Epigrammen Het Drukke leven Louis Couperus Maar dat van vroeger ... Want over het hedendaagsch, drukke leven begrijp ik, dat gij zelve alles weet. Maar misschien weet ge niet allen, dat vroèger, in oud keizerlijk Romeinsche tijden, het leven, hoewel anders, precies zoo druk was als wij het thans hebben; zonder spoorwegen, telegrafen, telefonen, even druk, even druk ... Stel eens, dat ik, wie ik ben, in vroeger eeuw ben; stel eens, dat ik schrijver-en-dichter ben in een der keizerlijke Romeinsche eeuwen. Eén der eeuwen kan ik wel zeggen, omdat de kleine verschillen in die vele eeuwen der oudheid minder snel wijzigden en wisselden dan in latere, mordernere eeuwen. Stel dus, dat ik een oud-Romeinsch auteur ben, met net genoeg fortuin om tot den ridderstand te behooren. Maar, bij voorbeeld, met nièt genoeg fortuin om mij een draagstoel te permitteeren, al heb ik ook het `recht van den draagstoel'. Want om een dràagstoel te hebben, en niet het `recht' er van alleen, moet ik ongeveer zes of acht slaven, liefst zwarte, hebben; die zijn duur en zès slaven kan ik mij niet veroorloven. Ik heb in mijn huisje, even buiten een der poorten van Rome - daar is het goedkooper dan in de Carinae, chique wijk - twee kleine, jonge goedkoope slaafjes. Maar dat is dan ook alles. Nu begint mijn drukke dag. Ik sta op en omdat ik ver van de waterleiding der Aqua Claudia woon - een van de slaafjes moet water halen - heb ik oog géen badkamer en moet dus, te voet, naar een der Baden, van Titus of Caracalla, dat hangt van de eeuw af, waarin ik besta. U begrijpt, dat die wandeling vóor en nà het bad, terug, veel tijd neemt; het bad zelve is ook omslachtiger dan wij, modernen, het nemen. Ontbijten kan ik even in of liefst, goedkooper, bij de Thermen. Na dit morgenbegin heb je geen lust dadelijk naar huis te gaan en te gaan werken aan het epos of de epigrammen, die je in je dichterkop hebt. Neen, je gaat met een paar kennissen, die je ontmoet - het regent of de zon straalt fèl - naar een der vele portieken of bazilieken van Rome. Als je een rijken vriend ontmoet, in een draagstoel, en hij noodigt je meêe gedragen te worden, kan je, na véle plichtplegingen, voor een eindje dat aannemen. Meen nu niet, dat je in de bazilieken en portieken een morgenflânerie kan beginnen als op de boulevards van Parijs of het Corso van het hedendaagsche Rome. Alles behalve; daar is het Rome-der-keizers te druk toe. Iedereéen heeft het er druk, want iedereen heeft er minstens eén of twee processen. Jijzelf, al ben je dichter, het oóKegge een proces. Over het scheidsmuurtje van je tuintje met je buur, of over een slootje of gootje langs je goedkoop huisje en in de bazilieken moet je je advocaat toch spreken en eens vragen of er voortgang is in je proces, want het schièt nooit op en wordt zoo duur, dat, nu je dat vermaledijde gootje of slootje of muurtje te beprocedeeren hebt, je even goed zònder muurtje, slootje of gootje in de dure Carinae hadt kunnen wonen. Alleén ... daar, wees er verzekerd van, had je weêr een ander en veel ingewikkelder proces gehad. Maar een proces zoû je gehad hebben. Iedere Romein had een proces ... Nu goed, je hebt je advocaat gezien en met hem geconfereerd. Maar nu herinner je je, dat een van je mededichters op dit uur in een der portieken in 't publiek zijn nieuw gedicht voorleest, en je moet daar, uit hoffelijkheid èn diplomatie heen. Precies zoo als wij een bezoek afleggen. Dat doe je dus en je hoort naar de voordracht van je mededinger-letterkundige en denkt eigenlijk aan je éigen werk, dat je thuis wacht in je eigen goedkoop huisje, buiten Rome ... Eindelijk is de voordracht gedaan, je complimenteert `je vriend', dien je au-fond niet kan uitstaan en zonder eénig talen vindt en je wandelt met hongerige maag terug. Thuis, vindt ge, tenzij je bij je twee slaafjes, Lollia of Cynthia houdt, om je huishouden te doen, eén wanorde in je bachelor-dichterhuisje; je scheldt je slaafjes, geeft ze zelfs met de zweep; de een heeft met de kruik water gemorst en moet er dus op nieuw uit om op nieuw water te halen; de ander kan nog niet koken, omdat er geen water is, maar wappert met een rieten waaier al het vuur vast aan; enfin, over anderhalf uur zal je misschien kunnen dineeren. Dat diner, hèb je het, is je frugale dichtermaal; je mag daarna een sièsta nemen; dàn kan je eindelijk aan je epos of epigrammen werken, een uùrtje lang, maar daarna moet je absoluut weêr uit, om naar de boekhandelaars te gaan, die wonen bij de Basilica Julia of in de Argiletische wijk, want je hebt in dàgen niet van ze gehoord en je wil toch wel eens weten hoe je werk wordt verkocht en, weet je, als je je niet nu en dan eens vertoont, zetten ze je nog méer af, dan ze anders al doen. Je gaat ze dus zien en ze vertellen je, dat nièmand je koopt en dat ze slechte zaken met je doen en je bent in een slecht humeur. Enfin je herinnert je, dat je geïnviteerd bent om te avondmalen bij je vriend Claudius, en je loopt dus bij den barbier-kapper binnen om je wat of te frisschen - als je er aan gedàcht hebt, heb je een van je slaafjes je mooiste toga en feesttuniek bij dien barbier-kapper laten brengen - ; opnieuw geschoren - anders heb je midden in den nacht weêr een baard! - ; frisch geparfumeerd - iedere Romein, die gaat souperen, parfumeert zich -, fijn gedost, ga je naar je vriend om na je bezigen morgen, je werkzamen middag, je mondainen avond-en-nacht te beginnen. Je soupeert nog al lekker; en zijn zangers en danseressen en ook goochelaars en kunstemakers met tamme beren; enfin, het is bepaald een erg gereüsseerde soirée. Na deo soirée stelt de gastheer voor eens een toertje te maken naar de Suburra, waar de mooiste meisjes ontvangen ... Nu, de nacht wordt ook nog al druk, nà den drukken dag, en zoo tegen ochtend-schemering kom je thuis, in je goedkoope buitenhuisje, buiten een der poorten van Rome. Je slaperige slaafje toont je een pakje wastabletten van je advocaat, die je verzoekt dien morgen, dàdelijk na het eerste uur (zoo wat zes uur, modernste tijdrekening,) bij hem te komen, er bij voegende, dat hij, zoo je niet exact bent, er niet voor instaat het proces over je muurtje, slootje of gootje te kunnen winnen. Je vloekt bij Herkules, gooit je op je bedde en na twee uur dommelen sta je op, dènkt niet aan bad of ontbijt en rept je - te voet, of op het muildier van een van je buren - naar je advocaat, die je een uur laat wachten, omdat hij zelf ook een heel druk leven leeft en reeds bezig is met een ànderen cliënt, die een veel interessanter proces heeft - over een èrfenis! - dan jij over je muurtje of gootje of slootje ... En ben je met je advocaat eindelijk klaar, nu, dan wacht je weêr een andere, drukke dag ... En zoo gat het door, tot je eindelijk, zoo tegen de maand Mei of Juni of Juli tien dagen vacantie mag nemen te Scheveningen, pardon, ik meen te Baiae of Antium ... Van Twee gestolen Liefdesgodjes, die gekocht en verkocht werden ... Louis Couperus Bij het meer Mareotis, te Alexandië, woonde toen een familie van mandenmakers, vader, moeder en tal van kinderen, jongens en meisjes, die allen bies en riet sneden aan de boorden van het meer en schamel brood zich wonnen met het vlechten van allerlei manden. Het leemen huisje verborg zich onder sycomorengeboomte en spiegelde zich in het diep heldere water van het mooie meer, waar in de roze dageraad de ibis op haar steltpoot droomde over het eilandje, welig van papyrushalmen, of in de parelmoêrige avonden vluchten van kraanvogels heen en weer trokken op terugvaart naar het Noorden. Tevreden met hun eenvoudig lot, vlochten de mandenmakers, vader, moeder en kinderen, iederen dag, vlug en steeds vlugger, manden en kooien en korven, die de kinderen daarna brachten ter markt en verkochten. Alleen niet tevreden was Damis, de oudste zoon, een heel mooie jongen van achttien, omdat hij, al vlechtende, in het roze licht van den morgen, of het zilveren licht van maanavond, aan den boord van het meer, daar ginds, de marmeren villa's zag rijzen en spiegelen, waar de mooiste vrouwen van AlexandiË woonden: de schitterende hetaeren, wier schoonheid hij van verre bewonderde en voor zich wenschte, als hij ze daar feesten zag met de rijke pretmakers, of varen over het meer, in met bloemfestoen omslingerde gondels. Dan moest hij zich wel bekennen, dat nooit, omdat hij arm was, hij eene dier schitterende vrouwen zoû mogen omhelzen, in het genot, dat Afrodite, de milde en gouden glimlachende, beveelt te plukken als met handenvol rozen. En somber vlocht hij zijn korven, somber bracht hij ze met de jongere broêrtjes ter markt, en somber stiet hij de blonde Rhodope terug, het dochtertje van den veerman naar den kleinen tempel der godin, midden in het meer marmer opzuilende, als een elegant kleinood van marmerzuilen daar in het midden van het meer sierlijkjes neêr gezet. Wel was Rhodope, zestien jaar, heel mooi en zoo blond als honig, maar juist omdat zij zoo jong en zoo mooi was, en zoo heel veel van hèm hield, hield Damis niet veel van Rhodope en ging heel zijn hart uit naar die schitterende, onbereikbare vrouwen, wier open en toch voor hem ondroordringbare paleizen den boord van het meer omzoomden, en weêrspiegelden in het onvergelijkelijke heldere water. Want die vrouwen, zoo zij hem, in draagstoel in de stad, of in gondel over het meer, voorbij gingen, zagen hem zelfs niet aan, blikten de prachtige, grootte geschilderde godinneoogen, vòl belofte van wellust na wellust over hem, den armen mandenmaker, en hij klemde de vuisten in razernij, de tanden en lippen in honger en dorst, en zon en zon en zon, hoe hij het onbereikbare genot zoú naderen. Somber, in slapelooze nachten, om- en òmwentelend op zijn nauw hard bed, dat hij deelde met twee broêrtjes, zon hij en zon hij, maar vond niet, tot zeker Aphrodite, de milde en gouden glimlachende, zich ontfermde over zijn koortsen en hem genadiglijk bezielde met een ingeving. Ten minste, dien volgende morgen, op de markt, wist hij te verkrijgen, een ouden bonten mantel, zoo als Cypersche kooplui dragen, twee groote koperen oorringen en een Frygische muts, en kleurige sandalen, alles oud en van geen waarde, maar hèm toch van nut om zijn stil plan ten uitvoer te brengen. Toen, des middags, op het heel stille uur, terwijl ouders en broêrs en zusjes sliepen, wekte hij zijn twee jongste broêrtjes, twee beeldmooie knaapjes van vijf en zes, en zeide hen, ze ieder nemende in een arm, tegen zich aan: - Hoor eens, broêrtjes, als je heel zoet wilt zijn en heel lief en precies doen, zoo ik je zeg en niet anders, dan beloof ik je allerlei lekkers, honigkoekjes en gesuikerde lotos, nougât en gekristallizeerde dadels, àl die lekkere dingen, die je in de stad wel eens hebt gezien bij de dure pasteibakkers op de markt ... Maar dan moet je precies doen wat ik zeg en zoete en verstandige broêrtjes zijn ... De broêrtjes, zich de lippen likkende, beloofden het Damis, en daar Damis heel handig was, vervaardigde hij met witte duiveveêren en was heel aardige vleugeltjes, die hij vast wist te hechten aan de schouders van de beide broêrtjes. Vliegen konden zij er heelemaal niet meê, maar de was was zoo sterk en Damis zoo handig, dat de vleugeltjes parmantig bleven uitstaan, aan de schouderbladen van zijn twee broêrtjes, en zij er allerliefst meê uitzagen, als twee blonde cupidootjes. De anderen sliepen nog, en daarom kon Damis zich ongemerkt vermommen en zag er weldra uit met de kleurige sandalen, de koperen oorringen, den Cyperschen mantel en de Frygische muts, als een reizend koopman uit het Oosten. Hij nam toen twee groote vogelkooien, die hij zelve gevlochten had, en deed in iedere kooi een van zijn broêrtjes, wat zij gewillig duldden, omdat zij maar aldoor dachten aan de honigkoekjes en gesuikerde lotos, de nougaât en gekristallizeerde dadels, en zich aldoor maar de lippen likten. Toen nam Damis een buigzame stok, bevestigde de twee kooien aan de uiteinden, en nam den stok over zijn schouder, en terwijl de kooien regelmatigjes wiegelden, sloop hij met zijn vracht langs het meer, in de richting der onbereikbare paleizen en vrouwen daar ginds. De twee cupidootjes begonnen luidkeels te schreien, maar Damis riep: - Wil je je wel stil houden, ondeugende bengels! Als je niet stil bent, en heel zoet, en preciès doet zoo als ik je gezegd heb, en niet preciès doet als of je van die kleine kereltjs bent, die altijd om de godin, de gouden Afrodite, fladderen, zoo als je in haar eigen tempel op de marmeren bas-reliëfs gezien hebt, dan, domme jongens, kan ik er niets meer aan doen, maar krijg je geen honigkoekjes en nog minder gesuikerde lotos, en heelemaal geen nougât en gekristallizeerde dadels ... Het water liep de cupidootjes de gelikte lippen over, en daarom waren zij stil, en hurken neêr op den bodem van de twee kooien, die regelmatig wiegelden aan Damis' buigzame stok. En Damis, die een sterke jongen was, liep vlug en levendig door, langs het meer, en toen over de mooie sycomoren-allee, die naar de prachtige villa's leidt, waar nu, tusschen de zuilen, onder beschuttende vela en in de schaduw van pavillioenen van rozen de heerlijke hetaeren van Alexandrië uitrustten van de orgieën der vorige nacht. Damis, de naar Afrodite's genot smachtende mooie mandenjongen, kende ze allen bij namen, en daar hij zijn plan rijpelijk had overdacht, haastte hij zich met regelmatigen tred naar de villa van de oude Theoclia. Hij zag haar reeds van verre, zoo als hij haar zoo dikwijls al had gezien, liggende onder de rozen, lui op gouden en toch zacht kussens, naast zich, op een drievoet, ooft en sneeuw en Samoswijn, zijzelve in heel doorzichtig byssos omhuld, en hare vrouwen om haar heen, haar wuivende met pluimenschermen, of tokkelende aan kleine Egyptische harpen. Theoclia was oud: zij was zeker al vijftig jaren, maar zij was nog zeer verleidelijk, omdat zij de kunst wist van niet oud te worden en zeer geleerd was in geheel de wetenschap van de liefde: Afrodite had haar altijd met weldaad begunstigd en daarom was zij ook heel rijk. Toen Damis de villa naderde, waar hij tusschen de zuilen en rozen, en onder de purperen vela Theoclia bespeurde, riep hij nog eerst tot zijn broêrtjes: - Oppassen, hoor bengels, niet huilen, en precies doen, wat ik je geleerd heb; denk aan de koekjes en àl het lekkers ... En toen riep hij met luide stem in Cypersch accent: - Koop! ... Godjes te koop! Mooie, kleine godjes te koop! Wie koopt er mooie kleine godjes!! Het was wel heel natuurlijk, dat de vrouwen, rondom theoclia, die zich verveelden op dit uur van de siësta, met haar waaiers en haar muziek, uitzagen en hoorden naar den reizenden koopman, ook al zag hij er uit als iedere koopman, die kwam van het Oosten: een Frygische muts op, een bonte mantel en kleurige sandalen, en groote ringen aan zijn ooren ... Koop! Godjes te koop! Wie koopt er mooie godjes! Wàt verkoopt hij? vroeg Theoclia aan hare vrouwen, nieuwsgierig. Het schijnt wel, of hij godjes verkoopt! riepen om hare meesteres de slavinnen. Het is wel heel vreemd, maar hij draagt twee korven, in die zal hij zijn godjes hebben. - Vraag hem wat voor godjes hij heeft! beval Theoclia zeer nieuwsgierig. - Koopman! schreeuwde Deborah, de negerin. Wàt voor godjes verkoop je? - Levende liefdegoodjes! riep Damis terug. Mooie, gezonde, levende liefdegoodjes! Wie koopt er liefdegoodjes! Wie koopt er mooie, gezonde godjes! - Meesteres! zeide Deborah; hij verkoopt levende liefdegoodjes! - Dat is al heel bizonder! zei Theoclia. - En hij heeft ze in korven: twee! riepen om haar de vrouwen. - Blonde