De receptie van de Gothic Novel (griezelroman) in de Nederlandse literatuur (1790-1850) H. van Gorp Inleiding: de Gothic Novel in Noordwest-Europa Het is algemeen bekend dat, met de groei van een nieuw lezerspubliek uit de lagere burgerij, aan het einde van de achttiende eeuw een aantal volkse prozagenres opkomen, die inspelen op een hang naar fantastiek en interesse voor het verre verleden. Vooral Germaanse landen, zoals Duitsland en Engeland, laten zich op dit terrein gelden met een massale produktie van ridder-, rovers- en griezelromans die, hoe heterogeen qua corpus ook, voldoende gemeenschappelijke kenmerken vertonen om van een genre te spreken. Dat de Engelse term Gothic Novel heden ten dage gewoonlijk als algemene genre-aanduiding gebruikt wordt (tegenover het Duitse Schauerroman en het Franse roman noir) heeft vooral met literair- historische factoren te maken. De Engelse Gothic Novel staat immers aan de wieg van deze laat-achttiende-eeuwse romantypes en is als corpus van teksten vrij nauwkeurig te omschrijven. De terminus post quem ligt voor iedereen vast: het genre start met The Castle of Otranto (1764) van Horace Walpole. Een aantal contemporaine metateksten en literaire feiten wijzen duidelijk in die richting. Denken we maar aan de expliciete uitspraken van Walpole zelf in de voorrede tot de tweede editie van The Castle, waar hij het ambitieus over een nieuw genre heeft, en verder ook aan het voorwoord van Clara Reeve bij The Old English Baron (1778) dat uitdrukkelijk naar het "model" van Walpole verwijst. Tenslotte wordt hier en daar in de toenmalige tijdschriftenkritiek Walpole reeds als "vader" van een nieuw romangenre bestempeld. Toch is er in de jaren '70-80 nog geen sprake van een echt genrebewustzijn. We moeten daar- voor wachten tot omstreeks 1790 wanneer Anne Radcliffe op het toneel verschijnt, weldra gevolgd door Matthew Gregory Lewis. Ondertussen was in Duitsland een mengvorm van ridder-, rovers- en spookverhalen ontstaan die weldra ook Engeland zou overspoelen en samen met de "Radcliffades" (imitaties van Radcliffe) tot een modegenre en rage zou worden tussen 1795 en 1820. Dat deze genrebenadering geen eind- twintigste-eeuwse uitvinding is, moge blijken uit een kleurrijke recensie in de Nieuwe Vaderlandsche Bibliotheek van 1801. Ze luidt als volgt: Reeds sedert eenen geruimen tijd trok er een geducht onweder boven de hoofden der Recensenten in Duitschland te samen, dat welhaast vreeslijk uitberstte. Men begon daar naamlijk Romans te vervaardigen, vol van de ijslijkste gebeurtenissen, meestal uit de duistere middenëeuwen gehaald, en die niets anders bevatteden, dan eene aanëenschakeling van schrikwekkende rooverijën, moordenarijën, gewelddadigheden, vrouwenschennis, enz. midsgaders eene reeks van wonderbaar schijnende voorvallen, die zich eindelijk natuurlijk oplosten. Daar er slegts eene levendige verbeeldingskracht en gezonde vingers verëischt werden, tot het daarstellen van zulk slag van Romans, waarïn enkel Kasteelen, Grotten, onderäardsche Gewelven, Kloosters, Papen, Ridders, gewaande Geesten, Stormen en Onweders paradeerden, [...] werd de lezende wereld welhaast, met een groot aantal van zulke werken, overstroomd ... Uit Duitschland trok dit onweder naa Engeland en woedde aldaar niet minder geducht, in eigene werken van Madam Radeliffe [!] en anderen zoowel, als in vertalingen uit het Hoogduitsch. Hoe zeer de Recensenten, in beide gewesten, het zwaar geschut tegen dit onweder losten, het verdeelde zich niet; het scheen zelfs aan te groeiën en verspreidde zich, hoe langs zoo meer, ook over andere landen. [...] de donderbui [trok] over het kanaal naa Frankrijk. Midden onder het oorlogsgewoel en ondanks de antipathie der twee Natiën tegen elkander, wisten de tooverromanschrijvers, als in een schrikbewind verëenigd, beider Leespubliek te overmeesteren, en het regende vertalingen der Engelsche voordbrengselen van dien aart in het Fransch. Reeds hadden wij het van verre hooren donderen, maar van Duitschland trok het onweêr nog niet tot ons over. Toen wij deszelfs woeden in Engeland vernamen, stelden wij ons ook nogal gerust, daar de Bataafsche handel met dat gewest, offschoon ter sluik, meer in andere waarden, dan juist in boeken, bloeide. Maar zoodra wij den overtogt daarvan naa Frankrijk bespeurden, veränderde onze gerustheid in vrees. Hier toch was het, dat onze nabijligging en broederlijke betrekkingen ons alles deden duchten, en de uitkomst toonde, dat onze vrees geenszins ongegrond was. Deze uitvoerige historische schets van een opkomend genre wordt, globaal genomen, ondersteund door tal van uitspraken in de toenmalige kritische tijdschriften, zowel in Duitsland, Engeland en Frankrijk, als in het Nederlandse taalgebied. In de Algemeene Konst- en Letterbode (AKL) van 1796 (nr. 143) bijvoorbeeld, wordt uit het Duitse Intelligenzblatt van de Allgemeine Literaturzeitung (mei 1796) de volgende passage letterlijk overgenomen: Een byzonder slag van verdichtsels, de Romans, hebben in Engeland tegenwoordig bykans dezelfde toevallige rigting gekregen, als zy, kort geleden, in Duitschland hadden, en voor 't merendeel nog hebben. Oude Ridder- en Spookhistories, Tover- en Wonderholen, hebben, by een Volk, dat zyne Richardsons, Fieldings, Sternes en Smollets heeft, een onbegrypelyken aftrek gekregen, en -- 't geen iets zeldzaams is, de Hoog- duitsche Letterkunde, welke juist in zulke misgeboortens zo ongemeen vrugtbaar is, by de leesgrage Engelanders, meer dan door de beste Klassike Schryvers, opgang doen maken. Even voordien, in nr. 127 van hetzelfde tijdschrift, werd al eens op dat fenomeen gewezen: De Duitsche Spook- en Ridder-Romans schynen thans byzonder in den smaak der Engelschen te vallen: althans zy worden gretig vertaald. [...] Ondertusschen bepaalt men zig niet eniglyk tot het overnemen van soortgelyke uitheemsche voortbrengzels van valsch vernuft: maar weet ook betere