Zaïre Yvan Raes Het was juli en Zaventem baadde in een zuur verdiende zon. Op de luchthaven heerste een onvoorstelbare drukte: rustzoekers vertrokken voor een luiervakantie naar Spanje, Italië, Griekenland of een van de tropische paradijzen; avonturiers voor een 'crosscountry travel' naar Sumatra of Sri Lanka, of voor een kampeersafari door Kenia; cultuurgenieters voor een cultuurreis naar Maleisië (Ayuthaya, ruïnes van de oude hoofdstad), India (Rajasthan-Ne-Pal), Egypte (een Nijlcruise) of een superluxe verblijf aan de Rode Zee. En dan waren er ook nog de vakantiegangers met bestemming Thailand, waar ze de bordelen van Bangkok en Bang Pa-In gingen bezoeken. Aan de incheckbalie werd de bagage gewogen, reisbiljetten gecontroleerd, op tenen getrapt, gestompt en gedrongen. Luc Leemans kreeg een regelrechte por in zijn lever van een in madras gehulde macho, een mediterrane 'heer' op leeftijd die zijn hoed had verloren en daardoor duidelijk minder 'grand seigneur' was geworden. Vloekend en scheldend baande hij zich een weg door de menigte, waarbij zijn intolerante drukte andere reizigers aanstak. Het werd allemaal door het luchthavenpersoneel weggeglimlacht met professionele efficiëntie. De meeste vluchten hadden vertraging opgelopen, en toen na drie uur wachten eindelijk de vlucht naar Kinshasa werd aangekondigd, begaf Leemans zich met gemengde gevoelens naar exit 42. Hij moest door een broeierige gang waar de airconditioning haar uitwerking had verloren, breed en lang, met een roltrap in het midden, en barstensvol wachtende reizigers. Maar de Boeing 707 was van alle comfort voorzien en de okergele, in vele standen verstelbare stoelen, verschaften de 360 passagiers bijna het gemak van een zacht bed. Luc Leemans had een plaatsje aan het raam. Hij keek even naar buiten, dan naar de overkant van het gangpad, waar een modieus geklede Fransman had plaatsgenomen die die ochtend een iets te opdringerige aftershave had gebruikt. Monsieur besteedde opvallend veel zorg aan een duur uitziende tas van krokodillenleer en aan het rechttrekken van zijn das. Kortom: de modus van de moderne businessman in Armani-pak. Hij werd vergezeld door een Arabische reus met tulband, ondoordringbare gitzwarte ogen, een strak gezicht en de uitstraling van iemand die in de oliebusiness zit of in de diamantsmokkel. Achter hen zaten twee gesluierde vrouwen in het Engels te kibbelen. Wat verderop zat een bonte schaar te luidruchtige Italianen, die Leemans deden denken aan kinderen op schoolreis. De stem van de boordcommandant klonk 'cool' toen hij via de intercom de passagiers welkom heette. Het was een stem die niet de minste emotie verraadde, mechanisch bijna, met een ondertoon van nonchalance. De stewardessen liepen elegant door de wandelpaden. Gekunsteld sympathiek. Lijdzaam glimlachend naar de Italianen die gore opmerkingen maakten in het Siciliaans. Opgeleid om te behagen. Ze hadden lazuli-kapsels, met azuurblauwe kralen versierde haarstrengen, die slingerden op het ritme van hun soepele gang, en droegen slanke jurken met pantermotief. Naast Luc Leemans had een slungelige Afrikaan plaatsgenomen. Na een lange worsteling met een slappe reistas van een onhandige afmeting, had hij zich dan toch, met een verontschuldigend lachje, in de stoel naast Leemans laten glijden met de aanhef: 'Enchanté de fair votre connaissance monsieur...' waarna hij overschakelde op perfect gearticuleerd Nederlands. 'Ik hoop u niet te storen door mij aan u voor te stellen, maar we zullen uren samen reizen, zelfs samen de nacht doorbrengen (een flikkerende parelwitte lach om dat kleine dubbelzinnigheidje te versieren), en daarom wil ik de hoop uitspreken dat ik goed en aangenaam gezelschap voor u zal mogen zijn.' Het klonk bombastisch, alsof hij de hele beleefdheidsfrase uit een boek uit de vorige eeuw had geleerd. Hij begon dadelijk een gesprek over zijn reisdoel en keek Leemans daarbij vriendelijk lachend aan. Terwijl hij zijn openhartige mededelingen deed, observeerde hij vanuit zijn ooghoeken tersluiks de reacties van zijn reisgezel, daarbij de lange vingers van zijn slanke handen verstrengelend in een soort bidhouding - waarschijnlijk geleerd van de missiepaters. Leemans stelde zich voor en zei dat hij op weg was naar Kinshasa. De Afrikaan lachte breed maar toch oprecht en vroeg: 'Toerist?' 