liefdegoodjes, mèt vleugeltjes! - Ach, wat een lieve godjes! Zoo riepen om Theoclia al hare vrouwen en slavinnen en sloegen van verrassing de handen in een. - Laat hem toch eens komen! beval ongeduldig Theoclia. Deborah wenkte den koopman binnen, die nu tusschen de zuilen verscheen, op den drempel van een dier onbereikbare paleizen, den buigzamen stok over zijn krachtigen schouder en daaraan de twee kooien zacht wiegelend, waarin hurkte, in elk, een godje. De slaven, slavinnen verzamelden zich, nieuwsgierig, en Theoclia fronste de brauwen. - Wie ben je? vroeg zij. Waar kom jij van daan? En hoe kom jij aan die godjes? Deborah bekeek ze van dichtbij. - Misschien, fluisterde Deborah; is die koopman wel een bedrieger, en zijn de godjes niet echt! Maar theoclia beval: - Spreek op! - Ik ben een reizend koopman van Cyprus, beweerde Damis met vreemd accent. Ik drijf handel in wonderbaarlijke zaken, en nu heeft het gunstig toeval gewild, dat ik twee liefdegodjes heb kunnen vangen, in het heilige rozenbosch van de godin Afrodite om haar heiligsten tempel, op Cythera. De dotjes lagen te slapen tusschen de rozen, en ik had ze maar voorzichtig bij de wiekjes te grijpen, en de wiekjes daarna te knippen, zoo dat ze niet weg vliegen konden. Het zijn echte gezonde godjes, en mooi en blond, als je bij geen anderen koopman zoû koopen. Het zijn geluk- en jeugdaanbrengertjes, weet je; wie ze in bezit in zijn eigendom, wordt nooit oud en heeft altijd geluk in de liefde: dat is bekend van de liefdegodjes van Cythera; daarom worden ze thans zoo gezocht door alle bejaarde hetaeren in Athene, Ctezifon en Rome. Ik heb er al meer gevangen, en er verkocht in Athene en Ctezifon, en als ik deze twee niet verkoop te AlexandriË, omdat hier nu eenmaal geen bejaarde hetaeren zijn, dan reis ik er meê naar Rome, wat daar zijn het allemaal oude dames, naar ze me hebben verteld, en daar ben ik ze in een oogenblik kwijt ... En al weg gaand riep hij luid: - Koop, Godjes te koop! Wie koopt er mooie godjes ... Maar Theoclia wonk hem terug. - En is de goudene Afrodite niet heel boos, als er de godjes gestolen worden uit haar rozenbosch? vroeg zij. Niet als de koopman ze verkoopt aan een bejaarde hetaere, want dan is Afrodite, de goudene, blij, omdat haar oude dienares weêr jong wordt ... - Het is wonderbaar ... zie Theoclia. Nu was er wel eenige twijfel in Theoclia, maar zij was, als alle hetaeren, zeer bijgeloovig, en hoewel ze aan het bestaan der andere goden zelfs niet geloofde, geloofde zij àlles van de goudene Afrodite, en kon zij niet langer dan eéne sekonde twijfelen, dat deze twee jongentjes godjes waren uit het rozenbosch van Cythera, en geluk- en jeugdaanbrengertjes. - En hoeveel kosten ze dan wel die godjes? vroeg Theoclia. - Nu, zeide de koopman; als u ze me allebei afkoopt, kan ik ze u laten voor duizend ptolomeeën het stuk ... Theoclia vond dat te duur, er werd over en weêr gedongen, gehandeld en eindelijk stond de koopman de beide godjes af voor zeventienhonderd-vijftig ptolomeeën. Dat is voor niets! betuigde de koopman, blij; maar dan hoef ik niet met ze naar Rome... Nu wilde ik u alleen nog maar zeggen, dat de godjes wel uit de kooien mogen, omdat ze toch niet weg kunnen vliegen, maar goed gevoed moeten worden, en wel dadelijk, met geconfijte lotos en honigkoekjes, met gekristallizeerde dadels en nougât. Anders eten ze niets en zonder dat gaan ze kwijnen. - En honigkoekjes! riep Damis. - En gekristallizeerde dadels en nougât! riepen de twee godjse gulzig, en niet meer verlegen en likten zich al de lipjes. - Ik zal ze u netjes afleveren, zei Damis en met een fijn linnen doek, die men hem gaf, poetste hij zelve de godjes op, stofte ze af en streek de vleugeltjes glad, terwijl hij zijn broêrtjes in het oor wist te fluisteren: - Zie je wel bengels, als je maar zoet bent en doet wat ik zeg, krijg je hier allerlei lekkers! Nu moet je maar niet anders doen dan of je echte godjes was uit het rozenbosch van de godin, en vooral mag je elkaâr niet aan de vleugeltjes trekken, want als je die elkander aftrekt, krijg je dadelijk geen enkele dadel meer ... Wees dus maar zoet en lief; dan kom ik je morgen halen, als je je buikjes dik hebt gesnoept ... Theoclia beval toen Deborah den koopman uit te betalen, en terwijl de slavinnen, verrukt de gulzige liefdegoodjes aan het voederen waren met lekkers, groette Damis met de hand aan zijn Frygische muts en vertrok, luchtig, met de leêge kooien. Zoodra hij buiten kwam, smeet hij zijn kooien in het riet van het meer, en haastte zich naar de stad, naar de Zuilengang bij het Muzeum, waar de blank getoga-de wijsgeren wandelden, maar waar ook de mooiste winkels waren. Daar kocht hij zich bij een voornamen kleêrmaker een hyacintkleurige, met palmen geborduurde techniek, fijn ondergoed, purperen, met goud beslagen sandalen, bij een juwelier een enkelen ring met robijn, en haastte zich weg naar de Thermen, nam een driedubbel bad, liet zich kappen en zalven en kleeden, aan allen, die hem bedienden, vertellende, dat hij een jong Frygiesch koopman was, die rijk was geworden en nu feest vieren wilde te AlexandiË, de stad der duizend genietingen en aller wellusten paradijs. En toen hij dus gekleed en gezalfd was, zag hij er in der daar uit als een heel mooie jongen van goede familie, maar telde in zijn palm - AlexandiË was duur - niet meer dan zes ptolomeeën en wat luttel zilvergeld Het was héel weinig, maar de gouden Afrodite lachte genadig over den, naar genot smachtende, mandenmaker, en de godin goot nieuwen moed in zijn hart, dat klopte van heeter en heeter verlangen. In een draagstoel liet Damis, om zijn sandalen niet te bederven, zich terug dragen naar het Mareotis-meer, naar de sycomoren-allee, die al somberde van de avondschaduwen, terwijl de maan rees over het meer, en aan de boorden de villa's der hetaeren al op begonnen te glinsteren van hier en daar ontstoken luchters. - Waarheen moeten wij uw heerschap dragen? vroeg de voorste der twee stoeldragers. - Naar het buitenverblijf van de schoone Melytta! antwoordde Damis, met een schorre stem, kloppend hart, trillende vingers ... Melytta, o zij was de schoonste! Van alle, die door hem - als hij ze - versmaad, onopgemerkt, voorbij ging - verlangde, schitterende vrouwen, begeerde hij het meest Melytta, slank van leden, weelderig van vormen, heerlijk en onbereikbaar, smachtend smaragd van oogen en zonneschijnblond van lang, golven haar; langs haar draagstoel gaande, had hij haar geur lang, lang gesnoven en heugde zich dien nog: myrrhe en amber en dan dat onbekende, die geur, die hem steeg naar het hoofd, en hem dronken van verlangen maakte. Melytta! Zij was de schoontste! Zij was als melk en myrrhe, als honig en amber; zij was als een blonde druiventros; o, zij moest zijn als een drinkschaal van Jupiter! Hare boezem de eigen tortels van Afrodite! Hare omhelzing, eene vergoddelijking! De stoeldragers hielden stil voor een villa: tusschen de zuilen ontstaken negerslaven geurvaten. - Wat verlangt uw heerschap? vroeg nederig de Libysche portier, slaafsch groetend den jongman, rijk gedost. Damis, bevende, betaalde zijn dragers mild, met éen ptolomeer en wat zilver kleingeld. Toen de vijf overigen, die hem restten, drukkende in de hand van den portier, zeide hij, met schorre stem, kloppend hart, trillende vingers: - Ik wensch ... de schoone Melytta te zien ... Zeg haar, dat er een rijk Frygiesch koopman is, die haar een mededeeling wenscht te doen van het grootste gewicht ... De portier boog tot den grond en haastte zich de boodschap naar zijn meesteres te zenden, die, nieuwsgierig den Frygischen kopman in haar kleedvertrek binnen deed leiden, waar zij tusschen hare om haar bezige vrouwen gezeten was voor grootte metalen spiegels, op drievoet naast zich tal van sierlijke potjes, albasten kruikjes en kleine amfoortjes. - Wel koopman! riep de blonde Melytta, zonder het hoofd om te wenden, want een slavin schilderde juist haar wenkbrauwen, en zij hield zihc roerloos. Welke gewichtige mededeeling wensch je te doen? Damis was zeer ontroerd, zijn stem voelde schor, zijn hart klopte en zijn vingers trilden en sidderden: hijzelve sidderde van verlangen, maar toch bemeesterde hij zich en sprak: - Schoone Melytta, in der daad zal mijn mededeeling er een zijn van gewicht voor u. Want hoor: de priesters van de goudene Afrodite van Cythera, vertoornd, omdat er twee liefdegodjes gestolen zijn uit het rozenbosch van het heiligdom der godin, en verkocht in AlexandiË aan een héel bejaarde hetaeren, zonden mij hierheen, opdat ik met alle macht van list en geld die godjes terug zoû kopen. Maar alleen kan ik, hoe listig ik ben en hoe rijk ook, niet mijn plan volvoeren, en daarom, o Melytta, o mooie Melytta, ben ik hierheen gekomen om te vragen: help mij, sta mij bij en de godin van Cythera zal u gunstig zijn en u met weldaad van liefde en van goud overstelpen! Ten uiterste verbaasd over die gestolen en verkochte liefdegodjes, wendde Melytta zich op het onverwachts om - zoo dat hare vrouw een veeg antimonium dóortrok tot haar parelmoêren, klein rozig oortje - en toen zàg zij den Frygische koopman. - Zijn er waarlijk twee liefdgodjes gestolen uit het rozenbosch van de godin? vroeg zij verbaasd en alle vrouwen om haar verbaasd. - En verkocht door een reizend koopman, hier in AlexandiË! betuigde Damis. - En ben jij een koopman uit Frygië?! Je ziet er eer uit als de zoon van een Archont! - Ik ben, zeide Damis met nederigheid; toch niets anders dan een Frygiesch koopman, maar ik kleed mij als een Alexandrijn, en ik ben vermogend en de priesters hebben nog daarbij mij volmacht gegeven geen geld te sparen om de liefdegodjes terug te koopen. Toen trok hij den robijnen ring van zijn vinger, en zeide, dien schuivende aan Melytta's vinger, sidderende van aandoening bij die beroering: - Zoû Melytta mij willen helpen en door mij de priesters van de godin, die heel toornig is, omdat haar liefdegodjes gestolen zijn? - Als ik kan, meende Melytta, vol belang, terwijl haar vrouwen haar schoeiden met parelbestikte sandaaltjes. Maar wie heeft die godjes gekocht? - Theoclia! zei Damis. - Theoclia! riep Melytta uit. - Theoclia! riepen de vrouwen. - De liefdegodjes, zei Damis; zijn geluk- en jeugdaanbrengertjes, en Theoclia wordt heel oud en schaars werden haar minnaars. - En wat kan ik doen? vroeg Melytta. - Naar Theoclia gaan, zei Damis; en de godjes listiglijk van haar koopen, voor de som van vijftienhonderd ptolomeeën het stuk. Drieduizend ptolomeeën het paar. Meer willen de priesters voor de gestolen godjes niet geven. En als ik ga, en zij hoort, dat ik afgezant ben van de priesters, vraagt zij, de goden mogen weten hoe veel! - Als zij de godjes maar afstaan wil! twijfelde Melytta. En, mooie koopman, zeg ... wat krijg ik nu voor mijn moeite, als ik slaag? Wat krijg ik, nevens dezen ring! - De beide liefdegodjes, zei Damis. Want zij behoeven niet terug gevoerd naar Cythera. De priesters waren alleen vertoornd, en de godin met hen, omdat zij gestolen waren, zeer zeker, maar toen verkocht aan een bejaarde hetaere, maar een jonge, mooie ... o, de mooiste van AlexandiË, de zonneschijnblonde Melytta ... zij mag de beide godjes houden en haar zullen zij eeuwig jong, heerlijk en goud houden ... als ware zij de godin zelve! - Mag ik de twee godjes houden! riep Melytta verrukt, en de vrouwen om haar verrukt. - Zoo zeiden de priesters ... - Goed, koopman. Ik ga dadelijk. Geef mij de drieduizend ptolomeeën. Schoone, verrukkelijk schoone Melytta, zei Damis. De priesters van Cythera kennen de listigheid van AlexandiË's schoone hetaeren. Zij vreezen, dat, zoo ik te voren de drieduizend ptolomeeën u gaf, gij ze onder weg zoudt verliezen ... en onverrichter zake terug zoudt komen. Neen, schoone, verrukkelijk schoone Melytta, de priesters van Cythera wenschen, dat gij die luttele som van drieduizend ptolomeeën, als een rijke dienares der godin, haren priesters voorschiet: gij koopt listiglijk de godjes, en zij blijven u tot pand, en worden aan het eind uw eigendom, de twee aardige gelukaanbrengertjes ... Nu wist Melytta anders wèl goed te rekenen, maar op dit ogenblik was zij zóo ontroerd door des koopmans verhaal van die gestolen godjes, en zoo nieuwsgierig ze beiden te zien, dat zij de tel kwijt was en bevelen gaf - zij was in de gazen peplos in byssos mantel gekleed, met groote cameeën aan hare slapen - haar draagstoel te laten voorkomen, om dadelijk naar Theoclia te gaan. En zij ging in groote ontroering, en in ontroering bleef Damis wachten, want daar was hij in Melytta's villa, in hare geurige vertrekken; daar rustte hij, afwachtend, op heur eigen saffraankleurig bedde en beidde, met een hoofd, waaraan de slapen als hamers klopten. Nu waren intusschen bij Theoclia de twee liefdegodjes aan het kibbelen geraakt over geconfijte lotos en honigkoekjes en gekristallizeerde dadels, elkander het lekkers misgunnend en zij waren slaags geraakt, en hadden elkaâr aan de vleugels getrokken en de wiekjes uit- en afgerukt, zoodat tot hàre woede, tot leedvermaak van Deborah en verbazing van alle vrouwen, Theoclia moest erkennen, dat de godjes lang niet echt waren en de Frygische koopman haar had bedrogen. Het was op dit ogenblik, dat Melytta haar bezoeken kwam en listiglijk zeide, na Theoclia voor den volgenden avond op een orgie ter haren, Melytta, te hebben genood: - Ik zoû alleen zo gaarne een paar liefdegodjes er bij willen hebben! Het zijn tevens gelukaanbrengertjes en ze worden tegenwoordig véel gevraagd in Athene, Ctezifon en Rome, maar ik geloof niet dat er te AlexandiË te koop zijn ... Ik zoû anders, o Theoclia, zoo dol graag twee liefdegodjes koopen. Theoclia spitste van blijdschap op en zeide toen, schijnbaar onverschillig: - Ik heb juist een poos geleden een paar liefdegodjes gekocht; aardige gezonde liefdegodjes, van een reizend Frygiesch koopman, die ze gestolen had uit het rozenbosch van Cythera, maar ik vind het lastige kinderen, en als je ze koopen wil, Melytta, sta ik ze gaarne af voor den prijs, dien ik er voor betaalde: dat is drieduizend ptolomeeën het stuk. Die prijs was Melytta veel te hoog, en zij dongen en handelden en werden het eens voor drieduizend ptolomeeën het paar, - de prijs, die naar Melytta meende, de priesters der godin over hadden om de twee liefdegodjes niet in bezit te laten van een bejaarde hetaere. Intusschen had Theoclia aan hare vrouwen bevelen gegeven de wiekjes van de twee godjes, zoo goed en zoo kwaad als het kon, te repareeren met de stevigste was, die te vinden was, en toen dit was geschied, voerde de negerin Deborah ieder aan een handje naar Melytta, die ze twee dotjes vond, drieduizend ptolomeeën betaalde en met ze in haar draagstoel vertrok. Zij waren beiden tevreden: Theoclia, omdat ze twaalfhonderdvijftig ptolomeeën gewonnen had en de valsche godjes kwijt was; Melytta, omdat zij niet twijfelde een goede zaak te hebben gedaan. Het was geheel nacht geworden, toen Melytta in hare villa terug kwam, waar Damis haar wachtte, en zij trok de godjes, slaperig, ieder aan een handje, naar binnen en riep: - Ik hèb de twee godjes, koopman! Maar zij voegde er dadelijk aan toe: - Maar ik weet niet wat zij hebben: ze hebben slaap en schijnen ziek; en in mijn draagstoel krompen ze van de pijn en nu vind ik hun vleugeltjes ook niet heel gaaf: er missen veêren uit! - Dat doet er niet toe, zei Damis. Theoclia heeft ze klaarblijkelijk verwaarloosd en slecht gevoed, ze niets gegeven dan lekkers ... Als de godjes goed worden verzorgd, en verpleegd bij een jonge hetaere, die om