Een Vrouwenrepubliek der Letteren? Anna Maria van Schurman (1607-1678) en haar netwerk van geleerde vrouwen Pieta van Beek Vraag aan een willekeurige Nederlander: "Wie was de eerste vrouw in Nederland die studeerde?" H/zij zal z'n schouders ophalen of verkeerd antwoorden: "Aletta Jacobs". Maar in dezelfde eeuw toen de Nederlan- ders de wereld veroverden, kreeg Anna Maria van Schurman toestem- ming om de colleges van professor Voetius aan de Universiteit van Utrecht te volgen. Dat had ze behalve aan hem, ook aan haarzelf te danken. Ze was al eerder als beste latiniste van de stad uitgenodigd om een Latijns gedicht te schrijven ter ere van de stichting van de Utrechtse Universiteit in 1636. Daarin had ze het gewaagd om de uitsluiting van vrouwen op een slimme manier aan de kaak te stellen en te pleiten voor de toelating van iedereen, ook vrouwen. Het gedicht viel in goede aarde en daarom werd ze toegelaten om vanachter een muur met gaten en gordijnen - ze zou het manvolk eens kunnen afleiden - colleges te beluisteren. Ze was de eerste (Van Beek 1995: b). Van Schurman publiceerde in 1648 haar Opuscula Hebraea Graeca Latina et Gallica prosaica et metrica. Dat boek is verweven met een uitgebreid netwerk van humanistische geleerden dat de Res Publica Litterarum genoemd wordt, de Republiek der Letteren. Deze staat geheel als mannelijk te boek. Maar in de Opuscula en daarbuiten vond ik ook sporen van veeltalige vrouwen. Het netwerk dat zichbaar wordt als je de correspondentie tussen Van Schurman en de geleerde vrouwen leest, zou ik de Vrouwenrepubliek der Letteren willen noemen. Hoe deze overeenkomt en verschilt van de mannelijke Res Publica Litterarum wil ik hier aan de orde stellen. Anna Maria van Schurman Wie was deze Anna Maria van Schurman? Ze werd in 1607 in Keulen geboren, maar woonde het grootste deel van haar leven Achter de Dom in Utrecht. Toen ze elf jaar oud was ontdekte haar vader hoe knap ze was. Ze verbeterde haar broers bij een les Latijn waar ze eigenlijk voor spek en bonen bijzat. Daarom werd ze meteen maar door haar vader aan Seneca gezet. Een paar jaar later dichtte de bekende Nederlandse dichteres Anna Roemers Visscher al over haar: Wees gegroet o jonge bloem Van Wiens wijsheid dat ik roem Die in toecomende tijdt [...] 't Puyk sal wesen van die maegden Die ooit wetenschap bejaegden. Anna Roemers Visscher prees in dat gedichtje haar kennis van Grieks en Latijn, haar kalligrafeer-, borduur- en tekenkunst, haar zang en haar spel op de klavecimbel en luit (Visscher 1925: 407). Van Schurman ontwikkelde zich tot de meest geleerde vrouw van Europa. Haar roem vermeerderde sterk na het Latijnse gedicht op de Utrechtse Universiteit en na haar Dissertatio (1641) waarin ze het recht van vrouwen op studie verdedigde (Van Schurman 1641). Het werk werd in het Engels vertaald als The Learned Maid (tweede druk in 1659), en delen uit de correspondentie eromheen werden in het Frans vertaald als Question Célèbre (1646). Van Schurman kende minstens twaalf talen: Nederlands, Duits, Frans, Engels, Latijn, Grieks, Hebreeuws, Ehtiopisch, Arabisch, Syrisch, Perzisch, Samaritaans en Aramees. Ze was een bekende dichter, een getalenteerde kunstenaar en goed thuis in filosofie, theologie en medicijnen. Ze correspondeerde uitgebreid met andere geleerden in Europa, zoals blijkt uit haar Opuscula die in 1648 uitkwam. Het boek beleefde herdruk op herdruk, zelfs al voordat het op de Index Librorum Prohibitorum van de rooms-katholieke kerk geplaatst werd (Schotel 1853: 117; Index 1937: 434). Door de religieuze keuzes die Van Schurman in haar leven maakte, verloor