De achterkant van de Top Tien: Nederlandse problemen in de literatuur Eep Francken Bestaat Nederland nog wel? Die vraag komt bij veel landgenoten op, als zij nadenken over de opmarcherende internationalisering. Volgens het accoord van Schengen ligt onze zuidgrens feitelijk aan de kust van de Algarve en beschermt de Duitse douane aan de Oder en de Neisse ook ònze oostgrens tegen Oosteuropese immigratie. In Amsterdam heb je obers die geen Nederlands spreken en een andere dienstverlener, J.M.M. Ritzen, heeft als minister van onderwijs in het vorige kabinet, zijn roem gevestigd met het idee, onze universiteiten te verengelsen. Toen heeft er in Italiaanse kranten gestaan: "Nederland schaft zijn taal af." In Nieuw-Zeeland heeft de landelijke neerlandicus, Kees Snoek, een aantal krantestukken moeten schrijven om dit ook aldaar doorgesijpelde bericht tegen te spreken. Het is waar dat Ritzens voorstel uiteindelijk tot een tegengesteld besluit geleid heeft: de Tweede Kamer heeft vastgelegd dat op alle universiteiten het Nederlands de voertaal is. Maar ook is waar dat de minister van onderwijs in het huidige kabinet opnieuw J.M.M. Ritzen heet. Nationalisme is in Nederland lange tijd een taboe geweest. Het volkslied, het Wilhelmus, kon (afgezien van officiële plechtigheden) alleen nog maar gezongen worden in het voetbalstadion zonder dat de zangers zichzelf verdacht maakten. Zoals bekend ligt het begin van het Nederlandse gemeenschapsgevoel aan de waterkant: bij het inpolderen en drooghouden. Die activiteiten beoefen je gezamenlijk: wie volgens rooster aan de beurt is om het gat in de dijk met zijn vinger dicht te houden, moet op tijd afgelost worden, omdat er anders een ramp gebeurt. Het is dan ook niet zo vreemd dat de dreigende overstroming van begin 1995 een prikkel geweest is voor de discussie over de Nederlandse identiteit, die onder invloed van twijfels over de Europese eenwording toch al flink op gang was. In die watersnoodtijd signaleerde men de terugkeer van oud-vaderlandse zegswijzen en uitdrukkingen die sinds de jaren vijftig niemand meer gehoord had: "met man en macht", "handen uit de mouwen" en zelfs waren we weer: "jongens van Jan de Witt". Toen duidelijk werd dat de overstroming helemaal niet doorging, begon premier Kok ook nog eens over een "Nieuw Deltaplan". Nederland is terug, kan men zeggen, althans in de discussie. Een geschikt ogenblik, hoop ik, om een kant van de Nederlandse identiteit te bespreken, en in te gaan op de twee grote onderwerpen in onze moderne literatuur: "de oorlog" (dit is de Tweede Wereldoorlog, voor Nederland 1940-'45) en "Indië" (dit staat voor het Nederlandse kolonialisme van de 17de eeuw tot onze tijd, in onder andere Suriname en de Nederlandse Antillen, maar vooral in Indonesië, voorheen Nederlands-Indië). Iedereen die de Nederlandse literatuur volgt, kent veel oorlogsboeken. Het bekendst is het werk van Anne Frank -- zij zal wel de meestverkochte Nederlandse auteur in het buitenland zijn. Het onderwerp springt er óók uit voor wie kijkt naar de zogenaamde Grote Drie van de naoorlogse literatuur. Bij twee ervan, Hermans (1921-'95) en Mulisch (1927), beheerst de oorlog een groot deel van hun werk. Hermans beschouwt oorlog als de situatie waarin bij uitstek de waarheid aan het licht komt. Dan blijkt het duidelijkst hoe de mens is en wat het leven voorstelt: "moedwil en misverstand" (de programmatische titel van zijn eerste verhalenbundel) beheersen alles en iedereen. Men kan nergens op vertrouwen, overal is onzekerheid, pogingen tot verbetering zijn zinloos. De waarheid is dat de waarheid ongrijpbaar is, niet te achterhalen. Al schrijvend over de oorlog wil Hermans dus algemenere, filosofische ideeën (van nihilistische aard) uitdrukken. Harry Mulisch blijft dichter bij de concrete oorlog, onder meer met een aantal boeken over het schuldprobleem. Na een roman over een Amerikaanse oorlogsmisdadiger (Het stenen bruidsbed, 1959) en een jammer genoeg minder bekend, als "reportage" aangeduid boek over de Duitse oorlogsmisdadiger Adolf Eichmann (De zaak 40/61, 1962) kwam hij in 1982 met De aanslag. In dit boek blijft de schuldvraag een vraag. Het is in Nederland Mulisch' grootste succes, tenminste tot nu toe. De film De aanslag, die het boek opvallend