haarzelve bemind wordt, dan komen ze dadelijk bij, en worden gezonde en tierige gelukaanbrengertjes ... - Dus geloof je, zeide Melytta vol belang; dat ze zoo slaperig en ziek zijn, en zoo krimpen van de buikpijn en zulke armelijke vleugeltjes hebben, alleen omdat Theoclia niet ... ? - Zeer zeker geloof ik dat, zei Damis, bleek en ernstig. Bij een bejaarde hetaere als Theoclia houdt geen liefdegodje het uit. De arme stakkers ...: na een paar dagen zijn ze gestorven ... van louter ontbering, trots al het snoepgoed, waarmeê zij ze voedde ... Toen zag Damis Melytta vurig aan en vol welbehagen Melytta Damis. - Dat is alles goed en wel, zei Melytta. We zijn alleen, de nacht is om ons heen en zeer zeker zouden wij beiden gemakkelijk de liefdegodjes, die daar nu op dat bedde ziek en slap tegen elkander liggen, kunnen gezond maken tot tierige gelukaanbrengertjes, maar ... - Maar ...? vroeg angstig Damis. - Ik heb, koopman, de gouden Afrodite een onschendbare belofte gedaan, in het heiligdom van het meer. - En die is? - Geen minnaar te nemen, die niet getrouwd is. Heb jij een vrouw in Frygië ...? - Neen! bekende Damis verrast, bijna bezwijmende van teleurstelling. Maar wat doet zoo een belofte er toe?! - Doet zoo een belofte er niet toe? riep Melytta verbolgen. Het zoû heligschennis zijn, wat je daar voorstelt! - Nu ja dan, Melytta, ik ben getrouwd! - Neen! riep Melytta; je liegt! Je bent veel te jong om getrouwd te zijn, dat heb ik wel dadelijk gemerkt! - O, Melytta! riep Damis sidderend. Kijk toch naar de twee liefdegodjes! Hoe slap en ziek ze daar liggen tegen elkaâr, met armelijke ruiende vleugeltjes, en ze krimpen van de buikpijn! - Ja, zie Melytta; en voor die zieke godjes heb ik drieduizend ptolomeeën betaald! - Die ik je morgen ochtend, o Melytta, terug geef uit naaam van de priesters van Cythera! Morgen, o Melytta, als deze nacht is voleindigd, o heerlijke, mooie Melytta! Morgen ochtend, o Melytta ... als de liefdegodjes weêr fleurig en tierig zijn, en hun vleugeltjes nieuwe veêren hebben gekregen! O, Melytta, Melytta! - Het is alles goed en wel, zeide Melytta; maar je bent niet getrouwd, en de godin zal mij toornig zijn als ik mijn belofte verbreek en voor mijn tijd mij oud en leelijk maken ... - Neen, o Melytta, o heerlijk mooie Melytta, want zelfs al verbreek je je gelofte, je behoudt toch de twee liefdegodjes, en die zijn gelukaanbrengertjes ... Maar we moten niet talmen, o Melytta, want anders gaan de godjes dood!! En als ze dood zijn, o Melytta, geven de priesters je nooit de drieduizend ptolomeeën terug! Nu werd Melytta geheel overstuur, en zij riep, radeloos loopende op en neêr: - Alles goed en wel, maar ik kàn, zelfs niet om een fortuin, mijn belofte aan Afrodite schenden! Afrodite, ik schend mijn belofte u niet! - Afrodite zal minder boos op je zijn, o heelijke, mooie Melytta, als je je belofte maar schend, dan als je de godjes laat sterven! - De akelige, vuile wichten! riep Melytta vertoornd uit. Kijk wat ze gedaan hebben op mijn rustbank! - Dat is om dat je zoo talmt, o Melytta, o Melytta ... - Alles goed en wel! riep Melytta, de wanhoop nabij, terwijl zij Damis, die haar wilde omarmen terug stiet: maar je moet eerst getrouwd zijn! - Ik bèn getrouwd, o Melytta ... - Neen, je liegt: ik moet wéten dat je getrouwd bent! - Laat mij dan trouwen, Melytta ... - Goed, ja, ik zal je doen trouwen ... - Maar onderwijl sterven de liefdegodjes, o Melytta, o Melytta! weeklaagde Damis in wanhoop, niet om de godjes, maar wel om zich. Maar Melytta sloeg hard op een gong en alle slaven, slavinnen, liepen van alle kanten aan. - Chloë, riep Melytta haar vertrouwde slavin en huishoudster toe. Gauw laat die twee liefdegodjes toch verzorgen en reinigen en te bedde leggen en geef ze kamillebloesem, en dan Chloë, hoor: ik moet oogenblikkelijk een bruid hebben voor dezen jongman, die zich Frygiesch koopman noemt, maar de zoon is van een Archont, en niet gehuwd is: hij is nog zoo jong! Jong is hij, o Chloë, een Archontenzoon, schatrijk, en wat is hij mooi, o Chloë, wat een mooie jongen is hij, hij is mooier dan Lyzias, mijn hartelief, hij is mooi en jong en rijk, maar o Chloë, hij is niet getrouwd, en ik kan mijn belofte aan Afrodite niet schenden! O Chloë lieve Chloë met goud zal ik je overstelpen; geen arbeid zal je meer verrichten in mijn huis, maar vind mij een bruid, vind mij een bruid voor dezen jongman, opdat wij hem dadelijk, onverwijld uithuwelijken kunnen, o Chloë!! Hier in huis, o Chloë, zijn niet anders dan mijn slavinnen en ik en slavinnen mogen zo min huwen als hetaeren; o Chloë, lieve Chloë, vind mij een vrij meisje, een bruid voor mijn minnaar, o dadelijk!! Zoo drong Melytta haar trouwe slavin, en terwijl de liefdegodjes in twee bedjes werden verzorgd en kamille-thee hun werd toegediend, bedacht Chloë zich even, en fluisterde: - Ik weet wel een bruid voor dezen jongen man, maar het is een eenvoudig meisje uit het volk; beter is het echter hem dit niet te zeggen, en hem in de waan te laten, dat zij evenboortig hem is ... - En wie is dat meisje, Chloë? vroeg Melytta, sidderend van verwachting, en geheel ontroerd na àl hare bedwongen aandoening. - Rhodope, het kleine dochtertje van den veerman naar het heiligdom! fluisterde slim de trouwe Chloë. - Haal haar dadelijk hier! riep Melytta. Geef haar geld, geef haar vader geld, maar haal haar hier ... en zeg haar dat zij een koopman uit Frygië trouwen zal, die eigenlijk de zoon is van een Archont! Bevelen werden gegeven en Melytta naderde Damis, die op een bedde was neêrgezonken, het gelaat in de handen verborgen. - O Melytta! weeklaagde hij. O dierbare Melytta ... de godjes zullen sterven! - Neen, mijn lieveling! fluisterde in koorts Melytta. Ze zullen niet sterven; ik heb je te lief! O, ik heb je zoo lief, maar alleen ... heb geduld, heb geduld, mijn lieveling! Tot ik je bruid je heb voorgesteld, tot ik je uitgehuwd heb, o lieveling ... Heb geduld: neen, omhels mij nog niet! Denk, dat ik een gelofte deed, en Afrodite niet toornig wil maken! En opdat de tijd ons niet te lang schijne, zal ik bevelen, dat men ons een avondmaal voor zette, en zal er muziek om ons zijn, en dans! Hola daar, breng wijn, pauwbraad en ortolanen, breng ooft en sneeuw; stem de harpen, dans den sluierdans! Hola daar, hola daar, vlug! Overal werden lichten ontstoken, en de slaven haastten zich het maal voor te zetten; nieuwe geur werd op de cassoletten ontbrand, en op der harpen melodie sluierden en ontsluierden zich twee slavinnen, rythmiesch en sierlijk, terwijl Melytta Damis naast zih op een bedde deed zitten en hare armen vlocht om zijn hoofd en met hare lippen zijn lippen làng zegelde, in kussen zonder einde. - O Melytta! weeklaagde Damis. Als mijn bruid te lang talmt ... sterven de godjes! - Neen! fluisterde Melytta teeder. Zoo wreed zal de godin niet zijn! Onze kussen zullen hen in leven houden, tot je bruid komt, o mijn lieveling ... Daar, plots, haastte Chloë zich aan en riep: - Zij komt! De bruid komt! Daar is zij! En zij wees naar de zuilengang, waar een kleine optocht verscheen. Het was Rhodope, het honigblonde dochtertje van den veerman, door Melytta's vrouwen haastig in fijne sluiers gekleed, een myrthekrans op de lokken, en zij werd geleid door, brandende flambouwen dragende, slavinnen. - En de priester? riep Melytta. Zij hebben den priester vergeten! Maar Chloë had aan den priester gedacht. Het was en priester van Afrodite's heiligdom, dien zij gelijk met Rhodope had weten over te halen haar naar Melytta te verzellen, en voor der godinne huisaltaar, en in het atrium, bereidde de priester al wat voor de offering noodig zoû zijn, en bracht zijn dienaar twee duiven. Maar Damis, zeer verbaasd, herkende Rhodope, en Rhodope, zeer verbaasd herkende, terwijl de harpen om hen werden getokkeld, Damis, den mandenmaker, dien zij liefhad en die haar terug had gestooten. Zij zagen elkander aan, maar zeiden niets, want Rhodope, wier hart klopte van geluk, vond het beter niet te spreken, en Damis, slechts verlangend snel te huwen, vond het geraden Melytta te laten in den waan, dat hij Rhodope wel een aanzienlijke bruid vond. Zoo zwegen Damis en Rhodope, terwijl ze elkander bij de hand namen en men in optocht hen voerde naar het altaar, waar de priester de offering deed, hen samen bond in eén sluier, rijst korrelde over hunne hoofden, en de, aan de pooten vastgebonden, duiven los liet en weg deed fladderen, ter eere van de godin, in de liefdezwoele nacht. Rhodope en Damis waren gehuwd, maar Melytta beval dadelijk de jonge vrouw, die niet voor de eerste ure der volgende nacht door haar gemaal mocht worden bezocht, naar huis terug te voeren. Zij ontbond dus zelve den sluier ... En wond, zoodra zij alleen waren, om Damis hare armen ... Zoo, listiglijk, wist de arme mandenmaker eene der schitterende hetaeren te naderen, en hoewel hij den volgende morgen door Melytta als een bedrieger werd uitgekreten, omdat hij geen drieduizend ptolomeeën had en de was aan de wiekjes der liefdegodjes in hun bedjes geheel was gesmolten, vergaf zij haar minnaar toch ... En toen hij vertrok met de twee niet meer zieke, maar wieklooze liefdegodjes, om naar zijn jonge vrouw te gaan, met wie hij wettig gehuwd was, fluisterde Melytta, verzoend, hem in: - Kom morgen avond terug ... De ode Louis Couperus I Nu was het de dag. Heel vroeg - nauwlijks, starreverflauwende, week die derde nacht der negen-en-zeventigste Olympiade - ontwaakte Kallirhoë, de hetaire uit Korinthe. Zij ontwaakte in het kleine kamertje, dat Megaira, haar vroegere huishoudster, heur had kunnen behouden in de herberg, die de oude vrouw hield te Olympia, waar dezer dagen der Feesten en Spelen duizenden en duizenden te zamen vloeiden, uit geheel Hellas, uit Klein-Azië, uit Italië, uit Sicilië ... Alle herbergen, grootere, kleinere, aan den Alfeïos, of om den Kronosheuvel heen, langs de landwegen naar Pyrgos, langs den heirweg naar Arkadië, waren vol en overvol ... Herauten hadden maanden geleden door geheel Hellas den Vrede uitgeroepen, alle geschillen tusscen staten en steden waren gestaakt, nu met nachtevening de Olympiade naderde, de negen-en-zeventigste, de door de goden gewijde viering der, door Herakles gestichte, Spelen. Een maand geleden waren de ingeschrevenen athleten ter laatste oefening, onder toezicht der Hellanodiken, te zamen gekomen. Sedert stroomde Olympia vol van bezoekers, bang later niet onder dak te komen. Het was het groote Feest van Hellas, grooter dat Feest van Olympia, dan de Isthmische, de Delfische, de Nemeïsche Spelen: het was het eigen Feest van den Olympische Zeus en van zijn beroemden zoon, Herakles, die te Olympia zelve den Olijfboom geplant had ... Kallirhoë wreef zich de oogen uit. Voor haar stond oude Megaira, die had, na een duitje te hebben over gespaard bij de hetaire in Korinthe, dit herbergje geopend te Olympia, waar zij deze vijf dagen genoeg verdiende om verder het geheele jaar niets uit te voeren ... - Ben je uitgerust, lieveke? vroeg de oude. - Ja, zeide Kallirhoë. Een vermoeiende reis is het geweest, nu eens te voet, dan eens te paard ... - Maar waarom heeft mijn schatje zich dan ook als een jongen vermomd?? vroeg Megaira. En plotseling riep zij uit: - O ja, ik begrijp! Natuùrlijk! - Begrijp je? vroeg Kallirhoë schalks en schudde haar heel korte haren, die niet langer vielen dan tot in haar nek. - Ik begrijp! riep de oude Megaira, beenigen wijsvinger tegen listig voorhoofd. Vrouwen worden niet toegelaten tusschen de toeschouwers en Kallirhoë ... - Wilde toegelaten worden tusschen de toeschouwers! riep de hetaire en schaterde. - Stt! schrikte Megaira. Pas op, duiveke! Het is hier gehoorig! Ik zal je niet verraden maar je zoû je zelve verraden kunnen! Mijn huis is vol als een nest mieren. Drie, vier, vijf in één kamertje: ze slapen er dwars over elkaâr. Geen nood, hoor, waarachtig niet! Die lieve Afrodite ... ze heerscht dezer dagen niet. Liefde ... die heeft uit, deze vijf dagen der Olympiade. Allemaal kuische jongens, die mooie athleten en wie hen komen zien, zijn zoo onder den indruk van kuischheid, dat ze ook al, van den weêromstuit, al waren ze het nooit, kuisch worden! En als ze wisten, dat jij, een hetaire uit Korinthe, verkleed als een jongen, met een gekortwiekt koppetje onder Megaira's dak vertoeft ... ze zouden je steenigen, kind, en mij er bij ... Kallirhoë lachte stillekens nu en Megaira vroeg: - Waar kan ik je meê dienen? Waschwater? Ik zal je je badje brengen maar het is niet van onynx, als je het thuis hebt ... En een kommetje melk, hè? Het is maar eenvoudig, kind, in een herbergje te Olympia: er zijn te veel duizenden gasten hier om ze goed te eten te geven; trouwens, ze komen alleen om athleten te zien overwinnen ... of verliezen! En ik, die dat nog nooit gezien heb! En jij, ... die het nu waarachtig gaat zien? Om een jongen natuurlijk, maar om wien, heb je jezelf als jongen vermomd? Nu, je ziet er uit als een lief jongentje, met die kort geknipte haren ... En als een minnaar uit Korinthe je nu herkent? Geen nood ... misschien ...: Ik heb je gistren avond, toen je aankwaam, zelve niet dadelijk herkend ... En dan, niemand denkt van daag, kind, aan vrouwen, en zelfs niet aan jongens: alles denkt maar, in Afrodite tergende kuischheid, aan athleten, aan niets dan winnende of verliezende athleten ... Hoor, kind! Mijn gasten roepen me: ik moet weg, ik moet weg, mijn duif! II Megaira repte zich heen en Kallirhoë, toen zij haar melk gedronken, zich vermomd had, wipte het huis uit. Buiten grauwde de morgen nog en maar even, aan de toppen der hoogste pijnen van den Kronosheuvel, gloorde de eerste schijn. Slechts enkele feestgenooten liepen reeds den Alfeïos langs, zeker zoo ongeduldig als Kallirhoë zelve gebleken was. Nu liep zij mede, aan den boord van den stroom, den heuvel af, naar de poort, die leidde ter Groote Feestplaats ... Olympia! Zij was in heilig Olympia! Het was zoo vreemd ... Zij, een vrouw, en hetaire, zij van in heiligs Olympia! Zij zag er uit als een jongen van zestien jaar, met haar korte, bruine haar los om de wangen, met haar eenvoudigen jongens-chitoôn, met haar witte sandalen, gesnoerd tot om de kuiten. Zij voelde zich vol dartelheid, vol genot dit te hebben gewaagd, alleen om straks Xenofon te zullen zien worstelen, springen en met den diskos werpen, Xenofon van Korinthe, Xenofon, de Oligethide ... Xenofon, die nooit haar minnaar geweest was, maar dien zij beminde, o beminde, naar wien zij verlangde, o verlangde ...! Plotseling stond zij stil. Hier aan den voet van den Kronosheuvel lag, bijna vierkant ommuurd, als een stad, de heilige Altis uitgespreid, de heilige Haag van Olympia ... En zij gevoelde het in éenen - zoo als Megaira het haar had gezegd: hier heerschte niet Afrodite ...! En toch, en juist ... hier zweefde en weefde, in dien vroegen morgen, als een atmosfeer van goddelijkheid ...! Dit was een plek der goden ... Olympia! Dit was van Zeus en van Herakles ... maar niet van Afrodite, hoe de gouden godin zoo wel Zeus als Herakles zelve eenmaal had kunnen beheerschen. Dit Olympia, dit was niet van de Liefde! De streng mannelijke kuischheid - Kallirhoë voelde het wel - weefde hier deze frissche, versterkende atmosfeer van den morgen, die dezen derden dag der Olympia voor-af ging. Dit was niets voor vrouwen! Zij beefde bijna, naderde de poort: zij kruiste een paar feestgenooten, die liepen haar voorbij, den heuvel op, dien zij afliep, opgewonden sprekende over de wedrennen van den vorigen dag en over den overwinnaar, wien de olijftake, geplukt van