Een dilemma van percepties: De tweeling van Tessa de Loo W.F. Jonckheere Vijftig jaar na D-Day In juni 1995 werd overal in de wereld, maar vooral in Europa, de vijftigste verjaardag van het einde van de Tweede Wereldoorlog op grootse wijze herdacht. Emotionele toespraken werden onder meer te London en te Parijs en op sommige beroemde of beruchte slagvelden door de grote leiders van deze wereld gehouden en duizenden mensen en oudstrijders namen deel aan optochten en vreugdefeesten. Het is duidelijk dat de Nazi-terreur nog velen vers in het geheugen zit. Daartoe draagt natuurlijk ook de enorme film- en boekproduktie om de Tweede Wereldoorlog bij. De literatuur die wereldwijd om deze oorlog is ontstaan, is thans niet meer te overzien. Ook in de Nederlandse letterkunde is een enorm corpus om dit onderwerp gegroeid, hetgeen weer eens duidelijk bleek uit het "Boekenweek-Magazine" van maart 1995, getiteld De vijftigste mei, gepubliceerd door de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek. Hieruit blijkt ten eerste dat de meeste grote Nederlandse schrijvers van de voorbije halve eeuw in een of ander stadium zich met de oorlogsthematiek hebben bezig gehouden. Ik noem hier enkele prominente namen: Willem Frederik Hermans, Dirk Ayelt Kooiman, Marga Minco, Marcel Möring, Harry Mulisch, Nelleke Noordervliet, Ward Ruyslinck, Simon Vestdijk, Theun de Vries. Aan deze korte lijst moet ook de naam van Tessa de Loo toegevoegd worden met haar werk De tweeling, een controversiële roman die in oktober 1993 verschenen is. Het ging hier om een publicatie die sommigen de schrijfster niet in dank hebben afgenomen. Het was ook verbazend dat Tessa de Loo zo plots voor de dag was gekomen met een roman waarvan de actie zich grotendeels afspeelt in de Tweede Wereldoorlog die zij zelf niet eens had meegemaakt. Men kende haar als de schrijfster van de opspraakwekkende verhalenbundel De meisjes van het suikerwerkfabiek (1983), de roman Isabelle (1985), door de pers afgekraakt als psychodraak en keukenmeidenlectuur, de roman Meander (1986) en de novelle Het rookoffer (1987). Een paar jaar later De tweeling, volgens Reinjan Mulder (NRC, 16.9.94) de eerste Nederlandse roman die geheel aan de Nederlands-Duitse verhoudingen is gewijd en daarom in Nederland onmiddellijk sterk aansloeg. De bestseller van 1994 Binnen het jaar verschenen er niet minder dan vijftien drukken van De Loo's boek en gingen in Nederland en België 130 000 exemplaren over de toonbank, wat De tweeling dé Nederlandse bestseller van 1994 maakte. Kort daarop ontving de auteut voor dit werk de "Publieksprijs voor het Nederlandse Boek" van de Stichting voor de Promotie van het Nederlandse Boek. Hierna volgde ook nog de "Otto von der Gablentzprijs" van het Instituut voor Internationale Betrekkingen Clingendael, een prijs die wordt toegekend aan auteurs die bijdragen aan de verbetering van de verstandhouding tussen Nederland en Duitsland. Als men Mekka. Jaarboek voor lezers 1995 er op naslaat, dan stelt men vast dat De tweeling bijna zonder uitzondering voorkomt in de "Toptien van (keten)boekhandels en andere jaarlijsten" van 1994. In juni 1995, dus een kleine twee jaar na de publikatie van De tweeling, is deze roman al aan zijn negentiende druk toe en staat hij nog steeds op de vierde plaats van de "Top 10 fictie" lijst van Vrij Nederland, waarin buitenlandse én Nederlandse romans zijn opgenomen. Blijkbaar zijn de vertaalrechten van deze roman ook al aan tien landen verkocht. Toch betekent dit niet dat de Nederlandse literaire kritiek