Heer Waard! Wij zien elkander weer. ' ' Aantekening. Jaromir te Lochem Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl) Opmerkingen aan: coster@dds.nl Naar de Coster-pagina JAROMIR TE LOCHEM A.C.W.Staring De kennis werd gemaakt; GIJ kondt een beetre maken Dan met Vriend Jaromir, maar Lezer, 't was voor mij De beste: ik kom daardoor van een Prefatie vrij, En heb een NAAM, waaraan 't geen volgt is vast te haken. Of Jaromir zijn rol van Lucifer Meer speelde, bleek mij niet; doch, na zijn Onheilster, Was Voorspoeds Daglicht op den horizon verschenen: Gehuld in Sint Franciscus dos, Zat, die een WANDLEN moest, parmantig ip een ros, En spaarde dus, bij 't Missiewerk, zijn beenen. 't Was reizen links en regts! noord; zuid; en oost; - in 't lest Ook West; Dwars over 't Munstersch heivlak henen; Tot daar, of Gelders grond, Thans nog de dubble stoel van Graaf en Hertog stond. Hoe had een monnikspij den Prager Borst herschapen! Wat kracht deed in den Man 't aldwingend kwispelwapen, Sinds jaren, door zijn hand, ten schrik der hel gezwaaid; De naam van Heilig, hem bij groot en klein geschonken; De biechtstoel, die zijn heersch- gelijk zijn hebzucht paait! Doch, Onbeproefden, zoo gij soms hier zege kraait, Ziet toe! ons zwaklijk hoofd wordt vaak van minder dronken. De klucht, gespeeld in zijn studententijd, Met koeijenstaart en paardenpooten, Was Jaromir voolang uit zijn geheugen kwijt. DAT LIGT DEZE APERIJ DEN ZWARTEN HAD VERDROTEN, Zulks kwam hem nimmer in den zin! DIE ANGEL ZAT ER NIET TE MIN, En werd steeds giftiger, als bij 't exorceseeren, Een Geest, van 't nonnenplagend slag, Zich onvoorwaardlijk moest verneeren, Voor Jaromirs gezag. _Summa summarum:_ Heintje pik lag op zijn luimen, Om, met acht vingers en twee duimen, De kans, hem vroeg of laat geboon, Krachtdadig bij haar vlecht te pakken, En onzen driesten Muzenzoon een kool te bakken. Deze onbewust van 't hem bedreigend kwaad, (Den os gelijk: `weldra, voor APIS aangebeden' Gelijk hij droomt! maar die van 't slagthuis staat!) Was Lochems poorten ingereden, En blikt hoogwaardig van den zadel naar beneden. Op eens! de straat loopt vol; men joelt; de klokken gaan! `Ter eer van zulk een Gast!' vertelt hem de Eigenwaan, En 't plooit zijn mond nog meer in 't deftige; als een jongen, Van uit de herberg, naar den Ruiter komt gesprongen: `Net afgepast Heer Pater! Hoor Die NIEUWE KLOKKEN eens! niet waar? dàs trant! zij hongen, Daar viertien dagen lang doofstom: bij d'ou' Pastoor Van Lochem, mogt er zelfs geen pover KLEPPEN door! ` `Waartoe, ze omhoog gehijscht, vòòr 't wij'en ? Dat wordt alsnog vereischt, eer ik 't geweld zal lij'en. ' ' Zoo zie de Pastoor - en ging van honk - En - 't jonge volk zijn gang! Maar nu 't zoo deftig klonk, Moest dat de zondaars toch van penitentie vrij'en?' `Hoe, deugniet! Welk schandaal! Is dit een Christenland! Neen, de Antichrist heeft hier zijn oproervaan geplant! - En de aarde splijt nog niet?! Nog valt geen zwavelregen?! Dus stortte zich de galblaas van den Sant, (zijn ruin inmiddels afgestegen) Op dit gekakel uit. 