nauw volgt, won in Amerika een Oscar. De roman is ook veel vertaald. Er zou nog een hele reeks andere schrijvers van oorlogsliteratuur te noemen zijn, waaronder ook jongere. Er is hier een "tweede generatie" aanwijsbaar, van schrijvers die in de oorlog kind waren, of nog niet eens geboren. Bij voorbeeld Judith Herzberg (1934), met het (ook verfilmde) toneelstuk Leedvermaak (1982), en Leon de Winter (1954). Iedereen die de Nederlandse literatuur volgt, leest bovendien veel over de koloniën, althans veel over (voorheen) Nederlands-(Oost-) Indië. Multatuli, Louis Couperus, E. du Perron horen tot de reuzen van de Nederlandse literatuur. Maar ook dit onderwerp werkt de laatste tientallen jaren door. De erkenning van de zelfstandige republieken Indonesië (1949) en Suriname (1975) betekende een eind van de koloniale relatie, maar was ook een impuls voor de koloniale literatuur. Er is veel geschreven over de verhouding tussen de koloniën en het moederland, en ook over de relatie tussen de verschillende groepen in de koloniale samenleving. Bovendien is de verhouding tussen bepaalde personen "over de groepsgrens heen" een geliefd onderwerp. Waarom schrijven de Nederlanders altijd maar weer over die eeuwige twee onderwerpen? Die vraag dringt zich op, nu zowel Nederland als Indonesië hun vijftigste bevrijdingsdag achter de rug hebben. eens gesteld, en beantwoord, maar niet op een bevredigende manier. "In Nederland gebeurt nooit iets", luidt een verklaring. Het leven zou in Nederland zo mateloos saai en onbelangrijk zijn dat er niet over te schrijven valt (tenzij op de manier van de dichter Slauerhoff, die "In Nederland" immers wilde leven noch sterven, en over het water in onze grachten liet weten: "Het vloeit zo traag als Neerlands bloed in de adren"). Goed, er zijn misschien landen waar meer gebeurt, maar ook de Nederlandse geschiedenis heeft zijn spannende momenten. De watersnood (1953); de koude oorlog tegen het communisme met als hoogtepunt van dreiging de Russische inval in Hongarije (1956); de liberale culturele revolutie van de jaren Zestig met Provo; krakersrellen, drugsproblemen, de fluwelen machtsgreep van het kapitalisme en de bedreiging van gemeenschappelijke belangen door groepsbelangen in onze tijd. Men kan niet zeggen dat er niet over geschreven is, maar het valt alles in het niet bij "oorlog" en "Indië". Dit springt opnieuw in het oog als men de lijst van meestverkochte boeken bekijkt, zoals die eind 1994 is afgedrukt in Vrij Nederland (24 december). Als ik me beperk tot de Top Tien van de rubriek "fictie", dan geeft die lijst het volgende: Wilde zwanen (Jung Chang) De tweeling (Tessa de Loo) Heren van de thee (Hella S. Haasse) Schindler's lijst (Thomas Keneally) Het vonnis (John Grisham) De vuist van god (Frederick Forsyth) Indische duinen (Adriaan van Dis) Domweg gelukkig in de Dapperstraat (Nederlandse dichters) Blauwe maandagen (Arnon Grunberg) Over de liefde en andere duivels (Gabriel Garcia Marquez) Tot mijn schande weet ik van een paar van deze boeken niets af, maar ik weet wel dat het boek van Tessa de Loo over een vrouwelijke tweeling gaat waarvan de ene helft Duits en de andere Nederlands wordt opgevoed, en dat de hele problematiek van de vooral door de oorlog bepaalde tegenstelling tussen Duitsland en Nederland er centraal staat. Nummer drie: de heren van de thee zijn de Indische theeplanters van het eind van de 19de en het begin van de 20ste eeuw. Een "Indisch" boek dus. Schindler's lijst (vier) is een internationaal succes, in het voetspoor van de film. Maar dit oorlogsboek zal niet overal zo hoog in de verkooplijst zijn gekomen als in Nederland. Het boek van Van Dis gaat over "Indische mensen in Holland" zoals P.A. Daum al in 1888 zijn feuilleton noemde; het gaat om gerepatrieerden in het naoorlogse Nederland. Nummer negen, van de zeer jonge schrijver Grunberg, is een bijzonder geval. Dit is geen oorlogsboek. De joodse problematiek komt erin voor, en daarmee de oorlog, maar het is hier geen hoofdonderwerp. Het is opvallend dat in de kritiek toch juist op deze kant van het boek is ingegaan. Met wat overdrijving zou je kunnen zeggen: als je in Nederland niet over de oorlog schrijft, dan leggen de lezers het er toch wel in. Nu is het een open deur dat de literatuur