'Zo zou je het kunnen noemen. Uw gezelschap is me meer dan welkom, want ik zit in spanning... Ik heb in Kinshasa een afspraak met een gids voor een trektocht naar Matadi, dwars door de savanne,' antwoordde Leemans. De Afrikaan keek hem onderzoekend aan, alsof hij zich afvroeg of die blanke de uitputtende tocht wel zou halen, maar hij lachte helder en ongedwongen toen hij vroeg: 'Is het uw eerste reis naar Zaïre?' 'Inderdaad.' 'Wees voorzichtig en neem een goede gids, want de bush is levensgevaarlijk voor iemand die geen ervaring heeft met de fauna van Afrika... Neem ook dragers mee en betaal ze goed... Neem de leider apart, betaal hem meer om de anderen te controleren wanneer u slaapt... anders loopt u het risico berooid wakker te worden. Ze stelen als de raven! Hij zal u alleen helpen als u hem een goede prijs betaalt en een blanke vrouw belooft... Uw zuster, bijvoorbeeld... Compris?' Leemans knikte en zweeg. De Afrikaan begon ongedurig heen en weer te schuiven in zijn stoel en prutste wat in zijn vaalblauwe, linnen Sabena-tas met wit embleem. Hij viste er na lang zoeken een verkreukte foto uit, die hij Leemans met onvervalste trots toonde. 'Mijn familie... dat is mijn moeder... dat is mijn vader... dat zijn mijn zes broertjes... dat zijn mijn vijf zusjes... dat is de tweede vrouw van mijn vader... dat zijn haar vijf dochtertjes... dat zijn mijn twaalf ooms, dat zijn mijn twintig tantes van moederskant... en daar, achter mijn ouders, sttan de neven en nichtjes.' Hij wees ze allemaal aan met de lange nagel van zijn rechterpink, als een architect die een detail van een bouwkundig plan toelicht. Het was een vergeelde zwart-wit foto, waarop een groep naakte negers duidelijk verlegen poseerde. Ze keken naar de lens als gehypnotiseerde kinderen. 'Wonen ze in Kinshasa?' 'Non monsieur! In Lumbumbashi. Ik ga daar solliciteren voor een staatsfunctie in het onderwijs. Ik heb gestudeerd te Brussel. De kop is eraf!' Hij streek met zijn wijsvinger over zijn keel en giechelde enthousiast. 'Prachtig!' reageerde Leemans spontaan. 'Ik ben er geboren... en mijn familie woont er nog steeds... in de randdorpen van de stad die de hoofdplaats van Katanga is en de tweede stad van het land, na Kinshasa... Weet u, in 1906 bouwden ze er de eerste huizen. Het waren woningen voor de blanke technici van de mijnen en de in die tijd in aanbouw zijnde spoorlijn.' Leemans knikte begrijpend. Toen ze op verzoek van de boordcommandant de gordels hadden vastgemaakt en de Boeing langzaam naar de startbaan taxiede, deed Leemans een schietgebedje dat in de cockpit, achter de stuurknuppel, een kei in de aviatiek mocht zetelen... want hij begon plots onaangenaam te transpireren. De Boeing trilde beheerst over het tarmac... testte zijn ailerons, en terwijl het geraas van de straalmotoren in frequentie verhoogd werd, richtte hij zijn neus naar het verlengde van de startbaan. Toen Leemans zich in de kussens gedrukt voelde en het fluiten van de winddruk hoorbaar werd, overviel hem een soort verdriet. Het gevoel dat hij de banden met zijn geboortegrond verbrak. Défense de fumer... Geruis van fluitende wind en tonnen luchtdruk... Het trillen van de romp en het wegglijden van de aardbodem... Brussel, met zijn drukte en fastfoodketens, zijn taalproblemen en racistisch beleid, gleed als een flikkerend, pinkend panorama schuin onder hem weg. Leemans had uren rusteloos zitten staren naar L'Avare, een oude film van Louis de Funes, en enkele documentaires over het cultureel vermogen van het gastvrije paradijs van Zijne Koninklijke Hoogheid Mobutu. Ondertussen waren duizenden kilometers onmerkbaar onder hem door gegleden. Hij had, in een vlaag van waanzin, een wereld achtergelaten die hem te dierbaar was geweest en zat nu verscheurd en vertwijfeld weggedoken in een luxueuze stoel die rook naar vliegangst en Afrikaanse cosmetica op basis van kokosolie. Brussel was onder hem weggegleden als een zinkend Atlantis, een uitvloeisel van iets bitters dat een nasmaak achterliet die de sfeer van de reis aantastte. Hoeveel mannen