's Mans hevig blaken is Min ijvergloed, meer ergernis, Om d'al te slinkschen trek, dien hem de hoogmoed speelde. Hij stapt, als of hij mee in 't Erf van Petrus deelde, En Schepterdragers ZONEN hiet, Te midden van een schaar, die naar 't gebomban luistert; En schreeuwt: `Heeft razernij hier ieders brein verduisterd! Daar 't Kerkwet en Pastoor verbiedt, Met Ongedoopte Klokken benglen! Bij Sint Michiel en zijn tienduizend englen, Geen PRIESTER zou' hij zijn, die zoo iets glippen liet! Vloek treff' dat Klokkenpaar, dat onbevoegd durft klinken! Wat hòòg steeg zal te làger zinken: Ik geef ze beide in Satans magt!' Dààr had de Booze hem gewacht! Zijn Klokken nam hij beet: ten leidak uitgebroken, Verschijnen ze in de lucht, met klagen nàgebrom. Maar - van de KLEPELS had de Schenker niet gesproken, En Heintjen wil voortaan geen Kerkeneigendom Dan met bewijslijk regt verkrijgen! Hij rukt de Klepels, onder 't pijlsnel opwaart stijgen, De Klokken uit, en smakt ze naar beneen! -- Op welk een hoofd? -- helaas, op een ... Geschoren kruin? -- de tong des Strafprofeets moet zwijgen! Dood! - of is 't minder erg dan schier Zoo goed als dood ligt Pater Jaromir! De Klokken middlerwijk voltrekken Haar aangevangen reis. Twee Water poelen strekken (een kuijer ver van Lochems Veldgemeent') Ten badplaats aan de snaatrende eend - Ten spiegel aan de bonte wolken: 't Was derwaarts dat ons tweetal trok; In elk der Kolken plompt een Klok - En 't zijn voortan DUIVELSKOLKEN. Zoo vaak het jaar weer Kerstijd bragt, Kwam, sedert _puncto_ middernacht, De Helvoogd op zijn Klokken trommen; Of hier een stoute vrijgeest lacht, Wie scherp van oor is, hoort ze brommen. Aantekening. Jaromir te Zutphen. Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl) Opmerkingen aan: coster@dds.nl Naar de Coster-pagina JAROMIR TE ZUTPHEN A.C.W.Staring `Alweer van Jaromir?' Ik kan 't niet helpen, Lezer! Hij liep, ten derde maal, mij klakloos voor den voet; En of mijn Held aan Moldau of aan Wezer Gefokt zij; of hij mij de derde reis ontmoet, Of de eerste, en Monnik zij of Heiden; Hij mij onbekeken goed: Verstaat hij slechts, wanneer mijn rijmkoorts woedt, De ziektestof genezend af te leiden. Laat Jaromir u dus zijn platgeschoren bol Nog eens zien, heb geduld! het zal aan mij niet schorten, Dat hij uw leegen tijd naar krachten poog' te korten, Bij 't spelen van zijn nieuwe rol. Welaan dan, ik begin! Hou' slechts uwe aandacht vol! Heeft iemand van den Booze wat te vreezen, Hij ga niet ver om hulp; zijn man is Sint Michiel. Kort voor het tweetal Klepels viel, Met Lochems Klokken eerst ten hoogen opgerezen, Moest Jaromir hem juist indachtig wezen. `Bij Sint Michiel!' roept met ontplooiden mond De Pater, dat het kerkhof dreunt in 't rond; De Heilig hoort; kijkt uit; ziet slingrend zich verheffen Wat straks verraderlijk hem die daar schreewt zal treffen; En staat reeds, maar verhuld voor 't menschlijk oog beneen. Het schild is aan zijn arm; niet voor den pronk alleen: 't Heeft, met een zwenk, op weg de vaart gebroken Van 't neergesmakt metaal - des niet te min vrij zwaar Op 's Monniks hoofd beland! Vriend Jaromir ligt daar, Als had de Dood zijne oogen reeds geloken. Zijn longen zijn van ademtogt verstoken, Terwijl het bloed hem langs de slapen vliet. Nogtans de levensvonk ontsnapt het ligchaam niet! Een arm - een been, dat aanvangt zich te rekken - Doen blijken, dat Michiel geen lijk heeft op te wekken. Het kost hem slechts een schrupeltjen bewijs Van Balsem uit het paradijs Om, binnen weeks verloop, wat gaapt weer digt te kleven; En Hij, wien 't