Herakles's eigenen heiligen boom was gereikt ... Olympia! Was zij te Olympia? Zij kon het bijna niet werkelijkheid denken. Zoo zij ontdekt werd, zij een hetaire uit Korinthe, zouden zij haar weg jagen, steenigen, omdat zij hierheen had durven komen? Te Olympia, het heiligdom der Helleensche Mannelijkheid, de Tempel der Eeredienst van het Mannelijke Lichaam, om de schoonheid en de kracht van dat Lichaam, om de zuivere essentie van die Kracht en die Schoonheid en waar geen plaats was voor zelfs de minste ideer van Liefde: Liefde, die toch aanvult Kracht en Schoonheid tot Harmonie?? O zeker, zij gevoelde het wel, de hetaire uit Korinthe, die, in de gesprekken met hare minnaars over die ideële dingen, tijdens de viooldoorgeurde banketten, veel gehoord had en begrepen van Liefde, van Schoonheid, van Kracht. Zij gevoelde het wel, nu zij, met het doorbreken van de zon, even stil staande, geheel de heilige Altis voor zich zag liggen met hare blanke tempels en portieken óp rozigende in het jonge licht. Heilig en toch alleen der eeredienst van het lichaam gewijd, maar dit zelve beschouwd als een heiligheid, die geëerd werd met kuische zorgen. Daar lag voor haar blik de Feestplaats en naar het Oosten strekte zich het Stadion uit tusschen de breede wallen, waarop de toeschouwers dra zouden krioelen. Rechts begreep Kallirhoë en Zeus-tempel te zien, tusschen die eikenboomen het Pelopeion - den tempel van Pelops, die volgens de mythe hier zich, mennende het vierspan, gemeten had met Oinomaos, den vader van Hippodameia, die hij beloofd had wien hem in den wedren zoû overwinnen. Verder schemerde het oeroude Heraion, de oeroude Hera-tempel. Buiten de Altis, naar den Kladeos toe, stroomend tusschen hoog riet in het Westen, ried de weidende blik van Kallirhoë de Palaistra en het Gymnasion. En tusschen de lange, blanke, zuilenrijke rijen der groote gebouwen en vierkante of langwerpige ruimten, liggende tusschen het donkere groen der eiken of het zilverwemelende grijs der olijven, waren de vele altaren te onderscheiden: het kolossale, ellipsvormige Altaar van Zeus zeer duidelijk in het midden van het Feestplein zichtbaar, omringd door een priesterschaar, die er het offer van den dag bracht, een jonge stier blank en zonder vlak. Van overal stroomden saamen de feestgenooten, koortsig en opgewonden van gesprek en gebaar, wriemelden zij tusschen de zuilen der portieken, terwijl het meer en meer goudene licht over het witte marmer en stuc te gloeien en gulden begon in dit eerst uur van den dag, die zoû stralend zijn ... En Kallirhoë aarzelde langer niet en de Feestpoort binnen getreden, mengde zij zich met de menigte, die al woelde om den reusachtigen bronzen stier, het geschenk, dat de Eretriërs Zeus te Olympia hadden gewijd en wiens machtige kop als een felle vonk aangloeide tegen de al blauwe lucht, of het groene loover der eikenboomen, of het blanke stuc van den Tempel. Zoo vroeg was zij dus hier? ... Hoe ook, opletten deed men haar niet; zij vermannelijkte haar gang en poogde verder alle blikken te ontwijken en zich geheel te mengen en te verliezen met allen tusschen wie zij was. Een jongen, een zestienjarige jongen ... meer was zij niet en wilde zij niet zijn. En werkelijk, daar kwamen reeds de athleten aan; zij hadden in het Buleuterion den eed afgelegd en tusschen de Hellanodiken naderden zij, terwijl de menigte juichende voor hen week. Het woordewisselde en gebaarde alles druk met elkaâr, zoowel de menigte als de athleten zelve, en één oogenblik gevoelde Kallirhoë heel alleen ... En zij durfde niet tot een naast zich het woord richten, bang dat men, om hare stem, haar als een vrouw zoû herkennen, bang ook om te veel gedrang dich op zich: een mannehand zoû onwillekeuige, verrassend vrouwelijk haar lichaam aanvoelen in het omstuimig aandringen en duwen op elkaâr. Daarom poogde zij op het hooge voetstuk van den bronzen stier weg te kruipen en verborg zij zich bijna onder de machtige pooten, om de athleten te zien naderen en haar kort gelokt jongenskopje deed er niet vreemd tusschen de andere jongenskoppen, die tusschen de stierepooten keken, als zij keek ... III Daar naderden de athleten en Kallirhoë herkende hem dadelijk ... Xenophon, de Oligethide! Toch schrikte zij, toen zij hem zag, van een felle ontroering in zich. Hij was eenmaal, een oogenblik, slechts in haar huis geweest tijdens een feest; hij had zich na een beker wijn te hebben gedronken, terug getrokken, lachende, verontschuldigend, dat hij die verplicht was aan zijn roem als athleet. En nu, daar naderde hij, tusschen de dringende menigte, met de anderen. Hij liep met hun zelfden athleten-stap, rhytmiesch, krachtig, de armen gebogen, af van het lijf. Maar hoe hij Kallirhoë trof, omdat hij schooner was dan alle die anderen! Haren verliefden glimlach bijna niet kunnende bemeesteren, zag zij hem aandachtig, nam hare blik hem geheel, borg zij zijn beeld als een schat in hare herinnering. Hij was groot, breed en zijn kop, bijna te klein, kroesde donkerblond van het kort geknipte haar, dat, laag geplant aan het smalle voorhoofd, verkruifde naar de wèg vlakkende slapen. En het voorhoofd - met die geul overdwars, als een rimpel maar die geen rimpel was - verhief zich boven de bruinere brauwen als met een krachtigen heuvel en gaf daardoor, ter zijde, met den neus, die lange, rechte lijn van schoonheid, waaronder de mond bijna dwazelijk klein rond en rood frisch bloeide - als een roos, zouden de dichters hebben gezegd, dacht Kallirhoë - terwijl de kin weêr verrassend krachtigde, vierkantte en geheel de omlijning van het gelaat, hoe jong ook, het wezen van den jongen man omlijstte in een zuiverheid, die, even verzacht, bijna vrouwelijk had kunnen zijn, zoo de uitdrukking er van niet zoo sterk mannelijk ware geweest. De groote, grijsblauwe oogen glimlachten trotsch, over de menigte heen. De nek zuilde uit de schouders op, uit de tors, en de breede vakken der bovenarmen, spelende de spieren onder de korte mouw, deinden tusschen de torsen zijner makkers uit. En Kallirhoë vond hem schooner dan hen en schooner ook dan wier beeltenissen in marmer, gehouwen in zonderlinge smalte van perspectief, in drooge lijnen en gedrongene vakken en die de hetaire, in bewondering voor Xenofon van Korinthe, zich deed afvragen waarom de beeldhouwers, die de overwinnaars van Olympia hadden in steen nagebeiteld, toch zoo zonderling een mooi mannelichaam hadden kunnen zien .... Nu ging hij, langs den Stier, heur vlak voorbij en bijna, vreesde zij, want zij verlangde het niet, kon zijn blik, omdat hij zoo hoog zag, haar blik ontmoeten, tusschen de stierepooten en boven de hoofden der menigte. Maar zijn blik gleed weg en hij zelve ging voorbij ... De athleten, de menigte volgde. Er was een dicht gedrang en de feestplaats was overvulde ... Kallirhoë, in het gedrang, drong meê, bescheiden, bang zich te verraden. Hare heupen waren smal en slank, en zij was niet bang om die: zij was bang om haar te zwellende borsten en daarom hield zij de armen gekruist zich over den boezem en drong en duwde dan maar even met de ronde schouders. En poogde te vermannelijken, hier in dezen drang van niets dan mannen, de uitdrukking van haar gelaat, in haar blik, met haar mond zoo veel mogelijk te zijn een zestienjarige jongen en vooral geen hetaire uit Korinthe ... Het lukte haar, niemand lette op haar, niemand dàcht om vrouwen, niemand zoû ooit vermoeden, dat een vrouw tegenwoordig zoû zijn in dezen mannevolte. Wat een mannen! dacht Kallirhoë. En werkelijk, hier in Olympia, heerste Afrodite niet. Het was of Zeus, die zijne lieflijke dochter reeds over de geheele wereld heerschappij had gegeven, gemeend had: hier, in Olympia, heerschte alleen hijzelve en zijn krachtige zoon Herakles. En geen godin en geen vrouw. Maar elk van al die mannen, dacht Kallirhoë toch, zoû, als zij hem in Korinthe in haar weelderig huis had kunnen ontvangen ... Zij spon haar schalke gedachte niet uit; haar trof tusschen alle dezen, meestal jong, bruischend van leven, druischend van kracht tegen haar op, een man die omgeven met eere, dwars door de menigte langs het groote Altaar van Zeus zich, of zij allen, naar den ingang van het Stadion begaf. Hij was, schoon niet oud, een man van rijperen leeftijd, grijs gelokt; hij droeg een lang kleed, hij had een waardigen trots en zelfbewustheid; hij ging, druk pratende, als ieder hier druk praatte, tusschen de theorieën - de gezantschappen der Helleensche Staten - en tusschen lieden van gezag, voor wie men baan maakte. En hij droeg - zag Kallirhoë nu hij naderde - een lauwerkrans om de lokken ... - Wie is dat? kon Kallirhoë niet nalaten te vragen tot iemand naast zich, dien zij eerst niet had opgemerkt. Het waren de eerste woorden, die zij op de Feestplaats te Olympia sprak. De man keek haar diep in de oogen en zeide toen: - Weet je niet wie dat is, mijn mooie jongen? Dat is Pindaros. - Pindaros! herhaalde Kallirhoë en schrikte om den blik van den man. Zij poogde hem te ontwijken en zag naar Pindaros, nieuwsgierig den beroemden dichter te zien; trouwens allen keken naar hem en het fluisterde rondom: Pindaros ... Pindaros ... Door wie hem omringden, werd hij langs het Metroôn, den tempel der Moeder der Goden en de rij sierlijke, tempelachtige Schatkamers, waar de wijgeschenken van verschillende steden werden bewaard, geleid naar de hoofdingang des Stadions, terwijl langzaam gestadig de onmetelijke menigte, die aangegroeid was tot een dicht gedrang van duizenden, in een rumoerig praten, den langen portiek overvulde: die voerde met terrasachtige trappen naar de Westelijke en Zuidelijke wallen ... Daar overzwermden de duizenden in den aangoudende zonneschijn ruimer, in levendiger beweeg, de breede vlakten, terrasvormig ook, waartusschen zich het Stadion strekte, - zeshonderd Olympische voeten lang -; ook tegen de hellingen van den Kronosheuvel stegen de wallen omhoog, krioelden van toeschouwers reeds, die wachtten op der trappen treden: eigenlijke zitplaats ontbrak. En als een lange, marmeren laan, wit en blinkend, lag het Stadion daar tusschen zijne wallen, tegen het groen geboomte der zware eiken, het boven kronkelstammen zilvergrijs wemelend olijveloover der heuvels en de grauw gele vlakken der zongeblaakte wallen, terwijl de menigte, overal over heen, hare lichtkleurige, felle spatten van feestkledij zaaide onder een wijden hemel van stralend zomerblauw, dat neêr gloeide langs de vleeschkleur der duizenden opgewonden gelaten, dicht op elkaâr geduwd. IV Van overal kon de altijd bewegelijke menigte zien, zoû zij zelfs over de wallen mede kunnen loopen met den wedloop, van den afloop de loopers volgen, langs de verhevenheid in het midden der Stadionlaan - waar de eerebekers en prijsdrievoeten klaar stonden en schitterden in de zon met gouden, helle vonken - tot aan het einddoel toe, dat de loopers om moesten loopen om den terugweg te aanvaarden. En Kallirhoë, als zij allen daar, bleef niet waar zij was, bewoog, liep, veranderde telkens van plaats voelende die opgewondenheid der menigte zich mede deelen aan haar en toch zich, daarom juist wellicht, eenzamer voelende worden in de menigte, in het gedrang den man, die haar had toegeblikt en gevolgd, verloren hebbend maar dat goed vindende en niet betreuren. Tot wie voort was gedwaald langs de wallen, om een glimp der drievoeten en bekers te zien, plots met een fellen drang terug golfde ... Het was loos alarm: de wedloop begon nog niet. Ginds boven den afloop, waren verschenen de lieden van gezag, en de Hellanodiken, met den dichter in hun midden, en zij wezen hem achter een balustrade een bronzen zetel aan; er waren zetels voor de anderen ook; aller oogen gingen naar hun groep. En allen juichten. Zij juichten den dichter toe, Pindaros, die zich daar zette en het scheen of de koning van dit feest, dat was om de heilige instellingen ter eere van schoonheid en kracht der mannelijke lichamelijkheid, een vorst van den geest was; een dichter. De tegenstelling was roerend voor alle die Hellenen en Helleensch voelende vreemden om hare harmonie: het scheen, de duizenden gevoelden de harmonie, werden geroerd door de tegenstelling: te zien dien ouderen man, in zijn lange witte gewaad, tronen op den bronzen zetel, den lauwerkrans om de reeds grijze lokken, om te regeeren dit heilige feest van Schoonheid en Kracht, te zien dien dichter, die omdat hij dichter was en om geen andere reden, de koning was van het Feest te Olympia; dit deed zwellen het harte der menigte en toen zich twee Siciliaansche koningszonen ter zijde zetten van hem maar lager en op kleinere, bronzen zetels, als waren zij niet meer dan zijne minderen, daverde een tweede duizendstemmige juichroep over de wallen het Stadion over en omechode het gelauwerde hoofd van Pindaros ... En Kallirhoë, om zich heen luisterend, hoorde ... Zij hoorde van den Thebaanse zanger. - Een Boiotiër is toch zoo dom niet, als men meestal meent. - Niet iedere BoiotiËr is Pindaros! - Wie overwon hem in de wedkampen der Poëzie? - Overwon Korinna hem niet? - Korinna overwon hem, zeker ... Vijf malen zelfs overwon zij hem, won zij de prijs ... - Maar zij erkende zelve, dat hij toch grooter dichter dan zij was ... Het was één ogenblik of niet de aanstaande wedloop, of dichterwedstrijd het belangrijkst was, maar eigenlijk waren die belangen gemengd ... En Kallirhoë hoorde, dat zowel Korinna als Pindaros de leerlingen waren geweest van Myrtis, de dichteres. Zij hoorde van Gelon en Hieron, de koningen van Syrakuze, zelve overwinnaar met het vierspan op de Wedrennen te Olympia en die zich Pindaros' vrienden heetten; van Alexander, Amynthas' zoon, koning van Macedonië, die Pindaros naast zich deed tronen op zijne festijnen; zij hoorde hoe te Thebe, zijn geboorteplaats, hem een beeld was gesticht, hoe hij recht van gastvrijheid had in alle steden van Hellas, hoe de Pythia in den tempel te Delphi, had bevolen, tusschen de wierook van het Orakel, dat de dichter ontvangen zoude de helft der offeranden ... En zij hoorde, de goddelijke verzen zijner zevende Olympische ode waren met gouden letters gegrift in de tympanen der tempels ... En de hetaire van Korinthe zag naar den zanger van Thebe: een heilige schroom ontving haar nu zij hem zag, zich glimlachend wendende tot de Siciliaansche koningszonen: het scheen haar, een god sprak tot menschen ... Tot plotseling de golf, de heen en weêr stuwende golf der menigte haar mede sleepte tot voor het midden des Stadions; daar, - de prijzen schitterend op de verhevenheid in de laan zelve - op de wal, op zetel van brons ook, nam de Elische Priesteres van Demeter tusschen hare priesteressen plaats: de eenige vrouwen, wie de zede veroorloofde getuige te zijn van het Olympische Feest ... En tusschen de duizenden en duizenden mannen deden die enkele vrouwen, die priesteressen waren, als bijna heilige wezens aan, waarheen alle die mannen staarden, één oogenblik afgeleid van het Doel, waarvoor zij hier, duizenden, te zamen waren gevloeid. Ook Kallirhoë zelve gevoelde die vreemde bekoring van dat weinige, te tellen vrouwelijke tusschen dat ontelbare, veelvoudige mannelijke, dat overheerschte en het eigenlijke was, dezer dagen ... Tot plotseling weêr de golf deinde en stuwde, terug, terug naar den afloop, waar boven de dichter zat met de Siciliaansche koningszonen, met de Hellanodiken ... Want eenige dezer, die den eersten wedstrijd leiden zouden, waren een trap naar het Stadion afgedaald en vijf athleten waren voor den loopwedstrijd verschenen uit de vierkante poort, die geleidde onder den wal, waar