ze echter veel bewonderaars, helemaal toen ze zich in 1669 aansloot bij de mystieke Labadisten. Ze trok met deze religieuse gemeenschap mee van Amsterdam naar Herford (Duitsland), naar Altona (Denemarken) en naar Wiewerd in Friesland. Daar stierf ze in 1678, nadat ze haar keuze nog verdedigd had in haar autobiografie Eukleria. De Republiek der Letteren Haar boek uit 1648, dat bescheiden Opuscula (Werkjes) heet, bevat een theologisch tractaat "De Vitae Termino" (over het levenseinde), de eerder genoemde "Dissertatio" over het recht van de vrouw op studie, een aantal brieven in het Latijn, Frans, Grieks en Hebreeuws, gevolgd door een afdeling "Poemata" (gedichten) in het Latijn en Frans en tenslotte door een bundeltje "Elogia" (lofdichten) op de schrijfster van het boek. De correspondentie in de Opuscula met andere geleerden in Nederland en Europa geeft een glimp van één van de vele subnetwerken binnen de Republiek der Letteren. De term Republiek der Letteren ofwel Res Publica Litterarum werd het eerst door Erasmus gebruikt. Tot ver in de zeventiende eeuw bedoelde men daarmee het idee van een geleerdengemeenschap die tijd en ruimte overschreed en die boven de beperkingen van de moedertaal, godsdienst en nationaliteit uitsteeg. In de Republiek der Letteren vereerde men de bonae litterae en bestudeerde men hartstochtelijk de humaniora om er een beter mens van te worden. De filologie was hier de sleutel voor elke wetenschap en daarom was een degelijke kennis van het Latijn onontbeerlijk of men nu jurist, theoloog of medicus was. Deze Europese geleerde broederschap dreef op correspondenties en op persoonlijke ontmoetingen. Ook al waren de burgers van deze republiek polyglot, de voertaal was meestal Latijn, maar soms ook Grieks of een oosterse taal. Iedere "burger" was verplicht om aan de communicatio mee te doen. Afstand mocht geen rol spelen, afkomst evenmin. Slechts adeldom van de geest telde. De talrijke brieven die deze republiek in stand hielden werden per post verstuurd, meegegeven aan een vriend, koopman of diplomaten. Vaak namen studenten op hun Grand Tour of geleerden op een peregrinatio academica de brieven mee. Was de brief eenmaal aangekomen, dan werd verwacht dat de ontvanger de brief zou laten circuleren. Ook mocht men ingesloten boeken en manuscripten niet voor zichzelf houden. Kreeg men een boek of een portret cadeau, dan had men de verplichting van een antidoron, een tegengift. Om bij belangrijke geleerden binnen te komen, had men een introductiebrief nodig. De onderwerpen in de brieven beslaan een wijd terrein: discussies over geschiedenis en theologie, wetenschappelijk onderzoek, opvoeding, nieuws uit de boekenwereld, roddels, gemengd nieuws, verslagen van de politiek, gedichten, persoonlijke belevenissen, enzovoort. Als een brief een afgeronde verhandeling over een wetenschappelijk onderwerp is, een overzicht van zojuist verschenen boeken, van collaties van handschriften of een afschrift van inscripties, dan heet zo'n brief een geleerdenbrief. Meestal is alleen aan het begin en einde van zo'n brief de briefvorm nog te zien. De vrouwenrepubliek der Letteren Als je nu de correspondentie van Van Schurman met andere veeltalige vrouwen binnen en buiten haar Opuscula opgraaft, vertaalt en leest, wordt er een netwerk zichtbaar. Het bestaan ervan is echter nog nooit opgemerkt. Ik noem dat netwerk hier de Vrouwenrepubliek der Letteren. Van Schurman correspondeerde binnen deze republiek in het Latijn met de Deense Birgitte Thott, in het Hebreeuws en het Latijn met de Ierse Dorothea Moore, in het Grieks met de Britse Bathsua Makin, in het