Hoe nationaal is nationaal? De negentiende-eeuwse Nederlandse typebeschrijving in internationaal verband René Wezel [33Kb] Abstract Recent research has made it clear that trivial literature in the Netherlands should not be studied in national isolation but in its international context, the reason for this being that in trivial literature especially authors borrowed their material without any scruples from abroad. This is in any case true for the "character sketch" (the description of a certain type of human being), so popular in the 1840's. The borrowing involved certain specific forms of the character sketch (such as the collection of national types and the physiology) and certain concepts (such as the combination of type description and type depiction and the idea of a social zoology), but also texts and illustrations. Sometimes such a borrowed text still shows its foreign origin, but quite often, in the process of translating and adapting, the foreign origin is deliberately obscured. As far as the illustrations are concerned: the enormous increase in the numbers of illustrated books and magazines created a need for evermore illustrations. The new technique of the wood engraving could hardly satisfy this need, hence the international trade in illustrations. 1 Inleiding Begin 1839 neemt de Arnhemsche courant in zes van haar afleveringen een serie van korte beschrijvingen van vrouwenfiguren op. In een inleidend bericht gaat de redactie enthousiast in op het aanbod van ene "mevrouw B... uit 's Gravenhage" om deze schetsen ter publikatie aan de krant te leveren, beschrijvingen van "de interessante", "de indirecte", "de openhartige", "de jaster" (een vrouw die overal "ja" op zegt, met andere woorden: een weinig assertieve vrouw), "de prozaïsche" en "de verkleinster" (een vrouw die vertederd raakt door alles wat klein en aandoenlijk is). Dan komt er plotseling een einde aan de reeks met de volgende verklaring van de redactie: Naardien wij hebben vernomen dat een der dames-portretten, zeer ten onregte, toegepast geworden is op eene onzer bevalligste lezeressen, welke deswege, tot ons groot leedwezen, een ongenoegelijk oogenblik had, zoo zullen er, om iets dergelijks voor het vervolg te verhoeden, geene damesportretten meer worden geplaatst. Wat deze bevallige lezeres in haar ongenoegelijk ogenblik zeer zeker niet, en wat de redactie van de Arnhemsche courant in haar groot leedwezen waarschijnlijk niet wist, maar wat mevrouw B... uit 's Gravenhage toch zeer zeker wel moet hebben geweten, dat was: voor zover al een van deze damesportretten was bedoeld als portret, dan toch in ieder geval niet als portret van een Nederlandse dame. Wat was namelijk het geval? Om te beginnen zijn de zes schetsen geen oorspronkelijk Nederlands werk maar - hoewel dat verder nergens uit blijkt - vertalingen van een Engels werkje, getiteld Sketches of young ladies. Maar bovendien: wie teruggaat naar de Engelse bron ziet dat de vierentwintig schetsen in dit boek geen portretten zijn in de zin van een beschrijving van een met naam te noemen individu, maar - wat je zou kunnnen noemen - algemene portretten: beschrijvingen van een bepaald soort mens, en daarom toepasbaar, niet op een enkel individu, maar op een hele groep individuen. Zo kunnen wij dus ruim 150 jaar later alsnog de zaak rechtzetten en vaststellen dat de lezeres van de Arnhemsche courant geen enkele reden had om zich persoonlijk gegriefd te voelen. Maar wel gold hier natuurlijk: wie de schoen past, trekke hem aan. Een klein maar tekenend voorbeeld als dit hier laat zien hoe verraderlijk het begrip "Nederlandse literatuur" kan zijn. Je denkt op grond van de taal en de bron een Nederlands geschrift te lezen, en je hebt in feite iets van Engelse oorsprong onder ogen. Daarom is in de negentiende eeuw bij anonieme teksten altijd voorzichtigheid geboden - zeker als deze teksten