in een ris van kleine vertrekken de athleten zich uitkleedden en met oliën werden gewreven. En de verschijning dezer vijf Hellenen, vijf jonge, lichaamschoone, geheel naakte jonge mannen, daar verschijnende tusschen al het blanke van marmer en kalksteen, beneden het geel grauwige der wallenmassa's, op het blanke ook van den geplaveiden loopbaan, als zongebruind rozige, volmaakte, bewegende beelden van marmer, dat hard vleesch, dat hardere spieren was, deed stijgen de ontroering, de opwinding dier duizenden hooger nog dan zij gestegen was om de Elische priesteres, om Pindaros. En de hetaire uit Korinthe, in haar onbewust sceptisme, dat mannelijkheid kuisch bliven zoû alleen ter wille van mannelijke kracht en mannelijke ontwikkeling des lichaams, voelde ondanks zichzelve: dit was een heilig oogenblik ... Dit was Olympia, dit was van de goden, dit was van Zeus en Herakles. Dit was heél hoog en heél heilig en dit was niets anders dan dat vijf jonge mannen zouden hard-loopen om prijs en palm ... V Zij stonden gerijd en hunne namen klonken en Kallirhoë hoorde ze maar vergat ze dadelijk: voor hààr klonk het alleen: Xenofon, Xenofon van Korinthe ...! Voor hem alleen had zij oogen daar ginds, hoewel nauwelijks de vier makkers minder schoon, minder edel van jong mannelijk, rozig bruin naakte leden, daar stonden, vierkante vuisten tegen de vierkante borsten, de kort krullige koppen zo rond en zuiver van vorm boven heuvelende lijn der schouders, de krachtige beenen reeds het een voor het andere, licht gebogen beide knieën, terwijl der armen en dijen welving en slanker die der kuiten de silhouetten zich spannen deden in de afwachting der eerste beweging, die ontbloeien zoude, zoodra het sein werd gegeven ... En toen Kallirhoë zag naar de vijf jonge mannen, toen haar blik daarna hangen bleef aan Xenofon van Korinthe, werd zij zich bewust, dat zij de eenige vrouw was tusschen deze duizenden mannen, want voor haar alleen waren zij naakt, was Xenofon van Korinthe naakt, naakt als mannen zijn. Voor die heilige priesteressen waren zij niet anders naakt dan beelden naakt zijn; voor hààr alleen, vrouw van liefde, waren zij mannenaakt ... Zij verborg zich meer tusschen de andere toeschouwers, als zouden die naakte mannen, zoo hunne oogen de hare ontmoeten, het eerste van alle die duizenden haar een vróuw in de menigte zien. En veiliger zóo, naar zij meende, staarde zij naar Xenofon ... Een Hellanodike gaf het sein. En de leège, breede renbaan vulde dadelijk met de vijf prachtig, in loopbewegingen, uitbloeiende jonge mannen, de koppen achter den nek in, de vuisten tegen de vierkanten vakken der borsten, bovenaan rustig in zwelling en de dijen en kuiten bloeiende in telkens regelmatige verandering van snel beweeg of rozen ontbloeiden, ontbladerden en weêr ontbloeiden ... in telkens regelmatige zwelling en daling van ronde bundels spieren of groote vruchten, of ronde appels zwollen en zwaar rijp neder vielen in gouden licht uit blauwe lucht ... En het was een schouwspel van heilige schoonheid, het snelle loopen, het zij de priesteressen het toe naar zich komen zagen, langs de estrade der bekers en drievoeten heen, het zij Pindaros het wèg van zich ijlen zag, met de breed spelende gleuvelijnen der ruggen en onderruggen en het opgolven der hoog opgeworpene zolen, dat een rhytme als van water, wegvloeiend water, deinde over de renbaan heen ... Wie zoû winnen, de renbaan ten einde, haar òm, terug langs de andere zijde der prijzenestrade, voorbij de priesteressen, om den afloop weêr te bereiken? Dit was de zielevraag dier duizenden, die zich hèlden, die mede liepen over de wallen, die koorsig bewogen heen en weêr, met rekkende koppen, halzen en met trillende verlangens en wenschen! Hoe vele eerzuchten waren niet gemengd met den uitslag, die zijn zoû! Van hoe groote, elke seconde stijgende waarde was niet dit gouden oogenblik, dat beefde in de van licht trillende atmosfeer van dezen morgen der Olympiade! Het ging worden, het zoû dadelijk zijn, de seconde der Zege naderde! Het was of geheel Olympia, deze renbaan, die wallen, die heuvel daar ginds, geheel die stad van tempels, portieken, pleinen, altaren, beelden een enkele Tempel, een immens Heiligdom werd, waar, onder de oogen der goden in blauwen hemel, voltrokken zoû worden een noodlot, met loon van zege voor wiens voeten bleken het snelst, voor wiens lichaam bleek het meest gewijd aan de kunst van het snelst loopen tusschen vier andere helden, onder de duizende, duizende oogen van Hellas ... VI Bonzend haar hart volgden Kallirhoë's oogen Xenofon van Korinthe ... Zij zag hem drie der andere loopers eerst voor hem uit laten schieten - hunner zolen golving, op, neêr, op, wèg vloeiende vóór zijne draling uit, tot een sterkere stroom zijn beweeg versnelde en hij plots onder de oogen der priesteressen, bij de zwenking om de estrade heen, vooruit sloeg in, met een krachtigen vloed uitgolvende, overstrooming van alle anderen loop: een golf hij, een hooge, die vier andere golven overraste, hun rhytme met het zijne krachtig te boven deinde en toen uit vloeide, snel, sneller weg vloeide, voor de verrast talmende vier golven heen ... En zoo volgden Kallirhoë's oogen heur liefde tot het einde der baan ... Daar stonden Helladoniken, wezen den terugweg, beheerschten met hun menschelijk verstand den bijna natuur geworden loop dier athleten, met menschelijke wet weêrstand biedende aan wat bijna natuurwet geworden was - niet anders dan stroom van zwellende rivier of zwieren van wind zoû geweest zijn - tot de wedijverende loopers zwènkten om met éene zelfde sierlijkheid van halve cirkels en deden hun loopweg in het nieuwe bedde vervloeien sneller en sneller naar de lijn van afloop terug ... Twee schenen Xenofon in te zullen halen, of golf bij golf Xenofons golf overspoelen zoude maar het was of windruk óp vierde zijn vaart: vooruit veerde sneller zijn voet, rozigden sneller de zolen op, neêr, op ... Duizendvoudige juiching vervulde geheel den koepel der blauwe lucht, die stond rondom wallen en Stadion en het scheen, dat weêrechode tegen Kronosheuvel, tegen tempel van Zeus en tegen oer-oud Heraion. - Xenofon van Korinthe! Xenofon van Korinthe! Daar ginds, daar boven waren Pindaros, de Siciliaansche koningszonen opgerezen en een Helladonike bood Xenofon den olijvetak ... VII Dadelijk woelden de duizenden Hellenen over de wallen door eenen. Als verzwolgen werd Kallirhoë tusschen alle die mannen en tusschen hare eigen vreugde. Tot een immense vreugde zwol het enthoeziasme op. Want de wedloop, die was geloopen, zoû slechts het eerste gedeelte zijn van het Pentathlon, waarvoor deze jonge mannen zich hadden aangegeven. Was het Pankration slechts de tweevoudige strijd van worstelen en vuistgevecht, het Pentathlon zoû zijn de vijfvoudige wedstrijd in loopen, springen, diskos-werpen, en daarbij nog vuist- en worstelkamp. Het was de belangrijkste wedstrijd, die zoû worden gestreden zoû worden gestreden, die persoonlijk den overwinnaar nog meer eere bracht dan de toch zo belangrijke ren met het vierspan, waar zoo veel eere toe ging naar de schoone, vurige paarden, terwijl aanzienlijke mededingers - koningen zelfs van Sicilië: Hiëron en Theron - hunne menners kozen, die hun de eere behaalden. Maar in het Pentathlon - de beroemde vijfvoudige strijd - deelde de overwinnaar met niets en niemand de glorie der overwinning, was geheel die overwinning om zijn eigen deugd ... Het woelde en krioelde over de wallen. De athleten, in de balsemkamers, werden na den wedloop gewreven en gezalfd en de toeschouwers, in de ontroering die om Xenofons zege hen doortrilde, spraken druk, gebaarden heftig, deinden, drongen heen en weêr. Daar zag Kallirhoë weêrom den man, die haar, naar zij meende, met begeerte had aangezien, met wien zij gesproken had en die haar weêr poogde te naderen: zij ontweek hem, glipte hier en daar dwars door het gedrang; toen zij omzag, was zij hem ontweken en wel tevreden daarom ... De zon was stralend gestegen, de hemel blauwde dieper, bouwde een etherische welving van eindeloos blauw over Olympia heen; opwiekende bries woei reinheid aan van louter lucht doormengd met zachten geur, Kallirhoë meende van rozen ... Maar rozen waren niet te Olympia en omdat de bries verwoei, dacht Kallirhoë niet langer aan den geur, die hij mede voerde ... Groeiend ongeduld deed vele toeschouwers zich opstellen langs de balustrade der wallen hoewel de verpoozing voor de athleten nog duurde, terwijl aan de altaren, op gelijke afstand tusschen de pijlers, talrijke priesters de reukoffers brachten; de walmen sluierden lichtelijk omhoog, verkrinkelden in het azuur en een drukke menigte, trappen afgedaald, zwermde over de Feestplaats en om het Altaar van Zeus, dat de priesterschap voort ging te bedienen met het brandende, rookende offer; zware vetgeur vermengde zich met fijnere wierooken tot een aroma, dat aan epische hexameters denken deed en onwillekeurig een Homeriesch vers deed murmelen ... VIII Maar het tweede gedeelte van het Pentathlon zoû gestreden worden: de athleten rijden zich op de lijn, bronzen diskos ter hand. En toen zij op het signaal de schijven uitslingerden, was het éene seconde de ontroerende schoonheid hunner bijna identieke standen: gebogen de tors, waarvan zwol de spierenbundel der rug, terwijl de teenen des even gebogenen rechtervoets onbewust krampten den grond; de andere voet - beneden de kuit, wier spanning zich teekende - licht zwevende bijna, over den grond; doelloos de linkerarm en -hand onbewust ook langs de rechterknie ... Maar de rechterarm gespannen, de vier vingers en duim geklemd om den rand van den bronzen schijf, terwijl alle de vijf koppen bogen daarheen om met den blik te meten rhythme en vaart en richting, die de uitgeslingerde schijf nemen zoû ... Toen de sierlijk zwierig sterke zwaai, omhoog! en de wirrelende schijven zwierden uit, zwirrelden hun boog door de lucht, vielen hier en daar en verder neêr als groote munten op het ijl gestrooide, glinstere zand ... Dan herhaald zich met andere diskos de zwaai; de houdingen van sierlijk kracht verrukten de toeschouwers, wier oogen dan volgden het wirrelen en zwirrelen der schijven, hun boog van gratie, die zich beschreef en telkens weêr beschreef tegen de lucht, tot de Hellanodike, de scheidsrechter, uitriep wie overwinnaar was en het meeste den versten uitzwaai gezwierd had: - Xenofon van Korinthe! Als een zee woelde de opgetogen menigte over de wallen, hoorde nauwelijks meer naar de volgorde, waarin de vier andere namen werden geroepen en Kallirhoë, mede gesleept door de golvende massa, de trappen af, de portieken door, stond, vóór zij zich het bewust was, op de Feestplaats. Het Offer op het Altaar van Zeus smookte met zware walmen omhoog. En in de pauze, na den diskoswedstrijd, om een pooze van rust den athleten te geven, verspreidde zich de drukke menigte ... Dichters lazen hunne verzen voor, wijsgeeren ontwikkelden hunne stelsels, schilders hadden hunne werken ten toon gesteld op de trappen der tempels, tusschen de zuilen der hallen: godsdienst, lichaamseeredienst, wijsheid, kunst poëzie schenen allen op dezen dag, op deze plaats samen te stemmen tot ééne harmonie van schoonheid, tot eenen hymne aan het loutere geluk te leven onder de gunst der goede goden. Plotseling zag Kallirhoë den man met de begeerende oogen weêr achter zich. Ontsnappen kon zij hem niet door de dichte volte en daarom meende zij beter te doen het woord tot hem te richten: - Wordt de springwedstrijd nu gestreden? - Zoo dadelijk, mooie jongen, antwoordde de man. Kallirhoë, trots hare ontstemdheid, dat de man niet af liet, lachte. - Of ben je geen mooie jongen? vroeg hij. - Waarom zoû ik niet? ontweek de hetaire uit Korinthe. - Of ben je eerder ... een mooie vrouw?? - Neen, neen, weerde Kallirhoë af. - Waarom zoû je niet? antwoordde de man haar bijna met hare eigen woorden. Er zijn wel meer vrouwen onder de menigte verborgen, verkleed als mannen en jongens ... - Ik ben geen vrouw, hield Kallirhoë vol; ik ik zag ook geen vrouwen om me ... - Evenmin als zij je vermoedelijk zagen, hield de man vol op zijn beurt. Maar juist op dit oogenblik weêrklonken van overal der herauten stemmen, die den springwedstrijd aankondigden en de golven der menigte stuwden de portieken door, de trappen op, overvloeiden de breede wallen ... O nu er bij te zijn! Want hoe wijd ook de wallen waren en hoe ver zij zich ook strekten het Stadion langs, waar zoo vele duizenden zich opstelden om goed te zien, was het geraden er ijlings bij te zijn! Helaas, Kallirhoë, dit maal, was reeds te laat en zij ripe vloek der goden op over den man, door wien zij zich verleid had te praten ... Gevat in het vaste gedrang, achter op de wallen, haar boezem beschermende met hare gekruiste armen, zag zij alleen, ginds in de verte, de springers even in hun sprong zweven boven de hoofden der voorste toeschouwers, zag zij ze even, als vogels, met gespreidde armen, die als vleugels waren, zweven boven de gespannen koorde, óf zag zij, hoog aan de hooge stokken, hun sprong verschijnen en weêr verdwijnen maar kon zij de athleten niet volgen van sprong tot sprong, het geheele Stadion door ... Dààr ginds, dààr ginds fladderden de springers weg, zoo sierlijk even tegen de blauwe lucht hunne snelle verschijning beeldende en dadelijk verzwijmende naar de laagte toe en hoe ook Kallirhoë zich rekte, zij zag niet veel maar wel herkende zij telkens tóch hem: zijn kop, zijn tors, zijn beide armen uitgespreid, herkende zij: Xenofon van Korinthe ...! IX Nu de wallen niet weêr verlaten! Die overwinning uitgegalmd door de herauten, golfde de menigte, deinde uit een, maar Kallirhoë liet zich niet mede slepen. Integendeel, zij maakte zoo veel zij vermocht, baan naar de balustrade ... De zon was over den middag heen en de gouden, alomme schijn stroomde in breede klare vakken over heuvel, dal, tempel, Stadion, wallen, mesnschen en beelden, glanzende over het grauw en geel, guldende over het blank, gloeiende over het bewegelijke, blond bruine vleesch der duizenden, langs elkaâr krioelende aangezichten; de kleuren der feestkleedij felden hel op en smolten in en weêr uit elkaâr; het geboomte rondom - olijve-zilvergrijs, cypresse donkergroen, steeneiken-zwart - doorvlamde de zon met breede bundels stralen en schichten ... En die vreemde geur ... als van rozen ... maar waar van daan ... ?? Kallirhoë peinsde niet lang er over, blijde, dat zij nu, in de open gelatene leêgte, de balustrade bereiken zoû, van waar zij straks beter zoû zien ... tot zij bemerkte ... De Elische Priesteres van Demeter ... Pindaros ... de Sicliaanse koningszonen ... allen waren opgestaan ... er was een algemeen wegbeweeg ... Wat?! ... Allen verlieten het Stadion! Natuurlijk, bezon de hetaire zich: zij gingen naar het Groote Gymnasion ...: daar zouden plaats vinden het Vuistgevecht en de Worstelstrijd!! En zich slaande op het voorhoofd, boos op zich om haar domheid, wendde zij ijlings, was nu bij de achtersten maar drong zich door, drong meê, drong meê als dringt een jongen, een jongen van zestien jaren, slipte hier door, gleed daar langs heen ... De trappen af, de portieken door, de Feestplaats over, langs het steeds smokende, steeds geërediende Offer op het Altaar van Zeus ... langs het Pelopeion en den oerouden Hera-tempel ... Wàt een mannen! Was daar nog ééne vrouw meer tusschen dan zijzelve, zoo als die kerel had verzekerd? Zij kón het niet gelooven! Zij was de eenige, de eenige vrouw hier, de eenige vrouw-van-liefde en zij was gekomen ... om Xenofon