onverdeeld gunstig over deze roman oordeelde. De opinies lagen heel sterk uit elkaar en trouwens, als men naar het genoemde Mekka Jaarboek kijkt, staat De Loo's jongste roman in de "Toptien" lijst van slechts twee recensenten van het dertigtal dat men benaderd had. Het Nederlands leespubliek dacht er klaarblijkelijk helemaal anders over. Waarom al die prijzen en wat maakt deze roman zo bijzonder? De hoofdzaaak is dat Tessa de Loo het gewaagd heeft - iets wat voor sommigen niet mocht - om de zuiver menselijke kant, dit wil zeggen meer de "misčre"dan iets anders, van een aantal Duitsers, en één vrouw in het bijzonder, tijdens de oorlogsjaren op zo neutraal mogelijke wijze te beschrijven én te juxtaponeren met het verhaal van de zuster van die Duitse vrouw in Nederland in diezelfde periode. De roman is eigenlijk een raamvertelling die retrospectief aangeboden wordt en met een handeling die zich op verschillende tijdsvlakken en in ideologisch opponerende ruimtes afspeelt. Daardoor worden boeiende sprongen tussen verschillende geografische ruimtes gemaakt én tussen het vertelheden en een persoonlijk beleefd verleden die de leesaandacht stimuleren en de kans op eentonigheid voorkomen. De tweeling De Loo's derde roman gaat over twee vrouwen, Anna en Lotte Bamberg, een Duitse tweeling uit Keulen, die in 1922, door de voortijdige dood van de ouders én door het ondoordachte, zelfzuchtige optreden van de familie, op zesjarige leeftijd van elkaar gescheiden worden, zodat de ene zuster, Lotte, die ziekelijk is, in Nederland belandt en de tweede, Anna, op de voorvaderlijke boerderij aan de rand van Lippe en van het Teutoburgerwald in Duitsland. Ieder van hen zal van nu af haar eigen leven leiden in twee totaal verschillende gemeenschappen. Anna heeft het hardste bestaan, doordat zij bij haar oom Heinrich is beland die aan haar de voorkeur had gegeven om bij hem te komen wonen omdat zij de gezondste en sterkste van de twee zusters was en hij haar goed kan gebruiken als goedkope werkkracht. Lotte is er beter aan toe bij haar Nederlandse familie bestaande uit drie meisjes, een zorgzame moeder en een enigszins neurotische vader met sterk communistische sympathieën en een grote liefde of zelfs obsessie voor klassieke muziek. Hiermee wordt het begin ingeluid van Lotte's vernederlandsing, terwijl Anna de Duitse blijft die zij altijd voorbestemd was te zijn. Het vertelheden van De tweeling ligt op het moment dat Lotte al 74 is en bezig is om een gezondheidskuur tegen artrose in het wereldbekende Belgische stadje Spa te ondergaan, waar Anna bij toeval ook om dezelfde reden naar toe is gegaan. Laatstgenoemde is het dan ook die de vervreemde zuster na vele jaren herkent, waardoor een uitgebreide reconstructie van het verleden mogelijk gemaakt wordt. Om beurten worden beide zusters elkaars luisteraars in deze raamvertelling en wij als lezers natuurlijk ook. Door middel van een lange reeks "flashbacks" die op verschillende plaatsen in de stad verteld worden, begint langzamerhand een beeld van beider leven in Duitsland en Nederland te ontstaan, waarbij de hoofdklemtoon valt op - en dus ook de meeste verteltijd gewijd wordt aan - de wederzijdse ervaringen in de Tweede Wereldoorlog. Dáárom gaat het vooral in deze roman. Anna kan zich na een aantal jaren loswerken uit de wurggreep van haar oom op de boerderij en slaagt erin om als dienstmeisje aangenomen te worden bij een adellijke familie ergens op een kasteel in Pruisen waar ze een veel gemakkelijker bestaan leidt, ondanks het feit dat de oorlog nu