in een relatief vluchtig medium als krant, tijdschrift of almanak verschijnen. Maar zelfs als de auteursnaam wel bekend is, en zelfs bij publikatie in boekvorm, zelfs dan is er geen waterdichte garantie, zoals we nog zullen zien. In verband met het gegeven voorbeeld kan nog het volgende opgemerkt worden. Sedert de jaren '70 heeft de polysysteemtheorie er sterk de aandacht op gevestigd dat, bij de beschrijving van een nationaal literair systeem en bij de beschrijving van relaties tussen diverse nationale literaire systemen, de afbakening op grond van politieke of taalkundige grenzen sterk gerelativeerd moet worden, omdat bepaalde teksten of zelfs hele genres eerder functioneren binnen internationale relaties. De veronderstelling is dat deze relativering vooral noodzakelijk is bij populaire en triviale genres. Het genre waartoe de reeks "Dames-portretten" behoort, levert een fraaie illustratie bij deze veronderstelling. De korte prozaschets waarin, veelal op humoristische wijze, een menssoort wordt beschreven (en waarvoor "typebeschrijving" de meest voor zichzelf sprekende benaming is) is een verschijnsel dat rond 1840 een opvallende opbloei beleefde in verschillende Europese landen. Daarbij vond, op diverse manieren, ontlening over en weer plaats, over de grenzen van de nationale literaturen heen. 2 Opbloei van de typebeschrijving rond 1840 Om een enigszins overzichtelijk beeld te geven van de verschillende internationale relaties, is het het beste om te beginnen in Engeland in 1838. Daar verschijnen dan de eerste afleveringen van Heads of the people or portraits of the English. Engeland kende binnen Europa een relatief lange en continue traditie van typebeschrijvingen, hier "character sketches" of kortweg "characters" genoemd. Zij vindt haar oorsprong aan het begin van de zeventiende eeuw, en twee eeuwen later leeft zij nog steeds voort, maar dan in een sterk getrivialiseerde vorm, bijvoorbeeld in humoristische bundeltjes als het hiervoor genoemde Sketches of young ladies uit 1837. (Het voornaamste wapenfeit waarop het genre zich in dit stadium kan beroemen, is dat Dickens zich ermee heeft ingelaten aan het begin van zijn literaire loopbaan.) Maar in 1838 vindt met Heads of the people een geheel nieuwe ontwikkeling plaats: de nationale typencollectie is geboren. Voor het eerst wordt voor een bundel typebeschrijvingen consequent de eigen nationaliteit als uitgangspunt genomen en voor het eerst is er sprake van een consequente combinatie van illustratie en tekst, van een samengaan van uitbeelding en beschrijving van typen. Kenmerkend is ook het collectieve auteurschap. Vanwege de omvang van de onderneming, maar ook omdat men voor de beschrijving van de diverse typen, waaronder de meest uiteenlopende beroepsbeoefenaren, behoefte had aan wat men met een overdreven woord "specialisten" zou kunnen noemen. Frankrijk kon daarna niet achterblijven en kwam met een eigen nationale typencollectie: Les Français peints par eux-mêmes. Met zijn werkelijk encyclopedische omvang van acht delen van elk zo 'n vierhonderd bladzijden overschaduwde het Franse werk verre het Engelse voorbeeld. Het was dan ook Les Français peints par eux-mêmes, met zijn karakteristieke titel en met zijn al even karakteristieke wijze van illustreren, en niet Heads of the people, dat daarna het model voor de rest van Europa leverde. Eerst verscheen Les Belges peints par eux- mêmes, algauw gevolgd door nationale typencollecties in Nederland, Spanje en Rusland - en wie weet waar nog meer? De nationale typencollectie in Nederland is relatief bescheiden in omvang, maar er zijn er wel twee: De Nederlanden, Karakterschetsen, kleederdragten, houding en voorkomen van verschillende standen en het concurrerende Nederlanders door Nederlanders geschetst. In Frankrijk - dat wil in dit geval zeggen: in Parijs - verschenen echter bovendien, als een soort