Frans, Latijn en Hebreeuws met de Franse Marie Jars de Gournay en Marie du Moulin en in het Latijn en het Frans met de Duitse Elizabeth van Bohemen. Voordat ik nu inga op hun uitwisseling moet ik eerst stilstaan bij het verschijnsel "geleerde vrouwen". Volgens bisschop Jens Bircherod uit Denemarken was een vrouw pas geleerd als ze Latijn kende (Alenius 1991). In de catalogi van geleerde vrouwen uit de 16e en 17e eeuw - vrijwel altijd samengesteld door mannen - vindt men vrouwen al geleerd als ze meer wisten dan het huishouden, artistiek begaafd waren en andere talen kenden dan de moedertaal (Alenius; Rang 1987). De eerdergenoemde vrouwen voldoen echter allemaal aan de strenge eis van beheersing van het Latijn. De meesten kenden bovendien ook Grieks en Hebreeuws. Het verschijnsel van een Geleerde Vrouw riep weerstand op zoals blijkt uit de aanhaling van een gezegde in de zeventiende eeuw: A Learned woman is thought to be a Comet that bodes Mischief whenever it appears (Makin 1673). Volgens de tot voor kort gangbare beeldvorming zouden ze ook wereldvreemde en asexuele wezens zijn die in een cel woonden waar de muren bedekt waren met boeken (Rang 1987). Maar van de zeven geleerde vrouwen die hier ter sprake komen, waren er drie getrouwd en twee hadden kinderen. Ze kwamen van adellijke, veelal rijke families (behalve Makin) en hadden geleerde vaders, broers of beschermheren, en in één geval zelfs een geleerde moeder (Birgitte Thott). Verder was hun familie-, vrienden- en geleerdenkring uitgebreid en ontwikkeld. Ze leefden zeker niet in een isolement. Birgitte Thott (1610-1660), een Deense vrouw van adel, de eerste advocaat voor vrouwenrechten in Scandinavië, was getrouwd, hoewel kinderloos. Toegegeven, haar belangrijkste werk, de eerste vertaling in het Deens van Seneca schreef ze als weduwe. Maar ook Bathsua Makin (1610-167?), de meest geleerde Engelse vrouw uit de zeventiende eeuw, die tien talen kende, was getrouwd en had drie kinderen. Zij was daarentegen niet van adel en moest als gouvernante van een Engelse prinses de kost verdienen. Als we nu de Vrouwenrepubliek der Letteren vergelijken met de grotere, mannelijke Res Publica litterarum dan vallen in de eerste plaats de overeenkomsten op: (1) Van Schurman correspondeert zoals haar mannelijke collega's ook over de landsgrenzen heen met vrouwen uit Denemarken, Ierland, Engeland, Frankrijk en Duitsland. (2) Hoewel ze zelf een strikte calviniste was, correspondeerde ze bovendien over godsdienstgrenzen heen met Elizabeth van Bohemen die luthers was, met de katholieke Marie Jars de Gournay, de lutherse Birgitte Thott, de anglicaanse Bathsua Makin en met Marie du Moulin en Dorothea Moore die van een andere protestantse signatuur dan Van Schurman zelf waren. (3) Ze schrijft in de internationale voertaal van die tijd, het Latijn, maar door haar polyglottisme kon ze zich ook in het Hebreeuws, Grieks en Frans uiten. Frans was na Latijn de tweede internationale taal in Europa en veel vrouwen waren Frans machtig. De reden waarom Van Schurman soms geen Latijn gebruikt maar Grieks en Hebreeuws kan samenhangen met haar opvatting dat Grieks en Hebreeuws heilige talen waren die ons zelfs na het graf zouden bijblijven. (4) De brieven en gedichten worden op de gebruikelijke wijze verstuurd: ze stuurt ze per post of zij geeft ze met haar broer of met vrienden mee: "Mijn broer die op het punt staat om naar Engeland af te reizen, zal deze brief bij je bezorgen", zo schrijft ze aan Dorothea Moore (Van Schurman 1652: 191). (5) De geleerden uit de Republiek der Letteren schreven graag introductiebrieven voor