niet op zichzelf staat, maar vast zit aan de samenleving. Inderdaad: niet alleen in de literatuur, maar in de hele actualiteit spelen "oorlog" en "Indië" nog steeds een hoofdrol. Er verschijnen in de pers vrijwel voortdurend artikelen met een oorlogs- of een (post)koloniaal kantje; radio en televisie sluiten zich hierbij aan. Bij allebei de onderwerpen kan men wel over een debat spreken. Wat houden die twee discussies in? Van de oorlog bestond in Nederland lange tijd een beeld (dat ik hier maar "traditioneel" zal noemen), dat beheerst werd door de tegenstelling met Duitsland, dat wilde zeggen: met de vijand. Het schrijnendste element van de geschiedenis van de oorlog, de jodenvervolging, met de vernietiging van miljoenen mensen, veelal in speciaal voor dit doel gebouwde vernietigingskampen, was de schuld van Duitsland. Daartegenover stond Nederland aan de goede kant. Het was algemeen bekend dat sommige Nederlanders met de Duitsers hadden samengewerkt, de Nederlandse nationaal-socialisten (NSB'ers) namelijk, dat werd ook niet verzwegen, maar dit was een minderheid die niet het hele land kon typeren. In het onderwijs zoals de kinderen van pal na de oorlog het genoten hebben, kreeg het verzet tijdens de Duitse bezetting veel meer aandacht. In het traditionele beeld overheerste de tegenstelling tussen goed en fout, waarbij Nederland goed was en Duitsland fout. In de laatste tien jaar is het beeld veranderd en zijn er andere accenten gezet. Accenten op een aantal feiten die voor Nederland onaangenaam zijn. Tot die feiten behoort dat het aantal Nederlanders dat met de Duitsers heeft meegevochten, in verhouding groter is dan in de andere landen die door Duitsland bezet waren: de Russen vonden aan het Oostfront betrekkelijk veel Nederlanders tegenover zich, meer dan Fransen, Belgen of Denen. Een ander, altijd al wel bekend maar tot voor kort minder beklemtoond gegeven betreft de jodenvervolging. Hier hebben veel Nederlanders de Duitsers geholpen bij de eerste stappen van hun (natuurlijk niet als zodanig aangekondigde) vernietigingsprogramma. De joden werden in veel gevallen door Nederlandse politie uit hun huizen gehaald, in gemeentetrams naar het station gereden en in treinen van de Nederlandse Spoorwegen naar Westerbork in Drente gevoerd. Daar vandaan vertrokken de Duitse treinen naar de vernietigingskampen. Begin 1941 hebben zich tijdens de door de Duitsers verplichtgestelde registratie 140 000 joden in Nederland gemeld, waarvan een 10% om verschillende redenen door de Duitsers van vervolging is vrijgesteld. Van de overige 126 000 is de grote meerderheid in de jaren 1941-'45 in kampen buiten Nederland vermoord: bijna 102 000. Ongeveer 3 000 joden zijn ontkomen naar het buitenland; 16 000 joden zijn in Nederland ondergedoken, bijna altijd met hulp van niet-joodse Nederlanders. 5 à 6 000 zijn er na de oorlog uit de kampen teruggekomen. De vraag is: waarom zijn er niet meer dan 16 000 geholpen, van de vervolgden slechts dertien procent? Nu is dit cijfer in zoverre bedrieglijk, dat hier alleen die joden zijn meegeteld die tot het eind van de oorlog verborgen zijn gebleven. Ook Anne Frank was ondergedoken, maar zij is ontdekt en vermoord. Zij is een van de 102 000, niet een van de 16 000. De groep van de alsnog gearresteerde joodse onderduikers telde zo'n 8 000 mensen; in totaal zijn er dus 24 000 onderduikers geweest. De getallen 126 000 en 102 000 blijven niettemin staan. Bijzonder onaangenaam voor Nederland is opnieuw de internationale vergelijking, die uitwijst dat het percentage vermoorde Nederlandse joden dat van de andere bezette landen in West-Europa overtreft. paedia Brittannica bij het trefwoord "holocaust" treft ons Nederlanders pijnlijk: "Where the population was friendly to the Jews, as in Denmark, France, Italy, and Bulgaria, it proved possible to save considerable numbers of Jews by hiding them, furnishing them with false documents, and even evacuating them to neutral countries". In de botsing met deze gegevens verdwijnt het traditionele zwart-wit-beeld van goed en fout. Een andere tegenstelling komt ervoor terug: die tussen de kijk die Nederland graag op zichzelf heeft aan de ene, en cijfers en feiten aan de andere kant. Hiermee zijn wij op een gebied gekomen dat