uittekippen. Het is hier niet de vraag wie wie beïnvloed heeft of wat de precieze oorzaken zijn geweest van het ongewone succes van het genre. Ze zijn waarschijnlijk velerlei, zoals een Duitse "Götz von Berlichingen"- romantiek, een Engelse anti-paapse mentaliteit, sensationele verhalen van Franse emigranten over de Revolutie, een nieuwe esthetiek die oog kreeg voor het onregelmatige en sublieme dat gevoelens van angst, ontzetting én fascinatie opriep, een gothic revival in architectuur en landschapsbeschrijving, en, in het algemeen, een gevoelsreactie tegen een te eng rationeel Verlichtingsdenken. Hoe ook, het is een literair feit dat aan het einde van de achttiende eeuw in Engeland en Duitsland, en onmiddellijk daarna ook in Frankrijk, een op sensatie en schrikgevoelens gebaseerd prozagenre, ondanks felle kritiek, de markt veroverd heeft. Het is onze bedoeling na te gaan of de vrees van de Nederlandse recensent uit de Nieuwe Vaderlandsche Bibliotheek gegrond was en dit genre ook de Nederlandse boekenmarkt heeft overspoeld. Met andere woorden, hoe heeft de Nederlandse kritiek en het Nederlandse publiek dit nieuwe genre "gerecipieerd"? De receptie van de Gothic Novel in Nederland 1790-1825 De problemen die bij zo'n poging tot receptiegeschiedenis rijzen zijn enorm. Behalve de erg moeilijke afbakening van het genre -- émetteurs én récepteurs -- is er het precaire statuut van de toenmalige (meta)teksten waarop we ons voor zo'n studie moeten baseren. De titels van een aantal werken zijn vaak eerder "aanlokkend uithangbord" (Vaderl. Letteroefeningen, 1814: 713) en modieuze verkoop-labels dan dat ze de inhoud dekken. De overname van tal van kritische uitspraken uit andere, buitenlandse tijdschriften, vermindert waarschijnlijk de representativiteit ervan voor het eigen publiek. Hoe groot is de reikwijdte van de vele kritische opmerkingen: wie of wat vertegenwoordigen bepaalde critici of tijdschriften in het toenmalige literaire of culturele bestel? welke belangen zijn ermee gemoeid? En tenslotte, wat de (re)creatieve produktie zelf betreft: hoe ver kunnen en moeten we hier gaan? Duidelijke vormen van intertekstualiteit liggen voor de hand, zoals vertalingen en parodieën. Maar waar ligt de grens tussen imitaties en bewerkingen (in diverse genres, ook op toneel) en anderzijds eigen creaties die grotendeels los van uitheemse invloed tot stand zijn gekomen. Het zal duidelijk zijn dat de onderhavige schets van de Nederlandse receptie van de Gothic Novel dan ook met de nodige omzichtigheid moet worden geïnterpreteerd. Wellicht is het nog het best om gewoon een aantal "gegevens", op een rijtje te zetten en de interpretatie ervan mede aan de lezer over te laten. De Engelse Gothic Novel Duidelijke sporen van invloed van de Engelse Gothic Novel op de Nederlandse literatuur zijn veeleer zeldzaam. Zoals reeds vermeld waren de culturele betrekkingen, in tegenstelling tot commerciële relaties, tussen Engeland en Nederland miniem. Alleen al uit het aantal titels in Buisman en andere catalogi blijkt dat de bekendheid met de Duitse en Franse romankunst veel groter was (voor de periode 1795-1830 in een orde van 3-2-1 respectievelijk voor Duitsland, Frankrijk en Engeland, ondanks de constante en stereotypische kritiek tegen Duitse barbaarsheden en Franse decadentie). Een aantal van de hierboven vermelde vertegenwoordigers van het Gothic Novel genre in Engeland (Walpole, Reeve, Lewis) komen vrijwel nergens voor in de contemporaine kritiek, laat staan dat ze werden ver- taald of nagevolgd. Slechts in "overgenomen" stukken in de AKL uit Engelse periodieken (onder meeer de Monthly Review, The Analytical Review, The Critical Review) en uit het Duitse Intelligenzblatt van de Allgemeine Literaturzeitung, wordt de Nederlandse lezer af en toe over hen geïnformeerd. Zo bijvoorbeeld, naar aanleiding van zijn overlijden, het vrij uitvoerige stuk over Walpole op 2 maart 1798 waarin terloops zijn The Castle of Otranto "het groot model van alle Geesten- en Spook- romans" wordt genoemd "welke sedert dien tyd [=1765] Engeland over- stroomd hebben". In datzelfde jaar (AKL, nr. 224 van 13 april 1798) passeren ook een aantal "Spookstukken" de revue, "van welken reeds ettelyken uit de Radcliffsche romans op het toneel gebragt zyn", onder meer het succesvolle The Castle Spectre (1797) van Lewis, zonder dat diens naam echter wordt genoemd. Ook wordt melding gemaakt van Walpoles The Mysterious Mother (1781), dat volgens de Nederlandse recensent, met enige "verzachting" van het "ysselyke" onderwerp en van de anti-religieuze uitdrukkingen, zou verdienen "op onzen inlandschen bodem verplant te worden". Mindere goden in het genre krijgen, naar aanleiding van "vertalingen uit het Fransch naar het Engelsch" sporadisch een vermelding, zo onder meer Charlotte Smith en Regina Maria Roche (auteur van The Children of the Abbey), die echter voor een Franse schrijfster wordt gehouden! Verder worden Engelse titels vernederlandst, zonder vermelding van de auteurs (bijvoorbeeld Het Geheimvol Kasteel (van Singer) en De Abdij van Grasville (van Moore), wat te denken geeft over de bekendheid met het oorspronkelijke werk. Uitzondering op deze gang van zaken is vooral de naam, maar deels ook het werk van Anne Radcliffe. Radcliffe en de "Radcliffades" Anne Radcliffe -- die in de AKL van 1799 (nr. 302) "de Schrik-Roman Dichteres" wordt genoemd, had in Engeland succes gekend met A Sicilian Romance (1790), The Romance of the Forest (1791), en vooral The Mysteries of Udolpho (1794) en The Italian (1797). Franse en Duitse vertalingen, imitaties en apocriefe toewijzingen overstroomden de markt. In Nederland ging het er, zeker aanvankelijk, heel wat gematigder aan toe, maar toch. In 1793 verschijnt reeds een vertaling van A Sicilian Romance in deel 4 van de reeks Magazijn van geschiedenissen, romans en verhalen onder de titel De Bouwval, of de geschiedenis van de Marquisin