is uitgebroken. Ze maakt ook kennis met een Oostenrijker, Martin Grosalie, die als SS-soldaat in het Duitse leger dient en met wie ze tegen het einde van de oorlog zal trouwen. Veel geluk is haar niet beschoren, want hij wordt kort daarna met een paar manschappen in zijn vrachtwagen door een voltreffer gedood. Zij doorstaat ook talloze bombardementen en wordt vluchtelinge in eigen land. In de chaotische dagen van het einde van de oorlog probeert ze zich nog als Rode Kruiszuster nuttig te maken om het lijden van anderen te verlichten tot de miserie en de oorlog eindelijk ophouden. Lotte heeft het oorlogsgebeuren natuurlijk van de kant van de slachtoffers beleefd. Na veertien jaar in Nederland doorgebracht te hebben, is ze helemaal vernederlandst in haar doen en denken, heeft de oude banden praktisch vergeten, maar wordt toch tot in het diepste van haar ziel geraakt wanneer haar zelfzuchtige pleegvader haar op een dag voor "moffin" uitscheldt terwijl zij hem erop betrapt voedselvoorraden voor zichzelf achter te houden waar hij geen recht op had. Helemaal is ze haar herkomst nog niet vergeten, maar voor de Nazi's en hun rassenbeleid heeft ze alleen maar verachting. Des te meer nog omdat haar vriend, David, die Joods is, gearresteerd wordt en spoorloos zal verdwijnen. Zoals vele anderen en ondanks de ontbering die de familie lijdt, helpt zij mee om Joden te verbergen voor de bezetter. Na de oorlog treedt ze ten slotte in het huwelijk met een oude vriend, de vioolbouwer Ernst Goudriaan, met wie ze verder een rimpelloos bestaan zal leiden. Een door Anna georganiseerde ontmoeting van de twee zusters, net na de oorlog, zal slecht aflopen vooral omdat Lotte, verbitterd door het oorlogsgebeuren, niet meer in staat is haar zuster als zuster of bloedverwant te zien, maar als vertegenwoordigster van een volk dat in haar ogen en die van het bevrijde westen, verachtelijk geworden is. Beiden hebben veel ellende doorstaan maar kunnen elkaar niet meer op menselijk vlak vinden. Zo zal het ook blijven wanneer beiden als oude dames door het lot weer in elkaars gezelschap gedwongen worden en de tragische vervreemding zich bestendigt ondanks momenten van toenadering. Doelbewuste provocatie In een interview met Ad Fransen, gepubliceerd in HP/De Tijd (29.10.1993), maakte Tessa de Loo duidelijk dat ze haar roman als een doelbewuste provocatie had ontworpen van een bepaalde mentaliteit en het ingeburgerd vooroordeel van de gemiddelde Nederlander ten opzichte van alles wat Duitser en Duitsland is: "De strijdbijl moet nu eindelijk maar eens worden begraven," zegt ze. Ze erkent dat ze zelf met deze opvattingen over de Duitsers is opgegroeid en dat een bijzondere gebeurtenis in haar leven haar tot andere inzichten heeft gebracht. Dat was de ontmoeting in 1985 in Frankrijk met een bejaarde Duitse dame, een zekere Maria Hesse, die als een doorsnee burger de oorlog in Duitsland had meegemaakt en overleefd. De felle gesprekken met Maria moeten een metamorfose in het eigen denken van de schrijfster veroorzaakt hebben: "Deze vrouw gaf een versie van de oorlog, een visie op de Duitse geschiedenis die totaal indruiste tegen de ideeën die ik van huis uit had meegekregen. [...] Mijn kijk op de Duitsers, mijn visie op de oorlog is door haar 180 graden omgedraaid. Ik ben gaan begrijpen hoe het was om je als gewone hardwerkende vrouw staande te houden in het vooroorlogse en oorlogse Duitsland." Het is duidelijk dat we hier te maken hebben met een geval waar een toevallig ontmoete persoon een model is geworden voor