elkaar. Ook Van Schurman deed dat. Zo schreef ze een aanbevelingsbrief voor haar Iers- Engelse geleerde vriendin om in contact te komen met Rivet. (6) De onderwerpen die ter sprake komen bestrijken eveneens een wijd terrein: politiek nieuws, godsdienst, levensfilosofie, de bestudering van de Klassieken, etc. Zo geeft ze de prinses Elizabeth von Bohemen, een geleerde vrouw, leerlinge en geliefde van Descartes, het advies een degelijke studie te maken van Xenophon, Curtius, Plutarchus, Suetonius en Tacitus. Uit hun werk zou je het karakter van vorstelijke personen beter leren kennen (Van Schurman 1652: 25). Dat is natuurlijk nuttig voor een prinses. (7) Evenals haar mannelijke collega's wisselt Van Schurman geschenken uit. Zo stuurt ze haar zelfportret vaak mee en met een brief aan Dorothea Moore stuurt ze ook haar Dissertatio mee. Verschillen Het kardinale verschil met de Mannelijke Republiek der Letteren is het thema dat in Van Schurmans correspondentie steeds ter sprake komt: de vorming van vrouwen. Dat is geen wonder als we weten dat al deze vrouwen zelf de moeizame weg hadden moeten gaan om een geleerde vrouw te worden. Bovendien waren ze vaak betrokken bij vrouwenopvoeding in hun eigen land. Van Schurman had in haar Dissertatio geschreven dat een vrouw kon studeren als ze vrij van financiële en huishoudelijke zorgen was, in het bezit van een gemiddeld intellect en met haar studies de eer van God op het oog had (Van Schurman 1641; Van Eck 1992). Voor vrijwel alle vrouwen met wie zij correspondeerde was zij de autoriteit. Zij gaf advies en schreef over vroegere voorbeeldige vrouwen als Lady Jane Gray en Koningin Elizabeth van Engeland. Maar ze bewonderde ook haar Franse voorganger, de veel oudere Marie Jars de Gournay (Parijs 6 oktober 1566-1645), een schrijfster en autodidact die in 1626 haar tractaat De l'égalité des hommes et des femmes publiceerde waarin ze de vrouw aan de man gelijkstelde. Van Schurmans Dissertatio is er door beïnvloed. Van Schurman brengt haar bewondering voor De Gournay onder andere tot uitdrukking in een Latijns gedicht (Van Schurman 1652: 303). Van Schurman adviseert ook Bathsua Makin, de Engelse gouvernante van prinses Elizabeth die ze al vanaf haar vijfde jaar Grieks, Latijn en Hebreeuws leerde. De twee vrouwen schreven elkaar al in 1640-5 in het Grieks: Anna Maria van Schurman groet de zeer geëerde en geleerde mevrouw Bathsua Makin.[....] [U] hoeft zich verder nergens zorgen over te maken, dan om uw talent te gebruiken voor de opvoeding van de kleine prinses (Elizabeth), zodat het zal lijken alsof die beroemde Koningin Elizabeth [...] weer in leven is. Helaas stierf het prinsesje een vroege dood. Makin stichtte hierna een speciale meisjesschool. Toen ze 73 was, publiceerde ze An Essay to revive the Antient Education of Gentlewomen, een pleidooi voor de studie van vrouwen dat sterk door Van Schurman's Dissertatio beïnvloed is (Van Beek 1995a). Ook Dorothea Moore (1613/7-1664), een adellijke Iers-Engelse vrouw die een tijdje in Dublin, Londen en in Utrecht woonde, was erg geïnteresseerd in de vorming van vrouwen. Ze schreef een brief met de titel "Of the Education of Girls" (Fraser 1986: 363). Van Schurman prees haar in een Hebreeuwse brief: "Jou in het bijzonder heeft Adonai [God] uitgekozen als een lieflijke kroon voor al de vrouwen" (Van Schurman 1652: 154). Birgitte Thott maakte een prachtige vertaling in het Deens van Seneca' Philosophus (1658) met een voorwoord aan vrouwen. Het eerste en belangrijkste lofdicht voorin hetzelfde boek is van Van Schurman. Hierin feliciteert ze de heldin: Et Senecae magnam nunc Foemina