van Mazzini. Het is waarschijnlijk een "intermediaire" vertaling via het Frans, (cf. "Souterrains" in de Franse vertaling) al kan ook een Duitse vertaling als bemiddelaar gefungeerd hebben. Wat er ook van zij, de naam van de auteur wordt niet vermeld, evenmin als die van de vertaler/vertaalster, en de Nederlandse "magazijn-lezer" moet het ook doen zonder enig voorwoord. In de Vaderlandsche Letteroefeningen van 1795 (I: 355) wordt het verhaal veeleer negatief bestempeld: "van top tot teen geheel Roman, en krielt van de onnatuurlykste en tegen alle mogelyke waarschynlykheid aanloopende Gebeurtenissen". In 1796 (I: 44) wordt er opnieuw naar verwezen naar aanleiding van een pas verschenen toneelbewerking van de roman, De Marquize van Mazzini, Tooneelspel, in vyf Bedryven. Ook hier blijven de naam van Radcliffe en die van de bewerker achterwege. De recensent geeft wel volgende toelichting: De Schryver heeft hetzelfde doel als gemelde roman, naamlyk aan te toonen de schriklyke gevolgen der Ondeugd, en de zalige belooningen der Deugd, die, te midden der wreedste beproeving, en het uitstaan der onmenschelykste geweldenaryen, standvastig blyft. In dit Stuk is het gezegde verhaal vry wel gevolgd; doch hetzelve heeft dit boven het andere vooruit, dat, schoon er al het romanesque niet geheel kon worden uitgelaaten, het fabelachtige, en tastbaar verdichte, zorgvuldig vermyd is. Het verdient de leezing zeer wél. Al met al niet zo lovend voor Radcliffe. Ondertussen had de AKL gewoontegetrouw uit de Analytical Review en The Monthly Review de aankondiging van Radcliffes The Mysteries of Udolpho reeds op 19 sep- tember 1794, respectivelijk op 2 januari 1795 overgenomen. De auteur blijft in de Nederlandse versies "Radeliffe" heten, maar zij wordt nu, in navolging van de Engelse recensenten, lovend beschreven als een Dame aan wie een "onderscheidenden rang" moet gegeven worden "onder de fraaie schryvers". In beide annonces wordt tevens naar haar vorig werk, The Romance of the Forest ("de Romance van het Bosch") verwezen. In 1797 wordt de auteur opnieuw vermeld bij een voorstelling van recent verschenen Franse romans, waaronder La Foret ou l'Abbaye de St. Clair "zynde waarschynlyk ene vertaling uit het Engelsch van Ms. Radcliffe" (nr. 167: 77). Met het verschijnen van The Italian (1797) lijkt de mode van de Radcliffiaanse Gothic Novel ook in Nederland, althans in de kritiek, te zijn doorgebroken. Via het Duitse Intelligenzblatt van 24 februari 1798 verneemt de lezer van de AKL (nr. 224, 13 april 1798) dat de rage van "dat schrikbarend slag a la Radleliff" [sic] in Duitsland en Engeland zelf al heeft geleid tot recepten "voor een goed schrik- en gruuwmixtuur in 2 Delen" en parodieën "over de nieuwe Roman-fabriek". Colmans bekende hekeldichtje wordt goedkeurend beaamd: A Novel now is nothing more Than an Old Castle and a creaking door -- A distant hovel -- Clanking of chains -- a Gallery -- a light Old armour, and a phantom all in white And there's a Novel -- Het fungeert als inleiding op de voorstelling en bespreking van een aantal spookromans die toen voor de Engelse "Lees-Bibliotheken" als "gangbare fabriek-waren" vervaardigd werden. Radcliffes The Italian steekt daar echter volgens de "Engelsche beoordelaars" bovenuit. Het wordt als volgt ingeleid: De inbeeldingvolle Mrs. Radcliff zelve opent, billykerwyze, de met zwart floers omhangen Lykstatie in de schrikbarende soort, met haar nieuw vervaarlyk product: The Italiaan or the Confessional of the black Penitents. [...] Getrouw aan haar groot model, The Castle of Otranto, verplaatst zy het Toneel naar Napels en in Onder-Italien. Na te hebben gewezen op de "vervaarlyke bedryven", "ysselyke Tonelen" en de overdreven geschilderde "gruwelen der Roomsche inquisitie" wordt via een verwijzing naar uittreksels in de Bibliothèque Britanique de doorzichtigheid en monotonie van het genre aan de kaak gesteld. Desondanks -- of moeten we zeggen precies daarom -- kent het een enorm succes. Getuige het wedervaren van de "nog vervaarlyker Roman" The Monk van M.G. Lewis, die in datzelfde jaar "meermalen herdrukt wierd, en, zo wel in ene Fransche als Hoogduitsche vertaling, een byna ongelovelyken opgang maakte". Uit de verdere commentaar (met verkeerd gespelde namen en fout geïnterpreteerde bronverwijzing- en) blijkt echter duidelijk dat de Nederlandse recensent de roman zelf niet heeft gelezen. Een Nederlandse vertaling is trouwens, ondanks de "ongelovelijken opgang" niet op de markt gebracht. Dit gold, voorlopig althans, ook voor Radcliffes The Mysteries of Udolpho en The Italian. We moeten daarvoor wachten tot de jaren twintig. Toch werd haar naam ondertussen vaak uitgespeeld als publiekstrekker. Het fenomeen van "Radcliffades", pseudo-vertalingen en apocriefe toewijzingen is in de periode 1800-1820 ook in Nederland opvallend aanwezig. Om slechts een van de meest bekende voorbeelden te geven: in 1817 verschijnt bij de Wed. H. van Kesteren en Zoon te Amsterdam een roman getiteld De Albigenzen of De Kluizenaar in het Bosch van Caillavel ... gevolgd naar eene Fransche vertaling van het Engelsche handschrift van Anna Radcliffe. In werkelijkheid is het een verhaal van E.L. de Lamothe Houdancourt. In de voorrede van de vertaler, J. de Q... (= de Quack) wordt de bekendheid van Radcliffe bij het Nederlandse publiek uitgespeeld: [...] dit werkje van, de reeds zoo zeer bij ons bekende, Anna Radcliffe, [zal] veellicht geen ongunstig onthaal, in ons vaderland, ten deel vallen; onderscheidene werken van deze schrijfster zijn reeds in de Nederlandsche taal overgebragt [!] en door de Nederlanders met graagte gelezen; waartoe zou het dan dienstig zijn, hier iets van haar vindingrijk vernuft of goeden roman-stijl te zeggen? Ondanks het feit dat er tot dan slechts één roman van Radcliffe, en dan nog zonder vermelding van haar naam, vertaald was, blijkt zij toch bekend te zijn bij een deel van het