in een droom is g'openbaard, Wat Heilig hem onzienlijk heeft bewaard, Verspreekt, door pligtbesef gedreven, `Eé dingsdag van de twèè te vasten, hem ter eer, Tot zijn Getij de aanstaande herfstmaand keer'.' Dit woord was tusschen hem en zijn Patroon gebleven: In petto gaf hij 't, op 't bedaarde ros geheven, Dat, als convalescent, hem aan vervelingspest Ontdraagt, en redt naar Zutphens grijze vest. Daar wil hij bij de Wijsheid les gaan nemen, Die, in een Kerkgewelf, befaamder dan te Bremen De Grafcel, eeuwen tijds aan boei gelegen heeft, En - Proteus wedergaa - geketend antwoord geeft. Zijn ijver baarde gunst! men laat hem niet verlegen, Schoon hij ter scheemring toe zijn drokke studies rekk': Een dubble Sleutel wordt van Kerk en Boekvertrek Hem toebetrouwt; De Koster hoeft zijn wegen Slechts hulpzaam over dag, maar niet, bij 't henengaan, Des avonds, gaa te slaan. Wat, onder 't werk, 's namiddags onzen Pater Tot sterking dient, daar waakt een oud Begijntje voor. Pas opent hij de deur, of 't hengelmandje staat er: De Custos komt er mee; hij zet het aan zijn schoor Van 't welf, eerbiedig groetend, neder, En gaat. Zoo kwam en ging, die hem verzorgde, weder. 't Was de eerste keer 's Mans EXTRA-VASTENDAG; Doch had de Non, die in zijn Vesperbrood voorzag, Van zijn Gelofte niets vernomen; En toen zijn spijsuur was gekomen, En 't korfjen openging, bleek, wat het bovenst lag, EEN HOEN te zijn. 't Vereischte geen ontleden; Reeds was het naar de kunst, den eter voorgesneden. Zijn tanden waatren! Evenwel hij doet zijn pligt, En dwingt het afgewend gezigt Op Vaders Augustijns Confessies neer te kijken. Dit middel geeft allengskens baat! Hij vat steeds meer er meer den zin van 't geen er staat - Peinst op 't geleezne - en voelt de kwaa begeerte wijken; Als ... hoor! - daar valt iets!' 'klink! - klinkklank!' Wat mag dat zijn? - De sleutels waren 't der twee deuren. Augustijn Of de elleboog had schuld; ten minste naar den schijn. Snel bù de Lezer, zonder zien, om ze op te rapen; Maar de open hand - dwaalt af - en vindt het Hoen! - En nu die Hand niet toe te doen; 't Gegrepen Boutje, plots gelijk een schorpioen Te laten vallen; of druiloorig aan te gapen, Als waar' het uit een knol gesneen! Het niet te proeven! - Van die reepjes òòk geen èèn - Geen twèè! tot ongemerkt het halve Hoen verdween! Hadt GIJ 't gekund? Indien gij jà zegt, ik zeg nèèn! IK had, helaas met Jaromir gegeten; Maar 't had mij ook, met hèm, tot in mijn hart gespeten. Daar zit hij nu, en schudt het diepgebogen hoofd. Zijn DINSDAGSVASTEN was den Heilig duur beloofd. Ondankbare als hij is! `Waar zal ik uitkomst vinden! Wie kan mij van mijn schuld ontbinden!' Zoo kermt hij; en te valscher smuilend loert Zijn oude Vijand, die, wat hij een toeval waande, Met schelmschen klaauw heeft uitgevoerd, En door verzoeking hem den weg tot struiklen baande! Te meerder kittelt zich die Onverlaat, die daar De Sleutels van den lessenaar Geworpen heeft, als korts de Klepels uit de wolken: De Klokkenist van Lochems Waterkolken; Wiens keelgat thans het uiterst van zijn kracht In wondren doende werking bragt, Om Jaromirs provisies op te slokken; Waartusschen, als bedeesd, het halve Hoen nog schuilt!