Nobilis umbram Et cineres tanti est ausa ciere Viri Huic dedit illa novam Arctoo sub sidere Vitam Atque novo doctum jam facit ore loqvi (Thott 1658; Alenius 1984) (Nu heeft een edele vrouw het gewaagd om de grote schaduw van Seneca en de ashopen van deze belangrijke man tot leven te wekken. Hem gaf zij nieuw leven onder de noordelijke sterren en ook doet zij de wijsgeer met een nieuwe mond spreken.) Ze noemt Thott ook de De Tiende muze in het Noorden. Marie du Moulin, een Franse geleerde vrouw schreef in het Hebreeuws en Frans aan Van Schurman hoe ze op aanraden van haar "meesteres" en vriendin Van Schurman toch Hebreeuws was gaan leren, ondanks haar aanvankelijke reserves: Aan mijne meesteres Anna Maria van Schurman Ik gedenk de dagen van voorheen toen ik in uw huis was, toen ik aan uw boezem lag en u mij leerde en zei: "Ga studeren, scherp je verstand, want dit zal een bron van vreugde voor je zijn". Maar ik zei: "Dat kan ik niet, want van mijn jeugd af ben ik opgevoed zoals de jonge meisjes van mijn vaderland, om allerlei smakelijke spijzen gereed te maken, om allerlei handwerken te maken van linnen, wol en purper, en om allerlei spreien te borduren." Nu correspondeerde Van Schurman ook over vrouwenstudies met een man zoals André Rivet en daar is ook haar Dissertatio uit voortgekomen. De verhouding is dan anders, omdat hij haar leermeester is. Voor de meeste andere geleerde vrouwen vervulde zij de rol van het grote voorbeeld en de adviseur. Een ander verschil tussen de mannelijke Republiek der Letteren en de Vrouwenrepubliek is dat Van Schurman en de andere geleerde vrouwen niet zo gemakkelijk op reis konden. Ze hadden als vrouw al geen toegang tot de universiteit, een uitermate geschikte plek om contacten te leggen. Om na een universitaire studie op reis te gaan, was voor vrouwen onmogelijk. Van Schurman had als enige toestemming om colleges te volgen, maar dan wel achter een gordijn. Zij had ook meer huishoudelijke verplichtingen thuis. Zo had ze na de dood van haar moeder de zorg voor twee oude, blinde, inwonenende tantes. Toch weten we van één reis, in 1653. De oude tantes Sybille en Agnes von Harff wilden een rechtszaak in Keulen aanspannen om hun geconfisceerde goederen weer terug te krijgen. Van Schurman en haar broer gingen mee. Tijdens haar verblijf in Keulen maakte ze meteen van de gelegenheid gebruik om met katholieke professoren te disputeren (Van Beek 1992: 66-71). Van Schurman heeft van haar netwerk van geleerde vrouwen slechts Marie du Moulin en Elizabeth van Bohemen persoonlijk gezien. Dorothea Moore kwam als uitzondering zelf langs (Schotel 1853: 97). Mannen uit de Republiek der Letteren kwamen daarentegen vrij geregeld langs bij Van Schurman. Toegegeven: het netwerk van geleerde vrouwen is kleinschaliger dan dat van geleerde mannen. Het heeft zich ook minder geprofileerd. De geleerde vrouwen waren ook afhankelijk van het veel omvangrijkere mannelijke netwerk. Toch heeft het vrouwelijke netwerk genoeg eigenheid om een eigen naam te verdienen: Vrouwenrepubliek der Letteren. In dit netwerk van vrouwen over heel Europa zat Van Schurman als een spin in het web. Ze spon vermoedelijk veel meer draden over Europa dan wij nu zien. Bovendien waren er veel meer webben, zoals dat van koningin Christina van Zweden. In navolging van Margaret Ezells pleidooi om vooral vroege vrou- wenteksten op te sporen, te contextualiseren en uit te geven (Ezell 1993), wordt er al veel onderzoek gedaan naar teksten in de volkstaal. Ik zou echter willen pleiten om ook aandacht te geven aan de netwerken en teksten van geleerde, polyglotte vrouwen. Doordat