van Korinthe! Ook met den springwedstrijd had hij overwonnen! Drie malen, dien korten dag, had hij reeds gezegevierd in het Petathlon, het gewijde Petathlon! De held was hij reeds van het oogenblik: zoû hij de held worden van den dag? Nu drong zij met de steeds rustig, maar stadig dringende menigte de breede Propylaiën binnen. Voet ging het voor voet en zij zag Pindaros, de koningszonen, de Priesteres van Demeter ... Zij werden geleid naar zetels in den portiek om het Gymnasion, van waar zij het strijdperk konden overzien. Maar de menigte, in haar staâgen drang, ging de trappen tusschen de zuilen door, op; over de vlakke daken der portieken krioelden zij reeds, toen Kallirhoë, met den drang mede, boven kwam ... Een plaats zoeken ...! En die plaats nu behouden, zich niet meer weg dringen laten door al die mannen, àl die mannen, waartusschen zij toch steeds, trots aangenomen driestheid, zich te veel vrouw gevoelde om met zekerheid weêrstand te bieden ... Maar gunstig was haar het toeval: hier vónd zij een plaats, op eene bank voor de balustrade, waarover zij in het Gymnasion zag! Zij zat neCêr en óm haar, achter haar drong, woelde, golfde de menigte op, de menigte der mannen, nooit onheusch, maar zoo strevende sterk, de menigte der duizenden mannen, die hier samen drongen om het Vuistgevecht te zien ... Te zien de vijf athleten; twee hunner de koppen omgoten met den nauw sluitenden bronzen helm - de amfôtis - en de kestos om de vuisten - de buffellederen handschoenen van riemen met koperen knoppen - maar verder naakt, als roze brons en marmer goud getint, tusschen de omzuiling der vierkante ruimte, op het goud glinstere zand geplant in den stand van aanval, getast de ronde ruggen, geplant de nervige voeten, gedrongen de nek in de schouders, welvend de dijen, gebogen de knie ... Vechtens-gereed die twee, terwijl de drie andere, tusschen de Hellanodiken, afwachtten hunne beurt om zich volgens getrokken nummer met den overwinnaar te meten. Toen was het aanval en verweer van paar na paar, en tusschen de zuilen, in het licht, op het zand werd de wedstrijd een schoonheid te meer voor dien middag om het spiergespeel, dat eerst als een rhytme was, voor bereidende de hartstochtelijkere schokken der plotse vuistslagen, die sloegen uit en die sloegen af ... En wat niets dan ruwe dierlijkheid had kunnen worden, werd bijna, over het menschelijke heen, tot een strijd van goddelijke heroën, omdat de strengheid der regels heerschte, der willekeur paal was en perk gesteld, omdat, trots overgeweld van wie een ander sloeg zelfs tot bloedens toe, het rhytme bléef zegevieren, die maat, die zelfs den menschelijke drift te-willen-overweldigen lijn en gratie bleef geven, die tot schoonheid verwerden: schoonheid van kracht, schoonheid van overgeweld, schoonheid van strijd tusschen ompantserde-vuist-uit-zwaaiende mannen. Olympia! Dit was Olympia, dit was van de goden, van Herakles en van Zeus! X Maar het schoonste van dien zonnedag was zeker in het volrijpe uur van zwaar goud neêr zijgend middaglicht te zien voor Kallirhoë en voor de duizenden, die haar omringden, den Worstelwedstrijd, daar ter zelfder plaatse gestreden. Want zoo als de vijf worstelaars, beurt om beurt, de een tegen den ander, op zouden worstelen, - zoo naakt als zij eerst, dien morgen, verschenen waren ten wedloop - zonder helm, koperbeslagen handschoenen, zonder diskos, zonder springstok - zoo en niet anders hadden goden geworsteld en half-goden, toen zij nog de aarde van Hellas betraden. Kallirhoë, hare plaats niet afgestaan - gebleven zij daar de lange pauze, die den athleten gegund werd voór den Worstelwedstrijd, die het Penthatlon besliste en besloot - zag op nieuw de vijf: gezalfd, gekneden, stonden zij prachtig, in het zware goud van de nog nauwelijks schuinende zon, en scheen hunne nobele jeugd ter nauwer nood zich te heugen van loopen en werpen en springen, van Vuistgevecht zelfs niet, schenen zij te verschijnen voor het eerst dien dag en mocht in de zielen van vier hunner wellicht weifelen de eerste opgewektheid, omdat zij geen overwinnaar van Vijfstrijd meer konden zijn, hun glimlach verborg den spijt en zij zouden hunne geboortesteden en familiestammen toch eeren met te worstelen nog, te worstelen dezen Olympiade-dat, zó geweldig nog, als zij vermochten. En het eerste paar greep elkander aan en om de heroën-worsteling, om die wisselende schoonheid van forsch kronkelende lichaamslijnen, van godenlijven, bleef, als een ronde golf rondom, het rhytme! Wat was het schoon, wat was het zuivere schoonheid, alle die standen en grepen, alle die wisselende beeldgroepen, die de worsteling zelve bootste de een na de andere! Wat was het schoon, wat was het zuivere schoonheid, de tweede strijd, de derde, toen der overwinnaars onderling: wat was het zuivere schoonheid, toen opkwam de Oligethide, Xenofon van Korinthe! Die reeds gezegevierd had in den loop, in den worp, in den sprong, in den vuistzwaai! Als een jonge Olympiër zèlve, zoon der goden, zagen hem Hellas' duizenden, zag hem Kallirhoë den overwinnaar der drie reeds roemvol gelegde worstelaars aangrijpen. En zijn godenglimlach bleef; zijn rug wrong nauwlijks glimmend en niet meer dan glanst gepolijst marmer; der armen spierbundels spanden, ontspanden, der dijen spierbundels strekten, ontstrekten, het geheele lichaam rekte en veranderde telkens van breed uitbeeldende schoonheid, over, onder, boven het mede beeldende lichaam des nobelen tegenstanders; de ademen hijgden, ook die der duizenden, ook van die ééne vrouw, Kallirhoë ... toen, met de inspanning, die oppermachtig bleek, Xenofon wentelde het breede lichaam van Argekesilas op beide schouders en hij zelve, onwrikbaar nu, over hem heen boog, verwinnaar ... En zijn naam, in de glorie van zonneschijn-goud, omhoog jubelde, nog vóor de Hellanodiken, nog vóór de herauten hadden gegalmd: - Xenofon van Korinthe! XI De zon ging onder, in een glorie van rooden gloed. Kallirhoë, door het opgewonden gedrang der duizenden mannen, wer meer gedrongen, gedragen, gestuwd, dan zij zelve bewust, hare voeten voelde gaan. Het duizelde haar van vermoeidheid en nauwelijks behield zij de ingeving, in de overgolving op de Groote Feestplaats, naar het huis van Megaira terug te willen. Den begeerigen man had zij verloren. Toen zij thuiskwam, wankelde zij binnen, in de armen der herbergierster, die op den drempel het gewoel stond te aanschouwen. Zij stortte neêr op haar bedde, gebroken als na een eindelooze nacht van liefde. Zij trilde over hare leden, het zwom en zwirrelde haar voor hare oogen. Van een orgie in Korinthe, de stad der blijde genietingen, zoû zij minder uitgeput thuis zijn gekomen dan van dezen kuischen Olympische dag, dag der goden, dag, dat onder Zeus' en Herakles' blikken Xenofon van Korinthe overwinnaar gelauwerd was van het Penthahlon der negen-en-zeventigste Olympiade! En achter over gegooid op haar kussen, als een vrouw, die verkracht was, de armen ter zijde slap hangende langs het nauwe bed, lag zij, de oogen gebroken den mond open en viel in zwaren slaap, die bijna bezwijming was. Megaira, angstig, was om de deur twee, drie maal komen kijken .. liep dan haar gasten weêr te bedienen ... Overal, in Olympia, voor de herbergen, op de pleinen, op de Feestplaats, langs de oevers der rivieren, zaten met druk gebaar en heftig nagesprek over den wedstrijd, de duizenden feestgenooten aan den eenvoudigen disch ... Kort echter sliep Kallirhoë haar zwijmslaap; toen Megaira tusschen al hare drukte, voor de vierde maal om de deur kwam kijken, opende de hetaire de oogen ... Maar zij gevoelde zich gebroken, onmachtig op te staan. Megaira bracht haar te drinken, te eten, dwong haar te eten, te drinken ... En zij deed het nu, gulzig, zittend op haar bed en de wijn deed vloeien haar bloed door de aderen ... Van buiten weêrklonken zingende stemmen ... gasten riepen ... Megaira spoedde zich heen ... Kallirhoë, wezenloos, bleef zitten en staarde ... Nu wist zij, dat zij hem beminde, als zij niet had gedacht te kunnen beminnen; nu wist zij, dat zij niet van vermoeidheid alleen, ook van aandoening om zijne zege zich zóó gebroken gevoelde! O, het geluk, dat hij gezegevierd had! Hoe was hare ziel niet dien geheelen dag als tot barstens gespannen gebleven in de biddende verwachting, dat hij zoû zegevieren ...! Zij hijgde nu zachtjes, zij glimlachte van in haar wellende, wellende zaligheid ... Het werd donker in het kamertje. En door het open, hooge, kleine raampje scheen een vierkant stukje blauw van de nacht ... En begon wit de maan te schuinen ... Volle maan ... Eerste volle maan na nachtevening ... - Lieveke, ben je beter? Het was Megaira's stem aan de deur. Kallirhoë lachte zalig, noodde haar binnen te komen, verzekerde, dat zij beter was ... De oude vrouw was blij, toen zij Kallirhoë glimlachen zag ... Plotseling stond Kallirhoë op, streek zich over het voorhoofd, als streek zij hare verwezenheid weg ... - Ben ik niet te laat? vroeg zij angstig. - Te laat ... waarvoor? vroeg de oude. - Ik heb geslapen ... ik was zoo moê. Ben ik niet te laat ...? Te laat om hem te hooren huldigen? Hèm?? glunderde de oude vroolijk. Hij is het dus, natuurlijk! Xenofon? Xenofon van Korinthe? Wiens naam door heel Olympia klinkt? Wie zoû het ook anders zijn? Neen, mijn duiveke, je bent niet te laat ... De maan rijst nog nauwlijks aan de laagste kim van den Kronosheuvel ... De oude hief zich naar het hooge raampje, waar de witte schijn binnen schuimde ... - En de straat en het plein wemelden nog van de feestgenooten ... Maar toch, het uur nadert en te lang talmen zoû niet raadzaam zijn voor wie goed wil zien en hooren ... Vóór de oude had uitgesproken, stond Kallirhoë reeds op den drempel. Zij keek naar buiten. Olympia, in den nog jongen maneschijn, scheen de witte schaduw van wat zij dien zonnemorgen geweest was. Blauwige schimmen schenen de mannen, die langs de muren der Altis liepen, reeds hevig gebarend en pratend, en die de Feestpoort binnen slipten. Kallirhoë, van de oude vrouw, wilde wel een korten witten mantel aannemen, dien zij zich omsloeg voor kilte en dauw en zij haastte zich, haastte zich, met de anderen mede. De Feestplaats, de tempels, de zuilenhallen blankten als een stad in de maan zelve hadde geblankt. Een witte schemer van schijn dreef over de gebouwen en verschitterde naar het hooger geboomte toe; op de hellingen van den Kronosheuvel stonden de cypressen, donkere fakkels gelijk tegen de nachtblauwe lucht; fakkels, die zoo aanstonds in zuiver zilveren glanzen schen te zullen ontflammen ... Nog smookte het Offer op het Altaar van Zeus maar de walm verijlde, zilverde mede in mist in in maneschijn ... De menigte bewoog in een staâgen drang terug naar het Groote Gymnasion, dat zij verlaten had na Xenofons overwinning. En de Propylaiën zogen de menigte in en over de vlakke daken verspreidde zij zich ... Kallirhoë - het was nog vroeg en de mannen, in drukke groepen, wandelden op en neêr, stelden zich nog niet op - had zich aan de balustrade een goede plaats veroverd. Vlak bij verhief zich een troongestoelte, met trappen bereikbaar van uit Gymnasion zelve. Langzamerhand, naast haar, kwamen wie begeering waren goed te hooren, goed te zien, en stelden zich op en het voorbeeld deed volgen; langs de geheele balustrade rijden zich de begeerigen. De overdadige schijn der hooger rijzende maan baadde allen en al in het kalme klare lciht. Het scheen, dat de drukke gesprekken er zelfs zich in verkalmden. Alles wachtte af en nauwlijks hier en daar klonk nog een opgewondene stem, die van kansen sprak voor overwinnaars in een volgende Olympiade, over vier jaren ... Beneden, in de vierkante Gymnasion-ruimte, was de stoet door den portiek binnen gekomen. Dat was bijna niet anders dan dien morgen maar om de grootere kalmte, om de blauwe schaduwen, om het wittige licht was het indrukwekkender nog allen te zien verschijnen: de Hellanodiken; de vijf athleten zelve; de prijzen, drievoeten en bekers, die hen na gedragen werden ... De Elische priesteres van Demeter met hare priesteressen ... De Siciliaansche koningszonen en de mannen van het gezag ... En het waren allen de witte silhouetten van schoonheid en waardigheid. Zij traden de trappen op, en de menigte, van boven, verkalmde, bijna verzwegen, met nauwlijks een murmeling aan zoo vele duizenden monden, volgde het optreden met zoo vele duizenden oogen. Pindaros kwam, het laats. Hij droeg het lange wijd plooiende, witte feestgewaad en den lauwerkrans op de lokken. En verjeugdigd in de witte kalmte van de nacht, als zoû feest die nacht zijn, scheen hij de Apolloôn Kitharoidos, zoo als hij de trap op kwam. Bovenmenschelijk scheen hij Kallirhoë toe. Wat wist zij op dit oogenblik dat de dichter géén god was, arm was, als en dichter altijd is, hoe ook gehuldigd door heel een volk; wat wist zij, dat hij licht denken kon aan benijderen, vijanden, kritikasters, die scholen zeker tusschen die dichte duizenden ... Op dat oogenblik zag zij en zagen de duizenden hem bijna niét menschelijk meer, maar goddelijk ... Apolloôn Kitharoidos ... het vizioen van een niet grijzende meer maar zilverblonde zangergod, die op steeg de treden naar het troongestoelte ... Een knaap droeg hem de groote lier na ... Boven ontvingen hem de anderen, als geboden er over hèm geen priesteressen en koningszonen, geen Olympische Hellanodiken zelfs ... XII Toen besteeg Pindaros den bronzen dichtertroon, die rondde hoog den rug, als tegen de blauwe nacht zelve, met den duisterenden heuvel, waar de pijnen als feestfakkels zich beurden. Het witte manelicht was om hem heen. En hij stond en de anderen zaten. Vier athleten der vijf zaten twee aan twee ter zijde zijns troons. Maar Xenofon van Korinthe zat alleen, op zijn eerezetel, den prijsdrievoet naast zich, waaruit walmde de wierook. En door die wierook heen, rook Kallirhoë als een rozenwalm ... Maar plotseling klonk er als een akkoord van manestralen zelve. Pindaros, uit des knaaps armen, had de lier tegen zich aan genomen en met het plektron - de staaf - de snaren getikt. Een heilige stilte heerschte. De zanger stond, bezield eensklaps het als heilige, door de goden geroerde hoofd, een een trots verprachtigde zijne wit omplooide gestalte. Toen volgden de volle, zacht zilveren akkoorden elkander naar de Lydische wijze op en Pindaros, zijn blik zinkende doen over den stillen, vroom gebogen kop van Xenofon van Korinthe, zong hem de Ode toe met een stem, waarvan de klank zoo hoog vol als diep en krachtig klonk: XIII Ik wil looven den stam Driewerf zegevierende Te Olympia ... Weelderig Korinthe Zal vieren mijn zang Xenofon, o edele Oligethide! Groote dingen zal ik herdenken u doen! Een rilling ging den duizenden door ... Een rilling als van koorts joeg door Kallirhoë ... Een rilling zag zij sidderen over den sterken held, die daar, vlak bij, gezeten was, stil en vroom: Xenofon van Korinthe ... Korinthiër! zong de zanger den overwinnaar toe. Wel vaak brachten de Olympische dagen Festoen beurende Horen Der zege palmen Aan uwe edele deugden, Die in de gewijde perken triumfeerden! Gij dus, o opperste god! Machtige Zeus van Olympia! Gun, dat ik Xenofon zing. Nu hij op de Olympische velden Overwinnaar bleef in den vijfkamp: Zege nimmer nog door sterfling behaald! Twee malen reeds Bekranste de Isthmische kroon Zijn jeugdig hoofd En te Nemea was zijne glorie nog niet overstraald! Zijn vader, Thessalos, met de voeten rap, Leeft in onsterfelijke herinnering voort Aan de Alfeïsche oeveren ... Zijn zoon, Xenofon, gij! Te Delphi Zegevierde reeds