tegenhanger van de luxe nationale typencollectie, goedkope en goedkoop geproduceerde kleine boekjes waarin veelal net één type of een aantal verwante typen beschreven worden. Allemaal heten ze "fysiologie" en bijna allemaal zijn ze rijk geïllustreerd met kleine prentjes in de tekst. In twee jaar tijd, in 1841 en 1842, verschenen er ruim honderd van dergelijke fysiologieën, ten dele door de betrokken uitgevers in een reeks ondergebracht. Zo zijn er een Physiologie du poète, een Physiologie du garde national, een Physiologie du bas-bleu, een Physiologie du voyageur, enzovoort, enzovoort. En net als in het geval van Les Français peints par eux- mêmes was de omvang van het verschijnsel zo groot dat het niet onopgemerkt bleef in het buitenland. Zo komt het dan ook dat, na de nationale typencollectie, de fysiologie in omgekeerde richting het Kanaal passeert. In Engeland blijft de naam "fysiologie" eerst gehandhaafd als "physiology", maar daarna verandert hij al snel in "natural history", en de hele reeks van "natural histories" wordt aangeduid als "social zoology". Met name een auteur als Albert Smith is uiterst produktief in dit (sub-)genre, met "natural histories" van onder andere "the gent", "the ballet-girl" en "the flirt". In het Duitse taalgebied is er waarschijnlijk niet veel verschenen op dit gebied. Maar het weinige wat er is, zoals de Naturgeschichte des deutschen Studenten uit 1841, is in ieder geval duidelijk een tegenhanger van de Parijse fysiologieën - inhoudelijk vanaf het eerste moment, qua illustratie vanaf de derde druk uit 1847. In Spanje verschijnen er, in het voetspoor van een groot aantal vertalingen en bewerkingen van Franse fysiologieën in 1842 en 1843, ook enkele fysiologieen van eigen bodem. En hoe staat het dan met Nederland? Hier blijft men niet achter want in 1843 is er de Physiologie van Den Haag, toegeschreven aan de toen nog jonge W.J.A. Jonckbloet, die later heel wat degelijker werk zou leveren. Daarna volgden uiteraard nog een fysiologie van Amsterdam en Rotterdam. Hiermee is gelijk ook een schaalverschil gegeven, terug te voeren op het verschil tussen een gewone stad en een metropool: in Frankrijk hebben de fysiologieen een type uit een stad (Parijs) tot onderwerp, in Nederland een hele stad met zijn typen. 3 Ontlening en bewerking in de Nederlandse type-beschrijving Samenvattend kan men zeggen dat in het geval van de Nederlandse type- beschrijving de ontlening bepaalde specifieke vormen van het genre betrof (de nationale typencollectie en de fysiologie met de hen kenmerkende wijzen van illustreren). Daarmee betreft zij tevens bepaalde concepten (de combinatie van typebeschrijving en typeuitbeelding, de nationaliteit als uitgangspunt voor een typencollectie en het collectieve auteurschap van dergelijke collecties, het idee van een sociale zoölogie en de reeksvorming). Deze vormen en concepten krijgen een min of meer eigen Nederlandse invulling met typisch Nederlandse figuren en onderwerpen, zodat er binnen deze uit het buitenland overgenomen vormen en concepten toch sprake is van een zekere originaliteit. Wel wordt er in de Nederlandse typebeschrijving veelvuldig gebruik gemaakt van procédé's die ook in de Franse en Engelse typebeschrijving voorkomen, zoals quasi-wetenschappelijk taalgebruik, classificatie- methoden en verwijzingen naar temperamentenleer en de pseudo-wetenschappen fysiognomie en frenologie. Het gaat hier echter om procédé's die wijder verbreid zijn dan alleen maar binnen dit genre, ook in Nederland, zodat ontlening in dit geval niet waarschijnlijk, althans moeilijk bewijsbaar is. Toch is de Nederlandse typebeschrijving ook weer niet zo origineel, want veel Nederlandse typen zijn in feite als Nederlanders vermomde buitenlanders. Daarmee komen we bij een praktijk die in die dagen niets ongewoons was: die van de vertaling of bewerking die niet als zodanig kenbaar