bijzondere kansen biedt voor de literatuur. De literaire schrijver kan immers heel goed aan ons lezers de waarheden voorhouden waarover wij maar liever niet horen of die wij helemaal niet kùnnen opmerken. Het gaat te ver om dit de uitsluitende roeping van de schrijver te noemen, maar hij beschikt hier toch over speciale mogelijkheden en is bovendien meestal veel vrijer dan verwante zielen als daar zijn: de journalist of de wetenschapsbeoefenaar. De Nederlandse literatuur na 1945 heeft deze opdracht aangepakt. Ik schreef al over Mulisch, bij wie de schuldvraag steeds moeilijker te beantwoorden is, en over W.F. Hermans, die zich al eerder keerde tegen het beeld van wij zijn goed en zij zijn fout. Zijn bekendste roman, De donkere kamer van Damokles (1958, verfilmd onder de afgezaagde titel Als twee druppels water) gaat over een jonge sigarenhandelaar die in de oorlog onder ongewone omstandigheden voor het verzet kiest. Hij schrikt voor geen geweld terug; deels in opdracht, deels op eigen initiatief brengt hij een aantal tegenstanders om, in een kennelijke poging zijn leven ingrijpend te veranderen en een ander mens te worden. Als hij tegen het eind van de oorlog naar het al bevrijde zuiden van Nederland gaat, in de verwachting dat de Nederlandse regering hem daar zal ontvangen als heldhaftige verzetsstrijder, wordt hij meteen gearresteerd. Al zijn inspanningen blijken een omgekeerd effect te hebben gehad: vrijwel iedereen met wie hij in het verzet heeft samengewerkt, is door de Duitsers opgepakt en omgebracht. Volgens de Nederlandse autoriteiten is hij helemaal geen held maar een gevaarlijke verrader. Alles wat de sigarenboer tenslotte ter verdediging van zichzelf aanvoert, blijkt krachteloos. Zijn belangrijkste ontlastende getuige is nergens te vinden en heeft misschien zelfs nooit bestaan. Volgens de meest aangehangen interpretatie van dit boek behandelt Hermans ook hier zijn thema van de onzekerheid: het is onduidelijk waar de sigarenman feitelijk stond. Zijn streven was niet in de eerste plaats in het belang van de strijd maar in zijn eigen belang (moedwil) en voorzover hij de goede zaak heeft willen dienen, deed hij dit zo onhandig dat zijn inspanningen contra-produktief waren (misverstand). Het hele verzet wordt bij Hermans overigens als klungelwerk voorgesteld. Bij die beeldvorming houdt een scherpe tegenstelling, waarbij een heel volk "goed" is en een ander "fout", geen steek. Het sterkste voorbeeld levert het werk van de derde van de Grote Drie, Gerard Reve (1923), die overigens niet veel over de oorlog heeft geschreven. Maar over die oorlog gaat wel zijn debuut, De ondergang van de familie Boslowits (1946). Dit subtiel en ingehouden geschreven verhaal had eerst weinig succes. Het is in de belangstelling meegetrokken door Reves latere werk, door De avonden (1948) bij voorbeeld, maar altijd opvallend weinig besproken. Het verhaal gaat over de ondergang van een joodse familie die wordt opgehaald door de Nederlandse politie, zoals dit in werkelijkheid vaak gebeurd is. Het vormt een goed voorbeeld van een literaire techniek waarbij met weinig woorden veel gezegd wordt. Zo worden de woorden "jood" en "joods" zelfs helemaal nergens gebruikt. Dit kan ertoe leiden dat de lezer zich heel even afvraagt: waarom worden ze vervolgd? Het volgende moment denkt hij: omdat ze joden zijn. En meteen daarop beseft hij hoe absurd zijn "redenering" is. De schrijver heeft de absurditeit van deze historische verklaring uitgedrukt door hier te zwijgen. Hij zegt: die verklaring is te gek voor woorden. De visie van dit verhaal is modern: helden bestaan niet. De familie Boslowits krijgt wel hulp, maar de helpers kunnen weinig uitrichten. Zoals ik al aangaf is het verhaal in literair opzicht sterk. Aan de jaartallen is te zien dat deze prestatie geleverd is door een auteur van nog maar 23 jaar. Waarom had hij er zo weinig succes mee? Een deel van de verklaring is te vinden bij de onaangename realiteit die hij ons voorhoudt: mensen sturen mensen de dood in; "goede" mensen doen mogelijk hun best, maar bereiken niets; sommige Nederlanders hielpen de joden, maar andere arresteerden ze. In 1946 stond Nederland aan het begin van de Wederopbouw. Het was toen pas echt een tijd van "handen uit de mouwen", waarin