zijn niet naar Afrika vertrokken om een vrouw te vergeten? Hij zag het niet als een vernederende vlucht; eerder als een ommetje bij valavond om even een frisse neus te halen. Leemans en zijn Afrikaanse reisgezel begaven zich om een uur of drie naar de pantry, achter in het vliegtuig, en dronken er een cognac om de verveling wat te smoren. Zij hieven hun glas en dronken ad fundum (dat had de Afrikaan natuurlijk op de universiteit geleerd) op de wereld en de dingen, op God en Afrika, op de naakte ellende van de zwarte kindertjes, op de wijsheid van de medicijnmannen uit de bush, op de veilige aankomst, op Zaïre, die etterende zweer op een aardkloot die stonk naar geld, op de val van Mobutu - dat diens zonen de pokken kregen -, op de stewardessen, op de vluchtleiding, op zijn familie, op de goden uit de bananenbossen... à votre santé! Toen Leemans de volgende dag in Kinshasa aankwam, liep het tegen tienen. De rustige vlucht was geëindigd met een ietwat hobbelige landing, maar dat was geen wonder gezien de slechte staat van het tarmac. Bij het verlaten van het vliegtuig werd Leemans overvallen door de vochtige hitte van Zaïre. Het was net een klamme handdoek die hem in het gezicht werd gedrukt. Beneden aan de trap keek hij onwennig om zich heen. Hij zocht een bekend gezicht; iemand die was gestuurd door een kennis die bij Amnesty International werkte, zou hem gidsen door dé spookstad van het land. Er was ook afgesproken dat die gids zou zorgen voor de dragers die hem door de bush moesten helpen. Hij verwachtte geen ontvangstcomité, maar toch wel één gezicht dat hem bekend voorkwam van de foto die ze hem hadden laten zien. Om hem heen was een onbeschrijfelijk tumult. De meest volmaakte wanorde die Leemans ooit had aanschouwd... Hij begreep meteen dat, wilde hij Afrika overleven, hij maar beter onmiddellijk kon beginnen met de adaptatieperiode: het aanpassen aan het levensritme, de zeden en gebruiken van de Afrikaanse cultuur. En het voortdurende levensgevaar moest hij snel leren incalculeren; het was proefondervindelijk bewezen en noodzakelijk bevonden door alle kolonisten die naar dit Groene Paradijs waren uitgeweken. De formaliteiten duurden eindeloos, het geharrewar was zenuwslopend en het hysterische gegil van de stinkende mensenmassa onuitstaanbaar. Het leek wel een markt voor waanzinnigen. De eerste en blijvende indruk van Kinshasa was er een van totale vernietiging, verval, vervalsing, corruptie. Dat laatste werd Leemans al snel duidelijk bij de douanebeambten en zou zijn verblijf in Zaïre bepalen; het was één grote vernederende omkoperij. 'Les soldats de Mobutu', in kakiuniformen en met witte helmen (afdankertjes van Amerikaanse MP's), namen op de eerste dag van zijn verblijf in Kin acht maal zijn papieren in beslag. Bij zogenaamde identiteitscontrole eisten ze schaamteloos betaling voor de teruggave van zijn gezondheidspapieren, retourbiljet en paspoort. Ze lachten daarbij hun parelwitte tanden bloot, zetten hem voor schut in het Lingala en trommelden theatraal met hun vingers op de holster van hun pistool. 'Die klooiers stinken écht naar omkoperij en corruptie,' mompelde hij gefrustreerd. Later kwam hij te weten dat de meesten van hen besmet waren met syfilis en aids, omdat ze ervoor bekendstonden maar al te ijverig 'les puts du centre de Kin' te controleren op alles en nog wat... Het was schorem en rapalje met de macht van staatspolitie en leger. Toen Leemans eindelijk de controle door was, over zijn zenuwen en compleet in de war, zag hij hem plotseling zitten aan de rechterkant van de uitgang. Kalm. Rustig. 'Matsombo?' 