in den Loopwedstrijd En triumfeerde bij Pallas Athene's Feest Zeven malen, zéven malen!! Maar er zij maat in mijn zang, En alle Xenofons overwinningen Wil ik niet melden om matig te zijn ... XIV De volle akkoorden klaterden van de snaren en het was of de maneschijn de lichtende schaduw was van het stralend geluid. Kallirhoë, naar Xenofon, zat te staren, te staren ... En zij zag hem plots, zich en zijne aandoening nauw meester meer, toch nog bedwingen een grooten snik van trots, die golfde onweêrhoudbaar op uit zijn boorst ... Stil zat hij daar, geheel bleek in de blanke nacht en roerloos, onverstelpt door te groote eere, gebogen het hoofd ... Hij herademde: de zanger zong zijne stad, Korinthe, zong de Korinthische voorouderen, hunne wijsheid en uitvindingen en heroïsche deugden: zijne schitterende woorden, zijne beelden van schoonheid klonken kunstvol op van zijne lippen, op de maat der van zelve wellende melodie, terwijl vol akkoord na vol akkoord breed op golfde met telkens herhaalde golven van gegeleiding. De herinnering aan de Korinthische mythe - Sisyfos, sluw en kundig, aan Hermes gelijk; Medeia, die de Argonauten redde; Belleforon, die Pegasos, het ros met de zilveren vleugels, het bit dwong in den onwilligen mond - verbreedden den vlucht der Ode over het Heden heen van Xenofons hulde naar de onvergetelijke dingen van het eeuwige Verleden ... Maar het Heden zoû het Verleden worden: Xenofons zege zoû hem en Korinthe de onsterfelijkheid geven van nieuwen, jeugdigen roem ... O, koning der goden, Zeus! Gun, dat de Olighethide En zijn geslacht, Den levensbaan loopen met lichten tred, Als de overwinnaar liep den loopbaan, En leer hun altijd De maat, de heilige Maat, Tusschen de goudene gunsten van hun geluk! De zangers stem verklonk, helder schallend in het helle licht van de huldenacht en de klaterende akkoorden volgden elkander aan het slot op of een handvol starren, zilver en stralend, neêr vielen uit de manelucht over Olympia. Allen rezen, de duizenden rezen, er steeg nu een éénstemmig, plechtig gejuig en allen, de hand geheven tot huldiging, zagen Pindaros, de trede afdalen van zijn dichtertroon en in zijn armen ontvangen en omhelzen den Olighethide, den overwinnaar, Xenofon van Korinthe ... XV Koorts-bevende van aandoening was Kallirhoë, met wie haar omringden, gerezen. Niet had zij bespeurd dat, onverre van haar, de begeerige man zijne oogen niet vàn haar gericht had ... Zij drong nu met de menigte mede, de vlakke daken over, de trappen omneêr, de portieken door ... Zij wankelde ... Geheel heur lichaam trilde van te groote ontroering en van liefde ... Een liefde zoo groot als zij nimmer geweten had ... In den korten mantel nauw omwikkeld, deed zij nauw moeite hare vrouwelijkheid meer te maskeren. Liefde, ontroering, moêheid beeldden hare mantelsilhouet niet meer die van een jongen, een jongen van zestien jaren ... Maar in de stille halflichten, wit, blauw, grijs, soms bijna blank zilver, waar het marmer kaatste den maneschijn, was het voordoen niet noodig meer ... Niemand lette haar op - meende zij. Allen, de duizenden, in druk gesprek, met hevig gebaar, na dien rijken dag, na die glorievolle nacht der negen-en-zeventigste Olympiade, gingen naar huis. Op de Feestplaats zag Kallirhoë den stoet ... Pindaros ... de Priesteres ... de Hellanodiken ... de athleten zelve ... Xenofon ... Er was afscheid, scheiding, begeleiding ... Als met blauwige schimmen wemelde het uit-elkander-gaan, over de wittige plaats, waar het Offer op het Altaar versmookt was. De athleten, met geleide van eere, gingen terug naar het Gymnasion, waar zij huisvesting ontvingen ... En Kallirhoë, niet wenden kunnende heur blik van Xenofon af, zag hem, naar zij meende, met de kameraden zich verwijderen ... Toen zag zij, dat hij zich als scheen los te maken, met verontschuldiging en zijns weegs ging ... Hij ging, vlug, langs den Zeus-tempel, verloor zich in de schaduw van het eikenbosch, dat als een park den tempel omringde ... Waar ging hij heen? Met een ingeving volgde zij hem, zij wist niet waarom en met welk doel ... Zij zag hem zich begeven naar de andere Feestpoort, aan de Westelijke zijde der Plaats ... En zij wilde hem volgen ... Plotseling liep de begeerige man naast haar ... Zij schrikte. - Ik bij je gevolgd ... begon hij. - Laat mij! riep zij ongeduldig. - Waar ga je heen? vroeg hij, verbaasd. Ik meende, dat je mij gezien hadt ... Mij gelegenheid gaf je te volgen ... - Laat mij!! riep zij heviger. Bij den heiligen Zeus van Olympia, in wiensch bosch wij zijn - smeekte zij - : laat mij! Zij liep door. Ter zijde liep hij nog mede, niet kunnende besluiten af te laten van wat hij een dag gehoopt had ... Tot hij plots, voor zich een man zich verwijderen zag door de Feestpoort en ... Xenofon herkende ... - Xenofon! stamelde hij. Je volgt Xenofon? - Ja! bekende zij, bevend van koorts. - Ga dan, zeide de man. Ik wist niet, dat je Xenofon volgde ... Dat hij je wacht, misschien ... Hij is de held, de god van dezen dag ... Met hèm ding ik niet meê ... Er was een eerbied, een bewondering, een trillende spijt ook, in zijn stem. - Dank! zeide zij, innig. Een oogenblik later had zij den man verloren ... In der eiken geschaduw was hij verschemerd, scheen hij als een nietswaardige sterveling verzwijmd in duister en niets ... Maar ginds, buiten de Feestpoort, die Kallirhoë naderde, zag zij, als een god in het helle maanlicht, Xenofon staan ... Hij stond, hij scheen wijd te ademen, breed makend de borst en de armen had hij in een zwaai, als overstelpte hem iets te zwaars, naar boven geworpen, of hij een last hoog van zich wierp. En zoo zag Kallirhoë hem staan en bijna onbewust, naderde zij, niet wetende waarom, zonder doel maar onweêrstaanbaar ... Iets van een knars van haar voet over kiezel deed hem zich wenden. En hij zag haar: zij kon zich ongezien niet maken want dit was een opene weide, waarlangs een weg, waaraan verschillende oefenscholen grensden ... En er was bijna geen schaduw; het was alomme licht, het licht viel als met een vloed uit den ronden beker der maan ... Op dit zelfde oogenblik, dat Kallirhoë zich door Xenofon wist gezien, werd zij bewust, dat een stralende, zilverachtige, maanschijnmistige eenzaamheid zich om hen beiden strekte; om hem, die ginds, omgewend, keek; om haar, die hier, plots aarzelend, niet wist hoe zij doen zoû ... Verder vloeide, tusschen hoog riet, de Kladeos rustig, met een kabbelende rimpeling en weêrspiegelde maanglans bij maanglans. En, omdat de wind even opwoei, zwol plotseling een wolk van rozengeur aan van de rivier en balsemde als een bezwijmling rondom Kallirhoë, die zich heugde, dien morgen, op de wallen van het Stadion, die zoo vreemde, onverklaarbare vleugen ... Maar éene seconde waren zij zo blijven staan, nog ver van elkaâr ... Toen deed hij eenige schreden terug, toen naderde hij, toen vroeg hij: - Wat is er? Zij gevoelde zich stom ... - Wie ben je? Zij wist niets te zeggen. - Volg je mij? vroeg hij verder, fronsend de brauw; wellicht dacht hij even aan benijder en vijand: waarom zoû hij er niet hebben ... ? Zij begreep, dat hij haar verdacht ... En nu stamelde zij: - Ja ... Ik volgde je, Xenofon ... Vergeef me ... Ik ben een vrouw, en ik volgde je ... - Waarom? vroeg hij. - Ik weet niet, zeide zij en sprak bijna de waarheid. Ik volgde je onbewust. Vergeef me: ik keer terug ... - Wie ben je? drong hij weêr. Zij glimlachte even verlegen op. Hij zag haar nu, in den mantel, toch vermomd, als een jongen, een jonge jongen ... - Herken je mij niet? glimlachte zij heel zacht. Ik ben Kallirhoë ... Kallirhoë van Korinthe ... - Kallirhoë? herhaalde hij, zeer verbaasd. Werkelijk, ik herken je: Kallirhoë ... Kallirhoë van Korinthe: Kallirhoë, die ik eens bezocht in hare woning van weelde, tijdens een feest ... kla, wat doe je hier? In Olympia? Vermomd? Vermomd als een ondeugende jongen! Wat doe je hier, zèg, Kallirhoë, in de nacht, buiten de Altis, bij de oevers van den Kladeos? - Ik zeide het reeds: ik volgde je ... Onbewust. En te Olympia kwam ik ... om je te zien ... - Om mij te zien?? - Om je te zien ... overwinnen, in den Vijfkamp, dat geen sterveling ooit nog deed! - En je zaagt mij? - Ik zag je ... Het was de grootste schoonheid, o Xenofon, die ik ooit zag! ... Ik zag je zegevieren ... Vijf malen ... Ik zag je huldigen door den Zanger ... En ik was gelukkig, gelukkig ... ! - Je zaagt Olympia ... - Ja, en ik zag Xenofon ... ! - Ik was ook gelukkig, gelukkig, Kallirhoë ... Mijn geluk overstelpte mij ... En ik verliet de makkers ... en ik ging naar buiten ... ik wilde ademen, hier, in de stille eenzaamheid ... - Ik ga ... - Blijf ... Je bent gekomen ... om mij? Om mij te zien ... overwinnen? Je deelde ... in mijn geluk? - Ja Xenofon ... - Blijf nog ... Zie, hoe stil is het na den dag van roem en overstelpende eer, aan dit water ... Zij liepen samen den stroom toe. En een zware rozengeur woei aan, als een zwellende wolk ... - Wat geurt het toch zoo vreemd zoet? vroeg Kallirhoë. Reeds dezen morgen, op de wallen van het Stadion ... Xenofon lachte en wees ... - Zie, zeide hij. Ginds ... aan de boorden van de rivier woekeren de rozestruiken ... Zie je? De groote bloemen rozigen nauwelijks op in den bleeken maneschijn, maar ze geuren ... Ze geuren buiten Olympia, buiten de muren der Altis ... Ze zijn te ver om ons, athleten, te verweeken ... En de Hellanodiken laten ze daar ... laten ze daar, uit achteloosheid ... Ik rook ze nooit, in Olympia ... - Maar hier ... - Hier wèl ... Ze geuren zoet, o Kallirhoë ... - Ik ga ... - Blijf toch nog ... Wat volgde je me dan, als je gaan wilt ... ? - Zoo men ons samen zag, Xenofon ... - Zoû gevaar loopen der Oligethiden roem ... ? Neen, Kallirhoë, zoo spoedig loopt die roem geen gevaar ... Blijf nog en laten wij de verre rozen niet vreezen ... Hij glimlachte zoo goed en groot, zag op haar neêr. Zij beefde. Het was haar of zij misdadig was ... Olympia ... ! Dit was toch nog Olympia ... Maar ginds geurden de rozen ... - Zie, zeide hij, naast haar voort loopend. Ik heb van daag niet aan vrouwen gedacht; ik wil dat eerlijk bekennen. Maar er zijn dagen, Kallirhoë ... Hij zweeg even; bevende liep zij naast hem in de richting van de woekerende rozen ... - Dien avond, Kallirhoë, dat ik bij je kwam, één oogenblik, op je feest ... Dien avond had ik aan vrouwen gedacht ... Dien avond heb ik aan jou gedacht ... Je huis straalde als een paleis ... Er brandden geuren, er slingerden bloemfestoen en de aroom der wijnen was als een offer aan Dionysos ... Er waren mooie vrouwen, je slavinnen, die dansten ... Er waren mijn vroolijke vrienden, die wilden aanliggen ten maal ... En Kallirhoë, er was ... je zelve ... Ja, ik herken je nu. Je bent de zelfde, al gelijk je nu een jongen naast mij ... Toen was je de Vrouw ... Ik herinner het me: je was prachtig. Bijna naakt in je goudgazen peplos, bijna naakt onder een regen van parelen, die droppelden van je hoofd, langs je slapen, over je borst ... En terwijl je prachtig was, o Kallirhoë, was je bekoorlijk en heel teeder ... Weet je, toen heb ik geaarzeld ... Maar ik was een athleet, ik bereidde mij voor, voor de Isthmische spelen ... Waren wijnen, geuren, vrouwen voor mij? Ik dronk één beker en ging ... En toen ik gegaan was, Kallirhoë ... kom, laat het mij eerlijk bekennen, in deze heilige nacht van Olympia, terwijl de goden ons hooren, achter die zilveren hemelen, toen ik gegaan was, gevoelde ik mij bitter. Ik was Xenofon, die reeds zoo vele malen te Delfi, te Nemea drievoet en beker won; ik behoorde tot het edele geslacht der Oligethiden; ik was jong, rijk, sterk ... En ik was alléén, tusschen mijn makkers, verwanten. Ik gevoelde een gemis. Ik miste de Vrouw in mijn leven ... En dikwijls, daarna, in mijn leven, o Kallirhoë, heb ik dien alsem geproefd, tusschen al die glorie, die mij overstelpt. Laat mij je nù alles zeggen, o Kallirhoë van Korinthe, die Xenofon van Korinthe na reisde en volgde om hem te zien overwinnen, ja, maar ook om een ànder gevoel nog dan nieuwsgierigheid alleen: laat mij je àlles zeggen: Toen Pindaros mij zijne Ode toe zong ... toen proefde ik, éven, tusschen mijn groot, overstelpend geluk, dien alsem, dien alsem van bitterheid ... Hij stond stil, zag op haar glimlachend neêr. Langs hen vloeide de Kladeos en uit de rozenbosschen woei de adem aan van Afrodite, die niet heerschte binnen Olympia's muren. Zij zag op en zij zag zijn glimlach. Hij was zoo groot, zoo sterk, en zijn glimlach was zoo rustig, zoo klaar als van een jongen god, die zich bewust was van zijne menschelijkheid en haar aannam, zonder verdere ontkenning en strijd. En zij zag hem zijn armen, langzaam, openen, terwijl zijn glimlach bleef stralen, als een glans, goudener dan het maanlicht, dat haar scheen te zwijmen ... Bijna schuchter voegde zij zich in zijne omhelzing, legde hare handen tegen zijn schouders ... - Ik wil van het leven niet de glorie alléén, zeide hij. Ik wil ook van het leven ... de liefde ... Hunne monden ontmoetten elkaâr in den zoen, lang begeerd ... Hunne oogen ontmoeten elkaâr in den blik, waarmeê zij een komend geluk in elkanders zielen zagen ... - Niet hier! stamelde zij, bijna zwijmende van geluk. Niet hier te Olympia ... - Neen, schrikte hij en slaakte den klem zijner armen. En vroom herhaalde hij, heel rustig en steeds met dien rustig gouden glimlach: - Niet hier ... niet hier, te Olympia ... Zij stonden nu, los van elkaâr, na den gesloten bond. - Te Korinthe? vroeg zij nu als een vrouw maar niet als een hetaire en heel hare groote liefde klonk in die twee woorden. Hij zag haar, zalig van een nieuw geluk, dat geboren ging worden, diep in de oogen aan. En zeide toen, rustig en vast: - Ja, mijn zoete liefde. Ja, Kallirhoë. Te Korinthe ... Ga nu. Ga mij voor in de nacht, die wentelt naar den dag, die zal zijn te Korinthe. Ga ... en achter je zal ik komen en mijn verlangen je na zenden, met dezen rozengeur meê .. van Afrodite. Zij zeide niets meer. Zij gehoorzaamde ... Zij liep vooruit, zij haastte zich naar Olympia terug, naar de Poort toe ... Vóór zij de Poort binnen trad, keek zij om. Zij wuifde den slip van haar mantel hem, daar ginds toevende, tegen als tot een blij afscheid, vol zoete belofte, vol zaligste toekomst. In den schemer van de manenacht zag zij zijn hand zich heffen, zag zij hem breed-uit wuiven ... tot een bij afscheid ... vol zoete belofte, vol zaligste toekomst ... Te Korinthe ... ! Den Haag Okt. XVII De zoeker Louis Couperus Door de blakende middagzon liep tusschen de rijstvelden de man den witten weg af, die voerde van de stad aan den blauwen vloed naar het donkere woud der heilige boomen. Zij donkerden ginds aan den horizon als een verre, geheimzinnige laag en langs den weg waren de rijstvelden als liquide spiegels, die lagen in terrassen gestapeld wijd uit, tot over de wèg wazende hellingen der tukrooiskleurige bergen. Het azuur van de lucht, het geelgroen der jeugdige halmen in het zilver der overwaterde velden, de witte stof, de zwarte boomen daar ginds en de waasblauwe bergen omrond trilden allen in de alomme siddering van het wit blakende middaglicht. Den man, bloot zijn lang gelokte hoofd, omviel de witte mantel, grijs van stof: een wolk van stof omwarrelde immer zijn gaan. Hij zelve, als alle dingen en kleuren rondom, trilde in de lichtsiddering als liep hij door dun kristallijn, als liep hij door kristalleklaar water. Naar mate de zon in haar zinken in roziger gloor de waterklare lichsiddering herschiep, naderde De man het woud. De violette vaalte lag over de vlakte, toen hij het