aan de boodschap van Reves verhaal maar weinig behoefte was. "Zijn" zaak kwam niet in de brede aandacht, maar werkte wel door in de literatuur. Een debat zoals dat over de rol van Nederland in de jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog, bestaat ook naar aanleiding van onze tweede kwestie: de Nederlandse koloniën. Het gaat dan om Indonesië (tot 1949 Nederlands-Indië), de Nederlandse Antillen (zes eilanden voor de Zuidamerikaanse kust, twee autonome gebieden binnen het Koninkrijk) en Suriname (aan de noordkust van het vasteland van Zuid-Amerika, "rijksdeel" tot 1975). Uit alle drie gebieden zijn de afgelopen decennia veel mensen metterwoon naar Nederland gekomen. Het debat dat ik bedoel, gaat vooral over Indonesië, en dan in het bijzonder over het eind van de koloniale tijd. Nederland heeft de onafhankelijkheid in 1949 erkend, maar in feite is het Nederlandse bewind al in 1942 tot een eind gekomen, met de Japanse invasie van Indië tijdens de Tweede Wereldoorlog. Van 1942 tot de bevrijding door de geallieerden in 1945 hebben de Japanners de Nederlanders in kampen opgesloten. In '45 heeft vervolgens Soekarno een paar dagen na de Japanse overgave de onafhankelijkheid uitgeroepen. Dit heeft Nederland in 1945-'49 willen terugdraaien met een koloniale oorlog. Het is in zekere zin nog wel een grote Nederlandse prestatie geweest ook: vlak na de oorlog, toen Nederland zelf verwoest was, en dus praktisch bankroet, is er een enorme legermacht overgevaren om, zoals dat heette, in Indië "de rust te herstellen". In 1947 waren er 160 000 man. Anders dan bij de tegenwoordige "vredesoperaties" van het Nederlandse leger in Libanon, Cambodja en Joegoslavië, anders ook dan in de Golfoorlog, waar uitsluitend vrijwilligers heengingen, stuurde Nederland naar Indonesië ook een groot aantal dienstplichtigen. Vrijwel elke familie telde wel een soldaat in Indië. Maar de grote bondgenoten zagen niets in deze onderneming en leidden het zo, dat het grootste deel van Indonesië in 1949 aan Soekarno en de zijnen werd overgedragen (Nederlands-Nieuw-Guinea in 1962). Hiermee bespaarden ze ons een geschiedenis als die van Portugal. De meeste Nederlanders vertrokken gedurende de jaren vijftig, al of niet onder dwang van de Indonesische regering, naar het moederland, net als ongeveer 12 500 Molukkers, veelal oud-soldaten van het voormalige koloniale leger met hun gezin. Het onderwijs heeft deze afloop lange tijd met een jaartal afgedaan: 1949, souvereiniteitsoverdracht. De geschiedenis hield voor veel scholen op in 1945. Maar in Nederland zijn er vandaag de dag nog veel mensen die dit alles hebben meegemaakt. Als kampgevangene van de Japanners, als soldaat of als "gerepatrieerde"; deze groepen overlappen elkaar. Ook hier is er weer een "tweede generatie" van jongeren die "het" niet of nauwelijks hebben meegemaakt, maar zijn opgegroeid in een sfeer die door het eind van Nederlands-Indië bepaald is. Een bekend voorbeeld is de schrijver Adriaan van Dis. Zijn grote succes Indische duinen kun je een tweede-generatieroman noemen. Net als over de oorlog wordt in de laatste jaren de discussie over deze zaken steeds sterker. Ook hier gaat het debat over schuld; in dit opzicht is Nederland bepaald nog niet minder Nederland geworden. "De koningin moet in Djakarta excuses gaan aanbieden", klonk het. Daarbij had men dan soms de hele koloniale geschiedenis sinds het begin van de zeventiende eeuw op het oog, soms alleen de oorlogsmisdaden aan het eind van de jaren veertig. Zoals in elk twistgesprek over koloniale zaken worden de positieve en negatieve gevolgen van het kolonialisme voor de gekoloniseerden tegenover elkaar gezet; eenstemmigheid lijkt hier onbereikbaar. De meningsverschillen lopen het hoogst op als het over de Nederlanders in de Japanse kampen gaat. Aan de ene kant wil men deze mensen soms vergelijken met de joodse slachtoffers in de vernietigingskampen van de Duitsers, aan de andere kant kun je horen praten over een stelletje koloniale uitbuiters dat in 1942 eindelijk zijn verdiende loon heeft gekregen. Kleine organisaties van oud-kampslachtoffers voeren hun strijd met grote felheid. Individuen verliezen hun zelfbeheersing, zoals de meneer die bij het Haagse Indië-monument de krans kapotmaakte die