is gemaakt. Deze praktijk treft men bijvoorbeeld aan bij de vertalingen en bewerkingen van schetsen uit Heads of the people en Les Français peints par eux-mêmes in Nederlandse tijdschriften en kranten. Vrijwel geen een daarvan vermeldt de bron waaruit ze zijn genomen. In sommige van deze bewerkingen zonder bronvermelding zijn de beschreven figuren in ieder geval nog steeds duidelijk herkenbaar als Engelsen en Fransen. In andere heeft men echter alles wat ook maar enigszins naar Engeland of Frankrijk verwijst, rigoureus weggelaten, zodat de oorspronkelijke nationaliteit niet meer met zoveel woorden uit de tekst blijkt. Heeft er ook nog eens verdietsing plaatsgevonden, dan wordt zelfs een Nederlandse nationaliteit gesuggereerd. Het is vooral de schrijver J.F. Bosdijk, die zo te werk gaat, in schetsen die hij onder eigen naam aan de tijdschriften Keur van mengelingen en Nederlandsch magazijn bijdraagt en die na zijn dood overigens ook nog eens - weer onder zijn eigen naam - in boekvorm gepubliceerd zijn. Om enkele voorbeelden van zijn werkwijze te geven. Als Bosdijk de schets van de Franse jager vertaalt, dan laat hij de lange inleiding over de jager van weleer en de veranderingen die deze heeft ondergaan sinds de revolutie van 1789, zonder meer weg. Bij verdietsing past hij onder andere de naamgeving aan. Vraagt de context om een schilder van arcadische landschappen met gelukzalige herders, dan kiest Balzac voor Nicolas Poussin, maar Bosdijk voor Nicolaes Pietersz. Berchem. Maar ook vervangt hij duidelijk plaatsgebonden uitheemse verschijnselen door Nederlandse equivalenten. Informeert de Franse "commis-voyageur" bij zijn klant in de provincie naar "l'état des vignes", de Nederlandse reisbediende informeert in Zeeland naar "den staat van de tarwe en het koolzaad". En de Parijse straatjongen zoals hij was "au commencement de la monarchie française", verandert Bosdijk in een Nederlandse straatjongen zoals hij was "onder onze graven, onder onze prinsen, onder onze koningen". Soms raakt hij bij dit soort veranderingen aan de strekking van de tekst. Schrijft Balzac in een tekst over de Franse kruidenier: "La femme de l'épicier en a partagé le sort jusque dans l'enfer de la moquerie française", door Bosdijk wordt dit geneutraliseerd tot: "Zijne vrouw deelt zijn lot met hem in lief en leed." Er is dus alle reden om de Nederlandse typebeschrijving niet in nationaal isolement maar in internationaal verband te beschouwen. Daarbij komt dat de verbreiding van de typebeschrijving als humoristische en als geïllustreerde literatuursoort vanaf 1840 waarschijnlijk sterk gestimuleerd werd door twee andere verschijnselen die eveneens beter niet beschouwd kunnen worden in het enge kader van een nationale literatuur. In de eerste plaats is daar de enorme toename van geïllustreerde publikaties, vooral als gevolg van nieuwe ontwikkelingen in de illustratietechniek. En in de tweede plaats het ontstaan van diverse nieuwe satirische tijdschriften, die veelal overigens ook geïllustreerd waren. 4 Nieuwe illustratietechnieken en handel in illustraties In de eerste helft van de negentiende eeuw ontwikkelde de houtgravure zich als nieuwe illustratietechniek. Doordat de houtgravure als hoogdrukvorm tegelijk met het zetsel van de tekst afgedrukt kon worden en relatief goed tegen slijtage bestand was, maakte zij het mogelijk om steeds meer en steeds rijker geïllustreerde boeken in steeds groter oplagen op de markt te brengen. Tevens verschenen er vanaf de jaren '30 voor het eerst ook rijk geïllustreerde tijdschriften. Om slechts een paar van de belangrijkste te noemen: het Penny-magazine in Engeland, het Pfennig- magazin in Duitsland, het Magasin pittoresque in Frankrijk en in Nederland het eerder genoemde Nederlandsch magazijn, voluit het Nederlandsch magazijn ter verspreiding van algemeene en nuttige kundigheden. Om aan de groeiende