'Ja chef, ik spreek Vlaams door de paters van de missie en ik heb twaalf jaar in Schaarbeek gewoond,' zo begon de kennismaking. Hij maakte nederig een lichte kniebuiging voor Leemans, zoals misdienaars dat plegen te doen. Drie vrouwen in 'gebatikte paan', die Leemans giechelend probeerden te benaderen, werden meteen afgebekt in het Tshileiba. Leemans voelde zich euforisch omat hij eindelijk iemand had gevonden die hem kon helpen in deze mierenhoop. De man zweette overvloedig, maar zijn negroïde geur werkte geruststellend. Toen hij vrolijk lachte met een hoge falset, zoals alleen zwarten dat spontaan en kinderlijk kunnen doen, prees de Belg zich gelukkig dat hij hem gevonden had. Per taxi gingen ze naar het centrum van Kin, de kleffe miljoenenstad, de mierenhoop, de wriemelende, slenterende, tippelende Zwarte Dame die eens het fiere Leopoldstad was geweest. Matsombo gedroeg zich, zoals gebruikelijk was bij de 'évolués' die in het buitenland hadden gestudeerd, hooghartig tegenover taxichauffeurs. De taxi was een oud wrak, een azuurblauwe Fiat uit de jaren zestig waarvan het hele interieur verdwenen was... inclusief de autostoelen. Ze zaten op het kale metaal van de vloer en Matsombo moest lachen toen hij Leemans' gezichtsuitdrukking zag. 'Het is in ieder geval beter rijden dan met de fulla's. Dat is het goedkoopste vervoermiddel hier in Kin, maar het zijn vrachtwagens die eigenlijk dienst doen als openbaar vervoer. Ze zijn altijd overvol,' lichtte hij toe. Leemans knikte begrijpend terwijl hij een blik wierp op het allegaartje dat, in lompen of halfnaakt, als een ware lappendeken van kleuren luidzingend in een vrachtwagen over de slechte wegen hobbelde. Op weg naar het centrum passeerden ze vrouwen en kinderen. Sommigen waren beladen met pakken en bundels, anderen hadden bussels sprokkelhout van grote omvang op hun hoofd, en de meeste vrouwen droegen op hun heup nog een baby in een lendendoek. Het typisch Afrikaanse beeld van zwoegende inlanders langs de kant van de weg, kilometers verre tochten makend naar de verschillende markten in de stad... of terug naar hun dorp, met loodzware waterkruiken op het hoofd, koperen ketels, aardewerk of suikerrietstengels. Een sfeer die je pakt maar zich niet laat vastleggen op de foto. Krijsende avitaminose kinderen, naakt, smerig of in lompen gehuld, bevolkten het straatbeeld, maar vooral de pellagraverschijnselen waren schokkend. Pellagra is een ziekte die voorkomt in tropische gebieden waar maïs hoofdvoedsel is en wordt veroorzaakt door te eenzijdige voeding met slechte soorten maïs. De kenmerken zijn huidaandoeningen en stoornissen in het spijsverteringsstelsel. Op weg naar papa Milambo, waar Leemans onderdak zou krijgen voor de komende nacht, liepen Matsombo en hij in de Zone Kasa-Vubu over Victoire, een brede laan, of beter gezegd een stoffige weg van rood zand waaraan de betere stand woont in huizen opgetrokken uit snelbouwsteen. De donkere kamers stinken er naar insecticiden en het is er winderig door de ventilators die, roestig piepend, onvermoeibaar de verstikkende hitte wegblazen. Er was veel volk langs de kant van de weg. Matsombo liep naast de Belg, hem voortdurend beschermend tegen al te opdringerige kinderen en vrouwen. Plotseling schreeuwde hij een waarschuwing en trok Leemans aan zijn hemd tegen de grond. In zijn val kon de Belg nog net zien dat twee jonge negers in ijltempo passeerden en een vrouw aanvielen die met een kind op haar heup liep. Uit de lendendoek stak een beentje dat door een van de aanvallers werd gegrepen... En tot zijn ontzetting zag Leemans hoe een scheermes flitste en enkele seconden later bloed in het rond spatte... want de straatrover had het rechtervoetje van de baby finaal afgesneden. Gekrijs, gegil... Leemans lag op zijn buik, maar zag de aanvaller iets van het beentje trekken en ervandoor gaan. Zijn kompaan dekte de aftocht met een machete en hakte in het wilde weg om achtervolgers af te schrikken. Hoewel de Belg er onpasselijk van werd, schreeuwde hij naar Matsombo: 'Het kind, red het kind en breng het naar de dokter!' maar Matsombo reageerde niet, probeerde hem enkel te kalmeren. En terwijl de opkrabbelende Leemans met afschuw naar de krijsende moeder staarde, die haar bloedend kindje tegen zich aan drukte, schreeuwde Matsombo tegen hem: 'Ze hebben de gouden voetketting van de kleine gestolen. Het is eigenlijk de fout van de moeder, die met haar rijkdom wil pronken door haar kind te tooien met goud... Dat is in deze stad om moeilijkheden vragen.' 'En de politie? Die moet toch verwittigd worden... en een dokter voor de kleine!' schreeuwde Leemans vol afschuw. 'Bemoei u er niet mee! Laten we maken dat we hier wegkomen, anders zal de familie u misschien beschuldigen van medeplichtigheid om op die manier schadeloosstelling te kunnen eisen.' Matsombo sleurde de verbijsterde Belg mee en samen zetten ze het op een lopen. 