daar, toch onmiskenbaar als demonstratie van nationaal schuldbesef, zojuist was neergelegd door een minister van Japan. Ook uit de stapel boeken over Indië haal ik er een naar voren: Het Oostindisch kampsyndroom van Rudy Kousbroek uit 1992. Geen verhaal maar een essaybundel; even onthullend als De ondergang van de familie Boslowits, maar allerminst doodgezwegen. Het boek van Kousbroek is daarentegen juist erg omstreden, en anders dan het verhaal van Reve ook een groot verkoopsucces. Een kampsyndroom is een ziekte, vaak een psychische storing, die men toeschrijft aan ervaringen in het kamp. Het syndroom komt soms pas tientallen jaren na de ervaringen die het veroorzaken aan het licht. De bepaling "Oostindisch" verwijst naar Nederlands-(Oost-)Indië; Suriname en de Nederlandse Antillen worden wel West-Indië genoemd. Maar in de titel zit ook een verwijzing naar de uitdrukking: "Oostindisch doof zijn", dat is: je doof houden, doen alsof je niet hoort wat er tegen je gezegd wordt. Vandaar is het geen grote stap meer naar waar ik in het verband van de oorlog al was aangekomen: de waarheid niet willen weten. Waarvoor houden de syndroomlijders en misschien ook wij ons volgens Kousbroek doof? Aan welke waarheid gaan wij maar het liefst voorbij, tegen beter weten in? Wat moet de schrijver hier onthullen? Het is het racisme. Kousbroek ziet dit in de eerste plaats als oorzaak van het Indisch kampsyndroom. Zijn redenering komt erop neer dat de kampervaringen voor de slachtoffers achteraf des te schadelijker zijn geweest doordat zij in de kampen onderworpen waren aan mensen van een zogenaamd lager ras. Of zij zich dit bewust waren of niet, dit was voor de Europese slachtoffers de extra vernedering, die verklaart waarom zij zoveel jaren later nog altijd slachtoffer zijn. Ook bepleit hij dat het racisme een veel grotere plaats behoort te krijgen in onze kijk op het hele koloniale verleden. In de koloniale geschiedenis wordt over rassenkwesties wel gesproken, maar volgens Kousbroek te weinig, en vooral: met te weinig oog voor racisme. Het was geen verrassing dat dit boek nieuwe reacties opriep. Vrijwel iedereen die met racisme in verband wordt gebracht, zal zich tegen analyses van deze aard willen verdedigen. Wat ook weer geen bewijs is dat Rudy Kousbroek gelijk zou hebben. Wel heeft hij ertoe bijgedragen dat in grote en kleine publikaties ter gelegenheid van de vijftigste herdenking van Indonesiës onafhankelijkheid en van het bezoek van de koningin (dat na veel gepalaver een paar dagen na die herdenking werd vastgesteld) op dit racisme meer dan ooit de schijnwerper valt. Kousbroek dreigt te worden ingehaald door wat hijzelf mede heeft opgeroepen. Tot de verhalen over racisme in het Nederlands-Indië van de jaren dertig hoort een bewering over borden met de tekst: "voor honden en inlanders verboden", die bij zwembaden zouden hebben gestaan. Getuigen beweren die borden gezien te hebben, maar foto's of andere documenten die hun bestaan zouden kunnen bewijzen, zijn niet overgeleverd. Men heeft natuurlijk geen groot mensenkenner, laat staan de Leidse geheugenspecialist professor Wagenaar nodig om te overwegen, dat hier mogelijk beelden uit het Zuid-Afrika van de jaren vijftig in de herinnering aan het Indië van de jaren dertig zijn binnengedrongen. Een zo openlijk, en voor de Indonesiërs zo honend racisme past niet bij wat wij verder van het koloniale bewind van die tijd weten. Ook zonder die bordjes was dat Nederlandse bewind wel discriminerend genoeg om de Indonesiërs zo hard te treffen dat dit hun verkeerde herinnering verklaren kan. De mythe van het bord is door een aantal deskundigen bestreden, ook door Kousbroek. Toch verscheen anno 1995 een boek met de titel Voor honden en inlanders verboden, met opnieuw getuigenverklaringen, maar opnieuw zonder "harde" bewijzen. Tot mijn verbazing is Kousbroek hierdoor (althans in zijn eerste reactie) aan het aarzelen geraakt. Ik heb "de" twee onderwerpen van de Nederlandse literatuur naast elkaar gezet. Bij allebei komen dezelfde netelige kwesties naar voren. Allebei worden beheerst door schuld en door racisme. Bij de jodenvervolging was het racisme openlijk, maar het Nederlandse aandeel is omstreden. Bij het Nederlandse kolonialisme is het racisme verhuld. Allebei