vraag naar illustraties te voldoen, was het voor uitgevers vaak nodig - en in ieder geval goedkoper - om houtgravures van elders te betrekken. Daarom werden illustraties op zich in de jaren '30 en '40 het voorwerp van een levendige handel over de nationale grenzen heen. Soms zullen de originele houtblokjes zelf van eigenaar verwisseld zijn, maar waarschijnlijker is dat het om replica's ging. Technische ontwikkelingen in de methode om drukvormen te vermenigvuldigen (eerst de stereotypie en vanaf ca. 1840 ook de galvanoplastiek) maakten een dergelijke handel in replica's van houtblokjes heel goed mogelijk. Deze meer algemene handel in illustraties bracht handel in uitbeeldingen van typen met zich mee. Voor zover nu de tekst niet meegeleverd werd en voor zover de illustratie niet op een geheel oneigenlijke manier hergebruikt werd, betekende dit dat er voor een nieuwe bijpassende tekst gezorgd moest worden. Wat er zoal mogelijk is op het gebied van overname en hergebruik van teksten en illustraties, blijkt uit de geïllustreerde typebeschrijvingen in het Nederlandsch magazijn. Daarbij moet, zonder uiterst tijdrovend zoekwerk, veel nog openblijven. Te oordelen naar de verscheidenheid van stijlen en onderwerpen moet de herkomst van de houtgravures in het Nederlandsch magazijn bijzonder uiteenlopend zijn geweest. Enkele typeuitbeeldingen zijn afkomstig uit een Franse bron (die nog niet nauwkeurig gelokaliseerd kon worden) maar of de bijbehorende tekst een vertaling of bewerking van het Frans is of oorspronkelijk Nederlands, blijft een open vraag. Van een reeks Spaanse typen kan met zekerheid gezegd worden dat ze teruggaan op de Spaanse nationale typencollectie, maar de illustraties zijn er niet rechtstreeks uit afkomstig, maar vervaardigd naar het voorbeeld ervan, en de Nederlandse tekst staat er geheel los van. (Een intermediaire bron is natuurlijk niet uitgesloten.) In één geval, waarbij we dichter bij huis blijven, is de herkomst van tekst en illustratie wel volkomen duidelijk. Wat de illustraties betreft, kan men aan de hand van documenten zelfs precies volgen hoe de uitgeverij die ze eerst in bezit had, in financiële problemen komt, geliquideerd wordt en de houtblokjes voor verkoop op de markt gebracht worden. Het gaat om de houtgravures die eerder voor de Nederlandse typencollectie De Nederlanden vervaardigd waren. Bij het hergebruik van deze typeuitbeeldingen in het Nederlandsch magazijn zijn de teksten waarvan zij vergezeld gaan, vrijwel allemaal nieuw en de meeste zijn inderdaad typebeschrijvingen. Het is hier dat de eerder genoemde J.F. Bosdijk vaak opduikt, en dat blijkt dat hij voor zijn werk vaak put uit Les Français peints par eux-mêmes. Dit heeft bijvoorbeeld tot resultaat dat de afbeeldingen van de Nederlandse jager en straatjongen vergezeld gaan van teksten die oorspronkelijk de Franse jager en de straatjongen uit Parijs tot onderwerp hadden - van teksten die wel, bij de vertaling en bewerking, een verdietsing hebben ondergaan, op de hiervoor vermelde wijze, maar die in wezen onveranderd zijn gebleven. Overigens komt het ook voor dat de vroegere Nederlanders door de bijgevoegde tekst in buitenlanders veranderen. Zo ondergaan de Nederlandse huurkoetsier en de voerman uit Limburg een metamorfose: opeens figureren zij als koetsier van respektievelijk de "cabriolet" en de "fiacre" te Parijs. Over nationaal relativisme en opheffing van de grenzen gesproken! Dit soort "recycling" van teksten en illustraties, waarbij het oude als iets nieuws werd gepresenteerd (of waarbij men althans geen enkele moeite deed kenbaar te maken dat het nieuwe feitelijk iets ouds was), kwam elders overigens net zo goed voor als in Nederland. In 1843 verscheen in Leipzig de Naturgeschichte des Musikanten van Hilarius Paukenschläger. Bibliografen hebben kunnen achterhalen - wie weet met hoeveel moeite - dat achter dit