'Maar godverdomme, we kunnen die vrouw en dat kind toch niet zo achterlaten,' protesteerde Leemans nog. 'U moet meekomen en zwijgen. Ik ben verantwoordelijk voor u en zal u dan ook beschermen tegen alle gevaren die u kunnen bedreigen,' reageerde Matsombo bits. Leemans zag dat hij kwaad werd en besloot niet verder aan te dringen. Toen ze uit de buurt van de overval waren vroeg Matsombo: 'Chef, hebt u wel eens van Ekafera gehoord? Non? Alors... U weet dan niet dat het staat voor l'enfer (de hel), en dat in de meest letterlijke betekenis?' Leemans schudde ontkennend. 'Het is een van de meest beruchte kampen in de evenaarsprovincie. Ik ben er gelukkig nooit geweest. Wanneer ze je beschuldigen van een roofoverval op une citoyenne de la République de Zaïre, word je veroordeeld tot levenslang Ekafera. Daar slapen de gevangenen op de grond in overvolle cellen en krioelt het van de insecten, ratten en parasieten. Er is geen medische verzorging en daardoor sterven de meesten er aan ziekten en ontbering. In de grote Makalgevangenis te Kinshasa, gebouwd voor 900 gedetineerden, zitten gewoonlijk 2500 tot 3000 mensen opgesloten die slechts één povere maaltijd per dag krijgen...' Hij zweeg even en keek Leemans onderzoekend aan om te controleren of zijn woorden wel voldoende indruk gemaakt hadden. 'Zal het kindje sterven?' vroeg de Belg. 'Le bébé va mourir, c'est tout! Er zal geen hulp ingeroepen worden van een dokter, omdat de moeder geen gehandicapt kind zal willen opvoeden. Dat kost de familie te veel geld en aanzien.' Leemans knikte berustend, maar het had hem duidelijk diep getroffen. De initiatie had zich op grimmige wijze voltrokken. 'Hier heerst duidelijk de wet van de sterkste... de junglewet van vechten of sterven... ik ben een moderne hel ontvlucht... een wereld van gevoelloosheid en onverschilligheid, om hier te belanden in een dierlijk paradijs van dood en corruptie... het is niet eerlijk,' zei hij ontmoedigd. 'Bereid u maar voor op de safari van morgen, anders bent u nog het slachtoffer,' antwoordde Matsombo. Papa Olito Milambo was een handelaar, een évolué die een huis bezat dat, naar Zaïrese normen, comfortabel was. Papa Milambo had zelfs kleuren-tv, een oude Remington-schrijfmachine waar hij heel trots op was, een platenspeler en een zoon die piloot was bij Air Zaïre. De zoon zoop als een tempelier. Naar zijn zeggen had hij ongelofelijk veel succes bij de vrouwen uit de buurt, omdat hij zo'n goede positie had bij de vliegmaatschappij van de president. Hij heeft wel zestig kinderen lopen, vertelde zijn vader fier. De zoon, die 'm al flink om had, al was het nog maar middag, beaamde het cijfer met glinsterende pretoogjes terwijl hij theatraal in zijn kruis kneep à la Michael Jackson. Papa Olito liep, pronkend als een pauw, theatraal door het huis. Hij schreeuwde bevelen naar de boys en de meiden, die onderdanig bogen en hem op zijn wenken bedienden, alleen al om aan Leemans en Matsombo te tonen hoe ze hem vreesden. Zijn vrouw, een enorm zwart mens van om en nabij de honderdzestig kilo, zat in de eetkamer haar geld te tellen. Het was de opbrengst van die morgen. Op de markt verkochten ze Primus tegen woekerprijzen. Iedere dag telde mama de dikke pakken Zaïre, de inkomsten van de dag. Zij regelde de uitgaven en de lonen voor de boys, het laden en lossen van de vrachtwagens en het ophalen van de Primus, wanneer er weer een lading bier was aangekomen in Matadi. En Matsombo speelde de baas over Leemans! Dat wil zeggen: hij bezat wel de sluwheid om nederig te blijven wanneer hij hem adviseerde, maar hij nam duidelijk de leiding in handen voor de trektocht door de savanne en de bush. Het moet gezegd: dat was nodig ook, want de Belg was net een onervaren kind op een gevaarlijk speelterrein. Het werd maar al te duidelijk dat de blanke totaal gedegenereerd was. De beschaafde mens heeft al zijn natuurlijke instincten verloren! Gehoor. Reukzin. Oriëntatievermogen. Leemans liep zo argeloos door de bush, dat zijn gids hem voortdurend moest beschermen tegen allerlei gevaren waarvan hij niet het minste