Nederlandse publiek. Ook voor de recensent van het Amsterdamsch Letterkundig Maandschrift (april 1818) lijkt er geen vuiltje aan de lucht. Anna Radcliffe, zo schrijft zij, zal de lezers en liefhebbers van dit soort romans [...] ongemeen wel voldoen. Zij heeft er den slag van weg, om het geheimzinnige met het vreesselijke, -- het aandoenlijke met het ontzettende, wonder wel te doen zamensmelten. Echter, dit vonden wij; maakt zij hare ontmoetingen al te gezocht; het toeval speelt eene al te voorname rol in den loop van dezen roman. De Schrijfster laat, naar believen, hare personen bij elkaar komen, waar zij ze noodig heeft. Dit moet zoo niet zijn; want dan verliest men dat natuurlijke, het welk, ook zelfs in Ridder-romans en Geestengeschiedenissen, den afloop der gebeurtenissen tot eene belangwekkende ontwikkeling moet brengen. Wanneer in 1820 bij Johannes Noman te Z. Boemel De Verschijningen op het Kasteel der Alpen gelegen in de Pyreneën van de drukpersen rolt, met als toemaat: "gevolgd naar het Engelsch van Anne Radcliffe", lijkt de recensent van het Letterkundig Magazijn toch lont te ruiken, zonder precies te weten wat er aan de hand is. Hij begint zijn recensie als volgt: Meer geneigd, om, wanneer ons Uitgevers, Schrijvers of Vertalers, Werken ter Recensie toezenden, te prijzen dan te laken, indien wij er slechts iets lofwaardigs in aantreffen, zijn wij waarlijk met dit Boek verlegen. Zekerlijk zijn Uitgever of Vertaler door den naam van Anne Radcliffe, van wie beminnaars der soort lektuur, welke zij oplevert, wel eens betere voortbrengselen harer verbeelding en pen ontvingen, misleid geworden; zij hadden echter, bij een weinig meer smaak, en oplettendheid, dan zij te werk gesteld hebben, ligtelijk kunnen en moeten zien, welke eene vod zij hier voor zich hadden. In 1821 hebben wij dan eindelijk met een echte, zij het weer intermediaire vertaling (via het Frans) te doen, namelijk De Italiaan, of de Biechtvader der Zwarte Boetelingen (Amsterdam, bij J.C. van Kesteren, in twee delen). Globaal gezien is het een volledige vertaling, hoewel toch heel wat scènes, vooral "romantische" landschapsbeschrijvingen -- het waarmerk van Anne Radcliffe -- zijn ingekort. Anderzijds wordt hier en daar ten gerieve van de lezer wat verduidelijkt en zijn enkele zedelessen toegevoegd (zie Van Gorp, 1993: 150-52). De recensent van het eerste deel in het Letterkundig Magazijn (1821, I: 672) verwoordt de lezersverwachting bij dit soort verhalen door "het tweede, waarin alles zeker zal ontwikkeld [verklaard] worden, met verlangen te gemoet [te] zien". Ook het tweede deel wordt vrij gunstig besproken, hoewel, zo lezen wij, "Veel zedelijke strekking heeft deze roman niet, doch hij bevat ook niets zedebedervends ..." (1822, I: 141- 2). Ook de recensent van de Vaderlandsche Letteroefeningen is matig positief, in vergelijking met de vroegere reacties op dit soort schrik- romans. Deze Italiaan ... zal alzoo ook wel met gespannene verwachting en groot genoegen gelezen worden. Zelden lazen wij iets soortgelijks, dat ons evenzeer met ijzing vervulde, en tot bijna de laatste bladzijde toe in onzekerheid hield. Radcliffe heeft daarenboven een treffende schrijf- wijze. De vrij uitvoerige bespreking in De Recensent (1822, I: 90-2) gaat in dezelfde richting, maar prijst vooral de verderfelijke voorstelling van de Roomse Inquisitie en de zedelijke les aan het einde, die echter door vertaler Jan de Quack extra in de verf was gezet! Het Algemeen Letterlievend Maandschrift, daarentegen, is er minder over te spreken. Begrijpelijk, daar de roman besproken wordt tezamen met De Verschij- ningen op het Kasteel der Alpen (verkeerdelijk toegeschreven aan Radcliffe), waarover hij vernietigend uithaalt: "Waarlijk, in langen tijd is ons uit de romannenfabriek geen ellendiger produkt in handen gekomen". Deze negatieve houding zet zich, zij het gematigder, door met betrekking tot De Italiaan, die toch veel hoger moet worden aangeslagen. Twee jaar later, in 1823, verschijnt eindelijk ook Radcliffes meester- werk in vertaling bij dezelfde uitgever: De Geheimen van Udolpho. Naar het Engelsch. Van Anna Radcliffe (1823). Het wordt, met de nodige terughoudendheid voor de "duivelsche" karakters, het onwaarschijnlijke van sommige passages en het ontbreken van een zedelijke strekking, in het Letterkundig Magazijn (1824, I: 682-86) en De Recensent (1825, I: 207-10) voorgesteld, zonder duidelijke afwijzing of lof. De Nederlandse kritiek lijkt zich al bij al omstreeks 1820 aan het genre te hebben aangepast. Toneelbewerkingen en bekorte versies Naast imitaties en echte of pseudo- vertalingen wordt in de betrokken periode (1800-25) ook heel wat bewerkt voor het toneel. Deze toneelversies lijken het bijzonder goed te doen in de volkstheaters. Dit heeft te maken met het enorme succes, in de Franse tijd, van het melodrama à la Pixérécourt of Kotzebue. Het repertoire bestond meestal uit toneeladaptaties van Duitse sensatieromans (zie hierna) en verta- lingen van Franse bewerkingen van veelgelezen Engelse gothic novels (de loonkosten waren er lager dan in Engeland!). Het genre wordt erg populair eind achttiende begin negentiende eeuw, tot woede van de critici. Worp (II: 351) spreekt van een opkomend genre [...] dat een quasi-historischen achtergrond heeft, waarin de personen aan geweldige hartstochten uiting geven en aan de allerverschrikkelijkste rampen ontkomen. Kerkerholen, rotsen en graftomben zijn bij voorkeur de plaats der handeling; ridders en edelvrouwen, kluizenaars en trouwe dienaren, maar vooral de meest doortrapte schurken zijn de handelende personen. Robert of de Struikrovers (1796), een vertaling door Witsen Geysbeek van een Franse bewerking door la Martelière van Schillers Die Räuber maakt "grooten opgang", evenals Candor, of de Grafkelder in het bosch, een bewerking van een Franse roman van Ducray-Duminil, en toneeladaptaties van Vulpius' Rinaldo Rinaldini