de schrijver: Maria Hesse is ongetwijfeld gereďncarneerd in het personage Anna Bamberg van De tweeling, terwijl de oorlogservaringen van diverse familieleden van Tessa de Loo zich herhalen in het leven van Anna's tweelingzuster, Lotte. Zo wist de schrijfster boeiende personages te scheppen. Hetzelfde geldt voor de intrigerende handeling van haar roman, waarvoor ze blijkbaar enorm veel onderzoek heeft moeten doen en bergen secundaire literatuur heeft moeten verwerken om de historische achtergrond zo geloofwaardig mogelijk te maken. De Loo heeft met haar roman echter heftige en ook uiteenlopende emoties opgewekt in Nederland juist omdat er nog zoveel mensen leven die de oorlog zelf hebben meegemaakt en nog steeds als vroeger op dezelfde wijze over de Duitsers denken. Deze groep wordt gesterkt in haar opinie door een vrij groot aantal jongere mensen die geen enkele persoonlijke herinnering aan de oorlog hebben, maar toch gemakkelijk anti-Duitse gevoelens ventileren (Müller 1993). Velen onder hen waren gechoqueerd dat De Loo een andere zienswijze durfde voorstellen dan de traditionele die ál de Duitsers, of ze nu Nazi's waren of niet, Duitse soldaten of gewone burgers, vijftig jaar na de oorlog nog altijd als "moffen" bestempelt. De bekende dichter-criticus Hans Warren, bijvoorbeeld, bestempelde De Loo botweg als een "landverraadster" wat natuurlijk hard aankomt van iemand als hij. Daar tegenover staat dat een deel van het Nederlandse leespubliek liet blijken dat het De Loo's visie juist verhelderend en inzichtgevend vond, een welkome vernieuwing in de stereotypische visie op de Duitser uit de jaren veertig. Wat dit laatste betreft kan dus wel gezegd worden dat De tweeling een heilzaam effect bij een deel van het Nederlandse leespubliek gehad heeft, wat op zichzelf al waardevol is. Literaire waarde Gezien vanuit het typisch modernistische standpunt dat het goede literaire werk altijd verteltechnisch of anderszins vernieuwend moet zijn, beantwoordde De tweeling niet bepaald aan de verwachtingen of vereiste criteria. Daar ging het De Loo ook niet in de eerste plaats om. Haar bedoeling was, zoals reeds aangeduid, om op een ander, dat wil zeggen ideologisch gebied vernieuwing te bewerkstelligen: op dat van de Nederlandse perceptie van een deel van de Duitse bevolking dat zelf slachtoffer was geworden van een boosaardig regime, een regime waarvoor De Loo natuurlijk geen enkel excuus aanbiedt. De tweeling is qua structuur inderdaad een vrij traditionele raamvertelling met alleen deze variatie dat het relaas van de beide zusters niet in de eerste maar in de derde persoon enkelvoud wordt verteld, maar dan wel zó dat meer vertelling aan de Duitse Anna wordt afgestaan dan aan de vernederlandste Lotte, hetgeen begrijpelijk is omdat Anna het meest traumatische bestaan van de twee zusters leidt. Anna is dan ook de dramatische romanfiguur waarmee De Loo de Nederlandse lezer wil overreden om tot andere inzichten te komen. Anna's verhaal is trouwens ook meer geladen en tragischer dan dat van haar zuster. Het idee om van een tweeling gebruik te maken kan ook geslaagd genoemd worden, vooral waar het gaat om een tweeling waarvan de ene zuster in Duitsland achterblijft en de andere vernederlandst. Hierachter schuilt natuurlijk de deterministische opvatting dat omstandigheden buiten het beheer van het individu in grote mate de mens conditioneren tot wat hij of zij is en wordt. Zo wordt deze tekst gestalte van De Loo's eigen conflict, verdeeld als ze is tussen twee sympathieën: enerzijds de stem