vermoeden had. Matsombo leerde de hijgende en puffende Belg een vuur maken, een aap schieten en villen, een boa die hij geschoten had het vel afstropen, met de machete lianen doorhakken zonder in zijn eigen benen te kappen of een gevaar te zijn voor de drager die voor hem liep (Matsombo liep altijd achter hem)... en hij snauwde de drie dragers af wanneer hij zag dat de blanke hen niet meer kon volgen door de dicht begroeide junglepaden. Hij liet halt houden wanneer hij zag dat Leemans op instorten stond, want het was geen klein bier om het tempo van die inlanders bij te houden in die tropische hitte. Ook al had de Belg zich fysiek goed voorbereid, zijn uitrusting verzorgd, al maanden van tevoren allerlei informatie ingewonnen over het leven in de tropen... zonder Matsombo had hij waarschijnlijk geen vijf uur overleefd in de bush. En dat schept natuurlijk een band, wakkert vriendschap aan, laat het puur menselijke opbloeien. Ze sloegen elkaar op de schouder wanneer ze het hadden over blanke vrouwen en liefde. Ze rookten samen wiet uit één pijp, niet met de dragers want dat was personeel van Matsombo. 'Er groeit tussen ons een open hart,' had de Afrikaan eens lachend opgemerkt. Leemans was er een beetje verlegen van geworden. Na drie dagen in de bush was hij al een klein beetje voorbereid op een tocht door de savanne, waar hij wou fotograferen, en niet vanuit een Volkswagen-busje! 'Dat zijn de keutels van een neushoorn... ze zijn nog warm,' verklaarde Matsombo terwijl de dampende stront in zijn hand lag te stinken. 'Kunnen we hem benaderen, ik zou hem graag fotograferen?' vroeg Leemans vol goede hoop. 'On va voir... maar tegen de wind in, anders worden we door die agressieve kolos verpletterd,' zei Matsombo. De hitte sidderde tussen het hoge gras, de insecten waren een voortdurende marteling, maar toen er door de verrekijker een neushoorn werd waargenomen, kregen de dragers een teken om achter te blijven. Kwestie van niet te veel gerucht maken... en geur natuurlijk! Op zijn rug zat een zestal witte parasietvogels zijn huid af te pikken. Hij zwaaide agressief met zijn kort staartje. Zijn dikke kont stak krachtig naar achteren. Leemans begon te klappertanden van opwinding. 'Voorzichtig chef! Ze zien zeer slecht, maar wanneer hij onze reuk te pakken krijgt, zijn we ten dode opgeschreven... We kunnen hier geen beschutting vinden in de open vlakte... hij attaqueert als een sneltrein.' 'Is er enige vorm van veiligheid mogelijk... ik bedoel, hebben we een reële kans om het te overleven wanneer die jongen onze geur te pakken krijgt?' Matsombo maakte zijn jachtgeweer klaar, schroefde er een buis op waar Leemans gemakkelijk zijn vuist in kon steken, nam uit zijn rugzak een capsule Moro-709, schroefde er een naald op zo dik als zijn pink en klikte voorzichtig de lader dicht. 'Wat is dat voor spul?' vroeg Leemans geschrokken. 'Gewoon verdovingsmiddel voor dieren. Ik heb een capsule van tweehonderd cc geladen voor als het nodig is. De neushoorn zal zo'n twee ton wegen, dus hebben we vijftig procent kans dat we het overleven wanneer hij ons in de gaten krijgt.' 'Kun je hem vellen met die verdoving, ik bedoel, is een capsule van tweehonderd cc voldoende?' 'Als hij aanvalt en ik raak hem met de capsule, dan wordt hij gewoon razend, of hij stort neer en sterft na vijf minuten aan een adrenalineshock. Die jongens zijn een vreemde combinatie van taai en kwetsbaar.' 'Oké, we doen het. Ik reken op u, Matsombo. Ik ben niet naar hier gekomen om met de negerinnen te spelen,' grapte Leemans stoer. Hij begreep niet dat hij op dat ogenblik een waanzinnig risico nam. Toen ze ruim twee uur lang in een wijde boog door het hoge gras hadden geslopen, en ze de snuivende kolos al konden horen, die met zijn poten naar de insecten stampte, gaf Matsombo de Belg een teken dat hij voorzichtig boven het gras uit kon gluren. Met een hart dat in zijn borstkas hamerde van angst, en een droge keel van de dorst, waagde Leemans een blik en verstijfde van emotie, want de neushoorn stond op nog geen twintig meter afstand met zijn achterste naar hen toe gekeerd. Het was een enorme beleving! Een ervaring om nooit te vergeten! 