en Glorioso. Een deel van het Nederlandse publiek wordt aldus via de scène met het genre geconfronteerd, onder meer ook met Radcliffes Mysteries of Udolpho. In het Amstels Schouwtooneel (23 januari 1809, II: 26-7) wordt door de klassiek gerichte toneelrecensent A.L. Barbaz nogal neerbuigend een toneelbewerking ervan, onder de titel Montoni of het Kasteel van Udolpho, besproken. Het begin van de recensie is interessant voor de receptie van de Gothic Novel bij de aanvang van de 19de eeuw: De smaak in romans van riddergeschiedenissen uit de middenëeuwen is, in onze dagen, langen tyd zo sterk geweest; men heeft zo veel welgevallen in spookkastelen, verdrukte, opgesloten, of vermoorde vrouwen gevonden; men heeft zich op de Gothische onbeschaafdheid zo sterk verzot betoond; dat een aantal Hoogduitsche en Fransche prozaschrijvers gemeend heeft, het publiek geen grooter dienst te kunnen bewyzen, dan met diergelyke geschiedenissen ook op het tooneel te brengen, en dus gezegde romans, als het ware, voor de oogen te verwezenlyken, denkelyk om dezelven, daardoor, méér indruk te doen verkrygen. Tot die soort behoort ook de Montoni, voorlang uit het Fransch overgezet, dikwerf op ons tooneel vertoond, en thans weder opgevoerd, voor een publiek dat talryker was dan by de beste stukken van Corneille, Racine, Voltaire, Moliere, of Destouches, iets hetwelk tot bewys moet verstrekken dat de smaak voor het wonderbare, in onze verlichte eeuw, noch niet ten enemaale uit de waereld is verdwenen. Interessant is nu dat in die toneelbewerking personages uit zowel The Mysteries of Udolpho als uit Radcliffes The Italian de dienst uitmaken, wat de genreverwachting nogmaals beklemtoont. Overigens blijken sinds 1800 op zijn minst twee versies van Radcliffes The Mysteries in omloop. Zij worden beide in de Vaderlandsche Letteroefeningen van 1801 kort voorgesteld. Het betreft het bovengenoemde Montoni, of het Kasteel van Udolpho, naar het Fransche van A. Duval, door A. Bruggemans (te Amsterdam, by J.W. Smit. In 8vo. 162 blz.) en Het Testament, of de geheimen van Udolpho; Tooneelspel (bij dezelfde uitgever, maar gereduceerd tot 84 bladzijden). De recensent van dienst meldt kort: "Beide deeze Stukken zyn getrokken uit den Roman van Anne Radclif, getyteld: les mysteres d'Udolpho". Let op de duidelijke Franse mediatie van zowel roman als toneelstuk! De denigrerende evaluatie blijkt uit de schampere opmerking dat de bewerkers het Aristotelische "vrees en medelijden" hebben vervangen door "schrik", "en in dat oogmerk zyn zy wezenlyk zeer goed geslaagd, nadien verscheidene Tooneelen niet dan yzing en schrik voortbrengen". Dat twee of meer versies worden "getrokken" van een roman is trou- wens niet zo uitzonderlijk. Naar aanleiding van verschillende toneel- bewerkingen van een Duitse roman Die Lazaronen (?) wordt in de Vader- landsche Bibliotheek (1809, I: 143, resp. 377-9) op dit fenomeen wat dieper ingegaan. De recensent heeft uitvoerig twee versies ervan met elkaar vergeleken en besluit dat "beide ... oorspronkelijke Geestvruchten van twee bijzondere schrijvers [zijn]". En hij voegt eraan toe: "een derde kan dit geval weder lezen, vormen er ook een Tooneelspel uit, en dit is (onzes bedunkens) aan ieder geoorloofd", vermits er op dit vlak geen "uitsluitend recht" bestaat. Bewerken, excerperen en bloemlezen is trouwens in de mode in die tijd. In Engeland, Duitsland en Frankrijk verschijnen magazines en periodieken met bekorte versies van gothic novels en Schauerromane (zie Van Gorp, 1993: 139 en 147). In Nederland komen dergelijke "chapbook"-versies of penningmagazijnen (voor wie niet in staat is of geen tijd heeft om hele boeken te lezen) niet van de grond voor 1830. Wel is in 1815 een bundel Kleine Romans en Gothische Vertellingen. Uit het Engelsch verschenen, die op een gelijkaardige interesse wijst. Het attribuut "gothisch" in de titel is hier wel opvallend. De inhoud van de vijf opgenomen verhalen geven trouwens goed de sfeer weer van de zogenaamde "historical gothic", met nadruk op motieven van usurpatie en broedermoord. Hoe ook, deze uitgave en tal van produkties bewijzen dat Radcliffe niet de enige auteur was die bij ons vertaald, "bewerkt" of geïmiteerd werd. Meer nog dan in de Engelse Gothic wordt trouwens uitvoerig inspiratie gezocht bij Franse (onder meer Ducray-Duminil) en Duitse auteurs zoals Kotzebue en Zschokke. De Duitse Schauerroman Het voorgaande kan de schijn wekken dat de receptie van de griezelroman in Nederland geconcentreerd ligt rond het oeuvre van Anne Radcliffe. Niets is minder waar. Wat de Engelse Gothic Novel betreft was zij ongetwijfeld degene die het meeste invloed, ook bij ons, heeft uitgeoefend, maar als wij de boekenproduktie en het recensiewezen in hun geheel overschouwen in de periode 1795-1820, dan valt toch de veel sterkere aanwezigheid van Duitse namen en titels op. Namen als Veit Weber, Schiller (Der Geisterseher, Die Räuber), Kotzebue, Spiess, Vulpius, Naubert, Zschokke, Lafontaine en Heinrich Müller duiken om de andere bladzijde in de kritische tijdschriften op. De waardering is wisselvallig, maar veelschrijvers als Kotzebue en Spiess krijgen nogal eens de volle lading. Wat hierbij opvalt is dat, in tegenstelling tot de meer romantechnische opmerkingen over Radcliffes romans, hier de barbaarse zeden en het bijgeloof in de besproken "Ritter-, Räuber- und Schauerromane" en de commercializering van de produktie gehekeld worden. Veit Webers Verhaalen uit de Middel-Eeuw en Riddertyden (1793) en Overleveringen der voorige Eeuwen. Uit het Hoogduitsch. Uitgegeeven door Mr. R. Feith (1793), "twee Vertaalingen van één Werk, het welk met veel deelneeming en gevoel in Duitschland geleezen is, en ook in ons Vaderland geleezen zal worden", staan aan de oorsprong van de receptie van de Duitse "Schauerroman" in Nederland. Het werk van Weber (Wächter) wordt als "geheel nieuw in zyn soort" bestempeld en wekt bij de