- Het masker van een HOND is door hem aangetrokken. Dit voegt bij zijn exploot. De Pater hoort hem schrokken - En zièt hem nu! zijne oogen uitgepuild, Door 't langzaam glijden van de grof gekaauwde brokken; De haren piekregt langs den rug omhooggezet! - Zoo ziet hij hem, en springt te been! een tred Terzij'; doch onderwijl zich pogend te bezinnen Op 't kwaad latijn, dat ieder Helspook kan verwinnen. Zijn GAST, die 't argwaant, hapt eer 't hem de Ban belet, De SLEUTELS weg; is door den wand gevlogen, En staat, een mijl vandaar, aan elk gevaar onttogen. `Maar zijn die SLEUTELS min den KLEPELS Kerkengoed? En waarom dèe genaast, en dèze weggesmeten?' Zoo vraagt gij. Lucifer, gelieft gij des te weten, Kweet met de Sleutels, op hun beurt, zijn teer gemoed: Hij bragt ze weder. Die de Boekcel kwam ontsluiten, Vond ze aan den ring der deur. Daar hingen zij, VANBUITEN; En, ach, VANBINNEN, zat, tot aan de Vroege Mis, De Zondaar in 't _cachot_. Eerst meent hij nog te droomen: Alleen, uit deze Spijsben is - Zulks voelt hij al te zeer! - niets in zijn maag gekomen, Dan 't halve Hoen; en leeg is zij! En, eindlijk spreekt te luid dat SPOOR VAN HONDENSTAPPEN, Waarme de Vloer 't gebeurde aan 't nageslacht zal klappen. In werkelooze wanhoop gaat Het licht voor hem te bed; en, eer van Walburgs toren De wachter driemaals zijn getoet heeft laten hooren, Brengt hem de nacht geen goeden raad. Kwam deze traag genoeg, 't was toch niet al te spaad. Ook luistert hij daarna, met bei' zijn hangende ooren: De Rozekrans wordt straks zijn toeverlaat. Het honderdste amen sluit het honderst paternoster, Als zijn bevrijder komt - de Koster. Thans is zijn eenigst wit, dat hij, door boete doen, Den Heilig weer verzoen'. Hoe streng kastijdt hij zich, om vrij te zijn van 't prangen Des zelfverwijts! Waar trekt hij, met gebeen En litanijen, niet al te heen, En biedt zijn holgevaste wangen Te schouw, aan Sint Michiels, op doek ten toon gehangen= Aan Sint Michiels van hout en steen. Hem na te reizen zult ge intusschen niet verlangen, Gij, die dit geeuwend leest, en geeuwend lezen hoort; Ik spoed mij daarom eindwaarsts voort; Laat Jaromir zijn schuld in zak en asch berouwen, En zeg, tot slot, dit enkel woord: Zich buitens VIJANDS scheut te hou'en Is raadzaam; raadzaam ook, dat gij geen VRIEND verstoort. Aantekening. Jaromir Gewroken. Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl) Opmerkingen aan: coster@dds.nl Naar de Coster-pagina JAROMIR GEWROKEN A.C.W.Staring 't Werd geeuwen links en regts! en de arme Jaromir, Op dit signaal, moest, half gejaagd, gaan dwalen, Om over d' Apennijn, driehonderd mijl van hier, Pardon bij Sint Michiel te halen. 'k Zeg over d' Apenijn! van bee- tot bedehuis Laveerend; vaak in 't scherpe keizelgruis Een bloedig merk met naakte voetzool drukkend; Vaak, afgemarteld, onder 't kruis Van honger, koude of hitte bukkend. Dat zeg ik! en mijn vraag is nu: Gesteld eens, Vrienden, dat ik u Niets meer van onzen Man berigtte? Dat ik den Leelijkert, die zoveel onheil stichtte - Den Klepelsmijter! - den Verleider! - zonder iet Wat naar correctie leek victorie PAUKEN liet? Kon' dat misschien ontknoping heeten? Was dat het Regt bediend, naar 't Wetboek der Poëten? Gij stemt mij toe: dat kòn' - dat wàs het niet! En, praat ik weder, zulks aan keuvelzucht te wijten Misbillijkt gij: van 't geen mij dubble pligt bebiedt Moet ik mij, blijkbaar PRATEND kwijten. Daar, waar Garganus bergkruin ziet Naar 't golvend zuid, geviel 't, voor lange jaren, Michiel, d'Achangel, zich een Heilig te verklaren. 