'Je sens son cul, ik ruik zijn kont,' mompelde Leemans gefascineerd, maar hij had niet de moed om zijn Nikon F2aS af te drukken, uit angst dat het monster de klik van de ontspanner zou horen. 'Retournez,' fluisterde Matsombo en zijn stem klonk gedecideerd, wat beduidde dat hij geen tegenspraak duldde. Leemans zag dat zijn gids het olifantengeweer in aanslag had omdat ze in groot gevaar verkeerden. Ze slopen langzaam weg, angstvallig ieder geluid vermijdend. Leemans vloekte binnensmonds om de gemiste foto, maar tenslotte kon hij voor een kiekje geen twee mensenlevens riskeren. Hij zag in dat hij er nooit de moed toe gehad zou hebben. Toen ze na ruim een uur bij de dragers terugkwamen, werd er hartelijk gelachen, opgelucht dat alles goed afgelopen was. En de Belg, die nog een beetje wit om zijn neus zag, kreeg complimentjes voor zijn moed... ze noemden hem plagend 'de grote jager'. 'Ik ben maar een bleekscheet, onhandig in de bush en onervaren, maar ik heb de dood in de kont gekeken,' grapte hij giechelend. Matsombo klopte hem vriendschappelijk op de schouder en Leemans had zich in heel zijn hele leven nog nooit zo beloond gevoeld. 'Wanneer je die kolossen in de Zoo ziet, lijkt het allemaal heel gewoon, maar wanneer je ze observeert in hun eigen biotoop, zonder tralies of gracht voor je veiligheid, wordt het wel even iets anders. Die jongens van ruim vier meter lang zijn zeer vechtlustig en kunnen ongelofelijk snel aanvallen, Als er geen bomen of struiken zijn om in te vluchten, heb je alleen enkele seconden voor één goed koelbloedig schot... of de dood.' Leemans knikte, want hij kon erover meepraten. Toen ze na zes dagen bush terugkeerden was de Belg de uitputting nabij. Het tropisch klimaat, vooral de vochtigheid, had zijn uithoudingsvermogen zo aangetast dat Matsombo besloten had twee dagen eerder terug te keren naar Kin. In totaal hadden ze ruim 230 km aan oerwoud en savanne in de benen, ze hadden puur van de jacht geleefd, en Matsombo had Leemans met een jachtgeweer leren schieten. Op de terugweg naar Kin kwamen ze door de moerasgebieden van 'la fleuve', waar ze ontspannen genoten van de laatste dag in elkaars gezelschap. Het was allemaal de moeite waard geweest. De kosten waren flink opgelopen door het aanpassen van de uitrusting, de huur van het jachtgeweer en het loon van de dragers, maar het was heel iets anders geweest dan een safari per bus door Kenia of een toeristisch bezoek aan de Massai, waar je ansichtkaarten kunt kopen en gekoelde cola. Leemans had uiteindelijk zijn droom in vervulling zien gaan: een trektocht door de bush met een echte gids en dragers, en leven van wat de natuur te bieden heeft. En de natuur had veel gegeven! Hij had als het ware door het paradijs gedwaald. De prachtigste bloemen gezien. De vogelgeluiden en het krijsen van de apen gehoord. De vogelspin geobserveerd. Boa en struisvogeleieren gegeten. Een hinde geschoten en geroosterd. Een neushoorn benaderd tot aan de rand van de dood. En hij had gelachen om zijn eigen onhandigheid. Maar hij had ook het olifantengeweer van Matsombo over zijn schouder gedragen, met de fierheid van een kleine jongen, en de dragers hadden van plezier in hun handen geklapt. Matsombo had Leemans geplaagd met de mededeling dat zijn vrienden nu wel zin hadden in 'une nana', een griet, en dat het de gewoonte was dat 'le chef' hun in Kin 'une nana' offreerde 'pour stimuler la morale'. Ze lachten en grapten, maar toen de vogels uit het moerasgebied plots stopten met fluiten omdat ze waren opgeschrikt door een verschrikkelijk gebrul, en Leemans opzij werd geduwd door Matsombo, zag de Belg een grote, donkere schim naast zijn benen omhoogschieten. Hij werd tegen de grond gesmeten en toen hij verwilderd opkeek, zag hij dat Matsombo's benen gegrepen waren door een volwassen krokodil. Het wanhopige gillen van de neger priemde als een mes door zijn hoofd. Leemans sprong overeind, zag de dragers in panische angst wegvluchten en hoorde bot kraken in de gruwelijke muil van het moerasmonster. Bloed spatte in het rond, toen het reptiel met zijn krachtige kop schudde, en de neger in de dodelijke beet hing als een lappenpop. Leemans spande bliksemsnel het olifantengeweer, waarop het reptiel