ze voor een belangrijk deel schreven in talen die nu door nog maar weinig mensen gelezen worden, zijn ze nog meer onderbelicht gebleven dan andere schrijvende vrouwen uit het verleden. Departement Grieks Universiteit van Stellenbosch E-pos: pvb@maties.sun.ac.za Bibliografie Alenius, M. 1983. Seneca-oversætteren Birgitte Thott et fagligt portræt. Danske Studier. ed. Kjaer, I & Lundgreen-Nielsen, Fl. Copenhagen: Akademisk Forlag, 5-46. Alenius, M. 1991. Learned Scandinavian Women in the 17th and 18th Centuries. Acta Conventus Neo-latina Torontonensis. ed. Dalzell, A. & Fantazzi, Ch. New York: Binghamton, 117-87. Birch, U. 1909. Anna van Schurman: Artist, Scholar, Saint. London: Longmans, Green and Co. Bots, J.A. 1971. André Rivet en zijn positie in de Republiek der Letteren. Tijdschrift voor Geschiedenis 84: 24-35. Bots, J.A.H.G.M. 1977. Republiek der Letteren: ideaal en werkelijkheid. Amsterdam: APA-Holland Universiteits Pers. De Baar, M. et al. 1992. Anna Maria van Schurman (1607-1678): een uitzonderlijk geleerde vrouw. Zutphen: Walburgpers. De Baar, M. et al. 1996. Choosing the better part: Anna Maria van Schurman (1607-1678). Dordrecht-Boston-London: Kluwer Academic Publishers. (International archives of the history of ideas, 146.) Dibon, P.; E. Estourgie; H. Bots. 1971. Inventaire de la correspondance d'André Rivet (1595-1650). Den Haag: Martinus Nijhoff (Archives internationales d'histoires des idées, 43.) Dibon, P.1975. L'université de Leyde et la République des Lettres au 17e siècle. Quaerendo 5: 18-32. Dibon, P. 1976. Les échanges épistolaires dans l'Europe savante du XVIIe siècle. Revue de synthèse 81: 31-50. Dibon, P. 1978. Communication in the Respublica literaria of the 17th century. Res publica literarum, studies in the classical tradition. Deel 1: 43-55. Douma, A.M.H. 1924. Anna Maria van Schurman en de studie der vrouw. Amsterdam: Universiteit van Amsterdam. Ezell, M. 1993. Women writing Literary History. Baltimore and London: John Hopkins University Press. Fraser, A. 1986. The Weaker Vessel: Woman's lot in seventeenth century England. London: Methuen. Index Librorum Prohibitorum. 1937. S.l.: Typis Polyglottis Vaticanis. Kossmann, Fr. ed. 1925. Gedichten van Anna Roemers Visscher ter aanvulling van de uitgave harer gedichten door Nicolaas Beets. 's- Gravenhage. Makin, B. 1673. An Essay to revive the Antient Education of Gentlewomen, in Religion, Manners, Arts and Tongues. With an Answer to the Objections against this Way of Education. London. Rang, B. 1987. Geleerde vrouwen van alle Eeuwen ende Volckeren, zelfs oock by de barbarische Scythen. De catalogi van geleerde vrouwen in de zeventiende en achttiende eeuw. Geleerde vrouwen. Negende jaarboek voor vrouwengeschiedenis. ed. Tineke van Loosbroek et al. Nijmegen: Sun, 36-64. Schotel, G.D.J. 1853. Anna Maria van Schurman. 's-Hertogenbosch: Gebroeders Muller. Stegeman, S. 1993. How to set up a scholarly correspondence. Theodorus Janssonius van Almeloveen (1657-1712) aspires to Membership of the Republic of Letters. Lias 20: 227-43. Thijssen-Schoute, C.L. 1967. Uit de Republiek der Letteren. 