evidente pseudoniem Johann Peter Lyser schuilgaat. Maar bij literatuur van dit kaliber is auteurschap iets betrekkelijks. Als Lyser al bij het boekje betrokken was, dan toch niet als auteur maar als vertaler en bewerker. Want de Naturgeschichte des Musikanten is niets anders dan een vertaling en bewerking van de Physiologie du musicien van Albert Cler - waarbij de bewerking eruit bestaat dat er aan de vertaling van de Franse tekst, die vooral betrekking heeft op het Parijse muziekleven, hier en daar opmerkingen en korte passages zijn toegevoegd die betrekking hebben op de Duitse situatie. Maar bovendien is de Naturgeschichte des Musikanten een duidelijk geval van handel in houtgravures over de grenzen heen, want de illustraties in het boek zijn precies dezelfde als in de Physiologie du musicien. 5 Het satirische tijdschrift en de typebeschrijving Satirische tijdschriften waren in 1840 natuurlijk niets nieuws. Waar het in dit verband om gaat, is dat er in de jaren daarna in diverse landen juist enkele nieuwe - en zeker niet de minst bekende - ontstaan. In het satirische tijdschrift nu was de getekende of de geschreven karikatuur van mensen altijd al een bekende verschijning geweest, en daarom kon de humoristische typebeschrijving makkelijk een plaatsje verwerven in de nieuwe tijdschriften - vooral in de beginperiode ervan. In Frankrijk was Le charivari sedert 1832 het toonaangevende satirische tijdschrift. Het bevatte temidden van een groot aantal uiteenlopende tekstsoorten ook typebeschrijvingen en fysiologieën - of althans fragmenten die later deel zouden uitmaken van fysiologieën. Daarbij speelde uiteraard een rol dat Le charivari verscheen bij de uitgever die de grootste gangmaker van de fysiologiemode was. In 1841 verscheen in Londen het eerste nummer van Punch, een tijdschrift dat zich gezien de ondertitel London charivari presenteerde als een tegenhanger van de Parijse Charivari. Het wekt dan ook niet veel verbazing dat een aantal van de eerder genoemde "natural histories" hier voor het eerst verschenen, maar dan in enigszins andere vorm en aanvankelijk nog onder de titel "physiology". Heel openlijk wordt daarbij erkend dat men hiermee een idee overneemt dat zijn oorsprong vindt in Parijs - en nu maar hopen dat het in Londen net zo succesvol zal blijken te zijn. Hierbij speelt Albert Smith een belangrijke rol als een van de meest produktieve medewerkers van Punch van het eerste uur. Merkwaardig is het dat, als hij eind 1843 aan de kant wordt gezet, dit volgens de overlevering rondom Punch gebeurd zou zijn omdat men "ontdekt" had dat veel van zijn bijdragen bewerkingen naar het Frans waren. Merkwaardig, omdat algemeen bekend was waar veel van de inspiratie van Albert Smith vandaan kwam. Zo zet dan toch in ieder geval een van de chroniqueurs van Punch een vraagteken bij deze overlevering: als Albert Smith zich op de een of andere manier onmogelijk gemaakt had bij zijn collega's, dan toch zeker niet door zijn bewerkingen naar het Frans, aangezien deze praktijk in de negentiende eeuw nauwelijks als een vergrijp gezien werd. Ook het sedert 1845 in München verschijnende satirische tijdschrift Fliegende Blätter bevat in zijn eerste jaargangen weer een aantal type- beschrijvingen met illustraties. En opvallend genoeg ook een reeks typeuitbeeldingen met onderschriften onder de overkoepelende titel "Naturgeschichte". Het valt dan ook bijna te voorspellen dat de satirische tijdschriften die in Nederland in de jaren '40 en '50 beginnen te verschijnen een rijke vindplaats van het genre van de typebeschrijving zullen zijn. In het blad Polichinel, een eendagsvlieg waarvan in 1849 een klein aantal afleveringen verscheen, is het meteen raak. Niet alleen verraadt het in de opmaak duidelijk het voorbeeld van Punch, maar ook bevat het een enkele illustratie die eerder in het Engelse blad was verschenen. Maar het