't Luidt vreemdt; maar voor dengeen, wien 't aan geloof ontbreekt, Bestaat de Grot, waaruit de Heilig spreekt - EERTIJDS ten minste SPRAK! als nu, voor 's Pelgrims ooren, De schuldvergiff'nis, na de boete, zich liet hooren. Zij galmde nog door 't vreeverkonden Hol, Toen om 't mirakel te voltooijen, De fletse wang des Boetlings eenslags bol En rood werd, als voorheen; zijn buik weer uit de plooijen Ten stalelijken cirkel zwol. En KEERT dus; maar volhardt, uit demoed, in 't voeteeren; En, stapt hij ook, om zijn herkregen vet Niet, roekloos, weer door zweeten te verteren, Met priesterlijk bedaarden wandeltred, Toch daagt, ter zijner tijd, de stompgedakte toren Van 't Stadjen op, waar thans Een onverwelkbre lauwerkrans Zijn schedel toeft, die daar tevoren Een bluts ontving. Doch, eer hij verder stapt, is 't noodig dat wij hooren, Wat, aan dien oord, sinds hij ter beevaart ging, Sjeur Tenterkwaad begon. 't Was straks na 't medevieren Der Kersnacht, op ZIJN wijs, dat hij incognito, Vermond als katuil, boven Lochem rond kwam zwieren. 't Hoog spaandak naast de kerk doorborend, loerde zoo Zijn blik ten leste ook in een slaapstee. Die daar woelde - De Kapellaan, gehuisd bij d'ou' Pastoor - Smeet, of een mierenschaar hem over 't lijf krioelde, Zich, onder diep gezucht, van 't een op 't ander oor. Wie had de schuld? De frissche Leonoor! Doch zonder dat zij 't wist. De goe Begijntjes noemden Het Meisje Zuster, en beroemden Van afgunst vrij, zich op den kostbren schat, Dien 't arm Konvent in 't vlijtig Kind bezat. Maar, wat haar binnensmuurs een eerkroon had geschonken, Stond op de cedel der verdiensten niet gemeld, Die onzen Kapellaan te klaar in de oogen blonken. Hij had de Non, zelfs in verbeelding nooit verzeld, Als haar huisorde of de Mater riep tot pligten, Waarvoor straks eigen wil bij Leonoor moest zwichten; Doch naarstig had hij ze, uit zijn vliering-cel bespeid, Wen ze in den moestuin zich somwijlen kwam vertreden. Was effen Grijs heur drag, HAAR bleek een dragt te kleeden, Die 't zachte van heur blos onoverschitterd liet. De zwarte Keuveltimp, zich op heur voorhoofd krullend, Verhief heur blank nog meer. Twee spelden (naar de wet, Door zuster Hill' - van kuif wat hòòg blond - ingezet), Heur bruine vlecht in lijnwaadplooisel hullend, Verwekten spijt; maar 't schoon van Nora's voetjes WON, Bij 't streng gebod, dat hun den schoepronk van die dagen Ontberen liet. En op die voetjes werd de Non Zoo zwevend ligt daarheen gedragen, Of ze, als 't gewed was, vliegen kon'. Steeds koortsiger, nam uit zijn sterretoren De Vriend dit alles waar; ook klonk, te middernacht, Hem weer, bij 't Kersgezang, die tooverstem in de ooren, Waarmee het lieve Kind elk hart in oproer bragt! `Ach, had geen beulenhand mijn schedel plat geschoren! En stond mij 't vrijen vrij! en dat ik uit de borst Haar wat mij pijnigt klagen dorst! - Dat Zij, bewogen door mijn beden, Mij kroonde met haar gunst!' Hier was het jammrend `ach' Des aanhefs ook het slot; en, die naar onder zag, Door 't steile huisdak, schiet, ontkatuild, naar beneden! - `Help, Heeroom, help!' Eilaas! al 't helpen kwam te laat: De Kapellaan blijt - overheerd door Tenterkwaad - Een voorwerp om in 't gasthuis te besteden! Hij kruipt te negen uur de dekens preevlend uit. Geen VADERONZE, waar zijn mond zich mede ontsluit Hàlf schijnt het de ENGELGROET; doch, eer men 't voluit hoore, Is 't beter doof te zijn! MARIA groet hij NIET; Maar _`Ave, ave, Leonore!'