recensent uit de Vaderlandsche Letteroefeningen (1793, I: 657) terzelfdertijd afschuw en gefascineerde bewondering op. Dat Rhijnvis Feith, met zijn gekende voorliefde voor ruïnes, in zijn voorbericht bij de Overleveringen de lof steekt van Weber zal aan het succes ervan wel hebben bijgedragen. Imagologisch interessant is de noot bij het begin van het tweede deel ervan (op de kaft is de naam Feith hier niet meer vermeld), waar de vertaler (Feith?) schrijft: Ik moet maar eerst met klaagen beginnen; want gevoelige Leezeressen zullen, vreeze ik, even gelyk by het eerste Deel, tegen my uitvaaren, dat in dit Werk zo veele schrikkelyke tooneelen, versleten Monnikenfratsen, dreigende Ridderbeelden, en grijnzende Doodshoofden gemaald worden. Als verdediger roept hij Wieland ter hulp die het Duitse volk in de middeleeuwen "charaktermaatig" beschreven heeft naar "de manier van den Helschen Breugel" (p. 2). Dit beeld van de Duitse barbaarse middeleeuwen vol bijgeloof zal de latere (verlichte) kritiek in Nederland op de Duitse Schauerroman-produktie blijven overschaduwen. C.H. Spiess' Das Petermännchen (1791) en Nauberts Hermann von Unna (1788), beide vrij vroeg in het Nederlands vertaald (1795, respectievelijk 1804), hebben dit nog kracht bijgezet. Spoken en bijgeloof De actualiteit van het onderwerp (duivelsbezweringen en spokerijen), ook in Nederland, blijkt onder meer uit het "Vraagstuk" dat de Maatschappij "Tot Nut van het Algemeen" ter beantwoording (voor 1799) als volgt stelde: Naardien de Vooroordeelen omtrend de Waarzeggeryen, als mede omtrend de Duivelsbezweeringen, toveryen en Spookeryen, by het grootste deel der menschen, nog niet overwonnen, en evenwel voor Godsdienst, Zeden en Maatschaplyk Geluk allernadeeligst zyn; vraagt de Maatschappy: een bondig, zoo veel mooglyk, kort, en voor de gemeene vatbaarheid, en, ter overtuiging van ongeoefenden, geschikt Betoog, waarin het ongegronde, het onzedelyke, en het schaadlyke van deeze en andere hier mede verbondene Vooroordeelen worden aangetoond, en de Twyfelingen tevens opgelost, die, tot staaving van dezelven, uit de Heilige Schrift, gewoonlyk worden bygebragt. Deze prijsvraag werd, bij wijze van informatie, vooraan afgedrukt in de gretig besproken Spookeryen. Korte Vertellingen uit het Ryk der Waarheid door S.C. Wagener (Amsterdam, 6 delen: 1798-1803). In het "Bericht" bij het eerste deel (1798) wordt gewezen op de blijvende "hang tot het wonderbaare en het bovennatuurlyke", hoe ongerijmd ook aan het einde van de verlichte eeuw. "Misschien", zo voegt de auteur eraantoe, "dat 'er veel toe doe het leezen van zekere soort van greetig gezochte romans"! Hijzelf wil erop reageren en krijgt daarvoor van de recensenten van de Vaderlandsche Letteroefeningen (1799, I: 49; 1800, I: 481) en van de Vaderlandsche Bibliotheek (1799, I: 237-8) de volle steun. Het succes van de prijsvraag is echter relatief, want, ondanks de tientallen "gewaande" geestesverschijningen in talloze romans en verhalenbundels, blijven de critici fulmineren tegen spookgeschiedenissen allerhande. Eigenlijk niet zo verwonderlijk, omdat er een dubbelzinnigheid bestaat in de rationalisering achteraf (cf. Radcliffe): de lezer wordt een hele tijd gretig gevoed met onwaarschijnlijkheden en bijgeloof, wat uiteindelijk de spankracht van het verhaal uitmaakt. De oplossing aan het eind verandert daar niet zoveel aan. Men ziet zelfs een omgekeerd effect optreden rond 1815-20. Tekenend is hiervoor de publikatie van en reactie op Jung Stillings Theorie der Geestenkunde. Uit het Hoogduitsch vertaald (Leeuwarden, 1814). De Nederlandse kritiek is bitter gestemd: wij hebben zulke strijd geleverd tegen alle vormen van bijgeloof, en "daar komt nu Jung, en rukt de poorten van de geesten- wereld weder open". De recensent van het Letterkundig Magazijn schaart zich dan ook achter het Bazelse ministerie, dat Stillings studie had verworpen: Voor dat zijn werk uitkwam, werd er naauwelijks een duizendste gedeelte zoo veel van geestverschijningen gesproken, als sedert dien tijd. En wanneer hij hetzelve hoofdzakelijk tot dat einde geschreven heeft, opdat men aan de verschijningen uit de geesten-wereld niet meer waarde en gewigt hechte, dan haar toekomt, zoo konde het, ten minste met betrekking tot ons gewest, zeer wel ongeschreven gebleven zijn" (1816: 199). Nawerking in het tweede kwart van de 19de eeuw: gothic novel en historische roman De mode van de (vooral Duitse) ridder- en roverroman mag dan al door vele critici als voorbij worden beschouwd (cf. Letterkundig Magazijn, 1821: 429: "[...] Ridder-geschiedenissen, welke anders reeds uit de mode der Romannenwereld verbannen zijn" en 1822: 541: "[...] in deze dagen, waarin die soort van Romans (= Roover-romans) minder in de mode is"), met betrekking tot de schrik-romans en schrik-stukken ligt de zaak zeker niet zo duidelijk, gemeten aan het aantal produkties dat in de jaren twintig nog in Nederland verschijnt, opgevoerd wordt. Het Kritisch Lampje, dat zoals de Tooneelkijker de gang van zaken parodiërend volgt, is bijvoorbeeld schamper over het blijvende succes van Kotzebue en Zschokke op het toneel (1822-3: 136-9). Sensationele schrik- en gruwelstukken als Aballino, of de grote Bandiet en De Kruis- vaarders (waarin een non wordt ingemetseld!) blijven volle zalen trekken. Ze zetten de succestraditie van Vulpius' Rinaldo Rinaldini en Glorioso de Grote Duivel onverminderd voort. En nog voor een hele tijd. Lezen we niet in Woutertje Pieters van Multatuli dat de jeugdige held van het verhaal zijn Nieuw Testament heeft verkocht voor 14 stuivers om uit de leesbibliotheek de avonturenroman Glorioso te ontlenen. Het grote publiek blijft aan het melodrama vasthouden, ondanks de niet aflatende kritiek. Hierbij maakt de aversie tegen Duitse Schicksaldrama's geleidelijk plaats voor een nog sterkere afkeer van onzedelijke Franse produkten uit de "verderfelijke" school van Jules Janin