Afbeelding van Kupido Pieter Langendyk De aêloudheid maalt de min gelyk een weeld'rig kind; Opdat een man van moed zich schaam' daar mê te speelen; 't Voert wapens, omdat elk zou vreezen 't wicht te streelen, Dat jokkende ons verraadt, en vyand quetst en vrind. Zy geeft het vleugels: wyl 't zo licht is als de wind, Vol onstandvastigheid, en los in alle deelen, En 't voorwerp dat men mint, uit wellust doen verveelen, Als 't ongestadig hart een schooner lichaam vindt. Ook maalt zy 't looze wicht met doeken voor zyne oogen; Opdat de jeugd niet door een leidsman word' bedrogen, Wiens volger doorgaans in een poel van rampen viel. De fakkel, die het voert, mag wufte wulpen blaaken: Wie moet heeft kan zich van zyn hart ligt meester maaken. De lust vergaat. De liefde is eeuwig als de ziel. Een Gaskonnade Pieter Langendyk Een arm verwaand Gaskon, in Amsterdam verschenen, Stond schreijend voor 't stadhuis. Men vroeg hoe zyt gy mal? Ontroerd u dit gezicht? Ja sprak hy, ik moet weenen, Zo net gelykt dit huis myn vaders paerdestal. Indien ik in myn land weêr mocht aan 't bouwen raaken, Zou ik de staldeur wat aanzienelyker maaken. Grafschrift op een Drekpoëet Pieter Langendyk Hier rot een vuns poëet, die yv'rig in zyn leeven, Van duivels, watjekal, en dreutels heeft geschreven. Paaij Karon stopt zyn neus, zo stinkt het in zyn schuit, Nu rusting van den Droes met veesten wordt beluid. Een Jongen Verzoekende op de Kermis te Gaan Pieter Langendyk Een Jongen sprak beschroomd aldus zyn' vader aan: Ach! mogt ik, als 't u belieft, meê na de kermis gaan? Myn neefjes staan gereed: de man zei: 't mag niet weezen Gy moet hier stil in huis de Katechismus leezen. Denk wat heeft Salomon gezeid, De waereld is maar ydelheid, Een op gesmukte pop, waar voor de jeugd moet vreezen Ja, sprak de jongen, dat zei Salomon misschien Na dat hy honderdmaal de kermis had gezien. Een Jongen Verzoekende op de Kermis te Gaan Pieter Langendyk Een Jongen sprak beschroomd aldus zyn' vader aan: Ach! mogt ik, als 't u belieft, meê na de kermis gaan? Myn neefjes staan gereed: de man zei: 't mag niet weezen Gy moet hier stil in huis de Katechismus leezen. Denk wat heeft Salomon gezeid, De waereld is maar ydelheid, Een op gesmukte pop, waar voor de jeugd moet vreezen Ja, sprak de jongen, dat zei Salomon misschien Na dat hy honderdmaal de kermis had gezien. Teder Afscheid Pieter Langendyk Hoe kan myn waarde helft, myn lief, dus van my scheiên! Riep Filis, Mikons vrouw, met jammerlyk misbaar, En sloeg haar handen in haar schoon en goudgeel hair; Zy snikte, en riep nog eens, kunt gy my dus zien schreijen! Hy poogt met zoete taal zyn waarde lief te vleiën, En zegt, zyt tog getroost, 'k bid denk om geen gevaar, Wy zullen in het kort weer weezen by malkaar, 't Geluk zal hoop ik my op myne reis geleiên. Ach! sprak ze, zonder u heb ik noch vreugd noch lust! En als het dan moet zyn, nog eens voor 't laast gekust, Hoe klopt myn hart! het zal van droefheid overstroomen! Daar op vaart Mikon met de schuit van Amsterdam Op Haarlem, waar van daan hy 's avonds wederkwam Dat was de groote reis, die hy hadt voorgenomen. Een Vaersje in een Voorrede te Pas Gebracht Pieter Langendyk 't Onnozel volkje houdt poëeten Voor dwaazen, hoofden dol van waan. Maar wilt gy de oorzaak daar van weeten? 't Ziet gekken voor poëeten aan.