die veroordeelt en anderzijds de poging om te overtuigen van het tegendeel. Op het einde heeft Anna haar Nederlandse zuster niet van haar lijden en gevoel van verworpenheid kunnen overtuigen en haar plotselinge dood maakt dat ook verder onmogelijk. De roman is dus zo gestructureerd dat het uiteindelijke oordeel aan de lezer overgelaten wordt, wat De Loo heel effectief doet. Karel Osstijn (Standaard der Letteren 23.11.1993) zegt terecht dat De tweeling "een balans opmaakt voor het door kultuurschokken geteisterde Europa". Daarover spreekt de schrijfster niet in absolute termen en als auteur is ze er ook van overtuigd dat een verhaal dikwijls meer overtuigingskracht heeft dan een geleerd betoog of essay. Vandaar de geslaagde keuze om de historische Maria Hesse te fictionaliseren en haar als het ware te splitsen in een tweeling, waarvan het tweede lid haar tegenpool wordt, de antagonist die haar drijft tot zelfrechtvaardiging en die zelf prototypisch is voor de gemiddelde Nederlander. Voorwaar een verhaalstof met boeiende mogelijkheden. Kibbelen bij de koffie Soms krijgt men echter het gevoel dat De Loo niet al haar mogelijkheden uitgebuit heeft en geneigd is tot groteskheid. Dat is bijvoorbeeld het geval met de ruimtes waarin de beide vertellers, Anna en Lotte, hun uitgebreid relaas weergeven. De Loo plaatst hen steeds in koffiehuizen en restaurants van het intens burgerlijke stadje Spa waar ze bij het gebruik van vele taartjes, maaltijden en drank de gruwelen van de oorlog en hun lange reeks levensperikelen zitten te vertellen: "Kibbelen bij de koffie", zo luidt de titel van Osstijns recensie. De luxueuze Belgische restaurants kunnen nu niet precies een geloofwaardig kader genoemd worden waar men dit soort depressieve vertelling zou doen. Als De Loo daarmee bepaalde effecten heeft willen bereiken - een soort contrastwerking misschien - dan zijn die niet geslaagd te noemen. De ruimte doet eerder triviaal en zelfs grotesk aan temidden van de opgeroepen ontbering, al kan men daar tegenover stellen dat oorlogvoeren ook veelal grotesk is. Men zou ook kunnen discussiëren over de vraag of De Loo haar vertelstof, met zijn boeiende problematiek en interessante personages, op de best mogelijke manier heeft aangeboden. Allereerst is het interessant om vast te stellen dat sommige recensenten helemaal niet op deze kwestie ingaan, terwijl anderen, zoals bijvoorbeeld Arjan Peters in De Volkskrant (12 nov. 1993) en Jeroen Vullings in Vrij Nederland (8 jan. 1994) zich eraan doodergeren. Vullings is van mening dat De Loo er beter aan had gedaan haar "en-toen-en-toen" verhaal niet in afwisselende vertellingen van Lotte en Anna aan te bieden, maar als twee met elkaar contrasterende afzonderlijk vertelde verhalen, voorzien van een pro- en epiloog. Niet iedereen zal zijn opinie delen. Arjan Peters daarentegen vindt dat er structureel of anderszins niets te redden is aan deze roman en dat hij beter ongeschreven ware gebleven, vooral omdat het hier gaat om een roman en een gebeurtenis die niet vanuit een "persoonlijke gedrevenheid", zoals hij het noemt, zouden zijn ontstaan en te veel naar de uitgebreide navorsing ruiken die het schrijven van deze roman is voorafgegaan. Ook meent hij dat De Loo's roman naast de werkelijke problematiek tast: "Het wantrouwen van veel oudere Hollanders ten aanzien van de Duitsers is geen vooroordeel dat voortspruit uit onwetendheid, maar een denkbeeld dat gekoesterd wordt omdat het stoelt op oorlogsleed dat een mensenleven blijvend tekent". Wat Peters beweert is