's Gravenhage: Martinus Nijhoff. Thott, B. 1658. Lucii Annæi Senecæ den Vitberømte oc Nafnkundige Philosophi eller Viszdoms Elskeris Skrifter, som om Sæderne oc et Skickeligt Lefnit handler, oc med bestandighed i medgang oc modgang det at fremdrage underviser. Af samme authore paa Latine skrefvit. Nu paa voris Danske maal ofversat af den sin næste dermed at tiene begierer trolig. Sorø: George Hantsch. Van Beek, P. 1992a. Verbastert christendom: Nederlandse gedichten van Anna Maria van Schurman (1607-1678). Houten: Den Hertog. Van Beek, P. 1992b. Nederlandse gedichten van Anna Maria van Schurman. Anna Maria van Schurman 1607-1678: een uitzonderlijk geleerde vrouw. Zutphen: Walburgpers, 75-92. Van Beek, P. 1995a. One Tongue is Enough for a Woman: the correspondence in Greek between Anna Maria van Schurman (1607- 1678) and Bathsua Makin (1600-167?). Dutch Crossing 19: 24- 48. Van Beek, P. 1995b. Sol iustitiae illustra nos: de femme savante Anna Maria van Schurman (1607-1678) en de Universiteit van Utrecht. Akroterion 40: 145-162. Van Beek, P. 1996a. O Utreght, lieve Stadt... ; Poems in Dutch by Anna Maria van Schurman. Choosing the better part: Anna Maria van Schurman (1607-1678). Dordrecht/Boston/London: Kluwer Academic Publishers, 69-85. Van der Stighelen, K. 1987. Anna Maria van Schurman (1607- 1678) of "Hoe hooge dat een maegth kan in de konsten stijgen". Leuven: Universitaire Pers. Van Eck, C. 1992. Het eerste Nederlandse feministische traktaat? Anna Maria van Schurmans verhandeling over de geschiktheid van vrouwen voor de wetenschapsbeoefening. Anna Maria van Schurman 1607-1678: een uitzonderlijk geleerde vrouw. Zutphen: Walburg Pers, 49-60. Van Eck, C. 1996. The first Dutch feminist tract? Anna Maria van Schurman's dissertation of women's aptitude for the study of arts and sciences. Choosing the better part: Anna Maria van Schurman (1607-1678). Dordrecht/Boston/London: Kluwer Academic Publishers, 43-53. Van Schurman, A.M. 1636. Inclytae atque urbi Traiectinae Nova Academia nuperrime donatae gratulatur Anna Maria à Schurman. Academiae Ultrajectinae inauguratio una cum orationibus inauguralibus. Utrecht: Aegidius en Petrus Roman. Van Schurman, A.M. 1641. Nobiliss. Virginis Annae Mariae a Schurman Dissertatio De Ingenii Muliebris ad Doctrinam, & Meliores Litteras Aptitudine. Accedunt Quaedam Epistolae eiusdem Argumenti. Leiden: Elsevier. Van Schurman, A.M. 1648. Nobiliss. Virginis Annae Mariae A Schurman, Opuscula Hebraea, Graeca, Latina, et Gallica. Prosaica & Metrica. Leiden: Elsevier. Van Schurman, A.M. 1650. Nobiliss. Virginis Annae Mariae A Schurman Opuscula Hebraea, Graeca, Latina, et Gallica: Prosaica & Metrica. Editio secunda, auctior & emendatior. Leiden: Elsevier. Van Schurman, A.M. 1652. Nobiliss. Virginis Annae Mariae A Schurman. Opuscula Hebraea, Graeca, Latina, et Gallica, Prosaica et Metrica. Editio tertia, auctior & emendatior. Utrecht: Johannis à Waesberge. Van Schurman, A.M. 1659. The Learned Maid or Whether a Maid may be a Scholar. A Logick Exercise. London: June. Van Schurman, A.M. 1673. Eukleria seu Melioris Partis Electio. Tractatus Brevem Vitae ejus Delineationem Exhibens. Altona: Cornelius van der Meulen. Van Schurman, A.M. 1684. Eucleria, of Uitkiezing van Het Beste Deel. Waar in vertoont wert een kort begrip van haar leven, als mede veel Hooft-stukken van den Godsdienst grondig werden verklaart. Amsterdam: Jacob vande Velde. Van Schurman, A.M. 1685. Eukleria seu Melioris Partis electio. Pars Secunda, Historiam vitae ejus usque ad mortem persequens. Amsterdam: Jacob vande Velde. Van Schurman, A.M. 1978. Eucleria, of Uitkiezing van Het Beste Deel. Waar in vertoont wert een kort begrip van haar leven, als mede veel Hooft-stukken van den Godsdienst grondig werden verklaart. Facsimile van 1684. Met een inleiding van S. van der Linde. Leeuwarden: De Tille. Ultee, M. 1987. The place of the Dutch republic of letters of the late 17th century. Dutch Crossing 31: 54-78. Waquet, F. 1989. Qu'est-ce que la République des lettres? Essai de sémantique historique. Bibliothèque de l'école des Chartres 147: 473-502.