en Victor Hugo (vooral met La Esmeralda en Han d'Islande, beide bewerkt door Adriaan van der Hoop, terwijl ook Zetternam in het laatste werk zijn inspiratie vond voor Rowna, 1845). In het Leeskabinet (1835, 2: 201; zie Gallas, p. 260) wordt de nieuwlichterij op het Franse theater in helse kleuren geschilderd: Ziet men dat alles van nabij en in schreeuwend licht, dan begrijpt men, hoe de Fransche dichters hunne verfkist uit de hel nemen, zwart op zwart, gruwel op gruwel stapelen, moord-, schandaal-, en echtbreukhistoriën uitbroeyen, en een waren heksendrank brouwen, waarbij men niet weet, waarover men zich meer ergeren zal, over de bekrompenheid, botheid en stumperachtigheid van het publiek, dat zulk een afgrijselijk brouwsel, onverschillig of gulzig opslobbert, alsof het heel wat lekkers was, of over de schaamteloosheid der auteurs, die, tegen hunne betere overtuiging aan, moordlust, bloedschande, familie-ellende, kortom alle lieve bestanddelen der zoogenaamde galvanische litteratuur bij voortduring opdisschen ... Naar aanleiding van een opvoering van Mallefilles Les Enfants de Lara fulmineert ook de recensent van de Vaderlandsche Letteroefeningen in 1836: Ziedaar een fraaije Letterkunde en een heerlijk voortbrengsel der hedendaagsche School! Brandstichting, bloedschande, overspel, heiligschennis, oudermoord, kindermoord, broedermoord, doodslagen en ongebondenheid. [...] Ziedaar wat ons vertoond wordt in het zesde jaar der glorieuze Omwenteling ... ! Het lijkt wel een verlate samenvatting van een gothic novel. In de verhaalkunst blijven eveneens herdrukken van vertalingen en imitaties van vroegere romans het doen, getuige de lijst van G. Kuiper over "Buitenlandse literatuur in de tijdschriften tussen 1830 en 1840". Ook de eigen produktie van soortgelijke verhalen neemt niet af. Wel integendeel. In een doctoraalscriptie aan de Universiteit van Amsterdam (1982) hebben Marlies Schuurman en Ans Wiechman geconstateerd dat er zelfs een piek van Gothic Novels te noteren valt omstreeks 1845, dus een hele tijd na de hoogconjunctuur van het genre in Engeland en Duitsland, hoewel ook daar de "Nachwuchs" erg groot is. In 1853 nog geeft J. de Vries, onder pseudoniem Octavius Kwarto in zijn Schetsen en Fragmenten voor en achter de toonbank een kleurrijk beeld van de preferenties bij het kliënteel van een populaire leesbibliotheek; en Radcliffe (of althans haar werk) ontbreekt niet op het appèl, zoals blijkt uit een gesprek tussen een boekverkoper en een cliënte: "Hebt u ook de Geheimenissen van Udolpho, of wel de Italiaan, of de Biechtstoel der zwarte Boetelingen van Radcliffe, of eenige andere ijsselijke geschiedenis; maar ze moet wel ijsselijk, razend, erg akelig zijn" vroeg eens een lieve meid, die luchtig den winkel kwam binnenstappen, aan Octavius. "Zijt ge dan zoo groot liefhebster om ijsselijke geschiedenissen te lezen?" vroeg de houder der bibliotheek. "Jongen ja, Mijnheer, maar het moet zeer afgrijselijk zijn." "Dan zal ik u de Twee Lijken geven van Frederic Soulié." "Komt daar veel in van moorden en branden?" "O ja, het boek is er vol van; van het opgraven van lijken, ophangen en radbraken, zoo ijsselijk als maar ooit in de verbeelding van een' mensch is kunnen opkomen." "En komt er ook van spoken in?" "Neen van spoken niet, voor zooveel ik mij herinner; maar des te meer van levende monsters." "Geeft u me dat boek dan maar, Mijnheer." "Ja, maar ge moet het spoedig uitlezen, juffrouw, want het wordt druk gevraagd; indien ik vele van dergelijke soort van boeken had, dan werd ik spoedig rijk." "Waarom maken ze dan niet meer van die mooije boeken?" "Ja, de schrijvers moesten zich meer daar op toeleggen, dat zou ons geld in den zak brengen en hun geene windeieren leggen." Het meisje verdween met het werk van Soulié. Geciteerd naar P. van Zonneveld, 1990: 67. Met de opkomst en het succes van de historische roman van Walter Scott in de jaren twintig moet men toch constateren dat er zich, op een hoger niveau dan dat van de pure sensatieroman, een genrevermenging begon voor te doen tussen Gothic Novel en historische roman, die zou leiden tot creaties als De Pleegzoon (1833) van J. van Lennep, La Esmeralda en De Renegaat (1838) van Adriaan van der Hoop Jr., en De Boekanier (1840) van Hendrik Arnold Meijer. De "gothic villain" krijgt hier zijn navolger in de byroniaanse held die qua uiterlijk (doodsbleke kleur, indringende ogen, aristocratisch slanke gestalte) en karaktertrekken (trots, passioneel, op wraak belust en melancholisch) "ontzettend erg" op hem gelijkt. Nederland gaat pas dan zijn eigen verleden ontdekken, gestimuleerd door de Verhandeling over het belangrijke van Hollands grond en oudheden voor gevoel en verbeelding (1827) van David Jacob van Lennep. Het jaar tevoren had de Vaderlandsche Letteroefeningen de verzuchting geslaakt niet slaafs de Scotse mode te volgen, met haar "ijsselijke natuurtooneelen ons geheel vreemd" en haar "Schotse, ons geheel vreemde zeden, uit den ouderen tijd" (1826, I: 687). Als legitimatie van eigen grootheid waren de Middeleeuwen echter voor Holland minder geschikt (wel voor Vlaanderen; cf. Conscience), zodat de Gidsers (Potgieter, Bakhuizen), mede uit angst voor teveel "katholicisme" als verhaalstof, aanmaanden te kiezen voor de eigen, gouden 17de eeuw. De zeden waren echter toen reeds zodanig geëvolueerd, dat van gruwelijke verhalen zoals die uit de Duitse Schauerromantiek geen sprake meer is. Besluit: Nederland en de Gothic novel traditie Wellicht is dit mede een factor geweest die kan verklaren waarom de Gothic Novel, net zoals de latere romantiek, slechts in verwaterde vorm in de Nederlandse literatuur is terug te vinden. Een uitspraak van Jacob Geel, naar aanleiding van een bespreking van een wijsgerig werk in de Journal de la Haye van 1837 (nr. 280 van 26 november) geeft treffend de positie dienaangaande weer van Nederland temidden van de grotere buurlanden. Hij