ongetwijfeld waar, maar daarom is De Loo's misschien vereenvoudigde visie op de problematiek nog niet onwaar. Dit doet haar roman niet aan geldingskracht verliezen. Het lijden van de niet strijdende en onpartijdige Duitse burgers tijdens de oorlog, waarover De Loo het voornamelijk heeft, is óók waar geweest, en voor veel Nederlanders die De tweeling lazen, scheen dit toch een openbaring te zijn. Vandaar de enorme correspondentie die deze roman gegenereerd schijnt te hebben. In een onderhoud (Trouw, 11 nov. 1994) zegt De Loo: "Ik heb nog nooit zoveel post gekregen als naar aanleiding van dit boek. Er wordt veel over gediscusieerd, niet alleen in literaire kringen. Het wordt op scholen gelezen. Ik heb van leraren gehoord dat ze hun leerlingen bijna dwingen het te lezen om de jongere generatie beter te informeren". Sociologisch boeiend geval We hebben hier met een belangwekkend sociologisch verschijnsel te maken. Aan de ene kant is De tweeling een roman die esthetische gebreken vertoont en tegen zekere regels van de moderne vertelkunst zondigt, maar aan de andere kant is het een tekst die door duizenden verslonden wordt, hetgeen blijkt uit de enorme verkoopcijfers van deze roman. De vraag is wat men nu belangrijker moet achten: het argument van zekere literaire critici die veel op- en aanmerkingen hebben over deze tekst, of de zeer positieve receptie van dezelfde tekst door een groot leespubliek dat zich associeert met een vlot verteld verhaal. Het gaat hier om een publiek dat nu bereid is om kennis te maken met en zich in te leven in het lijden van niet-betrokken Duitse burgers uit de Tweede Wereldoorlog, die zelf slachtoffer werden van een vernietigingsproces dat door de eigen natie in deze oorlog ontketend werd. Ik denk dat we een fout zouden maken wanneer we het tweede alternatief miskenden. Volgens mij biedt De tweeling interessante perspectieven voor ZuidAfrika en zijn literatuur, waar men zich in dit land zopas heeft losgemaakt van een regime dat ook door racistisch geweld gekenmerkt werd. Men kan bijvoorbeeld de mogelijkheid voorzien dat er eenmaal een zwarte Zuidafrikaanse auteur op het idee zal komen om een roman te schrijven waarin hij of zij het waagt om een beeld te scheppen van een Afrikaner gemeenschap waarvan de leden geen flauw idee hebben van het lijden en de vernedering die het apartheidsbeleid andere groepen in dit land aandoen en hoe deze individuen ten slotte ook ten onder gaan aan het zelfvernietigende systeem dat door de eigen gemeenschap ontworpen is. De parallel met de situatie in De tweeling gaat natuurlijk maar ten dele op. Op dit ogenblik zou dat onderwerp in Zuid-Afrika nog taboe zijn, zoals dat in Nederland geruime tijd ook het geval was met de thematiek van De Loo, maar het kan er eenmaal wel van komen. Daarom is het ongetwijfeld belangrijk om ons ook in Zuid-Afrika bezig te houden met een tekst als De tweeling, die ondanks bepaalde zwakheden toch ook zijn kwaliteiten heeft. Ongetwijfeld mag deze roman perspectief-verruimend genoemd worden en draagt De Loo's tekst ook bij tot de afbraak van een hardnekkige Nederlandse mythe: die van de slechtheid van alle Duitsers in de Tweede Wereldoorlog, wat sedertdien geleid heeft tot een diep gezeteld vooroordeel tegen alles wat Duits is. Bij heel wat lezers doorbreekt zij dus een specifieke en een door massadenken geconditioneerde verwachtingshorizon. Verdienstelijk is ook het goed vertelde relaas van Anna's leven. Als zodanig is het beslist boeiender dan dat van Lotte. Het is duidelijk dat het De Loo