zijn lange tijd in de meeste publikaties en ook in het onderwijs op de achtergrond gebleven, maar komen de laatste jaren juist meer en meer aan de orde. Mijn bewering is nu, dat het aanhoudende literaire "succes" van de thema's van oorlog en kolonialisme hiermee samenhangt. Juist doordat hier omstreden, onduidelijke, min of meer verborgen zaken lagen, bleven de schrijvers schrijven (en de lezers lezen). We zijn nu in de fase van een zekere doorbraak, waardoor de belangstelling een hoogtepunt heeft bereikt. Dit is mijn achterkant van de Top Tien, deel 1. Er volgt namelijk nog een deel 2. Dat is, dat "schuld" en "racisme" vandaag de dag ook in ander verband in de Nederlandse actualiteit "brandende kwesties" zijn, namelijk in verband met de sterk gegroeide immigratie en het mede daardoor weer teruggekeerde fascisme. Deze immigratie is deels een nasleep van het kolonialisme, want een grote groep mensen is sinds 1945 uit Indonesië, Suriname en de Antillen naar Nederland gekomen. Een tweede grote groep is die van de buitenlandse arbeiders, hierheen gehaald in de jaren zestig en zeventig en destijds "gastarbeiders" genoemd, van wie vooral veel Turken en Marokkanen zich van die fraaie benaming weinig aantrokken en zich met hun gezin definitief in Nederland vestigden. De derde, veel kleinere, is die van de vluchtelingen. Uit alle landen waar veel mis is, komen vluchtelingen naar Nederland, hoe langer hoe meer; Ethiopië, Libanon, Somalië, Sri Lanka en Vietnam, de laatste jaren vooral uit Joegoslavië, nog altijd Somalië, Irak en Iran. In plaats van "gastarbeiders" maakt de nog fraaiere term "allochtonen" opgang, waarmee men opnieuw vergeefs probeert, de zaken mooier voor te stellen dan ze zijn. Nu is Nederland, dit is algemeen bekend, een keurig land. Rassendiscriminatie is uitgesloten in het eerste artikel van de Grondwet. Lang hebben wij gedacht, het racisme op deze manier de kop te kunnen indrukken: met een grondwetsartikel, en door bij Lobith, waar de Rijn uit Duitsland binnenkomt, hard te zwaaien met de Nederlandse vlag. Toch staan dezer dagen in Nederland de moskeeën onder bewaking, hebben de allochtonen slechte huizen en een slechte opleiding, zitten zij meer dan gemiddeld in de gevangenis en is de werkloosheid in hun kring het hoogst. Op Nederlandse wijze probeert men dit laatste te veranderen door voor alle bedrijven verplichte percentages "allochtone" personeels- leden wettelijk verplicht te stellen, maar dit voorschrift is een dode letter. De fascistische partijtjes trekken de meeste stemmen in de buurten met veel buitenlanders (natuurlijk niet omdat die zelf op Janmaat stemmen). De brandende Nederlandse vraag is: wat moeten we doen, zonder zelf racistisch te worden. Of zijn we het al? De minister-president is er al van beschuldigd in een kwestie over grenscontrole, toen hij toegaf dat het uiterlijk van iemand die het land in wil, meebepaalt of zo iemand gecontroleerd wordt of niet. In maart 1995 liepen de provinciale verkiezingen uit op een grote overwinning voor de VVD, nadat hun leider Bolkestein bij herhaling gepleit had voor daadkrachtig optreden in deze kwestie. Deze problematiek van alle dag jaagt de belangstelling voor "oorlog" en "Indië" verder op. Tenslotte wil ik nog wijzen op een nieuwe roman, die mijn Top Tien niet gehaald heeft, maar toch een groot succes is. Het gaat om: De buitenvrouw (1994) van Joost Zwagerman (1964), die al eerder naam maakte met boeken als Gimmick! en Vals licht. De buitenvrouw verscheen in oktober, en bereikte in dat ene kwartaal oktober-december toch nog de zestiende plaats voor heel '94. Een buitenvrouw is (in Surinaams en Antilliaans Nederlands) een vrouw die een man er buiten zijn huwelijk op na houdt, een concubine buiten de echtelijke woning. Zwagermans roman beschrijft het leven van deze tijd in een kleine Nederlandse stad, Hoorn. Daar woont een leraar Nederlands die gelukkig getrouwd is en bovendien een verhouding heeft met de gymnastieklerares van zijn school. Tot zover alles prima in orde, maar er is toch een moeilijkheid: die gymjuf is meteen de enige zwarte lerares van de school. Zij is een Surinaamse die, net als veel anderen, als kind naar Nederland is gekomen. Dit maakt de neerlandicus extra gevoelig voor racisme in