schrijft daar het volgende: On aurait tort de nier, que les trois grandes nations, dont ce pays est cerné et pressé, l'affluence de leurs productions littéraires en tout genre, notre besoin général de lecture, nos innombrables traductions, enfin, tant bonnes que méchantes, ne paralysent complètement le développement d'une littérature hollandaise originelle. Wat ons daarom te doen staat is van die nood een deugd te maken. Nederland, zo vervolgt hij, [...] ne peut jamais se mettre à la tête d'un mouvement littéraire; mais il peut le mesurer, le suivre des yeux, profiter selon les besoins, avec le bon sens, ce household common sense, qu'aucune des trois grandes nations ne lui a jamais contesté. (cf. W. van den Berg, 1984: 61). In zijn Verhandeling wijst Willem de Clercq op hetzelfde fenomeen: onze letterkunde kan zich beroemen op regelmatigheid en houdt zich terug "van die uitersten ... , waaraan zich de Duitscher ... vaak overgeeft" (p. 327). Deze welbekende "household common sense"-mentaliteit, sterk gekleurd door godsdienstige bekommeringen, maakt in de besproken periode tussen 1795 en 1830 het standaardbetoog uit in de opstellen en kritische recensies in de vooraanstaande tijdschriften. Het betreft in de kern een rem op een teugelloze verbeelding die leidt tot ontsporingen in denken en dichten (zie Johannes, 1992: 64 vv). Vandaar de weinig vleiende attributen die men aan het uitheemse, erg extreme, en dus on- hollandse Gothic Novel-genre in zijn diverse varianten toeschrijft: buitensporig, te verhit, al te vierig, overdreven, ziekelyk verhoogd, wild, misleidend, enzovoort. De kritiek voelt zich in dezen vooral verant- woordelijk voor bepaalde risicogroepen die op dat soort lectuur verzot zijn: jongeren, vrouwen en laaggeschoolden. Zij zijn immers via de leesbibliotheken een makkelijke prooi voor allerlei vormen van bijgeloof die in dat soort romans schering en inslag zijn. Telkens weer wordt ver- zucht dat, ondanks de doorgebroken Verlichting, die kwaal niet uitgeroeid geraakt, en de spookverhalen worden uitdrukkelijk hiervoor verantwoordelijk gehouden. Vandaar de talloze verhalen over "gewaande" geestverschijningen, die het tij echter niet kunnen keren, integendeel. Dit is wellicht mede een reden geweest waarom de Engelse Gothic Novel met zijn sterk anti-paapse thematiek, toch niet in het door protestanten gedomineerde Nederland feestelijk werd binnengehaald, al werden sommige verhalen (onder andere over Jezuieten) op dat stuk gunstig beoordeeld. Omstreeks 1825, met het groeiend succes van de historische roman, voegt zich in dit grotendeels "zedelijk" standaardbetoog een sterkere "nationale component", die reeds tevoren aanwezig was in de erg kritische evaluaties van kreupele vertalingen die "onzen nationalen smaak verbasteren" (De Recensent, 1806: 130). Als een echo op Wolff en Dekens "niet vertaald" roept men de landgenoten op "vaderlandsche" romans te schrijven die meer de gewoonten en zeden van de eigen lezers zouden weerspiegelen (cf. Letterkundig Magazijn, 1825, I: 708). Zelfs klimatologische en geografische factoren worden aangehaald om de aversie tegen het uitheems gothic-novel-genre te argumenteren: Neder- land is een vlak land, waar voor struikrovers en bandieten geen schuil- oorden bestaan zoals in de woeste bergstreken van Calabrië of in de Zuid- Duitse wouden. Men vergat daarbij dat voor het lezerspubliek van dit soort romans het exotische element mede de fascinatie voor het genre uitmaakte. Tot besluit: de Engelse "gothic novel", de Duitse "Schauerroman" en de Franse "roman noir" hebben geen typische Nederlandse tegenhanger opgeroepen, maar wel hun sporen nagelaten in diverse vormen van mediatie (vertalingen, bewerkingen), consumptie en navolging. Het onderzoek van de belangrijkste tijdschriften -- en daarin wordt toch de tijd(geest) geschreven -- leert ons dat de "gothic" als discussieonderwerp wel degelijk aanwezig was en zelfs de kern van het standaardbetoog over literatuur (zedelijke verheffing en strijd tegen bijgeloof) raakte. Het komt er alleen op aan in die kritiek het impliciete betoog te achterhalen, waaruit blijkt dat, alle negatieve commentaar ten spijt, de praktijk van produktie, distributie en consumptie in niet zo sterke mate verschilde van de nabuurlanden. Ook in Nederland speelt de socio-economische situatie van het boekbedrijf op dit terrein van populaire literatuur een belangrijke rol. Wel lijkt de impact ervan te zijn getemperd door sterker doorwegende ethische overwegingen en een conservatievere uitgeefpoli- tiek die te maken heeft met de aankoopgarantie van een heel netwerk van a-commerciële leesgezelschappen (zie Kloek en Mijnhardt, 1990: 117-8), waarvoor tijdschriften als de Vaderlandsche Bibliotheek als "boekengids" fungeren. Het zal de leesbibliotheken een zorg geweest zijn! Katholieke Universiteit Leuven Bibliografie Berg, W. van den. 1984. Kanttekeningen bij de letterkundige romantiek, De negentiende Eeuw, 8(2): 53-71. Gallas, K.R. 1948. Hoe wordt het beginnende Fransche romantisme in de Nederlandsche tijdschriften ontvangen? In: Album Frank Baur, I, Antwerpen, 257-64. Gorp, H. van. 1993. Het succes van de gothic novel. Enkele vertalingen en bewerkingen van Radcliffes The Italian. In: Herman, L. e.a. (red.) Veertien Listen voor de Literatuur. Kapellen: Pelckmans, 136- 53. Johannes, G.J. 1992. Geduchte Verbeeldingskracht! Dissertatie Amsterdam. Kloek, J.J. en Mijnhardt, W.W. 1990. Negentiende-eeuwse lees- cultuur, De negentiende Eeuw, 14(2-3): 113-32. Schuurman, M. en Wiechman, A. 1982. Gothic Novel, Gothische roman of Huiverroman. Een onderzoek naar het voorkomen van "gothic novels" in Nederland. Doctoraalscriptie UvA, o.l.v. B. Luger. Worp, J.A. 1907. Geschiedenis van het drama en van het tooneel in Nederland. 2 delen. Rotterdam. Zonneveld, P. van. 1990 (1987). Panorama van de 19e eeuw. De tijd van Romantiek en Biedermeier. Bulkboek. Amsterdam/Barneveld.