duister woud binnen trad. Nu vloeide de jonge maan langs de reuzige stammen, de reuzige takken, de reuzige wortels en de man gin door tot een der reuzigste boomen, die hol was en waarin woonde een kluizenaar. De man zag de kluizenaar in de schaduw der nacht, in het schijnsel der maan naakt en mager, de lendenen ombladerd, staan in de holte des booms. Hij verroerde zich niet. Zijn haren waren vergroeid tot over zijne schouders, zijn oogen staarden omlaag naar zichzelven, op het midden zijn mageren lijfs, en hij scheen niet menschelijk meer maar éen, vergroeid en verworden, met den boom geworden: hij scheen stam en tak en gebladerte zelve, om zijn ontvleeschde gebeente, de ribben zichtbaar, om zijn door éen verkronkelde lokken, waarin half slaperig de vogels sjirpten. - Heilige navelstaarder, zeide de man. Geef mij raad ... - Welken raad, vroeg de holle stem van den kluizenaar, die de oogen niet bereurde. - Zeg mij waar ik zoeken moet ... - Wat ... - Wat mij levensnoodig is te doen en te zijn, als ik moet. - Wat deedt ge tot nog toe ... - Ik dichtte ... Ik schakelde de schoone woorden te zamen tot rijmen en de verzen vielen voor mij neêr als parelsnoeren. Zij vielen als een schat om mij heen. Ik zeide in mijne verzen den strijd tusschen goden en duivelen en ik zeide in mijne verzen mijn eigen lief en eigen leed. Als ik mijne schoone woorden te zamen had geschakeld, vingen de begeerige menschen ze blijde op en genoten er de schoonheid van en zij jubelden met wat mijn geluk was geweest en zij leden mijn eigen leed. Maar heden voldeed mijn kunst mij niet en ik ging op weg om te zoeken ... - Zoek niet, zeide de kluizenaar. Maar blijf hier, in het heilige woud. Naast mijn boom is een holle boom, leêg, sedert de kluizenaar, die hem bewoonde, door Brahma is ten hemel gewenkt; dwing uw lichaam in de holte en staar op uwe nave; méer is er nièt om te zijn en te doen als gij moet. De Zoeker was moê en de holle boom scheen hem een koningspaleis en des kluizenaars raad Brahma's woord zelve. Hij sloeg zijn mantel af en voegde zich in den hollen stam en staarde op zijn navel. Hij staarde de geheele nacht. Den volgende morgen brachten de vromen enkele rijstkorrels den kluizenaars, die huisden in de holle boomen des heiligen wouds en zij strekten de handen uit en voedden zich met de rijstkorrels. De Zoeker staarde drie dagen en drie nachten lang. Toen zuchtte hij heel diep en bewoog zich, voor het eerst sedert hij gestaard had. - Vader, zeide hij; ik heb drie dagen en drie nachten gestaard op mijn navel en zij werd voor mij een lotusbloem en uit haar spiraalden de Wijsheden op als bedwelmingen ... Maar nu wéet ik de Wijsheden niet meer; ik voel mij verstijfd van zoo lange roerloosheid; de rijstkorrels hebben mij weinig gevoed, ik versmacht van dorst en daarbij ... zoû ik verder willen zoeken naar wat mij levensnoodig is te doen en te zijn, als ik moet ... De Zoeker wrong zich uit den boomstam los, raapte zijn mantel op, sloeg dien om en verwijderde zich. Hij wandelde weemoedig het woud uit. Buiten het woud waren de altijd bloeiende rozentuinen, die lagen als een donker scharlaken vuur te gloeien in den gouden dag. En tusschen de scharlaken rozentuinen - zij stroomden geurwolken uit, die hingen zichtbaar en rozekleurig in den stralende zonneschijn - stond het paleis van Maïa, de koninklijke lichtekooie. Zij lag tusschen hare duizend vrouwen op het terras, dat streepte de gouden treden tusschen de scharlaken rozen, en tusschen zoo vele bloeiende naaktheden was zij naakt maar gekroond en hare geschilderde oogen stierven van lust en zij wenkte den Zoeker en alle de vrouwen wenkten. De Zoeker naderde. - Maïa, zeide de Zoeker. Geef mij raad ... - Welken raad? lachte Maïa, de armen rekkende; hare spitse nagelen waren als parelen naalden. - Zeg mij waar ik zoeken moet ... - Wat ... - Wat mij levensnoodig is te doen en te zijn, als ik moet ... - Wat deedt ge tot nog toe? - Ik staarde ... Ik wrong mij in de holte eens booms van het heilige woud en ik staarde op de Wijsheden, die aan mijn navel ontbloeiden. Zij waren drie dagen en nachten schooner dan gij en àlle uwe vrouwen. Maar toen voldeden ze niet meer aan mijn heviger verlangen en ik ging op weg, om te zoeken. Zeg mij, Maïa, waar moet ik zoeken ... - Zoek niet, lachte Maïa. Maar blijf hier, tusschen de stoomende rozen. Lig neêr in mijn armen en aan mijn mond, dien koningen en goden kusten: kus mij en wees koning en god; méer is er nièt om te zijn en te doen als gij moet ... De Zoeker stortte zich in Maïa's kluisterende armen en de duizênd vrouwen dansten. Zij dansten zoo schoon, dat in de nacht àlle de starren naar beneden blikten om haren dans te zien. Tusschen de dansende vrouwen stroomden de wijnen en stapelden de vruchten hoog: er waren fonteinen van wijnen en torens van vruchten en er was een festijn van wellust. Maar na drie nachten en drie dagen zeide de Zoeker: - O Maïa, zoo lang als ik gefeest heb op de gulden terrassen tusschen de scharlaken rozen, ben ik koning en god geweest. Maar nu walg ik van zoo veel genot en wensch ik te gaan ... O neen, laat mij, bid ik u, gaan, want zèlfs in uw armen vond ik niet wat levensnoodig te doen is en te zijn als ik moet ... En de Zoeker wrong zich uit Maïa's armen als hij zich had los gewrongen uit de holte des heiligen booms en vluchtte van daar, wèg uit de scharlaken tuinen. In den morgenstond breidde eene vlakte zich uit en de Zoeker zag in een wolk van stof een hevigen veldslag woelen: het waren mannen zijns eigenen volks, die streden tegen hun overweldigers. Een ros, dat zijn ruiter verloren had, rende den Zoeker voorbij, radeloos, hinnikte toen klagelijk en stond stil. En de Zoeker raapte van het slagveld een zwaard, greep den teugel en wierp zich op het ros. - Ik zal niet zoeken, dacht de Zoeker. Ik wil, liever dan zoeken ... strijden, met de mijnen en voor mijn land: meer is er niet om te zijn en te doen als ik moet ... En hij streed éen dag en éen nacht, tusschen de zijnen en toen de zon weêr rees, lag hij gewond tusschen de vertrapte rijstvelden en het water der zilverigen spiegelterrassen sijpelde zijne wonden langs. - Ik heb met bezieling gestreden, dacht de Zoeker; maar wat ik vinden wilde zonder te zoeken, is mij ook in mijn daad niet gegeven. Alles is nutteloos, alles is schijn, alles is onbewustheid, alles is nièts en ik wil sterven ... Ik zal sterven ... Hij sloot de oogen en bezwijmde. Toen de Zoeker tot zichzelven kwam, lag hij op een mat voor de hut van een landbouwer. De rijstevelden spiegelden, liquide terrassen, rondom, en de turkooisblauwe bergen vernevelden in het wit trillende morgenlicht. - Hier is het vèr van den strijd, zeide de landbouwer. Wij vonden u en brachten u hierheen in onze kar, die de buffels trokken. Mijn dochter verpleegde u, o held! De Zoeker zag naar de maagd, die naderde met een kom water in de handen. Hij dronk, dorstig, het water en vroeg den landbouwer: - Wilt gij, o vriend, mij raden ... Weet gij, waar ik zoeken moet ... Wat mij levensnoodig is te doen en te zijn, als ik moet? - Wat deedt ge tot nog toe? vroeg de landbouwer. - Ik zwolg in genot en streed in den strijd maar ik vond noch in dien wellust noch in die daad wat mijn zoekende ziel voldeed. Wáar vind ik het? - Wellicht bij ons, ried de landbouwer. Ons leven is wel, in zijn eenvoud, geluk. Wij planten de kostelijke rijst en plukken die maar zoeken niet verder ... Blijf hier. - De Zoeker bleef; hij plantte de rijst en oostte wat hij geplant had; hij huwde de maagd en zij schonk hem vijf zonen en drie dochteren: zijn leven vervloeide gelukkig en kalm en het scheen, dat hij niet meer zocht. Maar op een morgen, dat de dreigende storm de wolken samen woei over de hellingen der bergen, haalde de Zoeker diep adem en zeide hij tot zijne vrouw: - Vrouw, ik ben jaren lang gelukkig geweest; ik heb je lief en mijn zonen en dochteren en de rijstoogst is gunstig geweest, vóor de storm rees aan den horizon ... Maar heb ik wel hier, in deze vrede, in dit geluk gevonden wat ik zocht ... En het dunkt mij het beste te gaan, o vrouw, van hier ... vóor mijn zielsleed verstoort je eigen geluk en vrede en dat mijner kinderen ... In den storm vertrok de Zoeker, trots de smeekingen zijner kinderen en zijner vrouw. Tegen de lucht der stapelende wolken lag de stad, die hij eenmaal verlaten had, aan haar breeden vloed, nu als een woedende zee. Maar de Zoeker ging in den orkaan de doorwaaide straten langs, door de woelige, woelende menigte en bereikte zijn huis, dat hij eenmaal verlaten had om te zoeken. Een oude dienaar opende hem de deur. - Gij zijt wel lang weg gebleven, heer, zeide de oude dienaar. Maar zie, hier zijn de rollen en banden, die gij beschreeft met de verzen, die gij van schoone woorden te zamen schakeldet. Ik heb ze bewaard als waren zij een schat van vele parelsnoeren ... - Het is goed, zeide de Zoeker. Je bent een trouwe dienaar en ik ben je dankbaar. Ik meen gevonden te hebben wat ik jaren lang heb gezocht ... Hij wenkte de dienaar weg te gaan en zette zich aan de tafel. Hij blikte door het raam naar den storm, die buiten woedde over de stad, over den vloed ... En hij nam zijn stif ten schreef ... Hij dichtte ... De verzen vielen voór hem neêr als van parelsnoeren een schat, en hij schakelde die geheele nacht de schoone woorden te zamen ... En toen de storm bedaard was, had de Zoeker den storm in dichterwoord weêr gegeven ... En wist hij, dat er verder voor het te zoeken niet viel ... noch in het heilige woud, noch in de scharlaken tuinen, noch op het woelige veld van den strjd, noch in de rijstevelden ... Tusschen de Ionische Zuiltjes Louis Couperus Achter de Balica Julia waren, in een nauwen doorgang de publiek latrinen voor mannen; zij waren als een lange, smalle kolonnade van lage Ionische zuiltjes, en de open, marmeren zetels rijden er zich tusschen die zuiltjes, meer dan een twintigtal naast elkander, bevloeid met een waterstraal, en door den opzichter, wien men zijn muntstukje - een kleine, bronzen as - reikte, rein gehouden met de hulp van zijn drie slaven. Zoo waren de zetels als kleine, ronde, opene, marmeren tronen, de een naast den ander, en gescheiden door de Ionische zuiltjes, en door die zuiltjes min of meer onzichtbaar gehouden, de éene troon voor wie op den zetel naast troonde. Daar was in den morgen, als overvol het Forum wemelde van bezigen en van ijdelaars, een in- en uitgeloop zonder eind, een eindelooze drukte, een gewacht, met benauwde, strenge of gelegenheidsgrappige gezichten, als de meer dan twintig tronen te gelijker tijd allen waren bezet; dan liepen in en uit waardige senatoren, toga-slip in de hand, even tijdens de zitting de Curia verlatend om een dringende behoefte; daar liepen ook in en uit de winkeliers: boekhandelaars, geurwerkers en juweliers, en de wisselaars, die hun kleine winkeltjes hadden ter zijde van de Basilica, in de Vicus Tuscus en de Vicus Jugarius, en daar liepen ook in en uit de elegante jongelui, schuin oogende, tuk op een avontuurtje, en zelfs de straatjongens, die de opzichter wegjoeg met zijn stok, en de slaven voort geselden met hun doeken, omdat ze geen as betalen konden, en dus op de tronen niet mochten zetelen. En daar was dezen morgen - wat kòn de oorzaak zijn, dat het drukker dan gewoonlijk nog was, meende de opzichter, zoo dat hij de straatjongens maar niet kon verjagen, de straatjongens, die overal op de muurvakken en de Ionische zuiltjes obsceene woorden wisten te krabbelen of obsceene teekening wisten te griffen - van die woorden en primitieve teekening als straatjongens door alle eeuwen heen hebben gegrift en gekrabbeld - daar was dezen morgen een jonge man binnen gekomen, haastig, om zijn behoefte, die dringend was ... Maar, de zetels, allen bezet, had de jonge man, die een zeer elegante toga droeg, gefronst, pijnlijk, een woord gewisseld van vraging aan den opzichter, wien hij een zilverstuk drukte in de hand ... tot de opzichter boog en weêer boog, heel diep, met wanhoopsbeweging, wijd uit, van beide armen om te beduiden, dat hij er letterlijk geen gat in zag ... En werkelijk was de opzichter heel wanhopig, want hij had den eleganten jongen man herkend ... zoo als allen hem herkenden, allen, die zetelden en allen, die wachtten om te zetelen op hunne beurt. Allen hadden den jongen man herkend; allen fluisterden, belangwekkend doende, zijn naam: Lucanus, Marcus Annaeus Lucanus, geboortig uit Cordova, de dichter van de Farsalia, het epos op Pompeius en Caezar - talentvol maar ijdel, bekend, dat hij zichzelven dorst met Vergilius vergelijken, door keizer Nero verbonden aan diens verheven persoon en tot quaestor benoemd, en wiens gedichten in overdreven sierlijke en opgesierde boekrollen werden verkocht ... Maar bekend was het ook, - en daarom fluisterden zij, die troonden, en zij, die wachtten, nòg meer - dat het tusschen keizer Nero, die zelve een groot dichter was, en den jongen Lucanus niet ging, dat er ijverzucht was tusschen beiden, dat Nero, alléén om Lucanus te ergeren, midden in diens voordracht eens den Senaat had bij een geroepen en zich ten Senaat had begeven toen. Zoo was het een gefluister en gemompel en gelach, terwijl de jonge, elegante Lucanus, steeds pijnlijker van gelaat wachtte en wachtte, en het gelach en gemompel en gefluister maakte zeker, dat allen, die troonden, vergaten, hoe toch ieder recht op zijn beurt had, om te tronen op zijn beurt, want niemand verliet zijn zetel, en allen, de hoofden, langs de Ionische zuiltjes elkander toegestoken, hadden elkander allerlei te vertellen en toe te fluisteren, geheele anekdoten, omtrent Nero, en Lucanus: Lucanus die ginds wachtte met àlle de wachtenden, ook al boog de opzichter met wijd wanhopige armen, zich vernietigende in verontschuldigin. Tot eensklaps ... Tot eensklaps de dichter Lucanus, des wachtens benauwd, het rechterbeen optrok en heftig knallende een zoo luiden wind slaakte, dat allen, die daar troonden en wachtten op te tronen op hunne beurt, kreten slaakten van ironie en bewonring. Maar de dichter, den arm uit de toga gestrekt, liet zich niet van zijn stuk brengen, en integendeel, onvervaard riep luide uit met vèr dragende stem: Sub terris tonuisse putes!!! (Gij zoudt meenen, dat het donderde onder de aarde!!!) Dàt was genoeg!!! De paniek was algemeen! Allen, die daar troonden, en allen, die daar wachtten om te tronen op hun rechtmatige beurt, stortten van hun tronen af, renden, handen op, in verwarring van toga, en struikelend, en zelfs vallend over de straatjongens, die buitelden, renden weg, weg, wèg ... naar buiten, om niet hier te zijn, om niet hier te worden gezien, op deze plaats der publieke latrinen, op dit oogenblik van huiveringwekkende majesteitschennis. Want de dichter Lucanus had, heftig knallende slakend zijn wind, een halven versregel uitgesproken, dùrven uitspreken ... van den sublimen, keizerlijken Dichter zelven, van Nero zèlven ... en het was majesteitschennis op een plek als deze, welke toespeling ook slechts te maken op den naam, de heilige persoon, en zeer zekerlijk op de onvergelijkelijke, goddelijke dichtkunst van den keizer! De publieke latrinen, plots, waren leêg. Alleen, verwezen, stond in het midden de opzichter, zijn breed gezicht plat geslagen in stupefaktie, opensmoels, en om hem stonden zijn slaven, de doeken slap wimpelend in de knuisten ... Toen zag Lucanus, dat alle tronen vrij waren, en de elegant toga-slip in de hand, naderde hij den middelsten troon, en zetelde, een weinig bleek om zijn overmoed, tusschen de twee Ionische zuiltjes ...