_ Herhaalt hij, tot gebrek aan asem 't hem verbiedt, Geknield voor 't venstertjen, dat in den Moestuin ziet. Ten laatste, hij kwam af; slof - slof; het hoofd gebogen, Als of hij langs den Berg naar Diamanten zocht. Leonoor, met licht bekleed, stond voor zijn BREIN; omtogen Met digten nevel stond al 't andre voor zijne OOGEN. Hoe luid een strafpreek op zijn oorvlies trommlen mogt, Doof bleef hij! slechts vernam zijn geest het stadig weemlen Van 't Kersnachtlied, dat hem verrukt deed heemlen. En 't kluchtspel, dus vertoond, was niet met èèns gedaan: Zijn kwaal liet door reliek noch klysma zich verjagen! Zelfs teelde 't voorjaar nog bij de oude nieuwe plagen. De buurten rond zwier thans de Kapellaan - Keek stijf in zijn brevier - en hief een deuntje aan: `Leonoret, schoon rozekijn' begon het. Wanneer 't een jongenstroep, van ver hem nagegaan, Mee blaarde, zijn _crescendoe_ won het En zong 't alleen ten einde - tot den dag, Dat Jaromir hem hoorde en zag. Straks werd hij stom! en hukkende in de struiken Dacht hij den naadrende, als het hoen der wouw te ontduiken. Bedrogen hoop! 't instinct, gescherpt door wraaklust, had Den Pelgrim reeds gediend! Het leidt regtweegs zijn schreden Naar 't boschje; en wààrom hem, met sidderende leden, De Liedjeszanger tegentrad? - Die in hem siddert heeft den aanvang reeds vernomen Van d'onweerstaanbren Ban! den Ban, den Ban, dien hij ontkwam, Toen hij zjn vlugt door Zutphens kerkmuur nam, Doch, in dit uur, niet zou ontkomen! Het magtig Formulier werd des van woord tot woord, Al tandeknersend door den Booswicht aangehoord; En, uit den Kapellaan met huid en haar geweken, Steeg hij (afschuwlijk in zijn helgestalt') naar 't hoog; Toen dààr de Schildwacht Sint Michiel hem tegenvloog! Plots heeft de luchtruis uit; zijn spierkracht is bezweken; Hij tuimelt neer, en boort nu, 't hoofd omlaag, in de aard; Maar de exorcist, die hìèr den pas bewaart, Grijpt toe; houdt bij den slingerstaart Met halve lijf terug; en 't koord, dat om 's Mans lenden Met zulk een klem, als nimmer menschenvleesch Verduren moest, van knoet of bullepees. De Lijder slaat, zijn molgat in, aan 't huilen, Dat de antipoden zich ontzetten! dat de zuilen Van 't Pandemonium als zwakke rieten staan Te beven. Jaromir geeft weinig om dat piepen! VERGEEFS vangt klaauw en horen staag weer aan met wroeten, om den weg naar 't onderaardsch te diepen! De pestkwalm, van den Schreeuwer uitgegaan, Spreidt VRUCHTLOOS een bedrieglijk duister: Geen slag die misvalt, van tweehonderd, wel geteld; Waarmee bediend, de Guit werd vrijgesteld. Zòò stapt de Pater, overstraald van zegeluister, Door Lochems Poort! Zòò lag voor onzen Held Zijn trotsche Weerpartij geveld! De strafplaats heet, van dien dag af tot dezen, Naar dat gestaarte deel, waarom het gordeltouw De wraak van Jaromir in striemen gaf te lezen. `En nu de Kapellaan? -' Die keek sinds naar geen Vrouw, Of 't moest een bes van tachtig wezen. Aantekening. Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl) Opmerkingen aan: coster@dds.nl Naar de Coster-pagina