belangrijkste van alles: een relatief groot deel van Polichinel bestaat uit typebeschrijvingen. Van een deel ervan kon een buitenlandse bron achterhaald worden: waar anders dan in Punch of althans in de sfeer daarvan. Een satirisch tijdschrift van meer blijvende aard is de Nederlandsche spectator, met als ondertitel Weekblad van den ouden heer Smits. Dit tijdschrift was althans in de eerste jaren van zijn bestaan, van 1856 tot en met 1859, toen het daadwerkelijk het weekblad van de oude heer Smits was, onvervalst satirisch van aard en het bevatte de nodige typebeschrijvingen. Daarna ging het samen met andere tijdschriften, het verloor zijn satirisch karakter en zijn ondertitel, en meteen verdween de typebeschrijving uit zijn kolommen. De Nederlandsche spectator sluit in zekere zin aan bij het achttiende-eeuwse tijdschrift De Hollandsche spectator van Justus van Effen: volgens het voorbericht wil het "op een bescheiden afstand de voetstappen van Van Effen's Spectator" volgen. Toch is er nog een andere, mogelijk zelfs belangrijker inspiratiebron. Deze wordt vooral met ingang van de tweede jaargang zichtbaar, ook in letterlijke zin, als het blad een nieuwe opmaak met illustraties in de tekstkolommen en met een kopvignet krijgt. Dat deze tweede inspiratiebron opnieuw Punch is, is niet zo vreemd als men bedenkt dat zich achter het pseudoniem "de oude heer Smits" de van oorsprong Engelse schrijver Mark Prager Lindo verschuilt. Deze maakt er geen enkel geheim van dat William Makepeace Thackeray zijn grote voorbeeld is en dat hij vooral graag een Nederlandse versie zou schrijven van diens uitgebreide beschrijving van het type van de snob, The book of snobs. Thackeray nu was in de beginjaren van Punch een van de belangrijkste medewerkers van dat blad, en The book of snobs was eerst in afleveringen daarin verschenen. Maar al mag Lindo dan voor zijn Nederlandsche spectator het Engelse Punch als voorbeeld hebben gekozen, dit wil nog niet zeggen dat het idee om typebeschrijvingen in zijn blad op te nemen, door dit voorbeeld ingegeven is. De typebeschrijving in de Nederlandsche spectator is alleen een zoveelste bewijs dat het genre floreert in een satirische omgeving. 6 Ter afsluiting Bekijkt men de negentiende-eeuwse typebeschrijving in internationaal verband, dan ontstaat een beeld van een netwerk van relaties: van handel en diefstal, van ontlening en navolging, van vertaling en bewerking - een netwerk dat als een spinneweb over heel West-Europa ligt. De vraag is: wat is de plaats van de Nederlandse typebeschrijving hierin? Misschien moet het antwoord luiden: die van een insect, gevangen in dit web. Natuurlijk kan men dit insect op zich bestuderen. Maar het meest interessant is toch het web waarin het gevangen zit. Potchefstroomse Universiteit vir C.H.O. Bibliografie Greenough, Chester Noyes. 1947. A bibliography of the Theophrastan character in English with several portrait characters. Cambridge. Hendrix, W.S. 1933. Notes on collections of types, a form of 'costumbrismo'. Hispanic review 1: 208-21. Korevaart, Korrie. 1991. Krant en literatuur, De fysiologie in het dagblad. De negentiende eeuw 15: 89-107. Meulen, Jelle van der; Dick Welsink. 1980. De Nederlanden, karakterschetsen, kleederdragten, houding en voorkomen van verschil- lende standen. [Facsimile-editie met inleiding. 's Gravenhage: Kruseman]. Smeed, J.W. 1985. The Theophrastan 'character'. The history of a literary genre. Oxford/New York: Oxford University Press. Wezel, René. 1993. December 1839: Kneppelhout publiceert 'De student-Leydenaer', Het typengenre en de 'kopijeerlust des dagelijkschen levens'. In: Schenkeveld-Van der Dussen, M.A. e.a. (reds.). Nederlandse literatuur, een geschiedenis. Groningen: Martinus Nijhoff, pp. 455-460. Wezel, René. 1994. Een 'echt nationaal werk'? Nationale typen- collecties in de negentiende eeuw. Literatuur 11: 274-282.99