de benen van Matsombo losliet en brullend naar voren schoot. De Belg schreeuwde van angst, vloekte, zeek in zijn broek, maar schoot die smeerlap twee cartouches hagel in zijn gesperde muil. Hij zag door zijn tranen heen de keel van het monster aan flarden spatten, hoorde vaag nog het gegil van de neger... en gleed daarna weg in een donker gat. Toen Leemans weer bij bewustzijn kwam, bleken de dragers nog niet te zijn teruggekeerd. Waar de krokodil had gelegen, verscholen tussen het riet, lagen nu een bloederige en verminkte Matsombo en een verbrijzeld reptiel. De neger leefde nog, maar zijn beide benen waren vermorzeld. De ontspannen sfeer had hem zijn behoedzaamheid doen verliezen. Hij had één ogenblik niet op de omgeving gelet, en de dood had op de loer gelegen. De dragers bleven weg en Leemans droeg Matsombo, strompelend door de hitte, gekweld door de muggen, gepakt door Afrika... en de dorst... en het grootste verdriet dat hij ooit had gevoeld. Dagen later zagen enkele inlanders een blanke langs de kant van de weg zitten. Ze verwittigden hun familie en vrienden in de omliggende dorpen. De blanke zat wezenloos te staren naar een dode 'citoyen' die hij in zijn armen gekneld hield. De 'citoyen' was totaal verminkt en in staat van ontbinding. Toen de inlanders de zittende man probeerden te benaderen, hief hij een klaagzang aan die leek op het huilen van een wolf. Nog nooit hadden ze een blanke zo over een zwarte zien rouwen. De vrouwen verzamelden zich en plengden tranen, hieven een treurzang aan en strooiden zand over de beide mannen uit als blijk van medeleven, want ze zagen dat een blanke 'chef' hun broeder was geworden. * * * 'Wat Afrika zo speciaal maakt is de levenslange verbondenheid, de knagende weemoed, het gevoel van verloren zijn, alsof je iemand bent die uit het aardsparadijs is verstoten en nu als een vreemdeling ronddwaalt in zijn geboorteland. Het is een rusteloosheid die voor de rest van je leven aan je knaagt,' mompelt hij afwezig. De vrouw knikt en houdt wijselijk haar mond. Als toerist kun je beter niet in discussie gaan met een ervaren gids die vergroeid is met de tropen. Hij lijkt haar het type dat thuishoort in iedere willekeurige B-film over de jungle. Niet alleen door zijn jachtkleding en de jungle-boots, ook niet door het grote jachtmes of de gespierde armen, maar door zijn vastberaden persoonlijkheid. Hij maakt de indruk van een man die gehard is door het leven. Hij lijkt taai en onverwoestbaar, en in zijn ogen ligt de blik van de beroepsjager. 'Afrika bezoeken ja, maar je eraan hechten, dat zie ik mij toch niet overkomen,' reageert ze voorzichtig. 'Het wordt je dood nadat je vroegere persoonlijkheid is zoekgeraakt in het Eden, het is een paradijs waar prachtige mensen wonen...' Hij luistert niet eens naar haar. Hij vertelt een onduidelijk verhaal over Zaïre, terwijl ze per taxi van de luchthaven naar het hotel rijden, over heet asfalt, langs eentonige rechthoekige gebouwen. Het is de grote verbindingsweg tussen Banjul en Serrekunda. Het is de enige twintig kilometer lange weg van vier rijstroken die Gambia rijk is. Ze onderbreekt zijn monoloog: 'Ik wil batiklappen kopen voor mijn vriendinnen en houtsnijwerk... en ik wil de krokodillenvijver bezoeken.' 'Wat?' vraagt hij nijdig. Ze schrikt. 'De krokodillenvijver... voor 10 dalasi kan dat, zeiden ze in het hotel.' De chauffeur krijgt een geschreeuwd bevel in het Mandinka en brengt de taxi met krijsende remmen tot stilstand. De gids stapt uit en zegt vastberaden: 'Ook al hebt u mij betaald, mevrouw, ik ga niet naar de krokodillenvijver!' Wanneer ze hem stomverbaasd aanstaart, ziet ze tranen in zijn ogen blinken. Hij draait zich snel om en loopt moederziel alleen verder over de stoffige weg, richting Banjul. Het is inmiddels negen jaar geleden dat hij per Boeing 707 van Zaventem naar Kinshasa is gekomen. YVAN RAES werd in 1950 te Dendermonde geboren en woont in Antwerpen. Hij is componist. Hij schrijft al zijn hele leven en publiceert nu voor het eerst. Zijn grote streven: compositie en literatuur te verenigen in een modern musicalgenre. Momenteel werkt hij aan een roman, een thriller en een reisverhaal (Het Portugees portulaan).