hoofdzakelijk om de biografie van eerstgenoemde te doen was en niet zozeer om die van Lotte, hoewel die toch functioneel aangewend wordt. Het effect is essentieel Is het te rechtvaardigen dat we een roman van de hand wijzen omdat hij niet helemaal aan de literair-esthetische normen voldoet, zondigt tegen bepaalde regels van de vertelkunst, maar intussen toch duizenden lezers op een moreel vlak aanspreekt, en daardoor, zoals gezegd, op de vierde plaats van de "Top 10 Fictie" staat? Tessa de Loo's werk schijnt aan een duidelijke behoefte te beantwoorden en ook voor Zuid-Afrika is deze tekst van belang en kan hij velen aan het denken zetten. Dat zijn geen onbelangrijke feiten, die men zomaar van de hand kan wijzen, zelfs al is de publieke smaak en opinie in het algemeen even weinig constant als het oordeel van critici. De Loo heeft haar werk voor het Nederlands leespubliek en niet voor de recensenten geschreven en bij die grote massa schijnt zij weerklank te vinden. Verdere studie van deze roman zal zich daarom hoofdzakelijk met het effect van dit boek moeten bezighouden en hoe dit verklaard en geëvalueerd kan worden. De hele kwestie roept zekere echo's op van de receptie van André Brinks werk in Zuid-Afrika én elders in de wereld in de jaren tachtig: in eigen land werden hem dikwijls verwijten van louter narratologische aard naar het hoofd geslingerd, terwijl men hem elders in de wereld bijna eenparig bleef prijzen om de ideologische boodschap van zijn werk die toch de essentie ervan was. Brinks geschut was ook tegen de lokale mythevorming gericht. Het ziet ernaar uit dat een soortgelijk afbraakproces ook met de receptie van De tweeling in Nederland plaatsvindt. Interessant dat Dirk Schümer, literair redacteur van de Frankfurter Allgemeine Zeitung, vrij positief tegenover De tweeling staat. Hij beseft dat het hier niet om grote hedendaagse literatuur gaat, maar hij noemt De tweeling toch "een opmerkelijke historische roman". Schümer beweert verder dat de Nederlandse critici de karakterbeelden van Anna en Lotte misschien als metaforen voor de Duitse en de Nederlandse cultuur interpreteren en dat zij daarvan niet gediend zijn en er zich zelfs door geprovoceerd voelen. Het feit dat andere lezers zich wel sterk aangesproken voelen, verklaart hij met "het argument dat er intussen een generatie van lezers is ontstaan die bereid is na te denken over de vooroordelen over de collectieve schuld van de Duitsers aan het nationaal-socialisme" (NRC 19 sept. 1994). Ongetwijfeld zal De tweeling nog heel wat stof doen opwaaien in Nederland. In Zuid-Afrika met zijn tragisch verleden, kan deze tekst onderwerp van zinvolle, opbouwende gesprekken worden. Universiteit van Natal, Pietermaritzburg E-pos: jonckheere@afrik.unp.ac.za Bibliografie Anbeek, T. e.a. (reds). 1995. De vijftigste mei. Amsterdam: Stichting CPNB. De Loo, Tessa. 1993. De tweeling. Amsterdam: De Arbeiderspers. Fransen, Ad. De Tijd, 29 okt. 1993 Kunkeler, Jet. Trouw, 11 nov. 1994 Mekka. Jaarboek voor lezers 1995. Amsterdam/Antwerpen: Nijgh & Van Ditmar / Dedalus Mulder, Reinjan. NRC Handelsblad, 19 sept. 1994 Müller, B. 1993. Sporen naar Duitsland. Het Duitslandbeeld in Nederlandse vormen: 1945-1990. Aachen: Alens Verlag. Osstijn, Karel. De Standaard der Letteren, 20 nov. 1993 Peters, Arjan. De Volkskrant, 12 nov. 1993 Schümer, Dirk. NRC Handelsblad, 19 sept. 1994 Vullings, Jeroen. Vrij Nederland, 8 jan. 1994 Wilcke, Mieke. Nederlands Dagblad, 18 dec. 1993 Wolde, Matthé ten. 1995. De doem van het succes. Diepzee, 13, 1, sept., p. 19-22