zijn directe omgeving. Overal treft hij het aan. Hij voelt zich schuldig omdat hij zijn vrouw bedriegt, en wil dus graag kunnen vaststellen dat ook anderen ergens schuldig aan zijn, bij voorbeeld aan racisme. Hij gaat die anderen bijna regelrecht van racisme betichten, wat hem in grote moeilijkheden brengt. Vooral de leerlingen, die al lang weten van zijn verhouding met de Surinaamse collega, piekeren er niet over, zijn beschuldigingen aan hun adres over hun kant te laten gaan. Ondanks al zijn ervaring lopen zijn lessen hem uit de hand. De overspelige leraar is door zijn situatie bijzonder gevoelig: hij loopt rond met voor zijn oog een vergrootglas voor vermeend racisme onder gewone mensen. Ook voor vermeend racisme bij hemzelf. Wat ziet hij eigenlijk in zijn Surinaamse vriendin? Is zij voor hem niet (minder dan een bemind individu) in de eerste plaats de zwarte vrouw, en is hij dan zelf geen racist? Omgekeerd komt ook Surinaams racisme tegen blanken even aan de orde. De Surinaamse echtgenoot van de buitenvrouw, die zelf buitenge- woon overspelig is, kan op die grond zijn vrouw moeilijk veel verwijten maken nu zij ook een keertje doet wat voor hem gewoon is. Maar hij vindt toch een reden om buitengewoon verontwaardigd te zijn: dat zij geen Surinamer heeft genomen maar zich heeft afgegeven met uitgerekend "een kaas" gaat toch wel alle perken te buiten. Zwagerman presenteert de kritiek op het racisme dus indirect, via twee duidelijk onbetrouwbare tussenpersonen. Hij is tenslotte een moderne schrijver. Hij toont niet aan dat in Nederland het racisme oprukt, maar zijn personages leven wel in een samenleving waar het onderwerp klaarligt om ter tafel te komen zodra emoties oplaaien. Ook Zwagerman beschrijft dingen die bij een idealistisch beeld van Nederland slecht passen, die de Nederlandse lezer misschien niet wil weten maar toch ook niet kan ontkennen. Ik heb gesignaleerd dat de oorlog en het kolonialisme permanente onderwerpen zijn in het moderne Nederlandse proza. Dit komt doordat het allebei gevoelige kwesties zijn, waarbij Nederlands racisme ter discussie staat. Hier ligt een deel van de oorzaak van hun "populariteit" in de literatuur. Over het Nederlandse racisme kan nog steeds moeilijk zakelijk geschreven worden. Lange tijd ging men er liever aan voorbij, maar de laatste tijd wordt het (vooral in verband met Indonesië) juist heel frequent, zij het niet altijd even nauwkeurig, ter sprake gebracht. Op de huidige periode van bijna overdadige belangstelling voor Indische zaken kan nauwelijks verdere groei volgen. Ook de interesse voor Indische literatuur lijkt zich te bevinden op een hoogtepunt, waarop logischerwijs enige teruggang zou moeten volgen. Maar aan "een einde van de Indische literatuur" zijn we nog lang niet toe. Zolang geen evenwicht in zicht is, blijven "oorlog" en "Indië" aan de orde in de moderne Nederlandse literatuur. Rijksuniversiteit Leiden E-pos: EEPFRANC@rullet.LeidenUniv.nl Bibliografie Aronsfeld, C.C. 1970. De "definitieve oplossing." Deportatie en liquidatie. In: A.H. Paape e.a. (red.): Bericht van de Tweede Wereldoorlog, band 3, deel 42, blz. 1166-74. Amsterdam-Leiden Haarlem: Geïllustreerde pers. Blom, J.C.H. s.a. Nederlanders onder Duitse bezetting, 10 mei 1940-5 mei 1945. Algemene geschiedenis der Nederlanden, deel 15. Haarlem: Fibula-Van Dishoeck. Brill, Paul; André Roelofs (samenst.). [1995] Wij en Europa; Nederland op zoek naar zijn identiteit. [Amsterdam]: De Volkskrant. Kossmann, E.H. 1986. De lage landen 1780-1980, twee eeuwen Nederland en België, deel 2. Amsterdam-Brussel: Elsevier. Kousbroek, Rudy. 1992. Het Oostindisch kampsyndroom: anathema's 6. Amsterdam: Meulenhoff. Sijes, B.A. 1974. Studies over jodenvervolging, Assen: Van Gorcum. Van der Horst, Liesbeth. 1993. Een spectaculaire redding. Hervormd Nederland, 6 november 1993. Van het Reve, Gerard Kornelis. 1950. De ondergang van de familie Boslowits. Amsterdam: de Bezige Bij. Van het Reve, Simon. 1946. De ondergang van de familie Boslowits. Criterium, 1945-'46: 788-813. Afzonderlijk: Van het Reve 1950. Von der Dunk, H.W. 1990. Voorbij de verboden tempel: de Shoah in ons geschiedbeeld. Amsterdam: Prometheus. Zwagerman, Joost. 1994. De buitenvrouw. Roman. Amsterdam Antwerpen: de Arbeiderspers.